Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8495

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
Awb 08-38386
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN1650, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd / onjuiste gegevens / Afghanistan / artikel 1 (F) Vlv / strijd met vertrouwens- en rechtszekerheidbeginsel

Daarmee komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of het vorenoverwogen impliceert dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van de juiste gegevens, als bedoeld in artikel 35, eerste lid aanhef en onder a Vw 2000. De rechtbank beantwoordt die vraag, gelet op de jurisprudentie van de AbRS terzake (bijvoorbeeld van 2 augustus 2004, registratienummer 200403143/1, JV 2004, 364) bevestigend. (…)

Dat betekent echter nog niet dat de wijze waarop verweerder van zijn intrekkingbevoegdheid gebruik heeft gemaakt de ten deze geldende rechterlijke toets kan doorstaan. Het moge zo zijn dat verweerder in 1999 nog niet bekend was met de feiten rond de KhAD/WAD, zoals die een jaar later uit een ambtsbericht bleken en daarom geen voor eiser nadelige gevolgen heeft verbonden aan het 1 F VLV onderzoek dat, naar eiser stelt en verweerder niet bestrijdt, in 1999 op eisers dossier is uitgevoerd. Dat neemt niet weg dat uit de gedingstukken blijkt dat de constatering van verweerder dat de feiten uit het ambtsbericht ook voor eiser gelden, zodat, achteraf bezien, eiser onjuiste informatie heeft gegeven of gegevens heeft achtergehouden, enige tijd op zich heeft laten wachten. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser op 20 oktober 2000 in aanmerking is gebracht voor een verblijfsvergunning zonder beperkingen op grond van de oude Vreemdelingenwet en dat hij op 1 april 2001 in aanmerking is gebracht voor de thans ingetrokken verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Na het uitkomen van het ambtsbericht en het bij verweerder bekend raken van de feiten rond de KhAD/WAD, zoals die ook eiser zijn aangerekend, heeft verweerder eiser derhalve nog een verblijfsvergunning verleend. Bovendien waren eisers werkzaamheden genoegzaam bij verweerder bekend. In een verweerschrift van 4 oktober 2000 dat door verweerder is uitgebracht in een reguliere procedure, waarin door de rechtbank uitspraak is gedaan op 31 oktober 2000 (Awb 99/9780 en 99/9781) zijn uitgebreid de door eiser voor de KhAD verrichte werkzaamheden beschreven en is eveneens opgemerkt dat eiser in 1992 luitenant-kolonel was. Ten tijde van dit verweerschrift van 4 oktober 2000 was verweerder reeds enige tijd bekend met het ambtsbericht over de KhAD/WAD van 29 februari 2000. Anders dan de eerder genoemde uitspraak van AbRS van 2 augustus 2004 (JV 2004, 364, r.o. 2.6.) blijkt pas uit een brief van 14 november 2002 dat een onderzoek is gestart naar de eventuele toepasselijkheid van artikel 1 F VLV op eiser. Voorts heeft eiser, anders dan in de uitspraak van de AbRS van 9 maart 2004 (JV 2004, 183) reeds op 8 mei 1998 expliciet over de door hem bekleedde posities, waaronder die als hoofdofficier, verklaard.

De rechtbank acht onder deze omstandigheden de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zoals dit recentelijk ook werd aangenomen door de AbRS in een uitspraak van de AbRS van 9 november 2009 (registratienumer 200809179/1/V2, gepubliceerd in JV 2010, 7).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 08/38386

Uitspraak in het geschil tussen:

[Eiser]

geboren op [geboortedatum],

van Afghaanse nationaliteit,

V-nummer [xxx],

eiser,

gemachtigde: mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen,

en

DE MINISTER VAN JUSTITIE, voorheen de Staatssecretaris van Justitie

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.P. Guérain, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij het bestreden besluit van 29 september 2008 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken.

1.2. Bij beroepschrift van 27 oktober 2008 heeft eiser tegen het hiervoor genoemde besluit op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn bij brief van 12 januari 2009 ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft op 10 maart 2009 een verweerschrift ingediend. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 30 januari 2009 een drietal stukken en bij brief van 11 januari 2010 een nader stuk ingebracht.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 22 januari 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Op 20 oktober 1997 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling en een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 16 februari 1999 is aan eiser met ingang van 20 oktober 1997 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. Een tegen dit besluit door eiser ingesteld beroep van 28 oktober 1999 is door de rechtbank bij uitspraak van 31 oktober 2000, verzonden op 3 november 2000, ongegrond verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser tot 20 oktober 2000 een vvtv heeft gehad. Op 20 oktober 2000 heeft hij een verblijfsvergunning zonder beperkingen op grond van de oude Vreemdelingenwet gekregen. Deze vergunning is op 1 april 2001 op grond van artikel 115, vierde lid, Vw 2000 omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het is deze vergunning die door verweerder bij het bestreden besluit is ingetrokken.

