Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1009

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
355125 / HA ZA 09-4324, 355128 / HA ZA 09-4325, 355159 / HA ZA 09-4342, 372625 / HA ZA 10-2768
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van schade die eisers hebben geleden als gevolg van bombardementen met mosterdgas op steden in Iran en Irak in de jaren tachtig, uitgevoerd door het regime van Sadam Hussein. Iraaks recht is van toepassing op de vorderingen van de eisers uit Irak. Iraaks recht kent de mogelijkheid van verjaring van civiele vorderingen. Het Nederlandse recht biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een terzijdestelling van Iraakse verjaringsregels in gevallen als deze.

De rechtbank zal vragen stellen aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) ten aanzien van de door haar te beantwoorden rechtsvragen naar Iraaks recht. Iraans recht is van toepassing op de vorderingen van de eisers uit Iran. De omstandigheid dat vorderingen naar Iraans recht niet kunnen verjaren, komt niet in strijd met het in de Nederlandse rechtsorde verankerde algemene beginsel van rechtszekerheid. Iraans verjaringsrecht is derhalve van toepassing. De rechtbank zal het IJI eveneens vragen stellen over enkele aspecten van het Iraanse recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 355125 / HA ZA 09-4324 van

[eiseres 1 uit Irak],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat prof. mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd,

gedaagde,

advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

en in de zaak met zaaknummer /rolnummer 355128 / HA ZA 09-4325 van

1. [eiser 1 uit Iran],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

3. [eiseres 3 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

4. [eiser 4 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

5. [eiser 5 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

6. [eiser 6 uit Iran],

wonende te [woonplaats],

7. [eiser 7 uit Iran]

wonende te [woonplaats],

8. [eiser 8 uit Iran],

wonende te [woonplaats],

9. [eiser 9 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

10. [eiser 10 uit Iran],

wonende te [woonplaats],

11. [eiser 11 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

12. [eiser 12 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

13. [eiser 13 uit Iran],

wonende te [woonplaats]

eisers,

advocaat: prof. mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd,

gedaagde,

advocaat: mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

en in de zaak met zaaknummer /rolnummer 355159 / HA ZA 09-4342 van

1. [eiser 2 uit Irak],

wonende te [woonplaats]

2. [eiseres 3 uit Irak],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: prof. mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd,

gedaagde,

advocaat: mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 372625 / HA ZA 10-2768 van

[eiser 4 uit Irak],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.B. Scheltema Beduin te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd,

gedaagde,

advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen.

Eisers in de zaken met de zaaknummers 355125, 355159 en 372625 zullen hierna respectievelijk [eiseres 1 uit Irak], [eiser 2 uit Irak], [eiseres 3 uit Irak] en [eiser 4 uit Irak] worden genoemd en tezamen de eisers uit Irak. Eisers in de zaak met het zaaknummer 355128 zullen hierna ieder voor zichzelf bij zijn of haar achternaam worden genoemd en tezamen worden aangeduid als de eisers uit Iran. Gedaagde zal [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure in de zaak van [eiseres 1 uit Irak] (09-4324)

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 december 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord, van 12 mei 2010;

- de akte rectificatie, van 26 mei 2010, van de zijde van [gedaagde];

- het tussenvonnis van 26 mei 2010, waarbij een comparitie voor een meervoudige kamer van de rechtbank is bevolen;

- de ambtshalve beschikking van 3 november 2010 ter bepaling van een comparitiedatum;

- de pleitaantekeningen ten behoeve van comparitie van de zijde van [eiseres 1 uit Irak], met producties, van 31 januari 2011;

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde], van 31 januari 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2011, waarin onder meer melding wordt gemaakt van de ontvangst van de brief van 5 januari 2011 (met de kopieën van de processtukken) en van de brief van 6 januari 2011 (met twee producties), beide van de zijde van [eiseres 1 uit Irak].

- de brief van de rechtbank van 2 februari 2011 waarbij het proces-verbaal aan partijen is toegestuurd en waarop partijen niet hebben gereageerd.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak van de eisers uit Iran (09-4325)

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 december 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord, van 12 mei 2010;

- de akte rectificatie, van 26 mei 2010, van de zijde van [gedaagde];

- het tussenvonnis van 26 mei 2010, waarbij een comparitie voor een meervoudige kamer van de rechtbank is bevolen;

- de ambtshalve beschikking van 3 november 2010 ter bepaling van een comparitiedatum;

- de pleitaantekeningen ten behoeve van comparitie van de zijde van de eisers uit Iran, met producties, van 31 januari 2011;

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde], van 31 januari 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2011, waarin onder meer melding wordt gemaakt van de ontvangst van de brief van 5 januari 2011 (met de kopieën van de processtukken) en van de brief van 6 januari 2011 (met twee producties), beide van de zijde van de eisers uit Iran;

- de brief van de rechtbank van 2 februari 2011 waarbij het proces-verbaal aan partijen is toegestuurd en waarop partijen niet hebben gereageerd.

2.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3. De procedure in de zaak van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] (09-4342)

3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 december 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord, van 12 mei 2010;

- de akte rectificatie, van 26 mei 2010, van de zijde van [gedaagde];

- het tussenvonnis van 26 mei 2010, waarbij een comparitie voor een meervoudige kamer van de rechtbank is bevolen;

- de pleitaantekeningen ten behoeve van comparitie van de zijde van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak], met producties, van 31 januari 2011;

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde], van 31 januari 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2011, waarin onder meer melding wordt gemaakt van de ontvangst van de brief van 5 januari 2011 (met de kopieën van de processtukken) en van de brief van 6 januari 2011 (met twee producties), beide van de zijde van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak];

- de brief van de rechtbank van 2 februari 2011 waarbij het proces-verbaal aan partijen is toegestuurd en waarop partijen niet hebben gereageerd.

3.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

4. De procedure in de zaak van [eiser 4 uit Irak] (10-2768)

4.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2010 met producties;

- de conclusie van antwoord, van 22 september 2010;

- het tussenvonnis van 6 oktober 2010, waarbij een comparitie voor een meervoudige kamer van de rechtbank is bevolen;

- de ambtshalve beschikking van 3 november 2010 ter bepaling van een comparitiedatum;

- de pleitaantekeningen ten behoeve van comparitie van de zijde van [eiser 4 uit Irak], met producties, van 31 januari 2011;

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde], van 31 januari 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2011, waarin onder meer melding wordt gemaakt van de ontvangst van de brief van 5 januari 2011 (met de kopieën van de processtukken) en van de brief van 6 januari 2011 (met twee producties), beide van de zijde van [eiser 4 uit Irak];

- de brief van de rechtbank van 2 februari 2011 waarbij het proces-verbaal aan partijen is toegestuurd en waarop partijen niet hebben gereageerd.

4.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

5. De feiten

in alle zaken

5.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, die in alle vier zaken vaststaan, dan wel, voor zover de individuele eisers worden genoemd, telkens in de zaak die hem of haar betreft.

5.2. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was Sadam Hussein aan de macht in Irak. In die periode heeft het regime in Irak mosterdgas vervaardigd. Dit mosterdgas is verwerkt in bommen die dat regime in de periode van 11 april 1987 tot en met 2 augustus 1988 heeft ingezet bij bombardementen op steden in Irak en Iran. Daarbij zijn onder andere de steden Halabja in Irak en Khorramshahr, Alut, Sardasht, Zardeh en Oshnaviyeh in Iran getroffen (hierna "de steden"). De eisers uit Irak en de eisers uit Iran bevonden zich ten tijde van deze bombardementen in één van de steden. Zij zijn bij de bombardementen als burgers in aanraking gekomen met mosterdgas en daardoor (ernstig) gewond geraakt. Zij ondervinden ook thans nog de gevolgen van hun verwondingen. Deze gevolgen zijn van lichamelijke, maar ook van psychische aard.

5.3. De eisers uit Irak behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep in (Noord) Irak. Het regime van Sadam Hussein richtte onder meer vijandelijkheden tegen deze Koerdische bevolkingsgroep. De strafkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage heeft hierover in het op tegenspraak gewezen strafarrest van 9 mei 2007 het volgende overwogen:

"Van der Stoel heeft het mede aan de zogenaamde Anfal Campagne ten grondslag liggende beleid in een van zijn rapporten aangeduid als een beleid dat zonder twijfel de kenmerken van een genocidaal ontwerp draagt.

Het hof is (...) van oordeel dat in elk geval ook de niet in de tenlastelegging voorkomende handelingen van de plegers, zoals die hierboven in essentie zijn weergegeven, naar hun aard op zijn minst krachtige aanwijzingen opleveren dat de leiders van het Iraakse regime zich óók bij hun in de tenlastelegging omschreven gedragingen hebben laten leiden door een genocidaal oogmerk ten opzicht van tenminste een substantieel deel van de Koerdische bevolkingsgroep in (Noord) Irak."

