Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4958

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
130219 / KG ZA 12-134
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1166, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De gemeente Bronckhorst mag niet meewerken aan de herdenking van Duitse soldaten in Vorden binnen het kader van de jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei. De herdenking kan wel doorgaan in de traditionele vorm. De burgemeester en andere vertegenwoordigers van de gemeente mogen tijdens of na deze herdenking niet langs de Duitse graven lopen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/357
JB 2012/155 met annotatie van R.J.B. Schutgens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 130219 / KG ZA 12-134

Vonnis in kort geding van 4 mei 2012

in de zaak van

de rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek

FEDERATIEF JOODS NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BRONCKHORST,

zetelend te Hengelo (Gelderland),

gedaagde,

verschenen in de persoon van de gevolmachtigde ambtenaren de heer P. van Eykel en de heer H.D.J.G. van Woudenberg,

advocaat mr. F.B.M. van Aanhold te Zutphen.

Partijen zullen hierna FJN en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 4 mei 2012;

- de pleitnota aan de zijde van FJN;

- de pleitnota aan de zijde van de gemeente.

2. De feiten

2.1. FJN behartigt sinds jaar en dag belangen van joden in Nederland. FJN rekent daar ook onder de bescherming van joodse overledenen, waaronder hun nagedachtenis.

2.2. Al vele decennia organiseert het Vordense 4/5 mei comité (hierna: het comité) op 4 mei de jaarlijkse dodenherdenking op de gemeentelijke begraafplaats in Vorden.

2.3. Het comité heeft zich na de Tweede Wereldoorlog samengesteld uit betrokken Vordense burgers en vult zichzelf sindsdien door coöptatie aan. Het comité mist elke vorm van rechtspersoonlijkheid. Het mag zich verheugen in een kleine jaarlijkse subsidie van de gemeente.

2.4. Dit jaar wil het comité voor het eerst ook Duitse soldaten herdenken die – ongeveer 25 meter verwijderd van het centrale monument - op de Vordense begraafplaats begraven liggen, nadat zij in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog in de nabije omgeving gesneuveld waren bij oorlogshandelingen.

2.5. Het comité streeft ernaar dat de plechtigheid zich zal kenmerken door verbroedering en verzoening tussen diverse groepen van nabestaanden; zo is de nieuwe vorm van de plechtigheid van dit jaar afgestemd met twee Britse families van omgekomen Britse soldaten, die al jaren bij de herdenking in Vorden betrokken zijn.

2.6. De herdenking van Duitse soldaten zou oorspronkelijk een onderdeel van de gehele plechtigheid vormen, maar naderhand is het een vrijwillige optie voor de aanwezigen geworden na afloop van de officiële, in het programmaboekje opgenomen ceremonie om al dan niet mee te lopen langs de graven van de Duitse soldaten; zij zullen er niet van weerhouden worden ook daar bloemen of kransen te leggen.

2.7. Ieder jaar op 4 mei plegen namens de gemeente de burgemeester, één van

de wethouders en/of raadsleden aanwezig te zijn bij een dodenherdenking in één van de vele dorpen die samen de gemeente Bronckhorst vormen. Dit jaar woont burgemeester Aalderink de plechtigheid in Vorden bij.

2.8. Traditiegetrouw zal de burgemeester onder het dragen van de ambtsketen ook dit jaar het woord voeren en namens de gemeente een krans leggen bij het monument midden op de begraafplaats, waar de Britse oorlogsgraven liggen en een plaquette de tekst behelst: “Voor hen die vielen”.

2.9. Eerst de afgelopen week is er intensief contact geweest tussen de gemeente en het comité naar aanleiding van de publieke commotie die is ontstaan naar aanleiding van het voornemen van het Vordense comité om ook bij de Duitse doden stil te staan. De gemeente heeft bij monde van de burgemeester laten weten, daarin geen aanleiding te zien om van deelname aan de ceremonie af te zien.

3. Het geschil

3.1. FJN acht het herdenken van Duitse soldaten, die in de Tweede Wereldoorlog hebben gevochten aan de zijde van Nazi-Duitsland, grievend en/of beledigend ten opzichte van (levende en dode) slachtoffers van het Nazi-regime en hun nabestaanden, waaronder vele joden.

