Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2882

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/8573
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring, vreemdeling verblijft buiten Nederland

Ten tijde van het primaire besluit was de Terugkeerrichtlijn nog niet geïmplementeerd en bestond de rechtsfiguur van een inreisverbod niet binnen de Nederlandse wetgeving. Verweerder was dan ook niet bevoegd op grond van de Vw 2000 aan eiser een inreisverbod op te leggen en had slechts de mogelijkheid eiser ongewenst te verklaren.

De omstandigheid dat de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn reeds was verstreken, maakt ook niet dat eiser een rechtstreeks beroep op artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn kon doen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat uit artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig volgt dat in plaats van een ongewenstverklaring een inreisverbod had moeten worden opgelegd.

Nu bovendien vaststaat dat eiser ten tijde van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn op 31 december 2011 niet langer in Nederland verbleef is de Terugkeerrichtlijn ook na die datum niet op hem van toepassing. De werkingssfeer is op grond van artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn immers beperkt tot vreemdelingen die op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Evenmin is artikel 66a van de Vw 2000 van toepassing. Nu het inreisverbod op grond van het eerste lid van dat artikel slechts kan worden opgelegd aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, volgt daaruit dat de vreemdeling zich op het moment van opleggen in Nederland moet bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 12/8573

V-nr: 271.834.9307

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 mei 2012

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [1984], van Surinaamse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. M.I. Vennik, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: drs. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012. De zaak is met toestemming van partijen gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer AWB 12/8572. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. Eiser is bij besluit van 9 juni 2011 op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ongewenst verklaard. Bij het bestreden besluit op het bezwaar van 14 februari 2012 heeft verweerder de ongewenstverklaring gehandhaafd.

2.1 De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat in het onderhavige geval op grond van artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn een inreisverbod had moeten worden opgelegd. Ten tijde van het primaire besluit was de Terugkeerrichtlijn nog niet geïmplementeerd en bestond de rechtsfiguur van een inreisverbod niet binnen de Nederlandse wetgeving. Verweerder was dan ook niet bevoegd op grond van de Vw 2000 aan eiser een inreisverbod op te leggen en had slechts de mogelijkheid eiser ongewenst te verklaren.

2.2 De omstandigheid dat de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn reeds was verstreken, maakt ook niet dat eiser een rechtstreeks beroep op artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn kon doen. Een particulier kan immers, indien een richtlijn na het verstrijken van de implementatietermijn niet, niet-tijdig of onjuist is geïmplementeerd, slechts een rechtstreeks beroep doen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat uit artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig volgt dat in plaats van een ongewenstverklaring een inreisverbod had moeten worden opgelegd.

2.3 Nu bovendien vaststaat dat eiser ten tijde van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn op 31 december 2011 niet langer in Nederland verbleef is de Terugkeerrichtlijn ook na die datum niet op hem van toepassing. De werkingssfeer is op grond van artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn immers beperkt tot vreemdelingen die op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Evenmin is artikel 66a van de Vw 2000 van toepassing. Nu het inreisverbod op grond van het eerste lid van dat artikel slechts kan worden opgelegd aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, volgt daaruit dat de vreemdeling zich op het moment van opleggen in Nederland moet bevinden.

2.4 De omstandigheid dat, zoals gesteld, een lange periode is verstreken tussen het gehoor met betrekking tot eisers ongewenstverklaring en het primaire besluit maakt het voorgaande niet anders, nu dit niet maakt dat voor eiser bij een snellere besluitvorming een ander rechtsregime zou hebben gegolden.

3. Nu de gronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd alle uitgaan van de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn, kunnen deze, gelet op het voorgaande, niet slagen. Dit betekent dat het beroep ongegrond is.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

M.E. Sjouke mr. H.J. Schaberg

griffier rechter

afschrift verzonden op:

Conc.: MSj

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.