Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8222

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
C/02/324857 / KG ZA 16-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Met artikel 6, aanhef en onder 4, ESH erkennen de lidstaten, waaronder Nederland, het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit recht strekt tot het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Een werknemersorganisatie is in beginsel vrij in de keuze van middelen om haar onderhandelingsdoel te bereiken. Of sprake is van een collectieve actie in de zin van dit artikel wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Indien de organisatoren van een collectieve actie aannemelijk maken dat dit het geval is, valt de actie onder het bereik van artikel 6, aanhef en onder 4, ESH en moet deze in beginsel worden aangemerkt als een rechtmatige uitoefening van het sociale grondrecht op collectieve actie.

Het ligt dan op de weg van degene die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt of uitgesloten, om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting gerechtvaardigd is. Dit laatste is gelet op artikel G ESH slechts het geval indien dit gelet op zwaarwegende belangen van de maatschappij noodzakelijk is. Die belangen kunnen liggen op het terrein van bescherming van rechten en vrijheden van anderen, van bescherming van de openbare orde, van de nationale veiligheid, van de volksgezondheid of de goede zeden. Bij de beantwoording van de vraag of dat het geval is, dient de rechter alle feiten en omstandigheden van het voorliggende geval mee te wegen. Bij deze weging kan ook worden betrokken of de in de rechtspraak aanvaarde processuele spelregels voor de uitoefening van het recht op collectief optreden zijn nageleefd.

In deze zaak wegen de gevolgen voor de openbare orde en veiligheid zo zwaar dat een beperking op het stakingsrecht noodzakelijk is geoordeeld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4003
RAR 2017/48
JAR 2017/28
AR-Updates.nl 2016-1463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/324857 / KG ZA 16-848

Vonnis in kort geding van 22 december 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS REIZIGERS BV,

gevestigd te Utrecht,

2. de vereniging

VERENIGING REIZIGERS OPENBAAR VERVOER ("ROVER"),

gevestigd te Amersfoort,

eiseressen,

en

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V. (“Prorail”),

statutair gevestigd te Utrecht,

gevoegde partij,

advocaat mr. J.M. van Slooten te Amsterdam,

tegen

de vereniging

VAKVERENIGING VOOR MACHINISTEN EN CONDUCTEURS (VVMC)

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. M.R.O. van Ooijen te Boxtel.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als NSR (vrouwelijk enkelvoud) en gedaagde zal VVMC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 december 2016, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de bij faxbrief van 22 december 2016 overgelegde producties 10 tot en met 18 zijdens NSR, tevens houdende een incidente conclusie tot voeging van Prorail aan de zijde van NSR;

  • -

    de mondelinge behandeling van 22 december 2016;

  • -

    de pleitnota van NSR;

  • -

    de pleitnota van VVMC.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft VVCM desgevraagd te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de verzochte voeging van Prorail aan de zijde van NSR. De verzochte voeging wordt toegestaan nu de aangevoerde belangen grond voor voeging bieden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

NSR vordert om bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

i VVMC te gebieden om binnen een half uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de aangekondigde collectieve actie en eventuele andere collectieve acties twee weken op te schorten tot 6 januari 2017;

Subsidiair:

ii. VVMC te gebieden om binnen een half uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de aangekondigde collectieve actie en eventuele andere collectieve acties op te schorten tot na de kerstdagen, te weten tot 27 december 2016;

Meer subsidiair:

iii. VVMC te gebieden om binnen een half uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de aangekondigde collectieve actie en eventuele andere collectieve acties te beperken tot hooguit een korte werkonderbreking buiten de ochtend- en avondspits van 23 december 2016;

In alle gevallen:

iv. voornoemde veroordeling te versterken met een dwangsom van € 50.000,- per keer dat VVMC geheel of gedeeltelijk in strijd met deze veroordeling handelt en voorts op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de overtreding geheel of gedeeltelijk voortduurt; en

v. aan NSR verlof te verlenen als bedoeld in artikel 64 lid 3 Rv om het ten deze te wijzen vonnis op alle dagen en uren aan VVMC te laten betekenen; en

vi. VVMC te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

VVMC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van NSR is de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3 De beoordeling