5.4. [eiseres 1 uit Irak] is gewond geraakt op 16 maart 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Halabja. Zij is in oktober 1997 uit Irak vertrokken en in Nederland komen wonen.

5.5. [eiser 2 uit Irak] is gewond geraakt op 16 maart 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Halabja. Hij is op 29 juni 2001 achttien jaar geworden. Hij is in maart 1988 uit Irak vertrokken en naar België gegaan.

5.6. [eiseres 3 uit Irak] is gewond geraakt op 16 maart 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Halabja. Zij is op 7 december 1994 achttien jaar geworden en op 17 oktober 1998 uit Irak vertrokken en in Nederland komen wonen.

5.7. [eiser 4 uit Irak] is gewond geraakt op 16 maart 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Halabja. Hij is op 26 november 1989 achttien jaar geworden en in maart 1989 uit Irak vertrokken en in Nederland komen wonen.

5.8. [eiser 1 uit Iran] is gewond geraakt op 16 april 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Alut.

5.9. [eiser 2 uit Iran] is gewond geraakt op 10 of 11 april 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Khorramshahr.

5.10. [eiser 3 uit Iran] is gewond geraakt op 28 juni 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Sardasht.

5.11. [eiser 4 uit Iran] is gewond geraakt op 28 juni 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Sardasht.

5.12. [eiser 5 uit Iran] is gewond geraakt op 16 april 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Alut.

5.13. [eiser 6 uit Iran] is gewond geraakt op 22 juli 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Zardeh.

5.14. [eiser 7 uit Iran] is gewond geraakt op 22 juli 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Zardeh.

5.15. [eiser 8 uit Iran] is gewond geraakt op 2 augustus 1988 bij de bombardementen met mosterdgas op Oshnaviyeh.

5.16. [eiser 9 uit Iran] is gewond geraakt op 28 juni 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Sardasht.

5.17. [eiser 10 uit Iran] is gewond geraakt op 16 april 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Alut.

5.18. [eiser 11 uit Iran] is gewond geraakt op 10 of 11 april 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Khorramshahr.

5.19. [eiser 12 uit Iran] is gewond geraakt op 28 juni 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Sardasht.

5.20. [eiser 13 uit Iran] is gewond geraakt op 28 juni 1987 bij de bombardementen met mosterdgas op Sardasht.

5.21. Voor de productie van mosterdgas kan de grondstof thiodiglycol (hierna: "TDG") worden gebruikt. [gedaagde] heeft, in elk geval in 1984, TDG geleverd aan het regime in Irak, dan wel aan een Iraakse onderneming.

5.22. De strafkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage heeft in zijn arrest van 9 mei 2007 wettig en overtuigend bewezen geacht dat het regime in Irak de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden door op het grondgebied van Irak en Iran (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas) in te zetten tegen burgers van de steden en dat de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en/of onmenselijke behandeling en/of verminking van deze personen en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen. Voorts achtte het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat [gedaagde] tot het plegen van deze misdrijven in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door TDG bestemd voor de productie van mosterdgas te leveren aan (de Republiek van) Irak.

5.23. De Hoge Raad heeft op 30 juni 2009 het arrest van het gerechtshof vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Hij heeft de veroordeling van [gedaagde] voor het overige in stand gelaten en hem een gevangenisstraf van zestieneneenhalf jaar opgelegd. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 6 juli 2010 de klacht die [gedaagde] over dit arrest tegen de Nederlandse Staat heeft ingediend niet ontvankelijk verklaard.

5.24. [eiser 2 uit Irak], [eiseres 3 uit Irak] en de eisers uit Iran hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in de strafprocedure tegen [gedaagde] en betaling van schadevergoeding gevorderd. Het gerechtshof heeft deze partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft in het arrest van 30 juni 2009 hun cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof verworpen.

5.25. Op 18 april 2008 heeft de advocaat van [eiseres 1 uit Irak], [eiser 2 uit Irak], [eiseres 3 uit Irak] en de eisers uit Iran een brief gestuurd aan [gedaagde] namens haar cliënten [eiser 2 uit Irak], [eiseres 3 uit Irak], de eisers uit Iran en "andere slachtoffers". In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

"Namens cliënten behouden wij ons hierbij uitdrukkelijk het recht voor om alle noodzakelijke stappen te ondernemen ter behartiging van hun belangen, daaronder begrepen het jegens u instellen van een rechtsvordering tot nakoming van uw verplichting de schade van cliënten te vergoeden."

en tevens:

"Volledigheidshalve en voor zover noodzakelijk zij hierbij nog vermeld dat deze brief mede heeft te gelden als een stuiting van een eventuele verjaring van de rechtsvorderingen van cliënten."

5.26. Op 23 februari 2010 heeft de advocaat van [eiser 4 uit Irak] namens hem een soortgelijke brief verstuurd aan [gedaagde], waarin dezelfde tekst met betrekking tot stuiting is opgenomen.

6. Het geschil

in alle zaken

6.1. De eisers uit Irak en de eisers uit Iran vorderen, kort samengevat:

- de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 25.000,- aan iedere individuele eiser als vergoeding van de immateriële schade die zij hebben geleden als gevolg van een inbreuk op hun persoonlijkheidsrechten en fundamentele mensenrechten;

- een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en jegens hen aansprakelijk is voor de overige immateriële en materiële schade, deze schade nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.2. De eisers uit Irak en de eisers uit Iran leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft door het leveren van TDG aan het regime van Saddam Hussein in Irak jegens hen onrechtmatig gehandeld, doordat Irak met dit TDG mosterdgas heeft gemaakt waarmee onder andere de steden zijn gebombardeerd, terwijl één of meerderen van hen op het moment van het bombardement in de desbetreffende stad aanwezig waren. Ten gevolge van deze bombardementen zijn zij ernstig gewond geraakt. Van hun verwondingen ondervinden zij tot op de dag vandaag schade. Het onrechtmatige handelen kan [gedaagde] worden toegerekend omdat hij wist, dan wel geweten moet hebben, waarvoor Iran het TDG zou gebruiken en hij is dan ook schadeplichtig geworden jegens de eisers uit Irak en de eisers uit Iran.

in de zaak van de eisers uit Iran (09-4325) en in de zaak van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] (09-4342) voorts

6.3. [eiser 2 uit Irak], [eiseres 3 uit Irak] en de eisers uit Iran vorderen tevens vergoeding van de kosten die zij hebben gemaakt door zich te stellen in de stafprocedure tegen [gedaagde].

in alle zaken

6.4. [gedaagde] voert verweer.

6.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

7. De beoordeling van de zaken van de eisers uit Irak (09-4324, 09-4342 en 10-2768)

7.1. [gedaagde] bestrijdt niet dat de eisers uit Irak slachtoffer zijn van de bombardementen met mosterdgas op Halabja en dientengevolge aldaar de door hen gestelde verwondingen en daarmee samenhangende schade hebben opgelopen. Dit staat derhalve vast tussen partijen.

Toepasselijk recht

7.2. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat op basis van artikel 3 lid 2 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad ("WCOD") Iraaks recht van toepassing is op de vorderingen van de eisers uit Irak. Alhoewel [gedaagde] TDG aan Irak heeft geleverd op een tijdstip gelegen ruim voor de inwerkingtreding van de WCOD op 1 juni 2001, is in de WCOD het toen al van kracht zijnde Nederlandse internationale privaatrecht op dit punt gecodificeerd, zodat in deze zaak kan worden uitgegaan van het recht dat in deze wet is neergelegd. De schade als gevolg van het gestelde onrechtmatige handelen door [gedaagde] werd, ten opzichte van de eisers uit Irak, aangericht op Iraaks grondgebied, nu zij daar het slachtoffer werden van de bombardementen. Niet is gesteld of op andere wijze gebleken dat [gedaagde] niet heeft kunnen voorzien dat de schade zou inwerken in Irak.

Bewijskracht strafvonnis

7.3. Zowel de eisers uit Irak als [gedaagde] gaan ervan uit dat artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in deze procedure dient te worden toegepast. De rechtbank volgt partijen hierin, nu geen regel van dwingend recht haar voorschrijft hiervan af te wijken. Dit betekent dat het arrest van het gerechtshof

's-Gravenhage van 9 mei 2007 in deze civiele procedures voor de rechtbank dwingend bewijs oplevert ten aanzien van de feiten die het hof ten laste van [gedaagde] bewezen heeft verklaard.