2.2. Eiser is afkomstig uit Kabul, Afghanistan. Eiser was vanaf 1977 volwaardig lid van de DVPA. Eiser heeft in een nader gehoor van 8 mei 1998 over zijn arbeidsverleden het volgende verklaard. Eiser is na de militaire academie beroepsmilitair geworden. Ook heeft hij een cursus gevolgd voor bewaking van de president en leden van het polit-bureau. Vanaf 27 december 1979 werkte eiser bij partij-rayon nr 5. Op 2 januari 1980 werd hij overgeplaatst naar de presidentiele garde in Kabul. Daar maakte hij deel uit van een groep van 80 personen. Eisers taak was de verblijfplaats en het kantoor van de president te bewaken. Eiser heeft dit werk gedaan tot 1983. Intussen volgde eiser een cursus bij de presidentiele garde. Vervolgens werd eiser de lijfwacht van minister Yaqoubi. Dit werk heeft eiser negen maanden gedaan. Vervolgens werd eiser door de minister van Staatsveiligheid naar de afdeling van het algemene militaire directoraat gezonden. Daar werkte eiser twee tot drie maanden. Na die tijd, in 1984, is eiser overgeplaatst naar de algemene directie van militaire veiligheid bij divisie 11 van Nangarhar. Daar heeft hij tot 1986 gediend. Eiser was belast met de veiligheid van het rekruteringsbataljon en de speciale orde van de provincie Nangarhar. In 1986, toen eiser de rang kapitein-junior had, werd eiser overgeplaatst naar Kabul, naar de algemene directie voor stafveiligheid van het Ministerie van Defensie. Eiser werd directeur van veiligheid, ressorterend onder het directoraat centrale reparatie van het leger. Eiser moest de centrale reparatieplaats van het leger bewaken. Eiser had 1500 man onder zich. Deze werkzaamheden heeft eiser tot 1988 verricht. In 1988 had eiser de rang van senior-kapitein. In dat jaar werd eiser benoemd tot directeur van veiligheid van het onderdeel Scud-raketten bij het Ministerie van Defensie. Eiser was met twee andere personen belast met de beveiliging van het onderdeel Scud-raketten. Begin 1990 werd het Scud-onderdeel gesplitst. Eiser werd toen met 70 anderen naar Mazar-e-Sharif overgeplaatst. Daar werd een nieuw Scud-onderdeel opgestart. Eiser was in Mazar-e-Sharif directeur van veiligheid en bewaking van dat Scud-onderdeel. Dit onderdeel bestond uit 150 man. Daarop werd eiser bevorderd tot majoor. Dit werk deed eiser tot begin 1991. Vervolgens werd hij overgeplaatst naar een militair departement van het Ministerie voor Telecommunicatie. Eiser hield de functie directeur veiligheid. Dit werk deed eiser tot 25 april 1992, toen de Mujaheddin Kabul binnenvielen. Eisers laatste rang was luitenant-kolonel.

2.3. Tijdens een aanvullend gehoor van 4 november 2003 heeft eiser, in verband met het onderzoek naar de vraag of eiser betrokken is geweest bij misdrijven tegen de menselijkheid en/of oorlogsmisdaden, in aanvulling hierop het volgende verklaard.

In 1982 werd eiser gedetacheerd bij de Staatsveiligheidsdienst. Er kwam een brief waarin stond dat eiser naar de KhAD moest. In die tijd was Nadjibullah hoofd van de KhAD en Yaqoubi zijn plaatsvervanger. In 1983 werd de hele presidentiele garde organisatorisch ondergebracht bij de KhAD. Eiser viel onder de directie militaire zaken van de KhAD. De directie militaire zaken was onderverdeeld in diverse afdelingen: de afdeling Brandweer, Personeelszaken, Documentatie, onderdirectie nr 2, Financiën, Politieke zaken en nog meer afdelingen. De afdeling waar eiser werkte in 1984 was de afdeling Documentatie. Dit was een soort postkamer, waar alle binnenkomende brieven werden geregistreerd en doorgestuurd. Eiser heeft verklaard dat al zijn bevorderingen periodieke bevorderingen waren. Eiser is nooit versneld bevorderd.

Begin 1984 werd eiser overgeplaatst naar de provincie Khost, waar hij ook weer op de afdeling Documentatie tewerkgesteld werd. De overplaatsing naar Khost was een soort straf omdat het risico daar groot was dat je als gevolg van de terreur van de Mujaheddin om het leven zou komen. Eiser werd overgeplaatst omdat hij de speciale opleiding voor de KhAD niet had gevolgd. Eiser heeft benadrukt dat hij geen operationele functie bij de KhAD had en in plaats daarvan slechts een administratieve functie had. Eiser weet daardoor ook niet welke personen door de KhAD werden vervolgd. In februari 1984 ging eiser werken voor divisie 11, in Nangarhar. Eiser werkte op de afdeling Documentatie van de militaire directie van divisie 11 in Nangarhar. Deze divisie viel onder het Ministerie van Defensie. Ook hier moest eiser post registreren en rondbrengen. Het was een administratieve baan. In Nangarhar heeft eiser ook, namelijk van maart 1985 tot februari 1986, bewakingsroutes opgesteld op de kazerne van het leger in Jalalabad. Eiser moest ook controleren of mensen hun werk goed deden. De kazerne van divisie 11 was ook de kazerne van de KhAD en van de Sarandoy. Eiser was in deze functie bevoegd om personen te arresteren en mee te nemen naar zijn meerdere. Door de officier werd dan besloten wat er met de verdachte ging gebeuren. De verdachte werd overgedragen aan de KhAD, de Sarandoy of het leger.

