Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5369

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
3051510 AZ VERZ 14-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 BW.

Fotoreportage voor privédoeleinden tijdens nachtdienst van een IC-verpleegkundige. Weging van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de gemaakte verwijten, de gevolgen van het handelen en het functioneren tijdens het 35-jarig dienstverband. Geen dringende reden. Toewijzing van het verzoek op grond van een verandering in de omstandigheden. Geen ontbindingsvergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/544
RAR 2014/156
TvPP 2014, afl. 6, p. 196
JAR 2014/188
AR-Updates.nl 2014-0680
GZR-Updates.nl 2014-0308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Breda

zaak/rolnr.: 3051510 AZ VERZ 14-90

beschikking d.d. 10 juni 2014

inzake

de stichting STICHTING AMPHIA,

gevestigd te (4818 CK) Breda, Molengracht 21,

verzoekster (hierna te noemen: Amphia),

gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel, advocaat te Breda,

tegen:

[verweerster],

wonende te [adres],

verweerster (hierna te noemen: [verweerster]),

gemachtigde: mr. S.M.B.W. Oosterbeek, advocaat te Breda.

1 Het verloop van het geding

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 2 mei 2014 ter griffie ontvangen voorwaardelijke verzoekschrift met producties;

b. de bij brieven van respectievelijk 8 mei 2014 en 12 mei 2014 door de gemachtigde van Amphia toegezonden aanvullende producties;

c. de bij brieven van respectievelijk 9 mei 2014, 12 mei 2014, 14 mei 2014 (tweemaal) en 15 mei 2014 door de gemachtigde van [verweerster] toegezonden producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014, gelijktijdig met de behandeling van de vordering van [verweerster] tot het treffen van voorlopige voorzieningen (zaaknummer 2978050 VV EXPL 14-50). Hetgeen in die zaak aan stukken is overgelegd en ter zitting is aangevoerd, wordt geacht –met instemming van partijen- ook in deze zaak in het geding te zijn gebracht en naar voren te zijn gebracht.

1.3

Ter zitting waren aanwezig Amphia, vertegenwoordigd door [X] (directielid),[Y] (voormalig teamleidinggevende ic) en[Z] (teamleidinggevende kenniskern P&O/AWR) bijgestaan door mr. Verwiel voornoemd, alsmede [verweerster], bijgestaan door mr. Oosterbeek voornoemd. De gemachtigden van partijen hebben ter gelegenheid van de zitting hun pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.

1.4

Mr. Verwiel heeft ter zitting namens Amphia bezwaar gemaakt tegen (laattijdige indiening van) een deel van de onder 1.1 onder c genoemde producties. Ter zitting heeft de kantonrechter, na partijen te hebben gehoord, de stukken toegelaten als processtukken.

2. Het verzoek

2.1

Amphia heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk -voor het geval in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat- op korte termijn te ontbinden primair op grond van een dringende reden en subsidiair op grond van een verandering in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerster].

2.2

[verweerster] heeft primair verzocht het voorwaardelijke verzoek af te wijzen en subsidiair verzocht aan haar bij ontbinding van de overeenkomst een vergoeding toe te kennen op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor van 1.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

A. Amphia is een ziekenhuis met een zogeheten “Level 3” ic-afdeling, zijnde het hoogste niveau van ic-afdelingen in Nederland. Op de ic-afdeling van Amphia worden patiënten één op één verzorgd door een daartoe gespecialiseerde verpleegkundige. Bij het bed van de patiënt kunnen via bewakingsmonitoren vitale functies gevolgd worden. Via een beveiligde pc in de nabijheid van de patiënt kan het elektronisch patiëntendossier geraadpleegd worden en kan de fysieke toestand van de patiënt gemonitord worden.

B. [verweerster] -geboren op[geboortedatum]- is op [datum] bij Amphia in dienst getreden. Sinds [datum] was zij werkzaam in de functie van ic-verpleegkundige tegen een salaris van laatstelijk € 2.442,79 bruto per maand exclusief toeslagen op basis van een arbeidsduur van 24 uur per week.