7.4. [gedaagde] betoogt dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld tegenbewijs te leveren. [gedaagde] licht dit bewijsaanbod niet toe. Naar vaste rechtspraak behoeft een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet te worden gespecificeerd. Voor toelating tot het leveren van tegenbewijs geldt echter wel de eis dat de (voorshands als bewezen geldende) feiten waarop het tegenbewijs zou moeten zien, voldoende zijn betwist. Bij onvoldoende betwisting is geen (tegen)bewijskwestie aan de orde, omdat de rechter niet of onvoldoende betwiste feiten als vaststaand moet beschouwen.

7.5. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [gedaagde] de in de strafprocedure bewezen verklaarde feiten voldoende heeft betwist, zodat hij tot het leveren van tegenbewijs moet worden toegelaten.

7.5.1 [gedaagde] heeft zich bij conclusie van antwoord beroepen op hetgeen hij heeft aangevoerd in de procedure bij het EHRM, doch dit beroep heeft hij tijdens de comparitie van partijen heeft ingetrokken, omdat het EHRM hem in zijn klachten over het arrest van de Hoge Raad niet ontvankelijk heeft verklaard. Deze stellingen van [gedaagde] kunnen dus onbesproken blijven. In zijn conclusie van antwoord stelt [gedaagde] voorts dat mosterdgas ook zonder TDG kan worden gefabriceerd en dat TDG ook voor andere doeleinden dan voor de fabricage van mosterdgas kan worden gebruikt. Irak had volgens [gedaagde] rond 1984 een grote textielindustrie, waarin kleding maar ook tapijten werden vervaardigd. Hij leverde behalve TDG ook onder meer grondstoffen voor de textielindustrie aan Irak. Voorts heeft hij tijdens de comparitie van partijen aangevoerd dat nog een aantal schakels liggen tussen de import van het TDG waarbij hij was betrokken en het mosterdgas dat het regime van Sadam Hussein daadwerkelijk tegen de eisers uit Irak heeft ingezet.

7.5.2 Het gerechtshof heeft bij de bewezenverklaring uitgebreid gemotiveerd waarom en op grond van welke verklaringen het tot het oordeel is gekomen dat het door [gedaagde] geleverde TDG moet zijn gebruikt voor de fabricage van mosterdgas. Uit de verklaring van de getuige-deskundige Wolterbeek was voor het hof in voldoende mate af te leiden, onder meer door diens gedetailleerde berekeningen op basis van betrouwbaar geachte gegevens, dat het door [gedaagde] geleverde TDG moet zijn gebruikt voor de fabricage van mosterdgas dat is ingezet bij aanvallen op de steden. Voorts heeft het gerechtshof uitgebreid gemotiveerd dat en waarom [gedaagde] zich ervan bewust moet zijn geweest dat het door hem geleverde TDG hiervoor werd gebruikt. Zo heeft [gedaagde], naar het oordeel van het gerechtshof, geweten dat zijn leveringen van TDG dienden voor de productie van mosterdgas en heeft hij onder meer bewust de bestemming van het TDG verheimelijkt, waaruit volgens het gerechtshof kan worden afgeleid dat hij geweten moet hebben dat Irak het mosterdgas zou inzetten in de oorlog.

7.5.3 Waar [gedaagde] in deze civiele procedures wederom verwijst naar mogelijk gebruik van het TDG in de textielindustrie, geldt dat hij niet ingaat op de vaststelling van het hof, op basis van het rapport van deskundige Wolterbeek, dat in Irak geen enkele fabriek is aangetroffen die was ingericht op het vervaardigen van drukinkt of textielverf. De door [gedaagde] tijdens de comparitie opgeworpen vraagpunten zijn door het gerechtshof in het arrest van 9 mei 2007 reeds in detail beantwoord. [gedaagde] heeft geen gezichtspunten opgeworpen die niet al in de strafprocedure aan de orde zijn geweest en hij heeft voorts niet gesteld noch op andere wijze duidelijk gemaakt omtrent welke elementen van de bewezenverklaring van het hof hij tegenbewijs wil leveren. [gedaagde] heeft aldus onvoldoende de door het gerechtshof bewezen verklaarde feiten betwist. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de in het arrest van het gerechtshof bewezen verklaarde feiten ook in deze procedure vaststaan, zodat [gedaagde] niet in de gelegenheid zal worden gesteld tegenbewijs te leveren.

7.6. De rechtbank gaat op grond van het in 7.5 overwogene ook voorbij aan de tijdens de comparitie herhaalde stelling van [gedaagde] dat de eisers uit Irak moeten bewijzen dat het door hem, [gedaagde], geleverde TDG is gebruikt bij de bombardementen op de steden. Het gerechtshof heeft dit immers reeds bewezen verklaard, zodat de rechtbank op grond van artikel 161 Rv van de juistheid daarvan zal uitgaan.

Onrechtmatige daad

7.7. In deze procedures staat derhalve vast dat [gedaagde] ten tijde van het regime van Saddam Hussein in Irak aan de Iraakse militaire industrie TDG heeft geleverd waarmee dat regime mosterdgas heeft gemaakt. Dit mosterdgas is verwerkt in bommen waarmee het Iraakse regime onder meer de steden heeft laten bombarderen, waarbij vele mensen gewond zijn geraakt. Tevens staat vast dat [gedaagde] in de loop van 1984 en in ieder geval in 1986 wist dat het door hem geleverde TDG als eindbestemming Irak had en daar zou dienen voor de productie van gif, te weten mosterdgas. In deze wetenschap, tezamen met zijn pogingen om de levering van een precursor van dat gas en de productie ervan te verheimelijken, ligt mede besloten de wetenschap van [gedaagde] dat Irak het mosterdgas in de oorlog met Iran en in het gewapende conflict met de Koerden in Irak zou gebruiken, zodat ook dit in deze civiele procedures vaststaat.

7.8. De vraag of de aldus vaststaande feiten een onrechtmatige daad opleveren, dient te worden beantwoord naar Iraaks recht. De eisers uit Irak hebben aan de rechtbank de volgens hen relevante bepalingen uit het Iraakse burgerlijk wetboek ("IBW") overgelegd. De rechtbank acht zich, zonder nadere inlichtingen, niet in staat een oordeel te geven over de uitleg van deze bepalingen. Zij zal daarom inlichtingen inwinnen, en wel bij het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: "IJI")

7.9. [gedaagde] verweert zich tegen de vordering uit onrechtmatige daad met de stelling dat hij geen onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de eisers uit Irak omdat hijzelf het mosterdgas niet heeft vervaardigd. Voor het plegen van een onrechtmatige daad is volgens hem meer nodig dan alleen het gelegenheid en middelen verschaffen tot het plegen van een onrechtmatige daad.

7.10. In verband met de gestelde onrechtmatige daad is de rechtbank voornemens bij het IJI inlichtingen in te winnen over de inhoud van het Iraakse recht ten aanzien van de volgende vragen:

1. Kan op basis van de vaststaande feiten (7.7) worden geoordeeld dat [gedaagde] naar Iraaks recht jegens de eisers uit Irak onrechtmatig heeft gehandeld en daarmee jegens hen schadeplichtig is geworden? De rechtbank verzoekt het IJI specifiek daarbij het volgende te betrekken:

a. Wat is het gevolg van de omstandigheid dat [gedaagde] het TDG heeft geleverd aan het Iraakse regime, maar zelf het mosterdgas niet heeft vervaardigd? Heeft dit naar Iraaks recht als gevolg dat niet kan worden geoordeeld dat er een causaal verband is tussen het handelen van [gedaagde] en de opgetreden schade?

b. Speelt bij het vaststellen van de onrechtmatigheid een rol dat de eisers uit Irak alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

2. Is, als vraag 1 positief is beantwoord, de door de eisers uit Irak gevorderde vergoeding van immateriële en materiële schade toewijsbaar?

a. Speelt bij het vaststellen van de hoogte van de mogelijke schadevergoeding een rol dat de eisers uit Irak alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

Verjaring

7.11. [gedaagde] stelt dat de vorderingen van de eisers uit Irak zijn verjaard. Voor zover de vaststaande feiten een onrechtmatige daad van hem jegens die eisers opleveren waarvoor naar Iraaks recht schadevergoeding kan worden toegekend, dient de rechtbank derhalve de vraag te beantwoorden of de desbetreffende vorderingen zijn verjaard. Ook deze vraag dient, mede op basis van artikel 7 sub h WCOD, naar Iraaks recht te worden beantwoord. Dit is alleen anders indien en voor zover de Nederlandse openbare rechtsorde zich tegen de toepassing van Iraaks recht verzet. Of dit aan de orde is, zal de rechtbank verderop bespreken.