In de functie bij het directoraat centrale reparatie van het leger, die eiser vanaf 1986 bekleedde en waar eiser soldaten in de gaten moest houden. Eiser was namens de militaire KhAD aanwezig. Hij had eiser niet de bevoegdheid om mensen te (laten) arresteren of aan te houden.

2.4. Tijdens een nader aanvullend gehoor van 17 augustus 2006 heeft eiser nader verklaard over zijn arbeidsverleden. Eiser heeft verklaard in 1980 bij de Garde te zijn begonnen en toen een opleiding van een half jaar te hebben gevolgd. In de periode 1982 tot en met 1984 is eiser bevorderd tot tweede en vervolgens eerste luitenant. In 1984 werd hij eerste luitenant. Eiser was toen nog in Kabul. In 1991 is eiser bevorderd tot majoor. De bedoeling was dat eiser in april 1992 zou worden bevorderd tot luitenant-kolonel, maar dat is niet gebeurd omdat het regime voor die tijd was gevallen. Eiser heeft in reactie op verweerders stelling dat een plaatsing in een louter administratieve functie, blijkens een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000, slechts mogelijk was als men zich tijdens eerdere plaatsingen voldoende had bewezen, naar voren gebracht dat dit niet klopt. Eiser heeft verklaard dat hij geen specifieke opleiding heeft gehad, omdat hij bij de afdeling Documentatie werkte en zich uitsluitend bezig hield met post. Eiser wilde ook geen opleidingen doen, want hij wist wel dat mensen die deze cursussen volgden dingen moesten gaan doen, waartoe eiser zich niet in staat voelde. Voorts heeft eiser verklaard niet terug te kunnen naar Afghanistan. Wie voor de Khad heeft gewerkt kan problemen verwachten. Eiser verwacht problemen van de Mujaheddin en de Taliban, waarvan sommige personen nu voor de Afghaanse regering werken. Het is bekend dat eiser bij de KhAD heeft gewerkt. Dat is volgens eiser genoeg om hem te doden. Eiser heeft in dat verband gewezen op het feit dat de aanleiding voor zijn vertrek uit Afghanistan was dat zijn moeder en zus door toedoen van de Taliban zijn overleden. Ook heeft eiser in dit gehoor verklaard dat zijn echtgenote in juni 2006 is overleden, na een korte ziekte. Zij is in Nederland begraven. Eiser heeft twee kinderen die hij moet verzorgen. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.5. Op 5 juli 2007 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, in te trekken. In dit voornemen heeft verweerder -kort samengevat- overwogen dat eiser werkzaam is geweest voor de KhAD/WAD en dat dit instanties zijn die moeten worden aangemerkt als organisaties waarvan aan onderofficieren en officieren in de regel artikel 1 F van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen (VLV) wordt tegengeworpen. Dit vloeit voort uit hetgeen in een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 (kenmerk: DPC/AM-663896) over de Afghaanse veiligheidsdiensten is vermeld. Gesteld is dat eiser in het nader gehoor van 8 mei 1998 onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden. Als dat niet was gebeurd zou artikel 1 F VLV aan hem zijn tegengeworpen en zou hem geen vvtv, later omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, zijn verleend. Uit genoemd ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt verder dat alle onderofficieren en officieren werkzaam zijn geweest bij de macabere afdelingen van de KhAD/WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, folteren en executeren van verdachte personen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij, in weerwil van zijn positie als officier binnen de KhAD/WAD niet zelf deze misdrijven heeft gepleegd of gefaciliteerd. Het is volgens verweerder dan ook onvermijdelijk dat hij persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven. Er is geen sprake van een significante uitzondering. Verweerder heeft daarbij ook het bevorderingspatroon van eiser betrokken. Eiser is 12 jaar in dienst geweest bij de KhAD/WAD en hij is vijf, eigenlijk zes, maal bevorderd. Dat kan alleen, blijkens het ambtsbericht, indien hij zeer loyaal is geweest aan het toenmalige regime.