C. In en kort na de nachtdienst van [verweerster] van [nachtdienst] (hierna te noemen: de nachtdienst) is er -onder meer- het volgende gebeurd.

- De nachtdienst begon -zoals altijd- om 22:45 uur. Bij aanvang van de dienst heeft [verweerster] van haar collega [collega A] de gebruikelijke dienst- en patiëntoverdracht gekregen. De betreffende patiënt (hierna te noemen: de patiënt) was zowel bij [collega A] als bij [verweerster] bekend en er waren geen bijzonderheden. Op het moment van deze overdracht -die plaatsvond op de kamer van de patiënt- stond [dochter] (de dochter van [verweerster], hierna te noemen: [dochter]) te wachten op de gang van de ic-afdeling. [dochter] is Miss International Netherlands en zij wilde met het oog op de wereldwijde Miss International verkiezingen – waarvoor zij op 5 december 2013 zou vertrekken (en is vetrokken) naar Japan – haar portfolio uitbreiden met een item over de gezondheidszorg in Nederland. In dat kader wilde zij enkele foto’s maken op de ic-afdeling van Amphia.

- Na voormelde overdracht -die tussen de 5 en 20 minuten heeft geduurd- heeft [verweerster] haar dochter opgehaald en haar haar witte Amphia-uniformjasje aangegeven met daaroverheen een sjerp met de tekst ‘Miss International Netherlands’. Vanaf dat moment tot omstreeks 23:45 uur is [dochter] op de ic-afdeling van Amphia geweest. [verweerster] heeft toen 15 foto’s van [dochter] op de ic-afdeling gemaakt. Tussendoor heeft [dochter] nog een geel overschort met mutsje, handschoenen en een mondkapje aangekregen. De foto’s zijn gemaakt door [verweerster] op 4 verschillende locaties binnen de ic-afdeling (op de patiëntenkamers 4 en 5, op de gang, in het magazijn en bij de balie).

- Een collega van [verweerster] -[collega B]- heeft in patiëntenkamer 4,waar zowel zijn patiënt als de patiënt van [verweerster] lag, aan [dochter] uitleg gegeven over het werk op de ic-afdeling. [verweerster] was daarbij aanwezig.

- Twee andere collega’s van [verweerster] ([collega A] en [collega C]) hebben [verweerster] tijdens het maken van de foto’s gevraagd of zij daarvoor toestemming had. [verweerster] heeft daarop geantwoord dat zij het had geregeld, terwijl dat niet het geval was.

- Nadat [dochter] was vertrokken heeft [verweerster] om 23:57 uur ingelogd in het metavisionsysteem. Vervolgens is zij om 00:28 uur begonnen met het invullen van het startdienstformulier.

- Na haar bezoek aan Amphia is [dochter] met de fotocamera van [verweerster] naar huis gegaan. Diezelfde nacht heeft zij op de laptop van [verweerster] gewerkt aan haar portfolio. In haar portfolio heeft [dochter] 8 van de door [verweerster] gemaakte foto’s en, onder meer, de navolgende tekst opgenomen: “(…) I thought it was nice to hear from the staff that no matter how sick people are and how little of the people who get in the intensive care department will survive, they do this work for the few people who do get through. For the very few who do survive.”
[verweerster] was ervan op de hoogte dat de foto’s gebruikt zouden worden voor de portfolio van [dochter]. Deze portfolio is toegezonden aan de Miss-organisatie in Nederland.

- Verder heeft [dochter] de betreffende tekst en 8 foto’s op haar facebookpagina geplaatst met diverse ‘likes’ als gevolg. Op deze 8 foto’s is te zien dat [dochter] in Amphiakleding met daarover de Miss-International-Netherlands-sjerp naast een (al dan niet leeg) bed met medische apparaten staat en deze apparatuur (op enkele foto’s) ook aanraakt, dat zij achter een computer zit en een computermuis vasthoudt en dat zij naast [collega B] voor computerbeeldschermen zit met daarop patiëntgegevens, zoals bloeddruk en hartslag. Op de foto’s zijn geen patiënten zichtbaar, behoudens de schouder van een patiënt op 1 foto.

