Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BP0195

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-12-2010
Datum publicatie
10-01-2011
Zaaknummer
515214 CV 10-12146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Hinder van bomen. Afwijkend aanvangstijdstip van de verjaringstermijn. Aanvaarding beroep op afwijkende plaatselijke gewoonte. Geen onrechtmatige hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 515214 CV 10-12146

datum : 1 december 2010

Vonnis in de zaak van:

1. [EISER 1]

2. [EISER 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna gezamenlijk te noemen [eisers],

gemachtigde mr. C. van den Brink, jurist bij ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam,

tegen

1. [GEDAAGDE 1],

2. [GEDAAGDE 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna gezamenlijk te noemen [gedaagden],

gemachtigde mr. D. Talsma, advocaat te Dronten

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Vaststaande feiten

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

1.1. [eisers] en [gedaagden] bezitten elk een perceel grond in het park […] te [woonplaats]. Beide percelen (adressen: [adres]) zijn naast elkaar gelegen. [gedaagden] hebben op 29 mei 1993 hun woning in het […]park gekocht en [eisers] in 2004.

1.2. Het park [...] is een voormalig bos. In 1990 heeft het gebied de bestemming wonen gekregen en mochten op het terrein woningen worden gebouwd. Voor de bouw van de huizen is een groot deel van de bomen gekapt.

1.3. Op 22 december 1989 is de VvE Bungalowpark [...] opgericht. Alle eigenaren van een woning op het park zijn lid van de VvE.

1.4 [gedaagden] hebben op hun perceel 7 eikenbomen staan op een afstand van minder dan één meter van de erfgrens met [eisers] Het betreft bomen die deel uitmaakten van het bos. In de nabijheid van de erfgrens hebben [gedaagden] zelf ook nog beplanting aangebracht.

1.5 [eisers] hebben [gedaagden] bij brief d.d. 17 september 2009 een voorstel gedaan tot verwijdering van de bomen, de kosten daarvan te delen en tot herinplant over de te gaan van andere bomen en/of struiken. Bij brief van 7 oktober 2009 hebben [gedaagden] hierop gereageerd en hebben zij aangegeven slechts bereid te zijn tot het toppen van de bomen tot maximaal 30%. [eisers] zijn met dit voorstel niet akkoord gegaan.

In de periode 23 november 2009 tot en met 12 mei 2010 hebben partijen middels hun gemachtigden meerdere malen gecorrespondeerd over de bomen bij de erfgrens. Die correspondentie heeft echter niet geresulteerd in een vergelijk.

Het geschil

2.

[eisers] hebben gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om [gedaagden] te veroordelen:

primair

a. tot verwijdering van de bomen, te weten de zeven eiken en recent geplaatste appelbomen op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00;

subsidiair

b. tot het wegnemen c.q. beperken van de onrechtmatige hinder door het toppen en snoeien van de bomen en de appelbomen tot maximaal de nokhoogte van het huis, dan wel een in goede justitie te bepalen hoogte en het verwijderen van alle overhangende takken op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00;

meer subsidiair

c. binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis vergoeding van de schade ter hoogte van € 800,00 wanneer mocht blijken dat het onrechtmatige karakter van de hinder niet kan worden weggenomen;

zowel primair als subsidiair als meer subsidiair

d. tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 178,50;

e. in de kosten van deze procedure.

3.

[eisers] voeren daartoe primair aan dat de eiken binnen één meter van de erfgrens staan. Daarnaast hebben [gedaagden] appelbomen geplant die zich binnen 50 centimeter van de erfgrens bevinden, aldus binnen de “verboden zone” van artikel 5:42 BW.

Subsidiair voeren zij aan dat zij van de bomen onrechtmatige hinder ondervinden, doordat die veel licht en lucht wegnemen, alsmede overlast geven in de vorm van bladafval en overhangende takken. De bomen dienen daarom teruggesnoeid te worden tot maximaal de nokhoogte van hun woning en de overhangende takken dienen te worden verwijderd.

Mocht terugsnoeien geen optie blijken, dan wordt meer subsidiair vergoeding gevorderd van schade, bestaande uit de kosten van het verwijderen van de bomen, welke kosten kunnen worden begroot op een bedrag van € 800,--.

4.