2.6. Op 19 augustus 2007 heeft eisers gemachtigde een zienswijze ingediend tegen verweerders voornemen. Aangevoerd is dat eiser in 1980 niet in dienst is gekomen van de KhAD, maar van het Ministerie van Defensie. De presidentiele garde waarvoor eiser werkte viel onder het Ministerie van Defensie. Toen eiser de heer Yaqoubi ging beveiligen was deze nog geen minister. Eiser was ook niet werkzaam als diens persoonlijke lijfwacht. Hij was werkzaam op diens kantoor en hij was belast met administratieve taken, met name het verspreiden van interne post, het begeleiden van bezoekers naar de wachtruimte en hen voorzien van koffie en thee. Voor het overige komt het er op neer, aldus eiser in de zienswijze, dat eiser in de periode 1983 tot 1992 voor een groot deel feitelijk werkzaam is geweest bij het Ministerie van Defensie, terwijl hij in de periode dat hij feitelijk werkte voor de KhAD/WAD werkte in Khost en Jalalabad en was ingedeeld bij Bureau Documenten. Zijn bevorderingen zijn geheel conform het bevorderingsreglement voor officieren geweest. Gewezen is op het feit dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan het risico loopt om slachtoffer te worden van een schending in de zin van artikel 3 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Verder is gewezen op het feit dat eiser twee minderjarige kinderen heeft met de Nederlandse nationaliteit. Eiser is belast met de opvoeding van deze twee kinderen, nu hun moeder is overleden. Eiser heeft sinds 15 december 2004 een baan als conciërge bij een basisschool. Eiser begrijpt niet waarom hem na al die jaren nog artikel 1 F VLV wordt tegengeworpen.

2.7. Op 13 november 2007 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie van verweerder. Tijdens die hoorzitting is van de kant van eiser naar voren gebracht dat hij geen lijfwacht van minister Yaqoubi was, maar op zijn kantoor werkte. Eiser is ook nooit met Yaqoubi ergens heen geweest. Met betrekking tot de bevorderingen heeft eiser verklaard dat hij volgens het normale patroon zo om de drie jaar is bevorderd. Eiser heeft aangegeven dat hij de juistheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 bestrijdt. Dit ambtsbericht is tot stand gekomen toen de Taliban aan de macht was. Voorts heeft eiser er op gewezen dat er al zeven maanden een maatschappelijk werker aan huis komt in verband met eisers persoonlijke situatie. Eiser heeft een brief van de maatschappelijk werker overgelegd van 6 november 2007. Hierin is aangegeven dat een verwijdering naar Afghanistan voor de kinderen traumatisch zal zijn omdat zij nog in het rouwproces na de dood van hun moeder zitten. Ook heeft eiser gewezen op het feit dat de kinderen alleen Nederlands spreken en geen Afghaans, aangezien zij al negen jaar in Nederland wonen. Eisers kinderen zijn geboren op [datum] 1995 en op [datum] 1996 en zitten op de basisschool. Eiser heeft een arbeidsovereenkomst overgelegd van zijn eigen baan als conciërge.

2.8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder in aanvulling op het uitgebrachte voornemen en aanvullend voornemen nog het volgende overwogen. Eiser is in 1980 in de rang van derde luitenant in dienst getreden. Het betreft een subalterne officiersrang. Eiser is uiteindelijk bevorderd tot luitenant-kolonel, een hoofdofficiersrang. Het feit dat eiser werd bevorderd en werd betaald door de KhAD/WAD maakt dat kan worden aangenomen dat hij werkzaam was voor de KhAD/WAD. Verweerder gaat er dan ook van uit dat eiser al in 1980 in dienst is getreden van de KhAD/WAD. Uit meergenoemd ambtsbericht blijkt dat eiser betrokken moet zijn geweest bij martelingen en buitengerechtelijke executies. Eisers stelling dat hij een louter administratieve functie had, ziet verweerder als een poging van eiser om zijn werkzaamheden te bagatelliseren. Ten aanzien van de Parwachi gelooft verweerder niet dat eiser deze opleiding niet heeft gevolgd. Verweerder houdt eiser ook aan zijn eerdere verklaring dat hij bij de directie Onderhoud en Reparatie van legervoertuigen namens de militaire KhAD aanwezig was. Ook is eiser door verweerder gehouden aan zijn verklaring dat hij het terrein waar de Scud-raketten waren gestationeerd moest bewaken en niet alleen toezicht hield op de bewakers. Verweerder gaat uit van de juistheid van eisers verklaring dat hij werkzaam is geweest als directeur veiligheid. Zijn latere verklaring dat hij enkel werkzaam was als medewerker op de afdeling documenten en slechts incidenteel was belast met de bewaking volgt verweerder daarom niet. Ook dit ziet verweerder als een poging tot bagatelliseren. Ten aanzien van eisers bevorderingen is verweerder van oordeel dat ook al zouden eisers bevorderingen een normaal verloop hebben gehad, het een feit blijft dat deze bevorderingen alleen konden plaatsvinden bij loyaliteit. Eisers nadere verklaring over zijn werkzaamheden voor de heer Yaqoubi sporen in het geheel niet met hetgeen hij in de gehoren heeft verklaard. Verweerder volgt deze nadere verklaring van eiser, zoals neergelegd in de zienswijze, niet. Ook in de aanvullingen en correcties van 15 februari 1999 heeft eiser naar voren gebracht dat hij de lijfwacht van Yaqoubi was.

Verweerder is tenslotte van mening dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM.