3.1. 3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. NSR is onderdeel van de N.V. Nederlandse Spoorwegen ("NS") en is verantwoordelijk voor het reizigersvervoer per spoor in Nederland, waarbij circa 1,1 miljoen reizigers per dag vervoerd worden.

b. Per 11 december 2016 is een nieuwe dienstregeling van de NS van kracht, op basis waarvan de dienstroosters voor machinisten en hoofdconducteurs (HC's) worden bepaald in de vorm van "werkpakketten", waarbij personeel en materieel aan de dienstregeling gekoppeld worden.

c. NSR en VVMC hebben vanaf oktober 2016 een aantal keren met elkaar gesproken over de door haar leden ervaren problemen rondom de nieuwe werkpakketten. Ook andere vakbonden zijn bij de overleggen over de werkpakketten betrokken.

d. NSR heeft vervolgens inloopsessies gehouden op standplaatsen om de medewerkers bij te praten over de situatie rondom de werkpakketten en mogelijke oplossingen. Vervolgens hebben NSR en VVMC op 1 november 2016 - in een extra vakbondsoverleg - het resultaat hiervan besproken.

e. NSR heeft besloten om in april 2017 nieuwe aangepaste werkpakketten op te leveren voor de machinisten en voor de HC's in juni 2017. NSR heeft dit gecommuniceerd naar de medewerkers.

f. Bij brief van 8 december 2016 heeft VVMC haar onvrede geuit over de nieuwe werkpakketten en daarbij eisen geformuleerd. In deze brief van VVMC aan NSR staat - voor zover thans van belang - vermeld:

“Op 5 oktober 2016 heeft de VVMC via een Signaal laten weten dat de eerste geluiden die wij ontvingen over de werkpakketten zeer negatief waren. Duidelijk was toen al dat er sprake was van een afname van intercity’s en een toename van stoptreinen in de regio’s. In hetzelfde Signaal heeft de VVMC aangegeven dat liet erop lijkt dat NS alsnog liet ‘rondje om de kerk’ wil invoeren met als tussenstap ‘het rondje in de regio’.

Vervolgens heeft er op 13 oktober 2016 vakbondsoverleg plaatsgevonden waar de VVMC (samen met andere bonden) een stevig gesprek heeft gevoerd met de directie van NSR over de werkpakketten. Wij hebben de directie duidelijk gemaakt dat er op veel standplaatsen grote ontevredenheid is over de werkpakketten. Tevens is er door bonden de eis neergelegd om alles te doen wat er mogelijk is om tot betere en aanvaardbare werkpakketten te komen.

Bonden hebben hierbij de datum 1 november2016 genoemd als datum waarop de directie van NSR het resultaat van hun inspanningen aan de bonden moest presenteren. (…).

Op 1 november heeft de directie van NSR een aantal oplossingsrichtingen gepresenteerd. Voor de korte termijn wilde men bekijken welke opties lokaal mogelijk zijn, wilde men voorbereidende sessies voor PE’s met de grootste problemen op 3 en 4 november en men wilde een landelijke knip- en plaksessie op 5 november organiseren. Voor de langere termijn gaf de directie aan per april 2017 een volledig nieuw werkpakket te presenteren (…). Bonden hebben daarop aangegeven dat zij na de landelijke knip- en plaksessie hun achterbannen gaan raadplegen. (…).

Na overleg met onze achterban zijn wij tot het volgende eisenpakket gekomen:

-de 1100-serie en de ICO diensten integreren in het hele werklijnenpakket.

-in het basispakket de normtijden met 5 minuten vergroten.

-korte keringen beperken.

-maximaal 25% diensten op 1 baanvak per standplaats.

-unieke kilometers relateren aan de hoeveelheid personeel per standplaats. Bovendien deze unieke kilometers alleen maar tellen op doordeweekse dagen.

-lusten en lasten moderniseren.

-geen dedicated standplaatsen voor materieel of treinserie.

-FLIRT en ander nieuw binnenkomend materieel moeten meedoen in het gehele landelijke werkpakket.