- Op 4 december 2013 is [verweerster] gebeld door haar teamleidinggevende [teamleidinggevende]. Zij had de avond daarvoor de foto’s gezien op de facebookpagina van [dochter]. In dat gesprek heeft [verweerster] gezegd dat zij toestemming had van een arts-assistent, terwijl dat niet het geval was. Vervolgens heeft [verweerster] -op verzoek van Amphia- de foto’s van de facebookpagina van [dochter] gehaald of laten halen.

- In de periode tussen 3 en 10 december 2013 hebben er gesprekken plaatsgevonden met alle (direct) betrokkenen. Op 4 december 2013 is [verweerster] door Amphia op non-actief gesteld.

D. Op 11 december 2013 is [verweerster], naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen in haar nachtdienst van [nachtdienst], op staande voet ontslagen. Dit ontslag en de redengeving daarvoor is aan [verweerster] bij brief van 13 december 2013 bevestigd. Naast de benoeming van de diverse normen en regels die [verweerster] volgens Amphia niet in acht heeft genomen, somt Amphia in deze brief 12 verwijten en 5 bijkomende omstandigheden op, waarop het door Amphia gegeven ontslag op staande voet is gebaseerd.

E. [verweerster] heeft aangegeven het niet eens te zijn met het ontslag op staande voet.

3.2

Amphia heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerster] in haar handelen voor, tijdens en na de nachtdienst van 2 op 3 december 2013 niet, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de patiënten, van haar collega’s en van Amphia. De haar te maken 12 verwijten maken zowel afzonderlijk als gezamenlijk dat er sprake is van primair een dringende reden en subsidiair een verandering in de omstandig-heden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen. Dat geldt volgens Amphia temeer gelet op 5 bijkomende omstandigheden.

3.3

[verweerster] heeft als verweer aangevoerd dat niet alle verwijten die Amphia ten grondslag heeft gelegd aan het ontbindingsverzoek zich feitelijk hebben voorgedaan c.q. dat niet alle verwijten kunnen worden gemaakt. Er is volgens [verweerster] -mede gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder haar lange en smetteloze dienstverband bij Amphia en haar goede functioneren- geen sprake van een dringende reden noch van een verandering in de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen. Als er al sprake is van een verandering in de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst op korte termijn behoort te eindigen, valt haar niet -in overwegende mate- een verwijt daarvan te maken, zodat in dat geval een vergoeding op basis van de neutrale kantonrechtersformule op haar plaats is.

3.4

De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.4.1

Op basis van het over en weer gestelde staat vast dat geen verband bestaat tussen de indiening van het verzoekschrift en de in artikel 7:685 BW bedoelde opzegverboden.

3.4.2

De kantonrechter zal hierna ingaan op de verwijten die ten grondslag liggen aan het
-voorwaardelijke- verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daarbij zal de kantonrechter tevens acht slaan op de door Amphia gestelde bijkomende omstandigheden.

Verwijt 1: [verweerster] heeft geen c.q. onvoldoende zorg verleend aan haar patiënt