2.9. In de gronden van beroep betwist eiser dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel heeft achtergehouden. Eiser benadrukt dat zijn werkzaamheden voor 80% onder Defensie vielen en voor 20% onder Staatsveiligheid. Zijn promoties waren regulier. Ook heeft hij een strafoverplaatsing gehad omdat hij de speciale opleiding voor de KhAD/WAD niet had gevolgd. Eiser betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schending van mensenrechten. Hij zat niet bij de operationele diensten, maar bij de ondersteunende diensten. Eiser beroept zich op het rapport van de UNHCR over de structuur en het functioneren van de KhAD/WAD 1978-1992 van mei 2008, waarin andere conclusies worden getrokken dan in meergenoemd ambtsbericht van 29 februari 2000. Eiser benadrukt dat de tegenwerping aan hem van artikel 1 F VLV niet individueel bepaald is, maar categorisch, hetgeen wordt verstrekt door het antwoord van verweerder in een kamer debat, dat geen aanvullend onderzoek komt op het ambtsbericht van 29 februari 2000, omdat het Nederlandse beleid inzake artikel 1 F VLV internationaal bekend is. Eiser acht een categoriale beoordeling in strijd met de gedachte achter artikel 35 Vw 2000. Eiser heeft bij de gronden van beroep van 12 januari 2009 een verklaring van een landgenoot in Denemarken overgelegd.

Eiser stelt door het verstrijken van de tijd en het missen van rechtstreekse contacten met Afghanistan niet in staat te zijn heel concreet te maken dat hij bij terugkeer naar Afghanistan het reële risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Echter verwijst eiser naar de redenen van zijn vertrek uit Afghanistan en naar de problemen die hij vanwege de Taliban heeft ondervonden. Eiser wijst op het feit dat zijn moeder, zijn zuster en zijn zoontje door de Taliban zijn vermoord. Later is ook zijn schoonvader vermoord.

Ook stelt eiser dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank op eisers asielaanvraag van 3 november 2000 de inhoud van de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse zaken van 29 februari 2000 bij verweerder bekend was. Eiser mocht er dus van uitgaan dat artikel 1 F VLV hem niet werd tegengeworpen. Daarom heeft hij een naturalisatieverzoek ingediend.

Eiser is voorts van mening dat verweerder ten onrechte in het geheel geen aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat eiser is belast met het ouderlijk gezag over zijn twee nog minderjarige kinderen, die schoolgaande zijn en van hem afhankelijk. Van eisers kinderen kan in redelijkheid niet gevergd worden dat ze in Nederland zonder hun vader opgroeien, dan wel dat ze met hun vader naar Afghanistan vertrekken. Door de intrekking van de verblijfsvergunning heeft eiser psychische klachten gekregen. Hiervoor wordt hij door zijn huisarts behandeld.

2.10. In de aanvullende gronden van beroep van 30 januari 2009 is aangevoerd dat de verklaring van eisers landgenoot uit Denemarken van 15 november 2008 afkomstig is van ingenieur Zalmai Nasrat, voormalig vicehoofd van het algemene Directoraat Kader en Personeel van het Ministerie van Staatsveiligheid. Een vertaling is overgelegd. Blijkens deze verklaring heeft eiser geen specialistische of operatieve cursussen gevolgd en was hij werkzaam bij de afdeling documenten en communicatie (afdeling Post). Eiser was een van de officieren van de Presidentiele Garde, onderdeel van het Ministerie van Defensie. In de laatste jaren viel de Presidentiele Garde onder het Ministerie van Staatsveiligheid, aldus de verklaring van Nasrat. In de aanvullende gronden heeft eiser zich er voorts over beklaagd dat verweerder in het geheel niet heeft getoetst aan artikel 8 EVRM. Eiser heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 10 november 2008 (registratienummer Awb 07/21019). Tot slot heeft eiser opnieuw een kopie overgelegd van de brief van de maatschappelijk werker van 6 november 2007.

2.11. Bij brief van 11 januari 2010 heeft eiser een legitimatiebewijs van de heer Nasrat overgelegd.

2.12. Verweerder heeft in het verweerschrift nog een nadere toelichting op het standpunt gegeven. Hierin heeft verweerder benadrukt dat het er niet zozeer om gaat of eiser zelf onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden, maar dat bepalend is of de Staatssecretaris bij bekendheid met de juiste gegevens de verblijfsvergunning zou hebben verleend. Het is niet relevant of het de vreemdeling kan worden toegerekend dat onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt. Datzelfde geldt voor het achterhouden van gegevens. Verweerder bestrijdt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Er is nooit expliciet aan eiser aangegeven dat artikel 1 F VLV niet aan hem wordt tegengeworpen.

