Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3303

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
166722 / KG ZA 10-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verband tussen artikel 705 Rv en 6:51 lid twee BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166722 / KG ZA 10-16

Vonnis in kort geding van 18 februari 2010

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. G.J. Baken,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.W.G. Versendaal.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 15 producties

- de brief met bijlage van de zijde van [gedaagde] van 1 februari 2010

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tot 2001 heeft [gedaagde] samen met zijn broer de vennootschap onder firma [eiser sub 1] vof gedreven. Deze vennootschap hield zich bezig met visserij op de Noordzee.

2.2. Na het overlijden van hun [broer] in 1999 hebben [eiser sub 2] en [gedaagde] in 2001 besloten dat [gedaagde] samen met zijn zoon een ander visserijbedrijf, te weten Shamrock N.V., statutair gevestigd te [woonplaats] (België) zou voortzetten en dat [eiser sub 2] met [eiser sub 3] de vennootschap onder firma zou voortzetten.

2.3. [gedaagde] is op 31 maart 2001 uit de vennootschap getreden. In verband met zijn uittreding zijn partijen overeengekomen dat aan [gedaagde] een bedrag van ƒ 1.154.306,- (EUR 523.801) zou toekomen. Voor de betaling van dit bedrag zijn partijen een overeenkomst van geldlening aangegaan.

2.4. Partijen zijn overeengekomen dat over de hoofdsom of het onafgeloste gedeelte daarvan een rente is verschuldigd van vijf procent (5%) per jaar. De rente wordt per kwartaal achteraf voldaan op iedere eerste januari, eerste april, eerste juli en eerste oktober. Voorts zijn partijen overeengekomen dat partijen in overleg een regeling zullen treffen omtrent de aflossing van de hoofdsom.

2.5. In de daaropvolgende jaren heeft [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] diverse betalingen gedaan aan [gedaagde] en heeft [gedaagde] onttrekkingen gedaan uit het vennootschapvermogen. Daarnaast heeft [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] de hypotheekverplichtingen van de privéwoning van [gedaagde] voldaan.

2.6. Op 14 maart 2007 zijn partijen een nadere overeenkomst aangegaan voor de aflossing van de geldlening en de regulering van het gebruik door [gedaagde] van het bedrijfspand van [eiser sub 1, sub 2 en sub 3].

2.7. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] voor het gebruik van het bedrijfspand van [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] een vergoeding zal betalen van EUR 714,- inclusief BTW per maand. Voorts zal [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] iedere maand een bedrag van EUR 2.000,- overmaken aan [gedaagde], waarbij [gedaagde] zich verbindt om zelf de kosten van zijn hypotheek bij Nationale Nederland te voldoen.

2.8. Partijen hebben deze overeenkomst ongeveer 2 maanden nageleefd, waarna [gedaagde] geen gebruiksvergoeding meer betaalde, [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] geen EUR 2.000,- meer betaalde en [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] de hypotheekverplichtingen van [gedaagde] weer voldeed.

2.9. Op 10 november 2009 heeft de raadsman van [gedaagde] [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] aangeschreven in verband met de ontstane betalingsachterstand.

2.10. Op 6 november 2009 heeft [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand van de vennootschap en de privéwoningen van de vennoten.

2.11. Op 19 november 2009 heeft [gedaagde] een dagvaarding in de bodemzaak uitgebracht.

2.12. Vanwege haar slechte financiële positie zag [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] zich gedwongen het bedrijfspand aan het [adres 1] te [woonplaats] te verkopen en een kleiner bedrijfspand aan te kopen.

2.13. Op 20 november 2009 heeft [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] een koopovereenkomst met betrekking tot het bedrijfspand aan het [adres 1] te [woonplaats] met [belanghebbende] gesloten voor een bedrag van EUR 330.000,-. Op het bedrijfspand rust een hypotheek van EUR 3.272.268,13 bij de ABN AMRO Bank. Daarnaast zijn [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] en [belanghebbende] overeengekomen dat [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] een kleiner bedrijfspand van [belanghebbende] koopt.

2.14. [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] heeft [gedaagde] aangeboden om vervangende zekerheid in de vorm van een tweede of derde hypotheekrecht te stellen zodat het conservatoir beslag op het bedrijfspand kon worden opgeheven.

2.15. Bij faxbericht van 8 januari 2010 heeft [gedaagde] het aanbod van [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] tot het stellen van vervangende zekerheid afgewezen omdat [gedaagde] vreesde dat er na een eventuele executie niets meer voor hem zou overblijven om te verdelen.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] vordert samengevat - opheffing van de op 6 november 2009 gelegde beslagen op de onroerende zaken aan het [adres 1], [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Deze beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.2. [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] heeft niet weersproken dat zij een bedrag van EUR 41.321,- aan [gedaagde] verschuldigd is. Daarmee is voorshands het vorderingsrecht van [gedaagde] voldoende aannemelijk. Voorop staat dat [gedaagde] het recht heeft om ter verzekering van zijn vordering conservatoir beslag te leggen. Immers, een conservatoir beslag strekt naar zijn aard ertoe om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn.

4.3. [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij [gedaagde] voldoende vervangende zekerheid heeft aangeboden in de vorm van een tweede of derde hypotheek. Zij stelt dat de eerste hypotheekhouder (de ABN AMRO Bank) in principe aan het vestigen van een tweede of derde hypotheekrecht wil meewerken, mits [gedaagde] het recht van parate executie alleen zou kunnen uitoefenen als de bank daarvoor toestemming geeft. Voorts stelt [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] dat uit het door de accountant opgestelde overzicht van de bezittingen en schulden per 27 november 2009 volgt dat de bezittingen EUR 4.371.000,- waard zijn en dat de schulden EUR 3.615.702,- bedragen, zodat een positief saldo bestaat van EUR 740.298,- en derhalve na een eventuele executie voldoende saldo overblijft voor [gedaagde].

4.4. [gedaagde] heeft betwist dat met het vestigen van een tweede of derde hypotheek voldoende zekerheid is geboden. In de eerste plaats stelt hij dat geen zekerheid wordt geboden voor de begrote vordering van EUR 80.000,-. Niet is gebleken dat het onderpand, rekeninghoudend met de waarde en de overige hypothecaire schulden, EUR 80.000,- waard is, aldus [gedaagde]. In de tweede plaats stelt hij dat het voor hem niet mogelijk is om zonder moeite zijn verhaal te kunnen nemen, aangezien toestemming van de bank nodig zou zijn bij parate executie. Hij betwijfelt of er bij executoriale verkoop nog iets overblijft.

4.5. Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv dient het voor een geldvordering gelegd conservatoir beslag te worden opgeheven, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Voor de vraag of de zekerheid kwalitatief voldoende is, kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaf van artikel 6:51 lid 2 BW. Ingevolge dit artikel moet de aangeboden zekerheid zodanig zijn dat de vordering en eventuele rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Uit de eigen stellingen van [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] volgt reeds dat de eerste hypotheekhouder alleen toestemming voor het vestigen van een tweede of derde hypotheek geeft onder de voorwaarde dat het recht van parate executie alleen kan worden uitgeoefend na toestemming van de eerste hypotheekhouder. [gedaagde] zal alsdan niet zonder moeite verhaal kunnen nemen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de door [eiser sub 1, sub 2 en sub 3] aangeboden zekerheid onvoldoende is.

4.6. Fa. [eiser sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.167,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Fa. [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.167,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2010.