-rekening houden met de lokale situatie bij het maken van het werkpakket. Moet lokaal roosterbaar zijn.

-maximaal 2 ipv 3 slagen.

-na april 2017 geen wijzigingsbladen meer verwerken die aan bovengenoemde eisen geweld aan doen.

Volgens de VVMC zijn de hierboven geformuleerde eisen nodig om tot aanvaardbare werkpakketten te komen voor alle medewerkers. Zoals hierboven reeds vermeld beschouwen wij deze brief als een ultimatieve brief en krijgt u tot uiterlijk 18 december 2016, 17.00 uur, de tijd om te reageren op onze eisen. Mocht u niet reageren en dan sluiten wij acties, in welke vorm dan ook, niet uit! Uiteraard zijn wij bereid om bovenstaande eisen toe te lichten.”

g. NSR heeft bij brief van 15 december 2016 gereageerd op voornoemde brief van VVMC. In deze brief van NSR staat - voor zover thans relevant - vermeld:

“(…). We nemen de zorg die u in uw brief aangeeft uiteraard zeer serieus. Ook wij vinden het belangrijk dat medewerkers een goed werkpakket hebben. De eisen die u in uw brief hebt geformuleerd, leiden bij ons tot een behoefte aan een nadere toelichting. We nodigen u daarom uit voor een ingelast vakbondsoverleg a.s. maandag 19 december 2017 om 14:00 uur in Utrecht. We zullen ook de andere vakbondsbestuurders voor dit overleg uitnodigen. In dat overleg zullen alle partijen in de gelegenheid zijn hun inbreng te leveren.

Ik wil vooraf de kanttekening plaatsen dat het onderwerp werklijnen en in het bijzonder het model van Lusten & Lasten onderwerp is van gesprek met de medezeggenschap van NSR. Met hen is inmiddels ook gesproken over dit onderwerp. In het gesprek licht ik dit graag aan u toe.”

h. Bij email van 18 december 2016 te 17:19 uur heeft VVCM aan NSR bericht:

“Op 8 december 2016 heeft u van de VVMC een schrijven ontvangen waarin wij een ultimatum hebben gesteld. Tevens heeft de VVMC in dit schrijven duidelijk aangegeven wanneer er geen inhoudelijke reactie op de door ons gestelde eisen wordt gegeven, dat de VVMC acties in welke vorm dan ook, niet uit kan sluiten.

Vervolgens hebben wij op 15 december jl. een reactie van mevr. [vrouw A] ontvangen waarbij wij helaas hebben moeten constateren dat er op geen enkele wijze inhoudelijk op de door ons gestelde eisen wordt ingegaan. Van de uitnodiging die gedaan wordt in dezelfde brief om op 19 december 2016 in een extra vbo extra toelichting te geven, zullen wij dan ook geen gebruik maken. Het verbaasd ons zeer dat u niet inhoudelijk bent ingegaan op de eisen omdat ondergetekende naast de brief het belang hiervan zowel bij dhr. [man A] als bij mevr. [vrouw B] mondeling heeft aangegeven.

Wij hebben de reactie van mevr. [vrouw A] op 16 december 2016 in een overleg met het hoofdbestuur besproken. Aangezien er niet inhoudelijk op onze eisen is ingegaan gaan we, zoals aangegeven in onze ultimatieve brief van 8 december 2016, over tot het voorbereiden van acties.”

i. Bij brief van 18 december 2016 heeft NSR op voornoemde email van VVCM gereageerd als volgt:

“(…). In mijn brief van 15 december jl. heb ik u - in vervolg op het door u op 8 december jl. gestelde ultimatum - uitgenodigd voor een extra vakbondsoverleg op 19 december a.s. Vanmiddag heeft u laten weten niet in te gaan op deze uitnodiging.