Bij het ontbreken van een dergelijke verklaring dient de vreemdeling er steeds rekening mee te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden ter zake van een op basis van onjuiste of onvolledige informatie verkregen vergunning. Verweerder heeft er op gewezen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) voorafgaand aan de uitspraak van 30 november 2004, JV 2005/49 kennis heeft genomen van de aan het ambtsbericht van 29 februari 2000 ten grondslag liggende onderliggende stukken en heeft geoordeeld dat verweerder mag uitgaan van de juistheid van dit ambtsbericht. In de onderliggende stukken wordt bevestigd dat bij de KhAD/WAD sprake is geweest van een roulatiesysteem, waarbij iedere officier eerst op één van de zogenoemde macabere afdelingen werd geplaatst en overplaatsing naar een afdeling met een meer administratief of technisch karakter slechts in het verschiet lag, als een (onder)officier zich voldoende had bewezen tijdens een eerdere plaatsing. Het feit dat de UNHCR niet in staat is te bevestigen dat er een systematische roulatie heeft plaatsgevonden als hiervoor omschreven doet daar niet aan af. Dit kan zijn veroorzaakt door een verschil in onderzoeksintensiteit. Het UNHCR rapport mist de nodige objectieve onderbouwing om als een aanknopingspunt voor twijfel te kunnen worden aangemerkt. Ook verwijst verweerder naar de brief en notitie van de verweerder en de minister van Justitie aan de Tweede Kamer aangaande Afghaanse 1 F VLV zaken van 9 juni 2008. Op grond van deze notitie concludeert verweerder dat de toepassing van artikel 1 F VLV, ook waar het betreft categorieën bij wie de bewijslast is omgekeerd, met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd. In dit verband wijst verweerder ook nog op het Aanhangsel 2954 van de Handelingen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, van 29 juli 2008.

Ten aanzien van artikel 3 EVRM heeft verweerder zijn standpunt herhaald dat niet heeft aangetoond dat hij een reëel risico op schending van dit verdragsartikel loopt nu hij geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat sprake zou zijn van vervolging door de Taliban. Gelet op de scheiding tussen asiel en regulier kan een beroep op artikel 8 EVRM niet slagen. Eiser dient hiertoe een reguliere procedure te volgen.

2.13. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht. Door eisers gemachtigde is gesteld en door verweerders gemachtigde niet weersproken dat eisers dossier door verweerder al eerder is beoordeeld op de toepasselijkheid van artikel 1 F VLV. Deze beoordeling heeft in 1999 plaatsgevonden en niet geleid tot een afwijzing van een verblijfsvergunning. Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat voortschrijdend inzicht, door het ambtsbericht van 29 februari 2000, er toe heeft geleid dat aan eiser in een later stadium toch artikel 1 F VLV is tegengeworpen. Verweerder ziet hierin geen schending van het vertrouwensbeginsel, omdat er geen schriftelijke toezegging is dat artikel 1 F VLV niet zal worden tegengeworpen aan eiser. Verder is aangevoerd door de gemachtigde van verweerder dat eiser wordt verweten dat hij niet correct heeft verklaard over de werkelijke aard van zijn werkzaamheden. Gelet op meergenoemd ambtsbericht moet eiser met mensenrechtenschendingen te maken hebben gehad. Dat eiser andersluidende verklaringen heeft afgelegd betekent volgens verweerder dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden die, waren zij wel bekend geweest tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid. Ook is desgevraagd door verweerders gemachtigde aangegeven dat het beleid dat verweerder bij intrekking op grond van artikel 35, eerste lid onder a, Vw 2000 voert weinig ruimte laat voor een belangenafweging en dat verweerder de persoonlijke belangen van eiser, zoals zijn gezinssituatie, dan ook niet heeft meegewogen.

Beoordeling van het beroep

Wettelijk kader

2.14. Ingevolge artikel 35, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.15. Verweerder voert terzake het beleid dat de verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken indien achteraf wordt vastgesteld dat artikel 1 F VLV, in samenhang gelezen met artikel 31, tweede lid onder k, Vw 2000 ten onrechte niet is toegepast omdat de vreemdeling bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft verzwegen, aldus paragraaf C 8 in samenhang gelezen met C 5/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). In de gevallen waarin tot intrekking wordt overgegaan omdat artikel 1 F VLV van toepassing blijkt, dient wel volgens het beleid, beoordeeld te worden of terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is en geen schending oplevert van artikel 3 EVRM (Zie C4/3.11.3.1 van de Vc 2000)

2.16. Ingevolge artikel 1 F VLV zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.17. Volgens C4/3/11.3.1 van de Vc 2000 is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 F VLV valt.

Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 F VLV wordt de “personal and knowing participation test” toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 F VLV worden tegengeworpen. De “personal and knowing participation test” is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikelen 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000. In de Vc 2000 is verder uiteengezet in welke omstandigheden verweerder aanneemt dat sprake is van beide voorwaarden.

Overwegingen

2.18. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of eiser onjuiste gegevens in de zin van artikel 35, eerste lid, onder a Vw 2000 heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, die, waren zij bekend geweest bij verweerder, niet tot vergunningverlening of –verlenging zouden hebben geleid.