[gedaagden] hebben met betrekking tot de primaire vordering (tot verwijdering) aangevoerd dat die ten aanzien van de eiken reeds is verjaard. Voor de aanvang van de verjaringstermijn is namelijk het tijdstip van planten bepalend (1968) dan wel het moment dat de erfgrenzen in [...] zijn bepaald (1988).

Voor het geval geoordeeld zou worden dat die vordering niet is verjaard, hebben [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat de eiken en de door henzelf aangeplante beplanting niet in de “verboden zone” staan, nu ingevolge de plaatselijke gewoonte in [...] geen afstanden voor bomen en struiken gelden. Bij de aangebrachte beplanting gaat het daarbij

overigens niet om appelbomen, maar om (appel)struiken.

Verder betwisten [gedaagden] dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Toen [eisers] kwamen wonen, stonden de eikenbomen er al. Inmiddels zijn die bomen al getopt en zijn zij in meer dan voldoende mate tegemoet gekomen aan de bezwaren van [eisers]

De gevorderde schadevergoeding is daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

De beoordeling

verjaring

5.

De kantonrechter zal eerst ingaan op het beroep op verjaring, het meest verstrekkende verweer tegen de primaire vordering tot verwijdering van de bomen.

5.1 Op grond van artikel 3:306 BW juncto 3:314 BW verjaart een vordering tot verwijdering na verloop van twintig jaar.

Partijen twisten over de vraag wanneer de verjaringstermijn is aangevangen.

5.2 De verjaringstermijn van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint ingevolge artikel 3:314 lid 1 BW met de aanvang van de dag volgende op de dag waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden.

5.3 In de jurisprudentie wordt veelal aangenomen dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment waarop de bomen zijn geplant. Ter motivering wordt naar het doel van het verbod verwezen, namelijk het voorkomen van bezwaren die de op een erf staande boom meebrengt voor het naburige erf, waaronder dat van onttrekking van voedsel en vocht aan de grond van het naburige erf. Dit bezwaar is, aldus de jurisprudentie, reeds aanwezig op het moment dat de boom wordt geplant en daarmee voor zijn uitgroei mede afhankelijk wordt van voedsel en vocht dat zijn wortelstelsel ook aan de grond van het naburige erf onttrekt.

In het onderhavige geval ligt dit naar het oordeel van de kantonrechter echter anders. De bomen waarvan de verwijdering wordt gevorderd maakten namelijk eerst deel uit van het bos. Pas later zijn in dat bos bomen weggekapt om ruimte te maken voor woningen. Dit betekent dat op het moment van planten de bomen geen overlast konden vormen voor een naburig erf. Als tijdstip waarop de huidige (potentieel) onrechtmatige toestand is aangevangen dient naar het oordeel van de kantonrechter in aanmerking te worden genomen het tijdstip waarop, na de opsplitsing van het bosperceel in kavels, de erven zijn uitgegeven en in gebruik zijn genomen. Vanaf dat moment konden de bomen een bezwaar vormen voor de (eigenaren van de) aangrenzende percelen. Het precieze tijdstip daarvan blijkt niet uit het dossier, maar wel komt daaruit genoegzaam naar voren dat de ontwikkeling van het gebied heeft plaatsgevonden in de beginjaren negentig van de vorige eeuw. Daarmee ligt het aanvangstijdstip van de verjaring ergens in die periode. Nu sedert die periode nog geen twintig jaren zijn verlopen, faalt het beroep op verjaring.

verwijdering van beplanting

6.

Nu het beroep op verjaring wordt verworpen, komt de rechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (primaire) vordering tot verwijdering van de eikenbomen en de aangeplante appelbomen danwel (appel)struiken.

6.1 Artikel 42 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het niet geoorloofd is om binnen 2 meter van de erfgrens bomen te hebben. Voor heesters en heggen bedraagt deze afstand 50 centimeter. Staat de beplanting te dicht bij de erfgrens, dan is die situatie onrechtmatig en kan verwijdering worden gevorderd van de beplanting, tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten.

