Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP8235

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09/650051-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Na de sluiting van het onderzoek is de rechtbank bij de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek, mede gelet op de rapportage gedateerd 9 maart 2011, opgemaakt door J.J.F.M. de Man (psychiater) en de rapportage gedateerd 2 maart 2011, opgemaakt door F.G. Schilder (GZ psycholoog), alsmede gelet op hetgeen daaromtrent ter terechtzitting aan de orde is geweest - op welke terechtzitting beide rapporteurs als getuige-deskundige ook een verklaring hebben afgelegd - niet volledig is geweest. De rechtbank acht zich in dat licht bezien omtrent de persoon van de verdachte niet voldoende ingelicht en acht het noodzakelijk dat verdachte, conform het advies van de psychiater en de psycholoog, ter observatie in het Pieter Baan Centrum zal worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/650051-10

Datum uitspraak: 18 maart 2011

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

adres: [adres],

thans gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum te Vught.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 en 7 januari 2011 en 15 maart 2011.

De verdachte, op 7 januari 2011 bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.J. van Essen en op 15 maart 2011 door mr. M.J. van Essen en mr. R.D. Meerman, beiden advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. N.H. Vogelenzang heeft gevorderd dat de verdachte bij dagvaarding onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 1 tweede cumulatief/alternatief, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en dat hem de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd, inhoudende dat verdachte voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden, tijdens de rijtour met de gouden koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden, heeft gegooid en/of daarbij "Oplichters" en/of "Profiteurs" en/of "Fascisten" en/of "Dieven" en/of "Nazi's" en/of "Verraders", althans woorden van gelijke aard en/of strekking heeft geroepen

en/of

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje , tijdens de rijtour met de gouden koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje, heeft gegooid en/of daarbij "Oplichters" en/of "Profiteurs" en/of "Fascisten" en/of "Dieven" en/of "Nazi's" en/of "Verraders", althans woorden van gelijke aard en/of strekking heeft geroepen;

art 112 Wetboek van Strafrecht

art 111 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of (een) (tot op heden) onbekend (gebleven) perso(o)n(en) (te weten de personen die zich in de directe omgeving van de Gouden Koets bevonden), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) (in de richting van en/of rakelings langs voornoemde personen) tegen die (rijdende) gouden koets gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de Gouden Koets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden en/of de Staat der Nederlanden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een waxinelichthouder (van 625,9 gram) tegen die Gouden Koets te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 18 september 2010 te Winterswijk en/of elders in Nederland [E] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk de voicemail van de telefoon van voornoemde [E] ingesproken en hem via die/dat voicemailbericht(en) dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, die [E] in elkaar zou slaan met een honkbalknuppel en/of dat hij, verdachte, het huis van [E] in brand zou steken en/of dat hij, verdachte, schijt had aan iedereen en niet bang was om het te doen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 08 juni 2010 te 's-Gravenhage [F] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met brandstichting immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [F] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, werd verdacht van het in brand steken van zijn moeder in de auto en/of dat hij dit niet gedaan had en/of dat er nog wel één bij kon en/of direct daarop/vervolgens die [F] de woorden toegevoegd "[F] is de naam he?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting

Na de sluiting van het onderzoek is de rechtbank bij de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek, mede gelet op de rapportage gedateerd 9 maart 2011, opgemaakt door J.J.F.M. de Man (psychiater) en de rapportage gedateerd 2 maart 2011, opgemaakt door F.G. Schilder (GZ psycholoog), alsmede gelet op hetgeen daaromtrent ter terechtzitting aan de orde is geweest - op welke terechtzitting beide rapporteurs als getuige-deskundige ook een verklaring hebben afgelegd - niet volledig is geweest.

De rechtbank acht zich in dat licht bezien omtrent de persoon van de verdachte niet voldoende ingelicht en acht het noodzakelijk dat verdachte, conform het advies van de psychiater en de psycholoog, ter observatie in het Pieter Baan Centrum zal worden geplaatst.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Deskundige De Man heeft in zijn rapport opgenomen dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek. Ondanks deze weigering heeft de deskundige ruim een uur met verdachte gesproken. Op grond van dit gesprek en de in het dossier aanwezige schriftelijke stukken heeft de deskundige wel tot een conclusie kunnen komen. De deskundige heeft geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een allesomvattende waanstoornis van het gemengde persecutorische (achtervolgings-) en grootheidstype en dat dit ook al zo was ten tijde van het tenlastegelegde. Deze waanstoornis van verdachte houdt volgens de deskundige rechtstreeks causaal verband met zijn gedragingen en verhindert verdachte het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien. Indien de tenlastegelegde feiten bewezen worden concludeert hij tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid hiervoor. Ziekte-inzicht is niet aanwezig bij verdachte. Voorts acht de deskundige het recidiverisico zeer groot en hij komt tot de conclusie dat verdachte op grond van een specifieke risicotaxatie, gericht op personen, een zeer groot risico vormt.