2.19. Niet bestreden is dat de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn aan te merken als misdrijven en handelingen als bedoeld in aftikel 1 F, onder a, b en c VLV. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat bij eiser sprake is geweest van “knowing participation” evenals van “personal participation” aan deze misdrijven en handelingen. Uit het gehoor van 4 november 2003 blijkt dat eiser in dienst is geweest van de KhAD/WAD en niet van het Ministerie van Defensie, zoals eisers gemachtigde stelt. In dit gehoor heeft eiser verklaard dat hij in 1982 werd gedetacheerd bij de Staatsveiligheidsdienst en dat de presidentiele garde, waartoe hij behoorde, in 1983 organisatorisch werd ondergebracht bij de KhAD/WAD.

Over deze KhAD/WAD is meergenoemd ambtsbericht van 29 februari 2000 uitgebracht.

Volgens dit ambtsbericht zijn alle (onder) officieren werkzaam geweest in de zogeheten macabere afdelingen van de KhAD/WAD en persoonlijk betrokken geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen. Daartoe is ondermeer redengevend geacht dat medewerkers van de KhAD en de WAD regelmatig rouleerden, een plaatsing op een afdeling of directie waar de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden, slechts in het verschiet lag als een (onder)officier zich voldoende had bewezen tijdens een eerste plaatsing of plaatsingen en een promotie tot officier van de KhAD en de WAD niet kon plaatsvinden als de betrokken medewerker niet concreet blijk had gegeven van zijn onvoorwaardelijke loyaliteit aan het communistische bewind.

2.20. Een ambtsbericht geldt volgens vaste jurisprudentie van de AbRS als een deskundigenbericht. Eisers betoog dat aan de waarde van dit deskundigenbericht wordt afgedaan door een rapport van de UNHCR met de titel “Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan in 1978-1992” volgt de rechtbank niet, nu de AbRS in een uitspraak van 24 september 2009, registratienummer 200901907/1/V1, heeft geoordeeld dat dit rapport geen concreet aanknopingspunt vormt om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000. Gelet op de functie van eiser en de rang die hij vervulde (laatstelijk majoor/luitenant-kolonel) bij de KhAD/WAD, moet hij, gelet op de inhoud van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 betrokken zijn geweest bij de in dit ambtsbericht beschreven mensenrechtenschendingen. Daargelaten de vraag of eiser al dan niet de zogenoemde Parwachi opleiding heeft gevolgd, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, terecht veel gewicht toegekend aan het grote aantal bevorderingen van eiser. Eiser is in de twaalf jaar dat hij in dienst is geweest bij de KhAD/WAD zes maal bevorderd, laatstelijk tot luitenant-kolonel. Uit meergenoemd ambtsbericht volgt dat dit slechts mogelijk was indien men had bewezen loyaal aan het bewind te zijn. Eiser heeft niet aangetoond dat hij een significante uitzondering is geweest. De rechtbank merkt in dit verband op dat eisers verklaringen in de gehoren die hebben plaatsgevonden in het kader van artikel 1 F VLV niet eenduidig zijn en de indruk wekken dat eiser zijn rol tracht te bagatelliseren. Waar eiser in een nader gehoor van 8 mei 1998 en de correcties en aanvullingen op dit gehoor heeft verklaard lijfwacht te zijn geweest van Yaqoubi en ook in de periode daarna bewakings- en beveiligingswerkzaamheden te hebben verricht, laatstelijk als directeur veiligheid Telecommunicatie, is in de zienswijze van 19 augustus 2007 namens eiser gesteld dat hij nooit de lijfwacht van Yaqoubi is geweest en dat hij op diens kantoor slechts belast was met administratieve taken zoals het rondbrengen van de post en met het begeleiden van bezoekers naar de wachtruimte en het voorzien van deze bezoekers van koffie en thee. Ook bij de hoorzitting van 13 november 2007 heeft eiser in deze zin verklaard. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid geen geloof hoeven hechten aan deze afwijkende verklaringen van eiser met betrekking tot zijn feitelijk verrichtte werkzaamheden.

2.21. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of het vorenoverwogen impliceert dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van de juiste gegevens, als bedoeld in artikel 35, eerste lid aanhef en onder a Vw 2000. De rechtbank beantwoordt die vraag, gelet op de jurisprudentie van de AbRS terzake (bijvoorbeeld van 2 augustus 2004, registratienummer 200403143/1, JV 2004, 364) bevestigend. De AbRS acht, blijkens deze jurisprudentie, bepalend voor de vraag of verweerder bevoegd is om op grond van voormeld artikel(lid) tot intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd over te gaan of bij bekendheid met de juiste gegevens de ingetrokken vergunning zou zijn verleend. Daarbij is niet van belang of verweerder met gerichte vragen aan de vreemdeling deze gegevens aan het licht had kunnen brengen, noch of het de vreemdeling kan worden toegerekend onjuiste, dan wel onvolledige gegevens te hebben verstrekt. Verweerder was in beginsel dan ook bevoegd om tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser over te gaan.

2.22. Dit wordt niet anders door hetgeen eiser over een mogelijke schending van artikel 3 EVRM heeft gesteld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aantonen dat hij thans een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt.