Ik betreur uw afwijzing op mijn uitnodiging en ben hierover bovenal zeer verbaasd. In uw brief d.d. 8 december jl. geeft u namelijk zelf aan bereid te zijnde door u geformuleerde eisen toe te lichten. Ik heb daarop aangegeven inderdaad behoefte te hebben aan een nadere toelichting en ik heb u om die reden uitgenodigd voor een overleg over hetgeen u in uw brief vraagt. Ik heb hier ook de andere vakbonden bij uitgenodigd zodat alle partijen hun inbreng kunnen leveren. Dat u nu - de dag voor het voorgestelde overleg - meedeelt dat u niet ingaat op deze uitnodiging tot een gesprek, vind ik in het licht van het bovenstaande onbegrijpelijk, ook gezien het feit dat het hier om een complex en voor alle partijen belangrijk onderwerp gaat. Ingaan op uw eisen via schriftelijke communicatie is daarom onmogelijk en zeer ongebruikelijk. Ik wil u daarom opnieuw uitnodigen voor een ingelast vakbondsoverleg en wel op dinsdag 20 december a.s. 11.00 uur in Utrecht. (…).”

j. VVCM heeft haar leden bij brief van 19 december 2016 bericht als volgt:

“(...). De VVMC is meer dan verbaasd dat de directie NSR wederom een nadere toelichting wenst over de problematiek rondom de werkpakketten. Immers in de afgelopen maanden is er meer dan voldoende overleg geweest, en hebben de oplossingsrichtingen van NSR niet het gewenste resultaat opgeleverd.

Nu wij geen inhoudelijke reactie hebben ontvangen, en de VVMC niet voor het verstrijken van het ultimatum is uitgenodigd voor overleg, betekent dit dat wij acties gaan voorbereiden. Dit hebben wij per brief aan de directie NSR meegedeeld, direct ná het verstrijken van het gestelde ultimatum.

Het moge duidelijk zijn dat wij de uitnodiging voor het extra ingelaste vakbondsoverleg hebben afgewezen.

Op zeer korte termijn laten wij aan de directie NSR weten, welke vorm en duur onze acties zullen hebben en waar en wanneer deze acties zullen plaatsvinden.

Het hoofdbestuur van de VVMC roept al haar actieleiders in het land op om zich gereed te maken voor een lange warme winter!”

k. NSR heeft bij brief van 20 december 2016 aan VVCM geschreven:

“Naar aanleiding van uw ultimatieve brief van 8 december heb ik u met brieven van 15 en 18 december jl. uitgenodigd voor ingelast vakbondsoverleg. Zoals ik in mijn schrijven van 18 december heb aangegeven, heb ik naar aanleiding van de door u gestelde eisen behoefte aan een nadere toelichting. De door u geformuleerde eisen zijn voor mij namelijk niet allemaal even duidelijk; wat bedoelt u bijvoorbeeld met ‘modernisering van lusten en lasten’ en wat verstaat u onder het aanpassen van de normtijden? Daarnaast is het onderwerp werklijnen en in het bijzonder het model van Lusten & Lasten onderwerp van gesprek met de medezeggenschap van NSR. Ik heb om die reden - naast een inhoudelijke toelichting op uw eisen - ook behoefte aan een toelichting hoe u kijkt naar de door u gestelde eisen en de rol van de OR NSR.

Tot mijn grote teleurstelling heeft u tot tweemaal toe op het laatste moment en zonder verdere toelichting gemeld niet in te gaan op mijn uitnodiging om met elkaar te overleggen.(…).”

l. Bij email van 20 december 2016 heeft VVCM op voornoemde brief van NSR gereageerd en schrijft:

Op 8 december 2016 heeft u van de VVMC een ultimatieve brief ontvangen. (…). Tevens hebben wij toen ons eisenpakket voor een beter werkpakket voor alle machinisten en hoofdconducteurs aan NS kenbaar gemaakt.

Het ultimatum is verstreken op 18 december 2016 om 17.00 uur. U hebt ervoor gekozen om niet inhoudelijk te reageren vóór de afloop van het ultimatum. Dit ondanks onze herhaaldelijke verzoeken zoals beschreven in onze brief van 18 december jongstleden.

In onze brief van 18 december 2016 geven wij u ook duidelijk aan dat de VVMC na het verstrijken van het ultimatum over gaat tot voorbereidingen van acties, zoals aangekondigd in onze ultimatieve brief.