7.12. Partijen hebben de rechtbank voorgehouden dat het Iraakse recht twee verjaringstermijnen kent: een verjaringstermijn van vijftien jaren en een verjaringstermijn van drie jaren. De desbetreffende bepaling, artikel 232 van het IBW, luidt, naar de door de eisers uit Irak gepresenteerde vertaling in het Engels, als volgt:

"A claim for damages resulting from whatever (kind) of unlawful act shall not be heard after the lapse of three years from the day on which the injured person became aware of the injury and of the person who caused it; in all cases the claim will not be heard after the lapse of 15 years from the day of occurrence of the unlawful act."

Voorts kent het Iraakse recht een bepaling met betrekking tot de opschorting van de verjaringstermijn. Artikel 435 IBW luidt, naar de door de eisers uit Irak gepresenteerde vertaling in het Engels, als volgt:

"1. The time limit barring the hearing of the case is suspended by a lawful excuse such as where the plaintiff is a minor or interdicted and has no guardian or is absent in a remote foreign country, (...) or if there is an other impediment rendering it impossible for the plaintiff to claim his right.

2. The period which lapses while the excuse still exists (lasts) shall not be taken into account (for the running of the time limitation)."

7.13. De eisers uit Irak verweren zich tegen het beroep op verjaring en stellen dat de absolute verjaringstermijn niet al is gaan lopen op het moment van het bombardement op Halabja. Tijdens de comparitie hebben zij gesteld dat het voor hen pas vanaf de strafzaak tegen [gedaagde] een reële optie was om een vordering tegen [gedaagde] in te dienen. Pas op dat moment is volgens hen de driejaarstermijn gaan lopen, met een maximum van vijftien jaren. Voorts hebben zij in de processtukken gesteld dat de verjaringstermijn van vijftien jaren pas is gaan lopen op het moment dat Sadam Hussein niet meer aan de macht was, omdat het voor hen, gedurende zijn regime in Irak, niet mogelijk was een vordering in te dienen.

7.14. Uitgaande van de juistheid en de toepasselijkheid van de door eisers uit Irak gepresenteerde vertalingen van de Iraakse bepalingen omtrent verjaring, geldt dat de mogelijkheid bestaat dat de vorderingen van één of meer van de eisers uit Irak verjaard zijn. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst, gezien de ernst van de aan de orde zijnde gedragingen van [gedaagde] en de ingrijpende en schokkende gevolgen voor de slachtoffers, als zeer onbevredigend kan worden ervaren.

7.14.1 De rechtbank heeft zich ambtshalve - eisers hebben deze vraag niet opgeworpen - de vraag gesteld of sprake is van een regel van Nederlands recht die meebrengt dat de vorderingen van eisers niet zijn verjaard en heeft zich daarbij de vraag gesteld of een dergelijke regel, zo hij bestaat, van openbare orde is. Het bestaan van een regel van openbare orde zou immers meebrengen dat deze regel door de Nederlandse rechter ambtshalve moet worden toegepast, ongeacht de vraag welk rechtsstelsel van toepassing is. De rechtbank is echter tot de conclusie gekomen dat geen regel van openbare orde kan worden aangewezen die bepaalt dat een vordering die voortvloeit uit misdrijven als de onderhavige (medeplegen van oorlogsmisdrijven) in het geheel niet verjaart.

7.14.2 De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of een regel van openbare orde bestaat die voorschrijft dat een verjaringstermijn dient te worden terzijde geschoven dan wel verlengd indien de schuldeiser ten gevolge van oorlogsomstandigheden in de onmogelijkheid verkeert zijn rechten uit te oefenen. Dat is evenmin het geval.

7.14.3 De rechtbank heeft zich tot slot afgevraagd of als regel van openbare orde aanvaard kan worden dat de (korte) verjaringstermijn van (naar Iraaks recht) drie jaren in gevallen als de onderhavige pas gaat lopen op het moment dat de slachtoffers bekend worden met de schade én de aansprakelijke persoon, onder het terzijde stellen van de absolute verjaringstermijn van (naar Iraaks recht) vijftien jaren. De rechtbank is echter tot de conclusie gekomen dat ook het aanvaarden van een dergelijke regel van openbare orde te ver voert, nu hiervoor onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn in verdragen of Nederlandse wetgeving.

7.15. De rechtbank dient dus, met toepassing van Iraaks recht, een antwoord te geven op de vraag of de vorderingen van de eisers uit Irak zijn verjaard op grond van de termijn van drie jaren dan wel de termijn van vijftien jaren. Voor zover de rechtbank daarbij de vraag dient te beantwoorden of een vordering wel of niet kan worden gestuit en zo ja, of in dit geval aan de voorwaarden voor een rechtsgeldige stuiting is voldaan, is zij, anders dan [gedaagde], van oordeel dat dit vragen zijn van materieel recht, die ook moeten worden beoordeeld naar Iraaks recht. Dit is alleen anders ten aanzien van de vraag of aan de vereiste vormvoorschriften is voldaan. Een dergelijke vraag is echter niet aan de orde gesteld.

7.16. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld, is niet het moment van levering van het TDG bepalend voor de aanvang van de verjaringstermijn maar het moment waarop de bommen met gifgas op Halabja zijn gegooid in maart 1988. Immers op het moment van levering was nog niet duidelijk of deze zou leiden tot een bombardement dat de eisers uit Irak zou treffen waardoor zij schade leden. Dit was pas het geval op het moment dat het TDG bij bombardementen werd gebruikt, zodat pas op dat moment de verjaringstermijn is gaan lopen. Uitgaande van de juistheid van de door de eisers uit Irak gepresenteerde (vertaalde) wetsartikelen constateert de rechtbank dat, indien de verjaringstermijn van vijftien jaren is gaan lopen op het moment van de bombardementen op Halabja, 16 maart 1988, zonder dat deze termijn gedurende een bepaalde periode opgeschort is geweest, de vorderingen van de eisers uit Irak op 16 maart 2003 zijn verjaard.

7.17. Uit het voorgaande volgt dat naar Iraaks recht moet worden beoordeeld of de door de eisers uit Irak aangevoerde omstandigheden (zie onder 7.13) gevolgen hebben voor de toepassing van de absolute verjaringstermijn en zo ja, welke. De rechtbank zal het IJI vragen haar voor te lichten over de inhoud van het Iraakse recht op dit punt. Het gaat dan om de volgende vragen: geldt de bepaling van artikel 435 IBW voor beide verjaringstermijnen van respectievelijk vijftien jaren en drie jaren? Wordt de absolute verjaringstermijn van vijftien jaren in een of andere vorm terzijde geschoven indien de eiser niet bekend is met de voor zijn schade aansprakelijke persoon? Hoe gaat men naar Iraaks recht om met de periode dat Sadam Hussein regeerde in dat land: wordt dit, naar de huidige stand van zaken, beschouwd als een periode waarin de verjaringstermijn van vijftien jaren in een geval als zich hier voordoet is opgeschort? En geldt deze opschorting dan voor de gehele periode dat Sadam Hussein aan de macht was, of alleen voor de periode dat een individuele eiser uit Irak nog in Irak verbleef en eindigde deze dan op het moment dat hij of zij Irak verliet?

7.18. Indien de rapportage van het IJI de rechtbank ertoe brengt dat de verjaringstermijn van vijftien jaren onverkort dient te worden toegepast, zal zij dit resultaat toetsen aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ("EVRM"). De vraag dient zich dan namelijk aan of voor de eisers uit Irak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan. Bij de door de rechtbank in dat geval te maken afweging zal zij de uit de antwoorden van het IJI af te leiden overwegingen van het Iraakse recht, waarom een terzijdestelling of opschorting dan wel verlenging van de verjaringstermijn niet mogelijk is, moeten betrekken. Afhankelijk van de inhoud van de door het IJI te verschaffen inlichtingen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich over deze mogelijke toetsing aan artikel 6 van het EVRM uit te spreken.

in de zaak van [eiseres 1 uit Irak] (09-4324)

[eiseres 1 uit Irak] - vijftien jaren

7.19. Het antwoord op de vraag of de vordering van [eiseres 1 uit Irak] is verjaard op basis van de vijftienjarige verjaringstermijn is afhankelijk van de inlichtingen die de rechtbank bij het IJI zal inwinnen.

[eiseres 1 uit Irak] - drie jaren

7.20. Voor het geval dat de vordering van [eiseres 1 uit Irak] niet is verjaard op basis van de termijn van vijftien jaren, stelt [gedaagde] het volgende. De vordering is verjaard op basis van de termijn van drie jaren. Deze termijn is gaan lopen op het moment dat [eiseres 1 uit Irak] bekend moet worden geacht met de persoon van [gedaagde] en met de tegen hem bestaande beschuldigingen. Nu dit in ieder geval op 21 november 2005 is geweest, is de vordering op 22 november 2008 verjaard en is de dagvaarding, die [eiseres 1 uit Irak] in december 2009 heeft uitgebracht, te laat om de verjaring nog te stuiten.