2.23. Dat betekent echter nog niet dat de wijze waarop verweerder van zijn intrekkingbevoegdheid gebruik heeft gemaakt de ten deze geldende rechterlijke toets kan doorstaan. Het moge zo zijn dat verweerder in 1999 nog niet bekend was met de feiten rond de KhAD/WAD, zoals die een jaar later uit een ambtsbericht bleken en daarom geen voor eiser nadelige gevolgen heeft verbonden aan het 1 F VLV onderzoek dat, naar eiser stelt en verweerder niet bestrijdt, in 1999 op eisers dossier is uitgevoerd. Dat neemt niet weg dat uit de gedingstukken blijkt dat de constatering van verweerder dat de feiten uit het ambtsbericht ook voor eiser gelden, zodat, achteraf bezien, eiser onjuiste informatie heeft gegeven of gegevens heeft achtergehouden, enige tijd op zich heeft laten wachten. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser op 20 oktober 2000 in aanmerking is gebracht voor een verblijfsvergunning zonder beperkingen op grond van de oude Vreemdelingenwet en dat hij op 1 april 2001 in aanmerking is gebracht voor de thans ingetrokken verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Na het uitkomen van het ambtsbericht en het bij verweerder bekend raken van de feiten rond de KhAD/WAD, zoals die ook eiser zijn aangerekend, heeft verweerder eiser derhalve nog een verblijfsvergunning verleend. Bovendien waren eisers werkzaamheden genoegzaam bij verweerder bekend. In een verweerschrift van 4 oktober 2000 dat door verweerder is uitgebracht in een reguliere procedure, waarin door de rechtbank uitspraak is gedaan op 31 oktober 2000 (Awb 99/9780 en 99/9781) zijn uitgebreid de door eiser voor de KhAD verrichte werkzaamheden beschreven en is eveneens opgemerkt dat eiser in 1992 luitenant-kolonel was. Ten tijde van dit verweerschrift van 4 oktober 2000 was verweerder reeds enige tijd bekend met het ambtsbericht over de KhAD/WAD van 29 februari 2000. Anders dan de eerder genoemde uitspraak van AbRS van 2 augustus 2004 (JV 2004, 364, r.o. 2.6.) blijkt pas uit een brief van 14 november 2002 dat een onderzoek is gestart naar de eventuele toepasselijkheid van artikel 1 F VLV op eiser. Voorts heeft eiser, anders dan in de uitspraak van de AbRS van 9 maart 2004 (JV 2004, 183) reeds op 8 mei 1998 expliciet over de door hem bekleedde posities, waaronder die als hoofdofficier, verklaard.

De rechtbank acht onder deze omstandigheden de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zoals dit recentelijk ook werd aangenomen door de AbRS in een uitspraak van de AbRS van 9 november 2009 (registratienumer 200809179/1/V2, gepubliceerd in JV 2010, 7).

2.24. De rechtbank voegt hieraan nog het volgende toe.

Verweerder heeft in zijn beleid (paragraaf C 8, gelezen in samenhang met C 5/2.2, Vc 2000) geen uitzonderingen op de intrekkingbevoegdheid opgenomen, als eenmaal is vastgesteld dat artikel 1 F VLV aan de orde is. Dat laat, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel onverlet dat verweerder op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet overeenkomstig de beleidsregel dient te handelen als dat wegens bijzondere omstandigheden voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Eiser heeft bij de hoorzitting na verweerders voornemen tot intrekking en in beroep naar voren gebracht dat hij in een moeilijke gezinssituatie verkeert. In de door eiser overgelegde brief van de maatschappelijk werker wordt hiervan melding gemaakt. Daarbij is ondermeer gewezen op het overlijden van eisers echtgenote in juli 2006, het feit dat zij hier te lande is begraven en het rouwproces dat daarmee samenhangt. Eiser heeft twee schoolgaande kinderen van (thans) dertien en vijftien jaar oud. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn niet opgegroeid in Afghanistan. Sinds 2002 heeft eiser een baan als conciërge bij een school. Eiser is hertrouwd met een nicht, maar aan haar is een visum geweigerd. Eiser is derhalve sinds het overlijden van zijn echtgenote als enige belast met de verzorging van zijn twee kinderen. Verweerder heeft zich over deze omstandigheid niet uitgelaten, omdat verweerder daartoe in zijn beleid geen ruimte heeft gezien. De rechtbank is evenwel van oordeel dat zijn gezinssituatie een bijzondere omstandigheid als vorenbedoeld is, een omstandigheid die niet is voorzien bij de totstandkoming van de beleidsregel. Dit betekent dat verweerder had moeten beoordelen of de gevolgen van de intrekking voor eiser en zijn gezin niet onevenredig zijn met de intrekking te dienen doelen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

2.25. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het algemene rechtsbeginsel van gerechtvaardigd vertrouwen alsmede met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.26. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2008;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,= en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiser dient te voldoen.

Aldus gegeven door mr. A.W. Wassink, voorzitter en mrs. T.F. Bruinenberg en S.M. Schothorst, leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier op 12 maart 2010.

de griffier

de voorzitter

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: