Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0122

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-10-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
391038 - HA RK 11-199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Verzoeker in Peru rechtsgeldig erkend. Nederlandse nationaliteit echter door verblijf van een onafgebroken periode van 10 jaren buiten Nederland o.g.v. artikel 15 aanhef en onder c RWN (oud) verloren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 391038 / HA RK 11-199

Beschikking van 4 oktober 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. E. Schoneveld te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.J. Cappon.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘[verzoeker]’ en ‘de IND’.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 31 maart 2011 ingekomen verzoekschrift;

- de brieven van mr. Schoneveld van 18 mei 2011, 20 december 2011, 28 maart 2012, 15 augustus 2012 en 6 september 2012;

- de brieven van de IND van 19 april 2011, 8 november 2011, 13 maart 2012 en 10 september 2012;

- de brieven van de officier van justitie van 2 en 25 april 2012 en 6 juli 2012.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012. Verschenen zijn:

- [verzoeker], vergezeld van mr. Schoneveld en van mevrouw K.S. van Wezel als tolk;

- mr. Cappon namens de IND.

De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

2. De feiten

2.1. [verzoeker] is op [geboortedatum] 1975 te [woonplaats], Peru, geboren als kind van [moeder], van Peruaanse nationaliteit (hierna: de moeder). Als vader staat op zijn geboorteakte vermeld [vader] (bij akte van rectificatie d.d. 26 december 2002 gewijzigd in [vader]), van Nederlandse nationaliteit. De op de geboorteakte vermelde ouders waren op het moment van de geboorte van [verzoeker] niet met elkaar gehuwd. De geboorteakte is niet ondertekend door de vader. Op de achterzijde van de geboorteakte is een stempel geplaatst met als aanhef ‘Acta de Reconocimiento’, gedateerd 17 januari 2003. Uit dat stempel blijkt dat de vader (daar aangeduid met: [vader]) [verzoeker] op laatstgenoemde datum heeft erkend. Het stempel is voorzien van zijn handtekening en vingerafdruk.

2.2. Blijkens een uittreksel uit een huwelijksakte van de burgerlijke stand te Arnhem van 9 juni 2008 is de achternaam van de vader [X]. Op 9 juni 2008 zijn de moeder (toen genaamd: [Y]) en [X] (hierna: [vader]) te Arnhem met elkaar in het huwelijk getreden. Op 14 oktober 2008 is [vader] in Arnhem overleden.

3. Het verzoek

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte op [geboortedatum] 1975 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Hij voert daartoe het volgende aan. De omstandigheid dat [vader] als vader op zijn geboorteakte staat vermeld, is naar Peruaans recht voldoende om aan te nemen dat tussen hem en [vader] een familierechtelijke betrekking bestaat die op één lijn kan worden gesteld met een familierechtelijke betrekking die naar Nederlands recht ontstaat als gevolg van erkenning door een man van het kind. Hieruit valt volgens [verzoeker] af te leiden dat hij vanaf zijn geboorte het erkende kind is van [vader]. Op grond van het bepaalde in artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892 (WNI) is hij daarom ook vanaf zijn geboorte in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

3.2. Voorts voert [verzoeker] aan dat hij de Nederlandse nationaliteit nimmer is verloren. De in artikel 15 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) bedoelde termijn van tien jaren is gestuit aangezien hij zich voorafgaande aan zijn komst naar Nederland meerdere keren tot de Nederlandse vertegenwoordiging in Peru heeft gewend met het verzoek hem een Nederlands paspoort te verstrekken. Dit is hem telkens geweigerd, maar de verjaringstermijn is hiermee wel gestuit. [verzoeker] verwijst naar de overgangsbepaling met betrekking tot artikel 15 RWN, met name naar artikel V van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de RWN (hierna: RRWN) waarin meerderjarigen een optiemogelijkheid is gegeven. De verschillende hiervoor bedoelde pogingen van [verzoeker] dienen met een dergelijke verklaring op één lijn te worden gesteld, aldus [verzoeker].