Vast staat dat [verweerster] haar dienst op correcte wijze is begonnen met de van collega [collega A] verkregen overdracht van haar patiënt aan het bed van die patiënt. Echter, daarna heeft zij zich -in verband met het maken van de foto’s van haar dochter- circa drie kwartier niet (volledig) beziggehouden met haar eigen(lijke) werkzaamheden. Dit is zonder meer verwijtbaar en in strijd met diverse regels en normen, temeer nu de aard en inhoud van haar functie als ic-verpleegkundige een constante oplettendheid vergen. Die oplettendheid zal niet betekenen dat voortdurend feitelijk zorg wordt gegeven, maar de vereiste oplettendheid komt wel degelijk in het gedrang indien tijdens een dienst andere zaken worden ondernomen dan de taken die een ic-verpleegkundige opgedragen heeft gekregen. Daarbij mag een werkgever op zijn minst verwachten dat een werknemer zich met het opgedragen werk bezig houdt en de zorg voor de patiënt zo goed mogelijk waarborgt. Daarvan is geen sprake geweest. Weliswaar heeft [verweerster] gesteld dat zij tijdens het (in de patiëntenkamer) maken van de foto’s van [dochter] haar patiënt ook goed in de gaten heeft gehouden, maar dat neemt niet weg dat zij ondertussen ook met niet-werkgerelateerde zaken bezig was. Ten aanzien van het eerst om 23.57 uur inloggen door [verweerster] in het metavisionsysteem en het om 00.28 uur openen van het startdienstformulier, is voorts onvoldoende betwist dat deze handelingen normaliter eerder na het starten van de dienst en vervolgens geregeld tussentijds worden verricht. Het feit dat deze handelingen niet de werkelijke zorg aan de patiënt betreffen en eventuele communicatie door een arts via dit systeem ook altijd nog mondeling wordt doorgegeven (zoals door [verweerster] gesteld en door Amphia niet weersproken) brengt nog niet mee dat aan deze handelingen ten behoeve van de patiënt geen belang zou toekomen. Immers, de status van een patiënt, zo begrijpt de kantonrechter, wordt daarmee door de verpleegkundige bevestigd en is aldus een relevante vastlegging, bijvoorbeeld in het geval dat de toestand van de patiënt veranderd. Met de stelling van [verweerster] dat de fotoshoot niet heeft afgedaan aan de zorg voor haar patiënt, miskent [verweerster] dat zij in dit geval het toezien op haar patiënt niet had behoeven te verminderen, indien zij zich niet bezig had gehouden met andere zaken dan haar werk. Aan [verweerster] dient wel te worden toegegeven dat de vereiste werkzaamheden ingeval van een instabiele en/of onbekende patiënt (iets) meeromvattend zullen zijn dan in het onderhavige geval van een relatief stabiele en reeds geruime tijd aan [verweerster] bekende patiënt, maar dat neemt een vereist hoog niveau van oplettendheid en zorg niet weg. Zo kan ook het feit dat het (verwijtbaar) handelen van [verweerster] geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de betreffende patiënt of een van de andere patiënten (althans dat is gesteld noch aannemelijk geworden) er niet toe leiden dat van een verwijt niet meer kan worden gesproken. Deze omstandigheden zijn echter wel relevant bij de afweging die gemaakt moet worden bij de (uiteindelijke) beoordeling of de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden en zo ja, op welke grond.

Verwijt 2: [verweerster] heeft de zorg voor haar patiënt niet overgedragen

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] de zorg voor haar patiënt niet volgens het protocol -dat geldt voor het tijdens de dienst kortdurend verlaten van de patiënt- heeft overgedragen op het moment dat zij de patiëntenkamer verliet voor het maken van foto`s van [dochter] elders op de ic-afdeling. Het verweer van [verweerster] dat een dergelijke overdracht niet nodig was, omdat zij zelf steeds de vereiste zorg heeft verleend, kan niet slagen, omdat vaststaat dat [verweerster] bij het maken van de foto’s elders op de ic-afdeling, de kamer van haar patiënt heeft verlaten en daarmee (weliswaar niet ver verwijderd van haar patiënt, maar) niet in de directe nabijheid van haar patiënt was. In een dergelijk geval is een overdracht volgens het protocol noodzakelijk. Het niet volgens protocol overdragen van haar patiënt is verwijtbaar. Daarbij dient wel in aanmerking te worden genomen in hoeverre het doel van het protocol feitelijk gewaarborgd is geweest. [verweerster] stelt daarover dat [collega B], al dan niet op haar verzoek, ook op haar patiënt heeft gelet. Amphia heeft dit betwist, maar een onderbouwing daarvan ontbreekt, terwijl in de stukken wel steun voor de stelling van [verweerster] kan worden gevonden. Amphia stelt dat [collega B], in een (tweede) door hem afgelegde verklaring (niet zijnde de als productie overgelegde verklaring) zou hebben verklaard dat hij de zorg voor de patiënt van [verweerster] niet heeft overgenomen. Indien [collega B] dit al zou hebben gezegd ([verweerster] betwist dit en de betreffende verklaring is niet overgelegd), kan hieruit echter nog niet geconcludeerd worden dat [collega B] de patiënt van [verweerster] niet in de gaten hield, aangezien deze verklaring niet uitsluit dat [collega B] met ‘overnemen’ doelt op het overdragen conform protocol. Deze laatste uitleg strookt ook met de verklaring die [collega B], blijkens de overgelegde beschikking van 12 maart 2014, in de procedure tussen [collega B] en Amphia heeft afgelegd, inhoudende dat, ondanks het feit dat de patiënt van [verweerster] niet formeel aan hem was overgedragen, door hem zorg aan deze patiënt is verleend tijdens de fotoshoot. Voorts staat vast dat [collega B] bij afwezigheid van [verweerster] steeds in de kamer is gebleven en dat hij ook reeds gedurende geruime tijd bekend was met de betreffende patiënt van [verweerster]. Met het voorgaande is niet gezegd dat het niet volgen van het protocol en het onnodig verlaten van de patiëntenkamer naar hun aard niet verwijtbaar zou zijn ([verweerster] heeft immers niet gehandeld zoals zij had behoren te handelen), maar -qua ernst van haar handelen/nalaten- weegt ook mee dat de patiënt niet geheel van zorg verstoken is geweest. Verder rechtvaardigt de stelling van [verweerster] dat zij in geval van nood snel ter plekke zou zijn geweest en dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de patiënten enige tijd alleen dan wel onder het toeziend oog van een collega in de patiëntenkamer verblijven, overigens geenszins dat [verweerster] in dit geval de patiëntenkamer verliet voor niet-werkgerelateerde zaken.

Verwijt 3: [verweerster] heeft inbreuk gemaakt op de privacy van patiënten op de ic en Verwijt 6: Er zijn patiëntgegevens te zien op schermen van metavision en er is informatie over de patiënt gegeven door [collega B]

Vast staat dat er, zonder toestemming van de patiënten, door [verweerster] foto’s zijn gemaakt in het bijzijn van patiënten -op een van de (later op Facebook geplaatste) foto’s is ook een schouder van een patiënt te zien- en dat [dochter] patiëntgegevens heeft gezien, althans kunnen zien. Dat brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat er sprake is van een aan [verweerster] verwijtbare schending van de privacy van de patiënt(en). Daar staat tegenover dat de patiënt op de foto niet herkenbaar/herleidbaar is en dat de gevolgen van het zien van de patiëntgegevens -mede gelet op de aard van de in dit geval zichtbare gegevens- beperkt zijn. De gegevens waren zichtbaar op een beeldscherm in het kader van de (algemene) uitleg die [collega B] aan [dochter] gaf over de werkzaamheden op de ic-afdeling van Amphia. Er waren niet meer gegevens zichtbaar dan cijfers, zoals bloeddruk en hartslag, en het zien van de patiëntgegevens was niet het doel van de handelingen van [verweerster], [dochter] en [collega B]. Voorts kunnen ook andere derden, zoals familieleden van andere ic-patiënten, de betreffende gegevens zien. Weliswaar, zo stelt Amphia, zijn zij met een legitieme reden op de ic-afdeling, maar het zijn net zo goed derden. Voorgaande geeft aan dat de betreffende patiëntgegevens, weliswaar privacygevoelig en daarmee beschermingswaardig, maar niet in zodanige mate privacygevoelig zijn dat patiënten (direct) nadeel ondervinden van het zien van deze gegevens door derden. Een en ander neemt de privacy schending en de verwijtbaarheid daarvan geenszins weg, maar deze omstandigheden plaatsen het verwijt -met het oog op de onderhavige beoordeling- wel in een bepaald perspectief.

Verwijt 4: De onjuiste indruk dat [dochter] ic-verpleegkundige bij Amphia is en

Verwijt 5: Het niet in acht nemen van de hygiënevoorschriften

Wat betreft het niet in acht nemen van de hygiënevoorschriften voert [verweerster] als verweer dat die voorschriften niet op [dochter] als bezoekster van toepassing zijn. De kantonrechter is echter van oordeel dat door de keuze van de Amphiakleding de indruk is gewekt dat [dochter] werkzaam was bij Amphia, zodat [verweerster] met het oog op het beeld dat met deze foto’s naar buiten komt, zich rekenschap had moeten geven van de (hygiëne)voorschriften van Amphia. Naar het oordeel van de kantonrechter is enkel ten aanzien van de lange wollige mouwen van de trui van [dochter], die -niet toegestaan- uitsteken onder de mouwen van de Amphiakleding, gehandeld in strijd met de kleding/hygiënevoorschriften. [verweerster] heeft deze schending toegestaan en dat valt haar te verwijten. Met verwijzing naar een overgelegde foto stelt [verweerster] in dit kader dat wel vaker -met toestemming van Amphia- foto`s waarop mouwen onder de werkkleding zichtbaar waren, naar buiten zijn gekomen, maar daarbij ging het niet om niet-aansluitende wollige mouwen. De overige verwijten –ten aanzien van de nagels en handen van [dochter]– zijn echter onvoldoende aannemelijk geworden. Immers, uit de foto’s kan niet worden afgeleid dat de nagels van [dochter] zijn gelakt en de (door [verweerster] betwiste) stelling van Amphia dat [dochter] (mogelijk) haar handen niet heeft gewassen, is niet meer dan een suggestie. Bovendien had [dochter] bij het aanraken van de apparatuur handschoenen aan. Dit laatste neemt overigens niet weg dat het kwalijk is dat [verweerster] heeft toegestaan dat [dochter] de apparatuur heeft aangeraakt en daarmee, in samenhang met de door haar gedragen kleding, de indruk heeft gewekt dat zij werkzaam was bij Amphia en dat zij de apparaten bediende. Daar waar blijkens een enkele foto sprake was van het aanraken van in werking zijnde apparaten, verwijt Amphia terecht -met het oog op de veiligheid van de patiënt- aan [verweerster] dat de grenzen van het toelaatbare ruimschoots zijn overtreden.

Verwijt 7: De foto’s van de ic en de bedrijfsvoering inclusief de daar aanwezige apparatuur is vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Amphia. Deze vertrouwelijkheid heeft [verweerster] geschonden

De kantonrechter is van oordeel dat Amphia onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat er vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Amphia naar buiten is gebracht door of met medewerking/medeweten van [verweerster].

Verwijt 8: [verweerster] is aanwezig geweest bij het verstrekken van vertrouwelijke informatie door [collega B] aan [dochter] over de patiënt, de activiteiten binnen de ic en de sterftecijfers en [verweerster] heeft niet opgetreden om te voorkomen dat die informatie werd gegeven en verspreid en

Verwijt 9: De betrokkenheid bij het opstellen van de portfolio en het ter beschikking stellen van foto’s aan de dochter om deze te openbaren

