Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3952

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
332792 - KG ZA 09-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van schuldeiser op medeschuldeiser tot medewerking opheffing executoriaal beslag teneinde het registergoed te gelde te maken. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat zijn medewerking aan opheffing van een ten gunste van hem en ten laste van de schuldenaar gelegd executoriaal beslag te weigeren. Hij maakt immers gebruik van zijn door de wetgever vastgelegde rechten. Ten aanzien van de gevolgen van een vrijwillige medewerking aan de opheffing van de executoriale beslagen, met als doel buiten de wettelijke regeling om het beslagobject te gelde te maken, gelden niet de bijzondere voorwaarden en waarborgen die de wet aan een executant biedt met een openbare executoriale verkoop van de woning, waaronder de mogelijkheid dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden onderworpen aan rechterlijk toezicht. De bevoegdheid tot weigering kan uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt (artikel 3:13 BW) en de schuldeiser aldus naar redelijkheid medewerking aan de opheffing niet had kunnen weigeren. Bij toewijzing van een vordering tot medewerking aan een opheffing van het executoriale beslag, teneinde buiten de wettelijke regeling om het beslagobject te gelde te maken, is derhalve terughoudendheid geboden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 26 maart 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 332792 / KG ZA 09-340 van:

de naamloze vennootschap Movir N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres,

advocaat mr. H.J. Arnold te 's-Gravenhage,

tegen:

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.M. van der Zwan te 's-Gravenhage.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft gedaagden op 13 maart 2009, en nogmaals bij nader exploot van 16 maart 2009, doen dagvaarden om op 23 maart 2009 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 26 maart 2009 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 maart 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. De heer [A] (hierna: [A]) heeft in eigendom de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2. Op de woning rusten twee hypotheken, een strekkende tot een bedrag van € 1.000.000,-- ten gunste van de Coöperatieve Rabobank Voorschoten Wassenaar U.A. en een strekkende tot een bedrag van € 300.000,-- ten gunste van de Coöperatieve Rabobank 's-Gravenhage en omgeving U.A. (hierna tezamen: de Rabobank). Deze banken zijn inmiddels met elkaar gefuseerd. Het aan de Rabobank verschuldigde bedrag per 27 maart 2009 is volgens haar eigen opgaaf € 906.570,71.

2.3. Op 24 oktober 2007 heeft eiseres, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van [A] conservatoir beslag gelegd op de woning ter verzekering van verhaal van haar vordering.

2.4. [A] heeft op 17 juli 2008 aan het makelaarskantoor ‘[B]’ de opdracht verstrekt tot verkoop van de woning. In deze opdracht is onder meer een vraagprijs voor de woning opgenomen van € 2.290.000,-- en een courtage voor de makelaar van 1% van de koopsom.

2.5. Bij e-mail van 4 augustus 2008 heeft de heer [C] aan gedaagden een bod uitgebracht op de woning van € 1.600.000,--. Dit bod gold voor de duur van één week na 4 augustus 2008. [A] heeft dit bod van de hand gewezen.

2.6. De vraagprijs van de woning is op 21 augustus 2008 verlaagd tot € 2.190.000,-- en op 6 oktober 2008 tot € 1.990.000,--.

2.7. Op 17 september 2008 hebben gedaagden, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van [A] conservatoir beslag gelegd op de woning ter verzekering van verhaal van hun vordering.

2.8. [A] en [E] hebben op 27 november 2008 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning. De koopsom voor de woning bedraagt € 1.500.000,--. Het verlijden van de leveringsakte staat, na een eerder uitstel, gepland voor 27 maart 2009.

2.9. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 17 december 2008 van deze rechtbank is [A] veroordeeld om aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.455.226,39, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten, telkens vanaf de eerste dag van de kalendermaand over de uitkering van de daaraan voorafgaande kalendermaand. De vordering van eiseres bedraagt thans, inclusief rente tot en met 27 maart 2009, € 2.073.480,06.

2.10. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 14 januari 2009 is [A] bij verstek veroordeeld om aan gedaagden te betalen een totaalbedrag van € 119.542,25, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. De vordering bedraagt thans, inclusief rente tot en met 27 maart 2009, € 131.542,40.

2.11. Op 19 januari 2009 heeft de maatschap Houweling & Kars advocaten (hierna: Houweling & Kars), na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, eveneens ten laste van [A] conservatoir beslag gelegd op de woning ter verzekering van verhaal van haar vordering.

2.12. Bij brief van 3 februari 2009 heeft kandidaat-notaris mr. Huisman de drie beslagleggers aangeschreven met het verzoek mee te werken aan opheffing van de beslagen, opdat de woning geleverd kan worden. Voorts wordt in deze brief meegedeeld dat de Rabobank als preferent schuldeiser geheel zal worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de woning. Omdat het restant van de koopsom niet voldoende zal zijn om alle beslagleggers geheel te voldoen, heeft de kandidaat-notaris kennelijk op grond van artikel 3:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de volgende verdeling – naar evenredigheid van ieders vordering – van de netto-opbrengst voorgesteld: eiseres 92%, gedaagden 6% en Houweling & Kars 2%.