FJN acht het onrechtmatig jegens haar en degenen wier belangen zij behartigt, dat de gemeente de voorgenomen herdenking van Duitse soldaten op 4 mei 2012 in Vorden binnen het kader van de jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei toestaat en/of daaraan meewerkt dan wel zich daarbij laat vertegenwoordigen.

3.2. FJN vordert op die gronden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a) de gemeente te verbieden om enige medewerking te verlenen aan herdenking op 4 mei 2012 op haar grondgebied van Duitse soldaten, die in de jaren 1940-1945 aan vijandige zijde hebben gevochten, terwijl de verst strekkende vordering luidt:

b) dat de gemeente er voorts alles aan doet om een zodanige herdenking niet te laten plaats vinden,

c) kosten rechtens.

4. De beoordeling

4.1. In weerwil van het pleidooi van de gemeente voor niet-ontvankelijk-verklaring van FJN acht de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk dat de statutaire doelstelling strekt tot behartiging van de belangen van joden in Nederland, inclusief de nagedachtenis van joodse overledenen.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop, dat niet het comité te Vorden hier gedaagde is en dat dus de door dit comité voorgenomen wijze van herdenking zelf niet ter discussie staat. Hooguit kan aan de orde komen of de gemeente ertegen mag en moet optreden dan wel eraan mag medewerken.

Evenmin is gebleken van enig besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dat de voorzieningenrechter zou kunnen onderwerpen aan de gebruikelijke marginale toets, inhoudende: kan een redelijk handelend gemeentebestuur afzien van een verbod dan wel besluiten tot medewerking aan of bijwoning van een dodenherdenking, die ook de herdenking van gesneuvelde Duitse soldaten omvat?

Daarmee resteert nog slechts de vraag of feitelijk handelen van de gemeente een onrechtmatige daad oplevert jegens degenen die FJN vertegenwoordigt en welke voorlopige maatregel(en) dit rechtvaardigt.

4.3. Het voert de voorzieningenrechter te ver om de verst strekkende vordering van FJN onder b) toe te wijzen, die neerkomt op een algeheel verbod van de dodenherdenking; dit geldt ook voor de geopperde afsluiting van de begraafplaats of het beletten van bezoeken aan de Duitse oorlogsgraven. In het midden kan dus blijven, of zowel het een als het ander niet een ontoelaatbare inmenging in de vrijheid van de aanwezigen vormt om hun gevoelens bij het verlies van dierbaren, hun compassie met de onvrijwillige slachtoffers, hun bewondering voor het verzet en hun meningen omtrent het oorlogsleed te uiten. Een controverse over wie er openlijk herdacht mogen worden, mag niet leiden tot een streep door de traditionele dodenherdenking. Een dergelijk verbod zou disproportioneel zijn en het is nog maar de – door eiseres ook niet beantwoorde - vraag of de gemeente daartoe – afgezien van een Noodverordening met het oog op serieus te vrezen verstoringen van de openbare orde - überhaupt de bevoegdheden wel heeft.

4.4. Aan de orde is nu dus niet een verbod of andere vorm van niet-toestaan van de voorgenomen brede herdenking, doch slechts de toelaatbaarheid van een vorm van medewerking die erin bestaat dat de gemeente de nieuwe vorm van dodenherdenking bijwoont door zich hierbij door haar burgemeester te laten vertegenwoordigen als spreker en aan het hoofd van de stoet. Onzeker is tijdens de behandeling van het kort geding gebleven of de burgemeester na de ceremonie – weliswaar zonder ambtsketen - naar de Duitse graven zal lopen. Het voornemen lijkt te zijn om daar geen kransen of bloemen te leggen, maar wel de stoet weer aan te voeren, bij de graven het hoofd te neigen en/of de tred in te houden.

De mogelijkheid bestaat dan nog steeds, dat de gemeente met haar vertegenwoordiging bij deze nieuwe vorm van herdenking nabestaanden en anderen kwetst, ook al is dat uitdrukkelijk haar bedoeling niet.