Gezien het vorenstaande zal het u niet verbazen dat de VVMC en haar leden overgaan tot het voeren van actie. Middels dit schrijven kondig ik die actie officieel aan en zend ik u de concrete informatie over de inhoud van de staking.

Datum: vrijdag 23 december 2016.

Tijdstip: aanvang dienstregeling tot 11:00 uur.

Standplaatsen: Amsterdam, Rotterdam en Hoofddorp. (…).”

m. VVMC heeft haar leden opgeroepen om op vrijdag 23 december 2016 over te gaan tot het voeren van actie en het werk vanaf de aanvang van de dienstregeling tot 11.00 uur te onderbreken op de standplaatsen Amsterdam, Rotterdam en Hoofddorp.

3.1.

NSR acht de aangekondigde werkstaking onrechtmatig wegens strijdigheid met artikel 6 lid 4 Europees Sociaal Handvest (ESH) respectievelijk artikel G ESH.

NRS betwist dat er sprake is van een rechtmatige staking, nu de aangekondigde staking niet kan bijdragen aan de uitoefening van het recht op collectief onderhandelen, aangezien de eisen van de VVMC eerst vanaf april 2017 in nieuwe werkpakketten realiseerbaar zijn. NSR stelt dat zij heeft aangegeven bereid te zijn om de komende periode inhoudelijk met VVMC over deze eisen overleg te voeren en om te bezien waar verdere aanpassing van de werkpakketten mogelijk is. Volgens NSR is daarvoor ook nog voldoende tijd aanwezig omdat de werkpakketten pas per april 2017 gereed en eventueel aangepast dienen te zijn.

Ten tweede stelt NSR zich op het standpunt dat het stakingsrecht in dit geval op basis van artikel G ESH beperkt behoort te worden omdat de acties leiden tot grote schade dan wel risico’s op (a) financieel- en economisch gebied, (b) logistiek gebied, (c) sociaal gebied, en (d) op veiligheidsgebied, gelet op het tijdstip van de staking, te weten 23 december 2016, zijnde vlak voor aanvang van de kerstperiode met grote drukte. NSR betoogt daarbij dat sprake is van schending van de in acht te nemen spelregels van tijdige aankondiging en proportionaliteit. Ook meent NSR dat de aangekondigde staking prematuur is omdat VVMC het stakingsmiddel inroept terwijl partijen nog geheel niet uit onderhandeld zijn over de eisen van de VVMC. Volgens NSR heeft VVMC twee keer een uitnodiging voor nader inhoudelijk overleg over de eisen van VVMC afgewezen, terwijl de inhoud van de eisen van VVMC als verwoord in de brief van 8 december 2016 voor NSR enerzijds deels onduidelijk zijn en anderzijds de eisen ook niet zonder een nadere toelichting en overleg in te willigen zijn en daar bovendien tijd voor nodig is.

3.2.

VVMC voert aan dat zij op 8 december 2016 aan NSR een eisenpakket heeft gepresenteerd, waarop NSR tot uiterlijk 18 december 2016 17:00 uur de tijd had om inhoudelijk te reageren. Volgens VVMC gold ook voor het verstrekken van een toelichting harerzijds op deze eisen, dat dit zou moeten plaatsvinden binnen de gestelde termijn en is voorts aan NSR telefonisch medegedeeld dat NSR inhoudelijk op de eisen diende te reageren voorafgaand aan het verlopen van het ultimatum. In de visie van VVMC blijkt uit de brief van 15 december 2016 van NSR, dat zij van beide mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt, omdat zij slechts een uitnodiging doet tot overleg na afloop van het ultimatum en niet inhoudelijk op de eisen heeft gereageerd. Naar de mening van VVCM zijn partijen in een stadium beland waarin zij zijn uit onderhandeld en kan de voorgenomen stakingsactie redelijkerwijze bijdragen aan de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen tussen haar en NSR, zodat er sprake is van een rechtmatige uitoefening van het sociale grondrecht op collectieve actie. Volgens VVMC zijn er geen redenen om beperkingen te verbinden aan het recht op collectieve actie op de grond dat dit maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. Zij voert daartoe aan, dat het gaat om een eenmalige en kortstondige prikactie waarvan de schade aan derden - de reizigers van NSR - beperkt is tot enkele uren vertraging, terwijl het nagestreefde doel, zijnde een andere dienstregeling, voor de leden van VVMC van essentieel belang is en niet op andere wijze bewerkstelligd kan worden. In de visie van VVMC dienen de vorderingen van NSR dan ook te worden afgewezen.