De deskundige acht ongeacht de aard van de forensische titel - op grond van de stoornis en het risicoprofiel - een klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek met medicamenteuze behandeling noodzakelijk. Uit strafrechtelijk oogpunt zou zowel de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS) in aanmerking kunnen komen, waarbij de eerstgenoemde maatregel naar alle waarschijnlijkheid na afloop van een jaar in civielrechtelijk kader zal moeten worden gecontinueerd.

De weigerachtige houding van verdachte heeft er evenwel toe geleid dat de deskundige naar zijn zeggen geen volledig advies heeft kunnen uitbrengen.

De deskundige heeft nadrukkelijk gesteld dat voor de onderbouwing van een TBS-advies, vanwege de zwaarte en de potentieel (zeer) lange duur van die maatregel, meer diagnostische zekerheid noodzakelijk is en dat verdachte in dat geval middels observatie in het Pieter Baan Centrum nader dient te worden onderzocht.

Ter terechtzitting van 15 maart 2011 is De Man als getuige-deskundige gehoord en heeft hij zich op hetzelfde standpunt gesteld, waarbij hij desgevraagd heeft verklaard dat naar zijn inschatting een eventuele behandeling van verdachte, zodanig dat het gevaarsrisico tot aanvaardbare grenzen zal zijn teruggebracht, niet binnen een jaar zal zijn afgerond.

Deskundige Schilder heeft slechts 5 tot 10 minuten met verdachte gesproken, daar verdachte wederom weigerde mee te werken aan het onderzoek naar zijn persoon. Desondanks is ook deze deskundige tot de conclusie gekomen dat verdachte lijdt aan een waanstoornis van het paranoïde type en dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is. Het gevaar voor herhaling wordt ook door deze deskundige als hoog ingeschat, met gevaarsrisico's voor personen. Ook deze deskundige adviseert behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek met bij voorkeur (gecontroleerde) medicamenteuze behandeling. Vanwege de gevaarsrisico's moet alsdan voor het verstrijken van de bij die maatregel behorende termijn het starten van een civielrechtelijke RM procedure ten zeerste worden overwogen, aldus de deskundige. Voorts geeft ook deze deskundige de rechtbank in overweging verdachte ter observatie in het Pieter Baan Centrum te plaatsen, omdat daarmee sprake kan zijn van ruime observatiemogelijkheden en uitgebreid multidisciplinair onderzoek, waarmee de eventuele noodzaak van een TBS-maatregel wellicht beter kan worden onderbouwd.

Ook deze deskundige is ter terechtzitting van 15 maart 2011 als getuige-deskundige gehoord. Daarbij heeft hij op een vraag van de raadsvrouw verklaard dat hij ten aanzien van het gevaar voor herhaling met name ook denkt aan fysiek geweld jegens personen. Voorts heeft hij op een vraag van de rechtbank verklaard dat naar zijn inschatting een eventuele behandeling van verdachte, zodanig dat het gevaarsrisico tot aanvaardbare grenzen zal zijn teruggebracht, niet binnen een jaar zal zijn afgerond.

De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de rapporten van de deskundigen ter terechtzitting uitvoerig aan de orde zijn geweest. Bovendien zijn beide deskundigen op zitting uitgebreid gehoord en hebben verdachte en de verdediging zich reeds breed uitgelaten over de inhoud van de rapporten. De rechtbank stelt vast dat aldus is voldaan aan het voorschrift van artikel 317 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en zij zal beslissen dat op grond van dat wetsartikel nader onderzoek naar de geestvermogens van verdachte dient te worden gedaan.

De rechtbank zal beslissen dat het onderzoek daartoe wordt heropend en geschorst. De stukken zullen in handen worden gesteld van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, opdat de verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke vragen omtrent de persoonlijkheid, verdachtes geestvermogens en toerekeningsvatbaarheid en de aan te bevelen straf en/of maatregel ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, van welk persoonlijkheidsonderzoek een aanvullende rapportage zal worden opgesteld.

De rechtbank zal het onderzoek schorsen voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch voor niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid.

Beslissing.

De rechtbank,

heropent het onderzoek ter terechtzitting;

beveelt op grond van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering dat verdachte ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, teneinde aldaar onderzoek te doen naar zijn geestvermogens;

beveelt voorts dat in deze zaak een deskundige, verbonden aan het Pieter Baan Centrum, zal worden benoemd, teneinde een onderzoek in te stellen naar de geestvermogens van verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke - nader door de rechter-commissaris te formuleren - vragen;

stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde uitvoering te geven aan hetgeen in dit tussenvonnis bevolen, waaronder het benoemen van één of meer deskundigen;

schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid;

beveelt de oproeping van de verdachte, tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting;

beveelt de kennisgeving aan de raadsman en raadsvrouw van de verdachte van het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mrs Alwin, voorzitter,

De Boer en Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2011.