7.21. [eiseres 1 uit Irak] erkent dat zij in ieder geval sinds 21 november 2005 op de hoogte is van haar mogelijke vordering op [gedaagde]. Zij stelt dat de advocaat van de eisers op 18 april 2008, dus binnen de termijn van drie jaren na 21 november 2005, namens de slachtoffers, en dus mede namens haar, aan [gedaagde] een brief heeft gestuurd waarin zij hem aansprakelijk heeft gesteld. In de brief is opgenomen dat deze als een stuitingshandeling moet worden beschouwd. [eiseres 1 uit Irak] stelt dat ook de verjaring van haar vordering op [gedaagde] met deze brief is gestuit. Nu [eiseres 1 uit Irak] in deze brief niet met naam en toenaam wordt genoemd, zou deze brief naar Nederlands recht niet als een stuitingshandeling kunnen worden erkend, omdat de inhoud daarvan, ten aanzien van [eiseres 1 uit Irak], niet voldoende specifiek is. Het is echter een vraag van materieel recht of en op welke wijze een verjaring kan worden gestuit. De vraag of de brief als stuitingshandeling dient te worden erkend is dan ook een vraag die naar Iraaks recht dient te worden beantwoord. Het is de rechtbank niet bekend of naar Iraaks recht hetzelfde wordt geoordeeld als naar Nederlands recht. Ook op dit punt heeft de rechtbank derhalve behoefte aan inlichtingen van het IJI. Indien naar Iraaks recht de brief niet als een stuitingshandeling kan worden beschouwd, is de vordering van [eiseres 1 uit Irak] op [gedaagde] verjaard.

in de zaak van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] (09-4342)

[eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] - vijftien jaren

7.22. [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] beroepen zich, voor wat betreft de verjaringstermijn van vijftien jaren, op de in artikel 435 IBW geformuleerde uitzondering voor "minors". [eiser 2 uit Irak] is op 29 juni 2001 achttien jaar geworden en [eiseres 3 uit Irak] op 7 december 1994. Volgens [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] zijn zij toen meerderjarig geworden. Zij betogen dat pas op het moment dat zij meerderjarig werden de verjaringstermijn van vijftien jaren op grond van artikel 435 IBW is gaan lopen. Artikel 435 IBW voorziet in de opschorting van de verjaringstermijn gedurende de periode dat de benadeelde een minor is. Het is de rechtbank niet bekend wanneer een persoon naar Iraaks recht meerderjarig wordt. Voorts is het voor de rechtbank, zoals gezegd, niet duidelijk of op grond van de tekst van artikel 435 IBW de opschorting van de verjaringstermijn geldt voor de beide verjaringstermijnen van respectievelijk vijftien en drie jaren. Evenmin is duidelijk of de opschorting alleen geldt voor een minor zonder guardian, hetgeen uit de tekst lijkt te kunnen worden afgeleid, of voor iedere minor. Ook op deze punten zal de rechtbank inlichtingen inwinnen bij het IJI. Tevens zal zij partijen vragen haar in te lichten over het antwoord op de vraag of [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak], toen zij minderjarig waren, een guardian hadden, nu partijen op dit punt niets hebben gesteld.

[eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] - drie jaren

7.23. Voor het geval dat de vorderingen van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] niet zijn verjaard op basis van de termijn van vijftien jaren, stelt [gedaagde] dat de vorderingen zijn verjaard als gevolg van de termijn van drie jaren: primair doordat de vordering ten tijde van het indienen hiervan door [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] in maart 2005, als de gevoegde beledigde partijen in de strafzaak, al waren verjaard, en subsidiair doordat de vorderingen op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding, in december 2009, waren verjaard.

7.24. [gedaagde] licht zijn primaire standpunt toe met de stelling dat de verjaringstermijn van drie jaren is gaan lopen op het moment van het eerste uitleveringsgeding tegen hem in 1989 en 1990, althans dat deze verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het internationale opsporingsbevel van de FBI van 25 mei 2000, althans vanaf een artikel in de Nieuwe Revu van 1 oktober 2003, althans vanaf het interview met hem in Netwerk van 6 november 2003, althans vanaf de aanhouding in de strafzaak op 6 december 2004. Voorts stelt [gedaagde] dat [eiseres 3 uit Irak] en [eiser 2 uit Irak] hun vorderingen in maart 2005 aanhangig hebben gemaakt door het invullen en indienen van het voegingsformulier bij de officier van justitie. Hieruit volgt in zijn visie dat indien de verjaringstermijn is begonnen uiterlijk op het moment dat het internationale opsporingsbevel was uitgevaardigd, de vorderingen van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] in maart 2005 al waren verjaard.

7.25. [gedaagde] licht zijn subsidiaire standpunt dat de vorderingen in december 2009 waren verjaard, toe met de stelling dat op het moment van het indienen van de vorderingen in maart 2005 een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren is gaan lopen, die in maart 2008 is afgelopen.

7.26. [eiseres 3 uit Irak] en [eiser 2 uit Irak] verweren zich tegen het primaire standpunt van [gedaagde] en stellen dat zij pas ten tijde van de aanhouding van [gedaagde], in december 2004, op de hoogte zijn geraakt van zijn betrokkenheid bij de leveranties van TDG aan Irak. Eerder hebben zij dit volgens hen niet geweten en konden zij dit ook niet weten. Uit de omstandigheid dat wellicht publicaties in het nieuws zijn geweest over [gedaagde], waardoor zij op de hoogte hadden kunnen zijn, mag huns inziens niet worden afgeleid dat zij op de hoogte zijn geweest van zijn bestaan en zijn betrokkenheid. Ook op dit punt wenst de rechtbank zich te laten voorlichten over het Iraakse recht. Het gaat met name om de vraag of naar Iraaks recht de eis van subjectieve bekendheid met de dader geldt.

7.27. Tegen het subsidiaire standpunt van [gedaagde] voeren [eiseres 3 uit Irak] en [eiser 2 uit Irak] primair aan dat het indienen van de vordering schorsende werking heeft ten aanzien van de verjaring. De verjaringstermijn is volgens hen pas weer gaan lopen na 30 juni 2009, de datum van het arrest van de Hoge Raad. Door vervolgens de dagvaarding in december 2009 uit te brengen, hebben zij dat gedaan binnen een redelijke termijn nadien. Subsidiair, voor zover het indienen van de vorderingen geen schorsende werking heeft gehad, voeren zij het volgende aan. Zij hebben de vordering tegen [gedaagde] niet ingediend in maart 2005 maar pas in november 2005, namelijk op het moment dat zij zich tijdens de strafzaak mondeling hebben gevoegd. Dat betekent dat de vorderingen op zijn vroegst in november 2008 zijn verjaard. De advocaat van de eisers heeft echter op 18 april 2008, dus binnen de termijn van drie jaren na november 2008, uitdrukkelijk mede namens [eiseres 3 uit Irak] en [eiser 2 uit Irak] - zij worden in de brief met naam en toenaam genoemd -, een brief gestuurd waarin zij [gedaagde] aansprakelijk hebben gesteld. In de brief is opgenomen dat deze als een stuitingshandeling moet worden beschouwd. Ook overigens is de verjaring, volgens de de eisers uit Irak, tijdig gestuit door de dagvaarding in december 2009, en dus binnen een redelijke termijn na november 2008, uit te brengen.

7.28. Op basis van de in onderdelen 7.20 tot en met 7.27 geformuleerde stellingen van partijen rijzen diverse vragen over het verjaringsrecht naar Iraaks recht ten aanzien waarvan de rechtbank inlichtingen zal inwinnen bij het IJI. Deze vragen zijn geformuleerd in onderdeel 7.34 van dit vonnis.

in de zaak van [eiser 4 uit Irak] (10-2768)

[eiser 4 uit Irak] - vijftien jaren

7.29. [eiser 4 uit Irak] stelt dat de verjaringstermijn van vijftien jaren pas is gaan lopen op 2 april 2008, toen hij, na een langdurig verblijf in Canada, terugkeerde naar Nederland, omdat hij pas vanaf dat moment in hetzelfde land als [gedaagde] verbleef. [eiser 4 uit Irak] licht dit betoog toe met de stelling dat naar Iraaks recht, artikel 435 IBW, geldt dat de verjaring wordt geschorst wanneer de eiser zich in een ver gelegen buitenland bevindt. De rechtbank begrijpt [eiser 4 uit Irak] aldus dat hij stelt dat op grond van artikel 435 IBW de verjaring niet is gaan lopen toen hij vanaf 1989 in Nederland verbleef maar [gedaagde] niet, en ook niet toen hij vanaf 2001 in Canada verbleef maar [gedaagde] niet: deze was "absent in a remote foreign country". Teneinde op dit verweer te kunnen beslissen, heeft de rechtbank behoefte aan inlichtingen over Iraaks recht over de volgende vragen: dient in het geval van [eiser 4 uit Irak] (i) ieder verblijf in een ander land dan dat van de pleger van een onrechtmatige daad te worden beschouwd als een verblijf in een remote foreign country als bedoeld in artikel 435 IBW, of (ii) dient Nederland in verhouding tot Irak of enig ander land waar [gedaagde] verbleef te worden gezien als een remote foreign country als bedoeld in artikel 435 IBW of (iii) dient Canada in verhouding tot Nederland, of enig ander land waar [gedaagde] verbleef, te worden gezien als een remote foreign country als bedoeld in artikel 435 IBW? Voor de beantwoording van de vragen onder ii en iii heeft de rechtbank voorts behoefte aan inlichtingen van partijen over het verblijf van [gedaagde] in de periode van december 1989 tot april 2003, het moment waarop [gedaagde] zich weer in Nederland vestigde.