Naar het oordeel van de kantonrechter is het zwaartepunt van deze verwijten de
mededeling ten aanzien van sterftecijfers in de tekst (aangehaald onder 3.1 onder C) die [dochter] heeft gebruikt in haar portfolio en op Facebook. Doordat deze tekst een volstrekt verkeerd beeld geeft, alsof slechts weinig patiënten de ic-afdeling levend verlaten (Amphia heeft met de overgelegde productie 42 afdoende aangetoond dat de overall-mortaliteit op de ic 8,1% is), zijn de belangen van Amphia in het geding. Er is echter niet gebleken dat deze sterftecijfers zijn besproken in het gesprek tussen [dochter] en [collega B], zodat voor [verweerster] ook geen aanleiding heeft bestaan om in te grijpen bij het vernemen van onjuistheden tijdens dit gesprek. Naar het oordeel van de kantonrechter was er ook overigens geen noodzaak tot optreden van [verweerster] om te voorkomen dat [collega B] [dochter] een bepaalde uitleg gaf, behoudens ten aanzien van het hiervoor besproken tonen van de patiëntgegevens. Evenmin is gebleken dat [verweerster] (anderszins) betrokken is geweest bij het opstellen van de onjuist gebleken tekst (volgens [verweerster] heeft [dochter] gegevens van internet gehaald), zodat haar op dit punt geen verwijt kan worden gemaakt. Weliswaar is [verweerster] ook niet (direct) betrokken geweest bij het plaatsen van de foto’s op Facebook, althans dat is onvoldoende aannemelijk gemaakt, maar zij wist wel, althans kon weten, dat de door haar gemaakte foto’s op de facebookpagina van [dochter] zouden komen, aangezien [dochter] een apart deel van haar Facebook – met daarop foto’s van eerdere activiteiten – heeft ingericht voor de missverkiezingen. Op die manier kan het [verweerster] worden verweten dat de foto’s openbaar zijn gemaakt en zijn verspreid. De plaatsing op Facebook houdt in beginsel het risico in van een grote verspreiding. Echter de onderhavige foto’s zijn op 4 december 2013 verwijderd van de facebookpagina van [dochter] en hebben daar dus al met al niet langer dan een etmaal opgestaan. Vast staat wel dat de foto’s meermalen zijn ‘geliked’ (gesteld is 18 maal), waarbij naar het oordeel van de kantonrechter in het midden kan blijven of [verweerster] zelf de foto’s via haar eigen facebookpagina heeft ‘geliked’. Amphia stelt (betwist door [verweerster]) dat door het enkel ‘geliked’ zijn van de foto’s, de verspreiding daarvan, ondanks het verwijderen van de betreffende foto’s, niet stopt of ongedaan gemaakt wordt, maar deze stelling is niet onderbouwd, zodat onvoldoende aannemelijk is dat de foto’s zich nog op internet bevinden. Van enige verdere verspreiding is voorts niet gebleken, aangezien het aan de Nederlandse organisatie toegezonden bestand (portfolio met daarin de foto’s) is verwijderd en deze portfolio niet naar de organisatie van de missverkiezing in Japan is gestuurd. Dit blijkt afdoende uit de in de overgelegde e-mail van 12 mei 2014 vermelde datum van 4 december 2013 en de overige inhoud van die e-mail (productie B).
Aldus kan Amphia [verweerster] verwijten dat zij heeft mogelijk gemaakt dat -voor korte tijd en zonder verdere verspreiding- foto`s op internet zijn geopenbaard waarvoor geen toestemming bestond, welke foto`s een -voor Amphia schadelijk- beeld betreffende werkkleding, veiligheid en privacy van patiëntgegevens geven.

Verwijt 10: Er is gehandeld zonder respect voor de patiënt en

Verwijt 11: Het handelen van [verweerster] is disrespectvol naar collega’s

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] niet de juiste afweging heeft gemaakt tussen haar eigen belang, althans het belang van haar dochter, aan de ene kant en het belang van de patiënt aan de andere kant. [verweerster] heeft het patiëntenbelang niet vooropgesteld en dat is verwijtbaar. Verder heeft [verweerster] erkend dat zij heeft gelogen tegen haar collega’s en daar ook niet (tijdig) op is teruggekomen. Daar is geen rechtvaardiging voor en zij heeft daarmee het vertrouwen van haar collega’s beschaamd. Daar staat tegenover dat niet is gebleken dat dit een zware wissel heeft getrokken op de relatie met haar collega’s.

Verwijt 12: De belangen van Amphia als organisatie zijn niet in het oog gehouden

De kantonrechter is van oordeel dat het belang van Amphia om de zorg van patiënten te waarborgen en om naar buiten te treden als professionele instelling, groot is. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de in het onderhavige geval gegeven patiëntenzorg en het beeld dat dienaangaande naar buiten is gekomen.