4. Het standpunt van de IND en de officier van justitie

4.1. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. [verzoeker] is volgens de IND, gelet op de op de achterzijde van zijn geboorteakte geplaatste latere vermelding, pas op 17 januari 2003 erkend door [vader]. Hieruit valt af te leiden dat hij eerder nog geen juridische vader had en derhalve niet bij zijn geboorte is erkend. Ten tijde van de erkenning op 17 januari 2003 was [verzoeker] reeds meerderjarig, zodat hij op grond van die erkenning niet in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit.

4.2. Subsidiair voert de IND nog aan dat [verzoeker] wegens een onafgebroken verblijf van meer dan tien jaar buiten Nederland en in het land van zijn geboorte, op grond van artikel 15 RWN, het Nederlanderschap heeft verloren. Optieverklaringen op basis van artikel V lid 1 RRWN waar [verzoeker] een beroep op doet, konden uitsluitend worden gedaan in de periode van 1 april 2003 tot 1 april 2005 en waren niet vormvrij. Zij moesten schriftelijk worden ingediend en daarna schriftelijk worden bevestigd door het bevoegde bestuursorgaan. Een dergelijke optieverklaring is niet aangetroffen in het nationaliteitenregister.

4.3. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de eventuele erkenning van [verzoeker] door [vader] gekeken dient te worden naar het Peruaans recht ten tijde van de geboorte van [verzoeker]. Uit de Peruaanse Codigo Civil valt af te leiden dat een buitenechtelijk kind kan worden erkend door de vader. De erkenning moet in het register van de burgerlijke stand worden gemeld bij de inschrijving van de geboorte, waarna het buitenechtelijk kind de achternaam krijgt van de vader.

5.2. In de geboorteakte van [verzoeker] staat de naam van zijn vader vermeld en is als zijn achternaam genoteerd: [verzoeker]. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende aannemelijk is geworden dat er tussen [verzoeker] en [vader] vanaf de geboorte van [verzoeker] een familierechtelijke betrekking heeft bestaan die op één lijn kan worden gesteld met een familierechtelijke betrekking die naar Nederlands recht ontstaat als gevolg van een erkenning. Het enkele ontbreken van de handtekening van [vader] op de geboorteakte van [verzoeker] is, gelet op de bijkomende omstandigheden in deze zaak, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat [verzoeker] ten tijde van zijn geboorte niet rechtsgeldig zou zijn erkend door [vader]. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de broers en zusters van [verzoeker] blijkbaar bij hun geboorte door

[vader] zijn erkend.

5.3. Niet staat ter discussie dat [verzoeker] naast de Nederlandse nationaliteit vanaf zijn geboorte eveneens in het bezit is van de Peruaanse nationaliteit. Op [geboortedatum] 1993 is [verzoeker] meerderjarig geworden. Op dat moment bepaalde artikel 15 aanhef en onder c RWN dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat wanneer betrokkene na zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van 10 jaren woonplaats buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van een persoon met een zodanig dienstverband.

5.4. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard in het jaar 2008 vanuit Peru naar Nederland te zijn gekomen. Voor die tijd heeft hij onafgebroken in Peru gewoond. Dit leidt tot de conclusie dat [verzoeker] zijn Nederlandse nationaliteit op [geboortedatum] 2003 heeft verloren. De omstandigheid dat [verzoeker] zich meerdere keren tot de Nederlandse vertegenwoordiging in Peru heeft gewend met het verzoek aan hem een Nederlands paspoort uit te reiken, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze verzoeken niet kunnen gelden als een optieverklaring in de zin van artikel V RRWN, op de door de IND aangevoerde gronden. Nu naar aanleiding van die verzoeken kennelijk geen paspoort is verstrekt, doet zich ook niet de situatie voor van artikel V lid 2 RRWN dat [verzoeker] geacht moet worden het Nederlanderschap niet te hebben verloren.

5.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] vanaf zijn geboorte tot [geboortedatum] 2003 in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar dat hij deze thans niet meer bezit.

6. De beslissing

De rechtbank;

- stelt vast dat [verzoeker] vanaf zijn geboorte op [geboortedatum] 1975 tot [geboortedatum] 2003 in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit;

- wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, mr. N.B. Verkleij en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2012.