7.30. Indien naar Iraaks recht Canada in het kader van de stuiting van de verjaring als een remote foreign country kan worden beschouwd, luidt de conclusie dat de vordering van [eiser 4 uit Irak] niet is verjaard op grond van de termijn van vijftien jaren. Dit is ook het geval indien de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf 16 maart 1988, zoals [gedaagde] stelt, en niet pas vanaf 1989, het jaar waarin [eiser 4 uit Irak] uit Irak is vertrokken. [eiser 4 uit Irak] heeft, niet weersproken door [gedaagde], gesteld dat hij in 2001 naar Canada is vertrokken en op 2 april 2008 in Nederland is teruggekeerd. Aangenomen dat hij al in januari 2001 is vertrokken, is hij zeven jaren en drie maanden in Canada geweest. [eiser 4 uit Irak] stelt, niet weersproken door [gedaagde], dat hij door een brief van zijn advocaat van 23 februari 2010 de verjaring van zijn vordering heeft gestuit. De rechtbank stelt vast dat de periode tussen 16 maart 1988 en 23 februari 2010 21 jaren en elf maanden omvat. Indien het verblijf in Canada moet worden beschouwd als een tijd waarin de verjaring niet liep, is de verjaring gedurende maximaal zeven jaren en drie maanden opgeschort, waardoor de verjaringstermijn veertien jaren en acht maanden heeft gelopen. In deze veronderstelling is de rechtsvordering niet verjaard.

7.31. Indien het verblijf in Canada niet als een verblijf in een remote foreign country wordt gezien, maar het verblijf van [eiser 4 uit Irak] in Nederland, terwijl [gedaagde] elders verbleef, wel, is de vordering evenmin verjaard op grond van de absolute verjaringstermijn van vijftien jaren.

[eiser 4 uit Irak] - drie jaren

7.32. Voor het geval dat de vordering van [eiser 4 uit Irak] niet is verjaard op basis van de termijn van vijftien jaren, stelt [gedaagde] dat de vorderingen zijn verjaard als gevolg van de termijn van drie jaren. Deze termijn is gaan lopen op het moment dat [eiser 4 uit Irak] bekend moet worden geacht met de persoon van [gedaagde] en met de tegen hem bestaande beschuldigingen. Derhalve is de termijn, aldus [gedaagde], gaan lopen op het moment van het eerste uitleveringsgeding tegen [gedaagde] in 1989 en 1990, althans vanaf het internationale opsporingsbevel van de FBI van 25 mei 2000, althans vanaf de publicatie van een artikel in de Nieuwe Revu van 1 oktober 2003, althans vanaf het interview met Netwerk van 6 november 2003, althans vanaf de aanhouding in de strafzaak op 6 december 2004. Dit betekent, aldus [gedaagde], dat de vordering van [eiser 4 uit Irak] op 7 juli 2010 in ieder geval was verjaard.

7.33. [eiser 4 uit Irak] stelt dat hij pas in de loop van 2008 bekend is geworden met de persoon van [gedaagde] en dat pas op dat moment de verjaringstermijn van drie jaren is gaan lopen. In 7.29 heeft de rechtbank al overwogen dat zij zich op dit punt wenst te laten voorlichten over het Iraakse recht. Geldt naar dit recht de eis van subjectieve bekendheid met de dader? In dat geval is de verjaringstermijn van drie jaren pas gaan lopen in 2008, het moment dat [eiser 4 uit Irak] terugkeerde uit Canada. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser 4 uit Irak] dat hij pas vanaf dat moment op de hoogte was van zijn mogelijke vordering op hem, [gedaagde], onvoldoende weersproken. Zo heeft hij geen feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de rechtbank kan oordelen dat [eiser 4 uit Irak] eerder dan in de zomer van 2008 bekend was met de persoon van [gedaagde] en/of met de aantijgingen die tegen hem bestonden. De rechtbank is ook met betrekking tot deze vraag voornemens inlichtingen in te winnen bij het IJI.

7.34. In verband met de door de rechtbank te nemen beslissingen op het terrein van het Iraakse verjaringsrecht, is de rechtbank voornemens inlichtingen in te winnen bij het IJI over de inhoud van het Iraakse recht ten aanzien van de volgende vragen:

3. In welke wetten en in welke artikelen daarvan is in het Iraakse recht de verjaring van vorderingen als de onderhavige geregeld? Kunt u een vertaling geven van de desbetreffende artikelen?

4. Kunnen civiele vorderingen op basis van het medeplegen van oorlogsmisdrijven naar Iraaks verjaren?

Indien het antwoord op vraag 4 ondubbelzinnig neen is voor beide verjaringstermijnen, behoeven de vragen 5 tot en met 14 niet te worden beantwoord. Indien het antwoord op vraag 4 ja is of ruimte laat voor twijfel, wenst de rechtbank ook inlichtingen ten aanzien van de volgende vragen:

5. Wordt in dit geval, waarin het gaat om een civiele vordering tot schadevergoeding op basis van het medeplegen van oorlogsmisdrijven gepleegd door het in Irak verantwoordelijke regime, naar Iraaks recht (i) de verjaringstermijn van vijftien jaren terzijde gesteld, met als gevolg dat een verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment dat de eisers uit Irak bekend werden met de persoon van de dader, ofwel (ii) de verjaringstermijn geschorst gedurende, dan wel verlengd met, de periode dat Sadam Hussein aan de macht was, ofwel (iii) de verjaringstermijn geschorst gedurende dan wel verlengd met de periode dat de eisers uit Irak ten tijde van het regime van Sadam Hussein in Irak verbleven?

Indien het antwoord op vraag 5 ondubbelzinnig ja is, behoeven de vragen 6 tot en met 9 niet te worden beantwoord. Indien het antwoord op vraag 5 neen is, wenst de rechtbank ook inlichtingen ten aanzien van de volgende vragen:

6. Gelden de opschortingsmogelijkheden van de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 435 IBW zowel voor de lange verjaringstermijn van vijftien jaren als voor de korte verjaringstermijn van drie jaren?

Indien het antwoord op vraag 6 ondubbelzinnig neen is, behoeven de vragen 7 tot en met 9 niet te worden beantwoord.

7. Is op basis van artikel 435 IBW de absolute verjaringstermijn van vijftien jaren opgeschort gedurende de periode dat Sadam Hussein aan de macht was, dan wel voor een individuele eiser uit Irak gedurende de periode dat deze eiser in Irak verbleef?

8. Artikel 435 IBW bepaalt dat de verjaringstermijn wordt opgeschort gedurende de periode dat een benadeelde minor is. Geldt deze opschortingstermijn ook voor de verjaringstermijn van vijftien jaren gedurende de periode dat de minor een guardian heeft?

9. Tot wanneer is iemand naar Iraaks recht een minor?

10. Wanneer is naar Iraaks recht voldaan aan de voorwaarde dat de benadeelde became aware with the person of the plaintiff? Is dit het geval indien de benadeelde wetenschap had kunnen hebben of is subjectieve wetenschap bij de benadeelde een vereiste?

11. Wordt de verjaring naar Iraaks recht gestuit door het instellen van een vordering bij een gerechtelijke instantie?

12. Indien het antwoord op vraag 11 ondubbelzinnig ja is, blijft de verjaring dan gestuit gedurende de periode dat de gerechtelijke procedure nog niet is geëindigd in een onherroepelijk vonnis of arrest?