6.2 [gedaagden] hebben in deze procedure een beroep gedaan op deze uitzondering en aangevoerd dat ingevolge de plaatselijke gewoonte in [...] geen (minimum) afstanden gelden voor bomen en struiken. Zij hebben zich er daarbij op beroepen dat het bestaande bos is gekapt om ruimte te maken voor woningen en dat als gevolg daarvan in diverse gevallen bomen en struiken op de erfgrens staan. Het is een keuze geweest van de VvE om die bosachtige uitstraling te behouden.

6.3 [eisers], hebben dit beroep op een afwijkende plaatselijke gewoonte niet, althans niet gemotiveerd, betwist. Zij hebben wel aangevoerd dat het beleid is gericht op uitdunning, zodat de mooiste bomen de ruimte krijgen om uit te groeien en nieuwe inplant kan worden gerealiseerd, maar die stelling houdt nog geen betwisting in van het verweer dat aanwezigheid van beplanting binnen de “verbonden zone” in het park [...] volgens plaatselijke gewoonte is toegestaan.

Dat verweer wordt ook ondersteund door het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de statuten van de VvE, waarin is bepaald:

De in het bungalowpark aanwezige houtopstanden moeten in stand worden gehouden en mogen niet worden gekapt zonder kapvergunning. Deze houtopstanden bevinden zich zowel op de particuliere kavels als ook op de gemeenschappelijke gronden”.

Uit die bepaling volgt dat aanwezige bomen dienen te blijven staan. Dus ook indien deze zich na de verkaveling van het bos mochten bevinden binnen de “verboden zone”.

Nu het beroep op een afwijkende plaatselijke gewoonte wordt aanvaard voor zover het betreft de aanwezige houtopstanden, ontvalt de grondslag aan de vordering tot verwijdering van de eikenbomen.

6.4 Met betrekking tot de beplanting die [gedaagden] zelf hebben aangebracht, geldt dat die naar het oordeel van de kantonrechter valt buiten de reikwijdte van artikel 7, lid 4, van de statuten; zelf aangebrachte beplanting kan in beginsel niet worden gebracht onder het begrip “aanwezige houtopstanden”. Niet is (gemotiveerd) gesteld of gebleken dat niettemin ook voor die beplanting naar plaatselijk gebruik een uitzondering geldt. Ten aanzien van die beplanting kan daarom niet worden gesproken van een plaatselijk gebruik dat toestaat dat beplanting zich mag bevinden binnen de “verboden zone”.

Voor die beplanting geldt, dat er van moet worden uitgegaan dat die zich niet mag bevinden binnen 50 centimeter van de erfgrens. [eisers] hebben namelijk niet (gemotiveerd) betwist dat het hier niet om bomen gaat, maar om met heesters en heggen gelijk te stellen (struik)gewas. Verder hebben [eisers] voor hun vordering ook aangevoerd dat die beplanting zich bevindt binnen 50 centimeter van de erfgrens, derhalve binnen de “verboden zone” die geldt voor heesters en heggen.

Indien en voor zover die aanplant zich inderdaad mocht bevinden binnen die zone (van 50 centimeter binnen de erfgrens) dient die derhalve verwijderd te worden.

Onduidelijk is echter gebleven of die beplanting zich inderdaad bevindt binnen die zone. [gedaagden] hebben zich daar niet over uitgelaten. Uit overgelegde correspondentie leidt de kantonrechter echter af dat zij zich op het standpunt stellen dat die appelstruiken (zoals zij ze noemen) zich bevinden op een afstand van 75 centimeter uit de erfgrens.

De kantonrechter zal de vordering tot verwijdering van die beplanting daarom voorwaardelijk toewijzen, namelijk indien en voor zover die zich inderdaad binnen de zone van 50 centimeter mocht bevinden. Daarbij gaat de kantonrechter ervan dat die erfgrens (inmiddels) duidelijk is, althans eenduidig moet zijn vast te stellen.

De kantonrechter zal aan die (voorwaardelijke) veroordeling een dwangsom verbinden als na te melden.

toppen en snoeien

7.

Aangezien de vordering tot verwijdering van de eikenbomen niet toewijsbaar is, komt de kantonrechter toe aan de subsidiaire vordering tot toppen en snoeien van die bomen.

7.1 Die vordering berust op artikel 5:37 BW dat, kort gezegd, bepaalt dat iemand niet op onrechtmatige wijze hinder mag toebrengen aan zijn buren, zoals het onthouden van licht en lucht en veroorzaken van overlast.