3.4.3

Als bijkomende omstandigheden heeft Amphia de navolgende 5 omstandigheden genoemd: het handelen zonder toestemming, het liegen tegenover collega’s, het overwogen handelen van [verweerster], het acteren tijdens werktijd en de grote ervaring van [verweerster] als ic-verpleegkundige. Daar waar deze omstandigheden deels overlappen met de verwijten die hiervoor zijn besproken, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. Voorts geldt het volgende. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] wat betreft het maken van de foto’s weloverwogen heeft gehandeld. Het bezoek van [dochter] aan de ic-afdeling van Amphia was immers -weliswaar niet lang tevoren, maar wel ongeveer een dag op voorhand- gepland. [verweerster] is samen met [dochter] naar Amphia gegaan. Daar heeft zij [dochter] eerst in de gang laten wachten en vervolgens heeft [verweerster] haar dochter opgehaald. Het was dus geen verrassingsbezoek/verzoek van [dochter] waardoor [verweerster] overvallen werd of redelijkerwijs overvallen kon voelen. Daarnaast heeft [verweerster] voor haar handelen geen toestemming gevraagd, terwijl zij redelijkerwijs had moeten beseffen, mede gelet op haar ervaring, dat die toestemming wel nodig was. De eerste reactie van 2 collega`s ter plekke was immers ook de vraag of er wel toestemming voor het maken van foto`s was. Juist deze reactie van haar collega`s had [verweerster] aanleiding moeten geven om de fotoshoot, welke ook nog tijdens haar werktijd plaatsvond, verder geen doorgang te laten vinden. Door dat niet te doen en door over het hebben van toestemming te liegen, heeft zij haar eigen belang gesteld boven het belang van patiëntenzorg, de belangen van haar collega`s en het belang van Amphia. Voornoemde omstandigheden onderstrepen het verwijtbaar handelen van [verweerster].

3.5

Uit het hiervoor overwogene volgt dat [verweerster] een aantal (ernstige) verwijten gemaakt kan worden. Amphia mag [verweerster] haar handelen ernstig aanrekenen. Wel is het zo dat al die verwijten zijn terug te voeren op één relatief korte gebeurtenis, waarbij [verweerster] ondoordacht en onzorgvuldig heeft gehandeld. Van kwade bedoelingen is niet gebleken. Bij de beoordeling van de ernst van het handelen van [verweerster] dienen verder ook de gevolgen van haar handelen te worden betrokken. Dienaangaande geldt dat de belangen van Amphia en haar patiënten zeker in het geding zijn geweest, maar van daadwerkelijke en concrete schade of negatieve gevolgen is niet gebleken. Dat neemt het verwijt zeker niet weg, maar is wel van belang bij de onderhavige beoordeling, omdat daarbij alle belangen en omstandigheden meespelen. Voorts is sprake van een zeer lang dienstverband (19e tot 54-jarige leeftijd) en [verweerster] heeft die gehele 35 jaar goed gefunctioneerd.


3.6 Alle omstandigheden van het geval wegend, is de kantonrechter van oordeel dat -ondanks de (ernstige) verwijten die [verweerster] gemaakt kunnen worden- geen sprake is van een dringende reden. Wel heeft het verwijtbaar handelen van [verweerster] er naar het oordeel van de kantonrechter voor gezorgd dat er sprake is van een vertrouwensbreuk, die zodanig is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen. Daarom zal de arbeidsovereenkomst -voor het geval in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat- op grond van een verandering in de omstandigheden met ingang van 15 juni 2014 worden ontbonden. Met het oog op de omstandigheden van het geval komt het de kantonrechter niet billijk voor om aan [verweerster] een ontbindingsvergoeding toe te kennen. [verweerster] kan immers in overwegende mate een verwijt worden gemaakt van de vertrouwensbreuk. Haar handelen en de hiervoor besproken verwijten hebben de vertrouwensbreuk veroorzaakt. Weliswaar heeft Amphia vervolgens bijgedragen aan de vertrouwensbreuk door [verweerster] -naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter in kort geding ten onrechte- op staande voet te ontslaan, maar de eerste en meest zwaarwegende oorzaak van de vertrouwensbreuk ligt bij (het handelen/nalaten van) [verweerster]. De verwijten blijven immers (grotendeels) staan en brengen mee dat een vergoeding niet passend is.

3.7

Nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zal worden bepaald dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst -voor het geval in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat- op grond van een verandering in de omstandigheden met ingang van 15 juni 2014, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerster];

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.A.M.L. Van den Bosch-van de Sande en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2014.