13. Indien de verjaring niet wordt gestuit door het instellen van een vordering bij een gerechtelijke instantie, kan de benadeelde dan bij een afwijzend vonnis alsnog een andere procedure voeren waarin dezelfde vordering wordt ingesteld en zo ja, binnen welke termijn na de gerechtelijke uitspraak dient deze vordering aanhangig te worden gemaakt?

14. Wat is de betekenis van het begrip remote foreign country als bedoeld in artikel 435 IBW? Valt de periode dat [eiser 4 uit Irak] in Nederland verbleef en [gedaagde] elders onder de definitie van dit begrip? En geldt dit ook voor de periode dat [eiser 4 uit Irak] in Canada verbleef en [gedaagde] elders?

Schade

7.35. [gedaagde] bestrijdt niet de hoogte van de door de eisers uit Irak gestelde schade. Deze staat derhalve vast tussen partijen. De eisers uit Irak vorderen de vergoeding van immateriële schade. De rechtbank vraagt zich af of het Iraaks recht voorziet in de toekenning van vergoedingen wegens immateriële schade. Ook op dit punt is zij voornemens inlichtingen in te winnen bij het IJI.

15. Voorziet het Iraakse recht in de toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade, en zo ja, aan welke criteria dient te zijn voldaan?

8. De beoordeling van de zaken van de eisers uit Iran (09-4325)

8.1. [gedaagde] bestrijdt niet dat de eisers uit Iran slachtoffer zijn van de bombardementen met mosterdgas op de steden en dientengevolge aldaar de door hen gestelde verwondingen en daarmee samenhangende schade hebben opgelopen. Dit staat derhalve vast tussen partijen.

Toepasselijk recht

8.2. [gedaagde] stelt dat op het geschil met de eisers uit Iran Iraaks recht van toepassing is. Hij stelt dat moet worden aangeknoopt bij het recht van de plaats waar het mosterdgas is vervaardigd, nu deze vervaardiging het gevolg is van het volgens deze eisers onrechtmatige handelen van [gedaagde]. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Iraans recht is van toepassing. Hoewel [gedaagde] TDG aan Irak heeft geleverd op een tijdstip gelegen ruim voor de inwerkingtreding van de WCOD op 1 juni 2001, is in de WCOD het toen al van kracht zijnde Nederlandse internationale privaatrecht op dit punt gecodificeerd, zodat in deze zaak kan worden uitgegaan van het recht dat in deze wet is neergelegd. Artikel 3 lid 2 van de WCOD bepaalt dat het recht moet worden toegepast van de staat op wiens grondgebied de onrechtmatige daad schadelijk inwerkt. Nu de eisers uit Iran op Iraans grondgebied met het mosterdgas in aanraking zijn gekomen, heeft de gestelde onrechtmatige daad daar ingewerkt en is Iraans recht van toepassing.

Bewijskracht strafvonnis

8.3. De rechtbank verwijst naar onderdeel 7.7 van dit vonnis, dat als hier ingelast moeten worden beschouwd. Ook tussen [gedaagde] en de eisers uit Iran staan de feiten als genoemd in 7.7 vast.

Onrechtmatige daad

8.4. De vraag of de aldus vastgestelde feiten een onrechtmatige daad opleveren, dient te worden beantwoord naar Iraans recht. De eisers uit Iran hebben aan de rechtbank de volgens hen relevante bepalingen uit het Iraanse burgerlijk wetboek overgelegd. De rechtbank acht zich, zonder nadere inlichtingen, niet in staat een oordeel te geven over de uitleg hiervan. Zij zal derhalve inlichtingen inwinnen bij het IJI.

8.5. [gedaagde] verweert zich tegen de vordering uit onrechtmatige daad met de stelling dat, nu hijzelf het mosterdgas niet heeft vervaardigd, hij ook geen onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de eisers uit Iran. Voor het plegen van een onrechtmatige daad is volgens hem meer nodig dan alleen het gelegenheid en middelen verschaffen tot het plegen van een onrechtmatige daad.

8.6. In verband met de gestelde onrechtmatige daad heeft de rechtbank het voornemen bij het IJI inlichtingen in te winnen over de inhoud van het Iraanse recht ten aanzien van de volgende vragen:

16. Kan op basis van de vaststaande feiten (7.7) worden geoordeeld dat [gedaagde] naar Iraans recht jegens de eisers uit Iran onrechtmatig heeft gehandeld en op basis daarvan jegens hen schadeplichtig is geworden? De rechtbank verzoekt het IJI specifiek daarbij het volgende te betrekken:

a. Wat is het gevolg van de omstandigheid dat [gedaagde] het TDG heeft geleverd aan het Iraakse regime, maar zelf het mosterdgas niet heeft vervaardigd? Heeft dit naar Iraans recht als gevolg dat niet kan worden geoordeeld dat er een causaal verband is tussen het handelen van [gedaagde] en de opgetreden schade?

b. Speelt bij het vaststellen van de onrechtmatigheid een rol dat de eisers uit Iran alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

17. Indien vraag 13 positief is beantwoord, kan de rechtbank dan de door de eisers uit Iran gevorderde vergoeding van immateriële en materiele schade toewijzen?

a. Speelt bij het vaststellen van de hoogte van de mogelijke schadevergoeding een rol dat de eisers uit Iran alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

Verjaring

8.7. Partijen strijden niet over de inhoud van het Iraanse verjaringsrecht en stellen eensluidend dat civiele vorderingen naar Iraans recht niet verjaren. [gedaagde] voert aan dat de rechtbank het Iraanse verjaringsrecht echter niet kan toepassen omdat dit in strijd is met het in de Nederlandse rechtsorde verankerde algemene beginsel van rechtszekerheid. Daarmee doet [gedaagde] een beroep op de openbare-orde-exceptie. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in dit verweer. Het leerstuk van de verjaring is inderdaad gestoeld op het beginsel van rechtszekerheid: een debiteur behoeft, naar Nederlands recht, niet tot in lengte van jaren rekening te houden met een mogelijke vordering en bewijsmiddelen daarvoor gereed te houden - terwijl dit praktisch gezien wellicht niet meer mogelijk is -, indien de crediteur niet kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn vordering nog wil innen. De Nederlandse wetgever heeft bij de vormgeving van het instituut verjaring een bepaalde keuze gemaakt tussen de belangen van de crediteur bij het innen van de vordering en die van de debiteur bij rechtszekerheid en het kunnen blijven innemen van een bewijspositie. De rechtbank acht de uitkomst van deze keuze echter niet van openbare orde. Zij wordt hierin bevestigd door artikel 3:322 BW, dat inhoudt dat het de rechter niet is toegestaan ambtshalve over te gaan tot toepassing van het middel van verjaring. Dit betekent dat ook de wetgever het aan de vrije wil van partijen heeft overgelaten of een beroep op de verjaring van een vordering wordt gedaan of niet. Bij gebreke van een beroep op verjaring, verjaart een vordering derhalve ook naar Nederlands recht niet. De omstandigheid dat van de verjaringstermijn van twintig jaren van artikel 3:306 BW als hoofdregel niet kan worden afgeweken, doet hieraan niet af. Ook dit is een artikel waaraan een belangenafweging ten grondslag heeft gelegen, dat niet van openbare orde is en dat bovendien geen toepassing vindt indien de debiteur geen beroep doet op de verjaring van een vordering.

8.8. Gelet hierop is Iraans verjaringsrecht van toepassing op de vorderingen van de eisers uit Iran. [gedaagde] heeft, zoals vermeld, erkend dat civiele vorderingen naar Iraans recht niet verjaren. [gedaagde] heeft - in lijn daarmee - geen beroep gedaan op verjaring van de vorderingen naar Iraans recht. De vraag of de vorderingen verjaard zijn, kan derhalve verder onbesproken blijven.

Schade

8.9. [gedaagde] bestrijdt niet de hoogte van de door de eisers uit Iran gestelde schade. Deze staat derhalve vast tussen partijen. De eisers uit Iran vorderen de vergoeding van immateriële schade. De rechtbank vraagt zich af of het Iraans recht voorziet in de toekenning van vergoeding wegens immateriële schade. Ook op dit punt heeft zij het voornemen inlichtingen in te winnen bij het IJI.

18. Voorziet het Iraanse recht in de toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade, en zo ja, aan welke criteria dient te zijn voldaan?