7.2 Indien bomen zorgen voor onrechtmatige overlast, kan dat grond opleveren voor toewijzing van een vordering tot het snoeien van die bomen op een zodanige wijze dat de onrechtmatige overlast wordt weggenomen.

Of er sprake is van onrechtmatige hinder, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.

[eisers] hebben in dat verband gesteld dat de bomen voor veel bladafval zorgen en zonlicht en lucht aan hun perceel ontnemen.

7.3 Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [eisers] niet aangetoond dat de overlast die de eikenbomen geven, zodanig van omvang is dat die in de omstandigheden van het geval dient te worden aangemerkt als onrechtmatig.

In een groenrijke omgeving zoals het [park] is het onvermijdelijk dat bomen voor enige overlast zorgen. Daar komt bij dat de bomen er al stonden toen [eisers] hun woning in het [park] betrokken. Zij konden dus naar algemene ervaringsregels weten dat de bomen zonlicht en lucht aan hun perceel zouden kunnen ontnemen en dat er (in de herfst) bladafval in hun tuin zou komen.

Tegen die achtergrond hebben [eisers] hun stelling dat de overlast die zij ondervinden als onrechtmatig moet worden geduid onvoldoende onderbouwd. Zij hebben foto’s overgelegd, maar daaruit blijkt niet (genoegzaam) van onrechtmatige hinder.

Zo valt uit deze foto’s slechts af te leiden dat de bomen van [gedaagden] alleen een beperkt deel van het zonlicht aan het perceel ontnemen. Daarmee kan niet worden gezegd dat, uitgaande van een groene woonomgeving gebouwd in een voormalig bos, van zodanige schaduw sprake is dat het (woon)genot van [eisers] onevenredig wordt beperkt.

Daar komt bij dat [gedaagden] in hun antwoord hebben aangevoerd dat de bomen inmiddels al zijn teruggesnoeid van 23 meter naar 18 meter. Bij repliek hebben [eisers] dat weliswaar betwist, maar zij hebben dat niet gemotiveerd gedaan, terwijl op enkele van de door [eisers] overgelegde foto’s te zien lijkt dat inderdaad (enkele van) de bomen zijn getopt. [eisers] hebben verder ook onweersproken gelaten dat de bomen thans niet hoger zijn dan 18 meter. Daarmee zijn, naar de kantonrechter aanneemt, de bomen reeds teruggesnoeid tot een hoogte die lager is dan toen [eisers] hun woning betrokken.

7.4 De vordering tot het (verdergaand) snoeien van de bomen, zal derhalve ook niet worden toegewezen. Met betrekking tot de overige beplanting (appelbomen/appelstruiken) geldt dat niet (gemotiveerd) is gesteld dat ook die beplanting inmiddels al aanleiding zou geven tot snoeien.

verwijdering van overhangende takken

8.

De vordering tot verwijdering van de overhangende takken komt eveneens niet voor toewijzing in aanmerking. [eisers] hebben naar het oordeel van de kantonrechter niet genoegzaam gemotiveerd gesteld dat sprake is van een zodanig wezenlijk probleem dat dit toewijzing van die vordering rechtvaardigt. Daarbij wordt overwogen dat indien daadwerkelijk (nog steeds) sprake mocht zijn van overhangende takken, [eisers] gerechtigd zijn om die takken zelf te verwijderen (art. 5:44 BW).

schadevergoeding

9.

Nu geen onrechtmatige hinder wordt aangenomen, bestaat ook geen grond voor de (meer subsidiaire) vordering tot vergoeding van schade, bestaande uit de kosten van verwijdering van de beplanting.

proceskosten

10.

Als de overwegend in het ongelijk gesteld aan te merken partij zullen [eisers] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagden] voorwaardelijk, indien en voor zover mocht blijken dat die zich bevindt binnen een afstand van 50 centimeter van de erfafscheiding, tot verwijdering van de door hen aangebrachte beplanting (appelbomen c.q. appelstruiken) binnen twee weken na de vaststelling dat aan de voorwaarde is voldaan én de betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10,-- per dag, met een maximum van € 1.000,--;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst de overige vorderingen van [eisers] af;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. O.E. Mulder, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 1 december 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.