Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ2606

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2006
Datum publicatie
20-11-2006
Zaaknummer
148459/ KG ZA 06-647
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Essentie: een schuldenaar, die jegens een schuldeiser gehouden is tot betaling van een geldsom, is in beginsel verplicht een schuldeiser inlichtingen omtrent zijn inkomenspositie en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 148459 / KG ZA 06-647

Vonnis in kort geding van 14 november 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. H.T.J. Janssen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. [gedaagde sub 2] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

1.2. [eiseres] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.3. De procureur van [eiseres] heeft de vordering ter terechtzitting van

31 oktober 2006 toegelicht.

1.4. [gedaagde sub 1] heeft verweer gevoerd.

1.5. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 14 november 2005 heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard, in verband met een vordering, waaraan geldlening van € 31.000,-- ten grondslag ligt. Ter zitting van 4 april 2006, waar [gedaagde sub 2] niet is verschenen, heeft deze procedure in een schikking geresulteerd.

2.2. Daarbij zijn [eiseres] en [gedaagde sub 1] onder meer overeengekomen dat [gedaagde sub 1] aan [eiseres] een bedrag van € 36.000,-- zal betalen, in maandelijkse termijnen van € 600,--, ingaande per 1 mei 2006. Indien [gedaagde sub 1] een termijn niet of niet tijdig voldoet, dan wordt tevens het bedrag van de nog niet vervallen termijnen terstond, zonder nadere kennisgeving, opeisbaar. Tevens houdt de schikking in dat op de onverdeelde helft van de echtelijke woning van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], die niet in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, binnen drie weken na 4 april 2006 een recht van tweede hypotheek zal worden gevestigd ten bedrage van € 36.000,--, te vermeerderen met 20%. Daarbij is bepaald dat, voorzover [gedaagde sub 2] geen toestemming verleend voor het vestigen van deze hypotheek, het bedrag van € 36.000,-- ineens opeisbaar wordt.

2.3. [eiseres] heeft conservatoir beslag gelegd op de echtelijke woning en de inboedel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - :

1. primair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen drie dagen na het in deze te wijzen vonnis de notariële akte van hypotheek te ondertekenen, op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met de wettelijke rente;

2. subsidiair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen drie dagen na het in deze te wijzen vonnis aan [eiseres] een overzicht te overleggen van de aan [gedaagde sub 1] toekomende roerende zaken alsmede een overzicht van hetgeen [gedaagde sub 1] van [gedaagde sub 2] te vorderen heeft of te vorderen zal of kan krijgen, op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met de wettelijke rente;

3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de kosten van de notariële hypotheekakte, ten bedrage van € 713,51;

4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, ad € 800,--vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2. [eiseres] legt hieraan het volgende ten grondslag.

[gedaagde sub 1] noch [gedaagde sub 2] komen de uit de schikking van 4 april 2006 voortvloeiende verplichtingen na. [eiseres] geeft daarbij aan dat [gedaagde sub 1] tot op heden alleen - en te laat, te weten begin augustus 2006 - de betalingen voor de maanden mei, juni, juli en augustus 2006 heeft voldaan alsmede dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen medewerking verlenen aan het ondertekenen van de notariële akte van hypotheek.

[eiseres] stelt dat zij door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] feitelijk iedere mogelijkheid tot effectuering van voormelde schikking wordt ontnomen. In dit verband voert [eiseres] aan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] terzake van het door [eiseres] op de inboedel gelegde beslag gezamenlijk het standpunt innemen dat alle roerende zaken aan [gedaagde sub 2] toekomen.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] handelen volgens [eiseres] onrechtmatig jegens haar, nu zij weigeren aan te geven welke verhaalsmogelijkheden zij op [gedaagde sub 1] heeft, terwijl het bestaan daarvan aannemelijk is.

3.3. Het verweer van [gedaagde sub 1] tegen deze vorderingen komt - zakelijk weergegeven - op het volgende neer.

[gedaagde sub 1] stelt dat het niet aan hem is toe te rekenen dat hij tekortschiet in de nakoming van de schikking van 4 april 2005, voorzover het de vestiging een tweede hypotheek op de echtelijke woning betreft. Daartoe stelt hij dat hij deze hypotheek wel wil vestigen, maar niet kan vestigen, zolang [gedaagde sub 2] daarmee niet instemt.

Verder betwist [gedaagde sub 1] dat hij onrechtmatig jegens [eiseres] handelt. Daartoe stelt [gedaagde sub 1] dat hij voor wat betreft de verhaalsmogelijkheden van [eiseres] reeds heeft aangegeven dat de inboedel nagenoeg geheel tot het eigendom van [gedaagde sub 2] behoort.

4. De beoordeling

4.1. Voorop moet worden gesteld dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtsgrond bestaat om het primair gevorderde jegens [gedaagde sub 2] op toe te wijzen. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 2] geen partij is bij de minnelijke regeling van 4 april 2005. De uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen rusten dan ook niet op [gedaagde sub 2]. De omstandigheid dat [gedaagde sub 2] ook geen medewerking verleent aan het verstrekken van informatie aan [eiseres] aangaande verhaalsmogelijkheden op [gedaagde sub 1], is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] handelt. Gelet op het vorenstaande zal het primair gevorderde jegens [gedaagde sub 2] worden afgewezen.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 1] zonder toestemming van [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 1] niet rechtsgeldig de tweede hypotheek op de echtelijke woning ten behoeve van [eiseres] kan vestigen. Evenmin is in geschil dat [gedaagde sub 2] deze toestemming niet wil verlenen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, bestaat daartoe voor [gedaagde sub 2] ook geen verplichting. Reeds daarom valt het niet aan [gedaagde sub 1] toe te rekenen dat hij in zoverre de schikking van 4 april 2005 niet nakomt.

4.3. Gelet op het vorenstaande slaagt het verweer van [gedaagde sub 1]. De vorderingen sub 1 en 3 zullen dan ook worden afgewezen.

4.4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 1991 (NJ 1992, 552; Tripels/Masson) overweegt de rechter dat een schuldenaar, die jegens een schuldeiser gehouden is tot betaling van een geldsom, in beginsel verplicht is een schuldeiser inlichtingen omtrent zijn inkomenspositie en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. [gedaagde sub 1], die ingevolge de schikking van 4 april 2005 aan [eiseres] een bedrag van € 36.000,-- dient te voldoen, heeft voorshands niet aannemelijk gemaakt dat hij naar behoren aan deze verplichting heeft voldaan. Afgezien van de roerende zaken op de lijst van aanbrengsten behorende bij de bij akte van 7 maart 2000 vastgelegde huwelijksvoorwaarden, vermag de rechter vooralsnog niet in te zien dat, zoals [gedaagde sub 1] ter zitting heeft gesteld, met uitzondering van een blazer, een drietal overhemden en een herenhorloge, ook het resterende gedeelte van de inboedel geheel aan [gedaagde sub 2] toebehoort. [gedaagde sub 1] zal een waarheidsgetrouwe opgave moeten doen van alles wat hem in eigendom toebehoort.

Verder valt niet uit te sluiten dat [gedaagde sub 1] vorderingen en inkomsten, voortvloeiende uit de bij de huwelijksakte van 7 maart 2000 vastgestelde periodieke verrekening, heeft dan wel zal verkrijgen. [gedaagde sub 1] zal daarover meer duidelijkheid moeten verschaffen, met name hoe de verrekeningen hebben plaatsgevonden.

4.5. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] geldt thans (nog) geen verplichting tot het verschaffen van inlichtingen. Zij is immers - ook hier - als derde te beschouwen. Op haar rust pas een verklaringsplicht wanneer onder haar derdenbeslag is gelegd (artikel 476a Rv) en wanneer beslag is gelegd op goederen, waarvan zij meent dat die aan haar toebehoren, staat haar de mogelijkheid van derdenverzet open. Voorzover nodig kan de deurwaarder jegens haar een beroep doen op het bepaalde in artikel 444a Rv, doch dat [gedaagde sub 2] hieraan niet zou willen doen is niet gesteld of gebleken.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de vordering sub 2 jegens [gedaagde sub 1] zal worden toegewezen en jegens [gedaagde sub 2] afgewezen.

4.7. De gevorderde dwangsom wordt gemitigeerd als na te melden. Aan de gevorderde dwangsom wordt een maximum en een rechterlijke matigingsbevoegdheid van de hierna te melden inhoud verbonden.

4.8. Daargelaten de vraag of incassokosten in deze procedure voor toewijzing in aanmerking zouden komen, wordt de betreffende vordering alleen al afgewezen omdat de gevorderde incassokosten op generlei wijze zijn omschreven.

4.9. Aangezien het gevorderde slechts ten dele zal worden toegewezen, is elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld te beschouwen. In verband daarmee zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een overzicht te overleggen van de aan [gedaagde sub 1] toekomende roerende zaken alsmede een overzicht van hetgeen [gedaagde sub 1] van [gedaagde sub 2] te vorderen heeft of te vorderen zal of kan krijgen;

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een dwangsom ten bedrage van € 500,-- (zegge vijfhonderd euro) voor elke dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke zal blijven aan vorenstaande veroordeling te voldoen met dien verstande:

- dat boven de som van € 15.000,-- (zegge vijftienduizend euro) geen dwangsommen meer worden verbeurd;

- dat deze dwangsomsanctie vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

- dat deze dwangsomactie slechts zal gelden vanaf vier dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde sub 1];

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2006.