9. Kosten strafprocedure

in de zaken van de eisers uit Iran (09-4325) en van [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] (09-4342)

Ten aanzien van de vorderingen van [eiseres 3 uit Irak], [eiser 2 uit Irak] en de eisers uit Iran tot vergoeding van de kosten die zij hebben gemaakt door zich te stellen in de strafprocedure, overweegt de rechtbank het volgende. Het gerechtshof heeft eisers in hun vorderingen als beledigde partijen in de strafprocedure niet-ontvankelijk verklaard en de Hoge Raad heeft deze beslissing in stand gelaten. Het hof achtte deze vorderingen niet van eenvoudige aard en vond een beslissing daarover op die grond niet passend binnen de reikwijdte van de regelgeving van de vordering van een beledigde partij in het kader van een strafzaak. Het gerechtshof heeft geen proceskostenveroordeling ten nadele van [gedaagde] uitgesproken, hetgeen in overeenstemming is met het op de vorderingen van deze beledigde partijen van toepassing zijnde artikel 337 (oud) Wetboek van Strafvordering, inhoudende dat alleen bij een volledige toewijzing van de vordering van de beledigde partij de verdachte in de proceskosten van die partij kan worden veroordeeld. [eiseres 3 uit Irak], [eiser 2 uit Irak] en de eisers uit Iran hebben op eigen risico ervoor gekozen hun civiele vordering bij de strafrechter aanhangig te maken. Zij hebben met die procedure om formele (dat wil zeggen: buiten de merites van de zaak staande) redenen geen succes gehad. Dit dient voor hun eigen rekening te blijven. De rechtbank ziet geen grond om deze kosten thans voor rekening van [gedaagde] te brengen, die dan mogelijk moet betalen voor de rechtsbijstand van eisers in twee alternatieve procedures. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering van partijen derhalve afwijzen.

10. Vragen aan het IJI

in alle zaken

10.1. Alvorens inlichtingen in te winnen bij het IJI zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich bij gelijktijdig te nemen akten te uiten over de volgende aan het IJI te stellen vragen, zoals ook vermeld in onderdelen 7.10, 7.34, 7.35, 8.6 en 8.9, alsmede over (i) de verblijfplaats van [gedaagde] in de periode van 1989 tot april 2003 en (ii) het antwoord op de vraag of [eiser 2 uit Irak] en [eiseres 3 uit Irak] in de periode dat zij minderjarig waren een guardian hadden als bedoeld in artikel 435 IBW.

1. Kan op basis van de vaststaande feiten (7.7) worden geoordeeld dat [gedaagde] naar Iraaks recht jegens de eisers uit Irak onrechtmatig heeft gehandeld en daarmee jegens hen schadeplichtig is geworden? De rechtbank verzoekt het IJI specifiek daarbij het volgende te betrekken:

a. Wat is het gevolg van de omstandigheid dat [gedaagde] het TDG heeft geleverd aan het Iraakse regime, maar zelf het mosterdgas niet heeft vervaardigd? Heeft dit naar Iraaks recht, zoals [gedaagde] stelt, als gevolg dat niet kan worden geoordeeld dat er een causaal verband is tussen het handelen van [gedaagde] en de opgetreden schade?

b. Speelt bij het vaststellen van de onrechtmatigheid een rol dat de eisers uit Irak alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

2. Is, als vraag 1 positief is beantwoord, de door de eisers uit Irak gevorderde vergoeding van immateriële en materiële schade toewijsbaar?

c. Speelt bij het vaststellen van de hoogte van de mogelijke schadevergoeding een rol dat de eisers uit Irak alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

3. In welke wetten en in welke artikelen daarvan is in het Iraakse recht de verjaring van vorderingen als de onderhavige geregeld? Kunt u een vertaling geven van de desbetreffende artikelen?

4. Kunnen civiele vorderingen op basis van het medeplegen van oorlogsmisdrijven naar Iraaks verjaren?

Indien het antwoord op vraag 4 ondubbelzinnig neen is voor beide verjaringstermijnen, behoeven de vragen 5 tot en met 14 niet te worden beantwoord. Indien het antwoord op vraag 4 ja is of ruimte laat voor twijfel, wenst de rechtbank ook inlichtingen ten aanzien van de volgende vragen:

5. Wordt in dit geval, waarin het gaat om een civiele vordering tot schadevergoeding op basis van het medeplegen van oorlogsmisdrijven gepleegd door het in Irak verantwoordelijke regime, naar Iraaks recht (i) de verjaringstermijn van vijftien jaren terzijde gesteld, met als gevolg dat een verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment dat de eisers uit Irak bekend werden met de persoon van de dader, ofwel (ii) de verjaringstermijn geschorst gedurende, dan wel verlengd met, de periode dat Sadam Hussein aan de macht was, ofwel (iii) de verjaringstermijn geschorst gedurende dan wel verlengd met de periode dat de eisers uit Irak ten tijde van het regime van Sadam Hussein in Irak verbleven?

Indien het antwoord op vraag 5 ondubbelzinnig ja is, behoeven de vragen 6 tot en met 9 niet te worden beantwoord. Indien het antwoord op vraag 5 neen is, wenst de rechtbank ook inlichtingen ten aanzien van de volgende vragen:

6. Gelden de opschortingsmogelijkheden van de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 435 IBW zowel voor de lange verjaringstermijn van vijftien jaren als voor de korte verjaringstermijn van drie jaren?

Indien het antwoord op vraag 6 ondubbelzinnig neen is, behoeven de vragen 7 tot en met 9 niet te worden beantwoord.

7. Is op basis van artikel 435 IBW de absolute verjaringstermijn van vijftien jaren opgeschort gedurende de periode dat Sadam Hussein aan de macht was, dan wel voor een individuele eiser uit Irak gedurende de periode dat deze eiser in Irak verbleef?

8. Artikel 435 IBW bepaalt dat de verjaringstermijn wordt opgeschort gedurende de periode dat een benadeelde minor is. Geldt deze opschortingstermijn ook voor de verjaringstermijn van vijftien jaren gedurende de periode dat de minor een guardian heeft?

9. Tot wanneer is iemand naar Iraaks recht een minor?

10. Wanneer is naar Iraaks recht voldaan aan de voorwaarde dat de benadeelde became aware with the person of the plaintiff? Is dit het geval indien de benadeelde wetenschap had kunnen hebben of is subjectieve wetenschap bij de benadeelde een vereiste?

11. Wordt de verjaring naar Iraaks recht gestuit door het instellen van een vordering bij een gerechtelijke instantie?

12. Indien het antwoord op vraag 11 ondubbelzinnig ja is, blijft de verjaring dan gestuit gedurende de periode dat de gerechtelijke procedure nog niet is geëindigd in een onherroepelijk vonnis of arrest?

13. Indien de verjaring niet wordt gestuit door het instellen van een vordering bij een gerechtelijke instantie, kan de benadeelde dan bij een afwijzend vonnis alsnog een andere procedure voeren waarin dezelfde vordering wordt ingesteld en zo ja, binnen welke termijn na de gerechtelijke uitspraak dient deze vordering aanhangig te worden gemaakt?

14. Wat is de betekenis van het begrip remote country als bedoeld in artikel 435 IBW? Valt de periode dat [eiser 4 uit Irak] in Nederland verbleef en [gedaagde] elders onder de definitie van dit begrip? En geldt dit ook voor de periode dat [eiser 4 uit Irak] in Canada verbleef en [gedaagde] elders?

15. Voorziet het Iraakse recht in de toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade, en zo ja, aan welke criteria dient te zijn voldaan?

16. Kan op basis van de vaststaande feiten (7.7) worden geoordeeld dat [gedaagde] naar Iraans recht jegens de eisers uit Iran onrechtmatig heeft gehandeld en op basis daarvan jegens hen schadeplichtig is geworden? De rechtbank verzoekt het IJI specifiek daarbij het volgende te betrekken:

a. Wat is het gevolg van de omstandigheid dat [gedaagde] het TDG heeft geleverd aan het Iraakse regime, maar zelf het mosterdgas niet heeft vervaardigd? Heeft dit naar Iraans recht als gevolg dat niet kan worden geoordeeld dat er een causaal verband is tussen het handelen van [gedaagde] en de opgetreden schade?

b. Speelt bij het vaststellen van de onrechtmatigheid een rol dat de eisers uit Iran alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

17. Indien vraag 13 positief is beantwoord, kan de rechtbank dan de door de eisers uit Iran gevorderde vergoeding van immateriële en materiele schade toewijzen?

a. Speelt bij het vaststellen van de hoogte van de mogelijke schadevergoeding een rol dat de eisers uit Iran alleen [gedaagde] hebben aangesproken en niet andere betrokkenen bij de onrechtmatige gedragingen die tot hun verwondingen hebben geleid?

18. Voorziet het Iraanse recht in de toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade, en zo ja, aan welke criteria dient te zijn voldaan?

10.2. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

11. De beslissing

in alle zaken

De rechtbank:

11.1. verwijst de zaak naar de rol van 11 mei 2011 voor akten van elk van partijen om zich uit te spreken over hetgeen in onderdeel 10.1 is vermeld;

11.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis, mr. D.A. Schreuder en mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.

type: 1958