3.3.

Het spoedeisend belang van NSR bij de gevraagde voorzieningen is gegeven, nu de acties zijn aangekondigd voor de ochtend van 23 december 2016 en direct tot aanzienlijke vertraging zullen leiden voor de reizigers en schade bij NSR en de maatschappij. NSR is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.

3.4.

Het stakingsrecht als uiteengezet in de arresten van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3077, FNV c.s./Enerco) en 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1687, Amsta/FNV) kan - voor zover in dit geding van belang - als volgt worden samengevat en omschreven.

Met artikel 6, aanhef en onder 4, ESH erkennen de lidstaten, waaronder Nederland, het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit recht strekt tot het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Een werknemersorganisatie is in beginsel vrij in de keuze van middelen om haar onderhandelingsdoel te bereiken. Of sprake is van een collectieve actie in de zin van dit artikel wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Indien de organisatoren van een collectieve actie aannemelijk maken dat dit het geval is, valt de actie onder het bereik van artikel 6, aanhef en onder 4, ESH en moet deze in beginsel worden aangemerkt als een rechtmatige uitoefening van het sociale grondrecht op collectieve actie.

Het ligt dan op de weg van degene die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt of uitgesloten, om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting gerechtvaardigd is. Dit laatste is gelet op artikel G ESH slechts het geval indien dit gelet op zwaarwegende belangen van de maatschappij noodzakelijk is. Die belangen kunnen liggen op het terrein van bescherming van rechten en vrijheden van anderen, van bescherming van de openbare orde, van de nationale veiligheid, van de volksgezondheid of de goede zeden. Bij de beantwoording van de vraag of dat het geval is, dient de rechter alle feiten en omstandigheden van het voorliggende geval mee te wegen. Bij deze weging kan ook worden betrokken of de in de rechtspraak aanvaarde processuele spelregels voor de uitoefening van het recht op collectief optreden zijn nageleefd.

3.5.

VVMC heeft in dit geval het stakingsrecht ingeroepen omdat zij een onderhandelingsresultaat nastreeft, bestaande uit een gewijzigd werkpakket. Gegeven de terughoudendheid die de voorzieningenrechter moet betrachten geldt dat zij daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de actie redelijkerwijs kan bijdragen aan de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Dat brengt mee dat de stakingsactie in beginsel rechtmatig is.

3.6.

Aan de orde is nu of het recht op staking moet worden beperkt op grond van de door NSR aangevoerde feiten en omstandigheden en de reactie van VVMC daarop. De voorzieningenrechter heeft het volgende bij de weging in aanmerking genomen.

Het is inherent aan een staking dat deze nadelige persoonlijke en financiële gevolgen heeft voor burgers en/of ondernemingen zoals NSR maar ook andere. Dit maakt immers dat de met een staking beoogde prikkel voldoende effect heeft. De door NSR genoemde gevolgen op deze punten zijn aanmerkelijk nu de staking, zoals zij onweersproken heeft aangevoerd, erg veel reizigers treft, grote financiële gevolgen heeft en ook sociaal gezien vanwege de aanloop naar de kerstdagen aanzienlijke impact heeft. Deze gevolgen zijn echter op zichzelf niet van doorslaggevend gewicht om het recht op staking op 23 december 2016 te beperken.