4.5. De voorzieningenrechter deelt het oordeel van FJN, dat het onrechtmatig is jegens haar en degenen wier belangen zij poogt te behartigen – te weten de (levende en dode) joodse slachtoffers van het Nazi-regime en hun nabestaanden - dat de gemeente meewerkt aan de voorgenomen herdenking van Duitse soldaten in Vorden binnen het kader van de jaarlijkse dodenherdenking en zich daarbij laat vertegenwoordigen. Herdenking van dode Duitse soldaten kan passend zijn, maar niet op 4 mei en niet in één adem met de herdenking van slachtoffers van het Nazi-bewind, Nederlandse oorlogsslachtoffers en geallieerde soldaten die de Nederlandse bevolking kwamen bevrijden van de macht van de Nazi-bezetters, die mede met behulp van dienstplichtige Wehrmachtsoldaten gewapenderhand gehandhaafd werd.

Het mag de gemeente min of meer overkomen zijn, dat het – naar moet worden aangenomen - uit goed bedoelende vrijwilligers bestaande comité plotseling tot een uitbreiding van de traditionele plechtigheid gekomen is, maar zij had zich toch moeten realiseren dat dit niet onmiddellijk – binnen een week na bekend worden ervan - ook bij oudere generaties algehele instemming zou oproepen, temeer nu niets gebleken is van enig streven van verwerving van draagvlak, bijvoorbeeld in de vorm van sondering onder diverse bevolkingsgroepen of een openbare behandeling in de gemeenteraad.

4.6. Veelzeggend acht de voorzieningenrechter in dit verband dat het comité gezegd heeft, pas tot de nieuwe opzet te hebben kunnen komen na het overlijden van de voormalige verzetsstrijders in het comité.

Daarmee is impliciet erkend, dat dezen hiermee grote moeite zouden hebben gehad en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat dit dan ook voor hun nabestaanden geldt.

4.7. Ook de opzet waarbij het aan de aanwezigen zelf wordt overgelaten om zich aan het eind van de ceremonie op te splitsen en ofwel langs de gebruikelijke weg huiswaarts te keren ofwel achter de burgemeester en het comité aan langs de Duitse graven te lopen, kan in plaats van de beoogde “verbroedering en verzoening“ niet anders dan tot verwarring en verdeeldheid leiden. In zo’n grote menigte zullen, als enige waarschuwing uitblijft, allicht sommigen gedwee de burgemeester volgen om onverhoeds te bemerken dat ze bij Duitse oorlogsgraven staan. Om dat te voorkomen, zullen dus voorzieningen moeten worden getroffen.

4.8. Deze zullen zich ook tot de burgemeester als burgervader richten: hij zal omwille van de gevoelens van sommige van zijn burgers en burgers elders in Nederland de Duitse graven op de avond van 4 mei 2012 moeten mijden.

Afdoen van de ambtsketen baat niet, omdat men niet geloofwaardig als burgemeester de begraafplaats kan betreden en deze als ambteloos burger verlaten. Dit geldt eens te meer voor andere gemeentelijke vertegenwoordigers, die geen keten dragen die ze kunnen afleggen.

4.9. Nu enerzijds de verst strekkende vorderingen van FJN zullen worden afgewezen en anderzijds de gemeente ook niet gevolgd zal worden in haar conclusie tot integrale afwijzing, zullen de proceskosten op de gebruikelijke wijze tussen partijen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. Gebiedt de gemeente Bronckhorst de volgende maatregelen te treffen bij de dodenherdenking op de gemeentelijke begraafplaats te Vorden op 4 mei 2012:

a) geen vertegenwoordigers namens haar een bezoek aan deze Duitse graven te laten brengen, er een krans of bloemen te laten leggen of anderszins te herdenken,

b) de aanwezigen uitdrukkelijk op de gelegenheid te wijzen om de begraafplaats te verlaten zonder langs de Duitse graven te komen,

c) de aanwezigen te waarschuwen wanneer zij de route naar de Duitse graven inslaan;

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2012.