Van belangrijk en zwaar gewicht zijn de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan een staking op 23 december 2016. NSR heeft aangevoerd dat er onvoldoende orde- en veiligheidshandhavers beschikbaar zijn om de veiligheid voor grote mensenmassa’s op de door de staking te treffen grote stations zoals Amsterdam en Rotterdam en de luchthaven Schiphol te kunnen waarborgen. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan een vertegenwoordiger van NSR een nadere toelichting gevraagd op dit punt. Deze verklaarde in contact te staan met de nationale politie en dat van die zijde te kennen is gegeven dat de vele kerstmarkten en andere evenementen in deze periode, mede vanwege terreurdreiging, al dermate veel extra inzet van orde- en veiligheidshandhavers vergt dat de voor de veiligheid op genoemde stations en Schiphol, waar 23 december 2016 een piekdag is in verband met de kerstvakantie, benodigde handhavers niet beschikbaar zijn. VVMC heeft dit, desgevraagd, niet weersproken.

Wat betreft de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de stakingsactie en de totstandkoming daarvan geldt het volgende. De voorzieningenrechter deelt niet de uitleg die VVMC aan haar brief van 8 december 2016 toekent. Nu in een kort geding voor nadere getuigenverhoren geen plaats is, dient de uitleg van de brief te worden gebaseerd op de tekst daarvan. Op basis van de tekst mocht NSR de brief redelijkerwijze zo begrijpen dat het ultimatum betrekking had op het geven van enige reactie, niet op het geven van een inhoudelijke reactie. De brief vermeldt niet de woorden “inhoudelijke reactie” en evenmin dat het gaat om het “inwilligen van eisen”. De brief biedt NSR de gelegenheid een toelichting te vragen op de eisen. Dat heeft NSR met haar brief van 15 december 2016 tijdig gedaan. Partijen zijn nog in onderhandeling met elkaar. Uit de toelichting ter zitting maakt de voorzieningenrechter op dat constructief overleg met VVMC, en de andere bonden, zal voortgaan. Op dit moment kan niet worden gezegd dat een voor VVMC bevredigend onderhandelingsresultaat niet tot de mogelijkheden behoort. Deze feiten en omstandigheden maken het belang van VVMC bij een stakingsactie op 23 december 2016 van minder zwaar gewicht. Bovendien maken zij dat een stakingsactie juist op 23 december 2016 disproportioneel is.

3.7.

Het vorenstaande wegend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat het recht van VVMC om te staken wordt beperkt in die zin dat dit recht niet op 23 december 2016 mag worden ingeroepen. Gelet op hetgeen op het punt van de openbare orde en veiligheid van de maatschappij is vermeld is opschorting van het stakingsrecht tot 6 januari 2017 noodzakelijk, zoals primair door NSR is gevorderd. Ook dan zal, indien aan alle voorwaarden voor het inroepen van het stakingsrecht is voldaan, nog steeds sprake zijn van een effectieve uitoefening van het stakingsrecht omdat ook dan een prikkel ten behoeve van het resultaat van collectieve onderhandelingen het gevolg zal zijn.

3.8.

Gezien het vorenstaande luidt de slotsom dan ook dat de primaire vordering van NSR toewijsbaar is op een wijze zoals in de beslissing zal worden vermeld. De vordering tot oplegging van dwangsommen komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu VVMC ter zitting te kennen heeft gegeven de mondeling uitgesproken beslissing te accepteren en vrijwillig aan het vonnis te zullen voldoen. Om die reden komt evenmin voor toewijzing in aanmerking de vordering om NSR verlof te verlenen als bedoeld in artikel 64 lid 3 Rv om het vonnis op alle dagen en uren aan VVMC te laten betekenen.

3.9.

In de omstandigheden dat de voorgenomen collectieve actie weliswaar rechtmatig is, maar wordt beperkt in de hiervoor bedoelde zin en dat partijen op constructieve wijze de onderhandelingen zullen moeten voortzetten ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de hoofdzaak

4.1.

gebiedt VVMC de voor 23 december 2016 aangekondigde collectieve stakingsactie op te schorten en haar stakingsrecht niet eerder in te roepen dan vanaf 6 januari 2017;

4.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in het incident

4.3.

wijst de gevorderde voeging toe;

4.4.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in tegenwoordigheid van de griffier mr. Harteveld, in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.