2.13. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 4 maart 2009 is [A] bij verstek onder meer veroordeeld om aan Houweling & Kars te betalen een totaalbedrag van € 22.676,83, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. De vordering bedraagt thans, inclusief rente tot en met 27 maart 2009, € 26.359,79.

2.14. De onder 2.3, 2.7 en 2.11 vermelde conservatoire beslagen op de woning zijn door voormelde vonnissen overgegaan in executoriale beslagen.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – opheffing van het op 17 september 2008 ten laste van [A] ingeschreven executoriale beslag op de woning, onder de voorwaarde dat gedaagden recht hebben op een aandeel van 5,9% uit de netto-opbrengst van de verkoop van deze woning.

3.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan.

Gedaagden handelen onrechtmatig jegens eiseres door te weigeren het executoriale beslag op de woning op te heffen, opdat de levering daarvan op 27 maart 2009 kan plaatsvinden. Naast eiseres heeft ook Houweling & Kars toestemming gegeven tot levering van de woning. De drie beslagleggers zijn concurrente schuldeisers en de verdeling van de netto-opbrengst van de koopsom van de woning zal naar evenredigheid van ieders vordering onder elkaar worden verdeeld, zoals bepaald in artikel 3:277 BW. Blijkens de conceptnota van afrekening van de notaris bedraagt de netto-opbrengst € 573.800,--. Daarvan komt een bedrag van € 527.896,-- toe aan eiseres, een bedrag van € 34.428,-- komt toe aan gedaagden en een bedrag van € 11.476,-- komt toe aan Houweling & Kars. Niet alleen [A] wordt getroffen door handhaving van het door gedaagden gelegde beslag op de woning, maar ook eiseres en Houweling & Kars. Door verkoop en levering van de woning kan de overwaarde daarvan worden aangewend om de schuldeisers van [A] deels te voldoen. Indien de levering op 27 maart 2009 geen doorgang kan vinden zal of de Rabobank of eiseres een openbare executoriale veiling opstarten, hetgeen zeer waarschijnlijk een veel lagere verkoopopbrengst zal opleveren dan nu het geval is.

3.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of gedaagden gerechtigd zijn hun medewerking aan opheffing van het executoriale beslag op de woning te weigeren.

4.2. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat zijn medewerking aan opheffing van een ten gunste van hem en ten laste van de schuldenaar gelegd executoriaal beslag te weigeren. Hij maakt immers gebruik van zijn door de wetgever vastgelegde rechten. Ten aanzien van de gevolgen van een vrijwillige medewerking aan de opheffing van de executoriale beslagen, met als doel buiten de wettelijke regeling om het beslagobject te gelde te maken, gelden niet de bijzondere voorwaarden en waarborgen die de wet aan een executant biedt met een openbare executoriale verkoop van de woning, waaronder de mogelijkheid dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden onderworpen aan rechterlijk toezicht. De bevoegdheid tot weigering kan uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt (artikel 3:13 BW) en de schuldeiser aldus naar redelijkheid medewerking aan de opheffing niet had kunnen weigeren. Bij toewijzing van een vordering tot medewerking aan een opheffing van het executoriale beslag, teneinde buiten de wettelijke regeling om het beslagobject te gelde te maken, is derhalve terughoudendheid geboden.

4.3. Vaststaat dat de weigering van gedaagden tot gevolg heeft dat de geplande levering van de woning op 27 maart 2009 geen doorgang kan vinden, waardoor zowel eiseres, Houweling & Kars als gedaagden geen (deel)betaling op hun vorderingen zullen ontvangen. Ook zal [A] een boete aan [E] verschuldigd worden. Gedaagden hebben als voornaamste verweer aangevoerd dat de koopsom van € 1.500.000,-- niet reëel is, nu de woning in hun ogen meer waard is.

4.4. Ter zitting heeft [H], de makelaar, uiteengezet waarom de koopsom van € 1.500.000,-- reëel is. Zij heeft daartoe verwezen naar de verkoopprijs van een enigszins vergelijkbaar pand in de straat, nummer 18, in 2007. Daarnaast heeft zij aangegeven dat een aangezochte architect er geen heil in ziet om de woning op te knappen gezien de huidige staat van onderhoud. Afbreken en opnieuw opbouwen is de enige optie. De begin vraagprijs van bijna € 2.300.000,-- was, aldus de makelaar, hoog ingezet om onderhandelingsruimte te creëren, om uiteindelijk rond de € 1.800.000,-- te kunnen eindigen. Ook gedaagden gingen ervan uit dat de maximaal te behalen verkoopprijs ongeveer rond de € 1.800.000,-- zou liggen. Deze prijsverwachting was echter nog vóór de huidige economische malaise. Dat een dergelijke koopsom op korte termijn te verwachten valt is onvoldoende aannemelijk geworden. Het verweer van gedaagden dat [C] nog steeds bereid is om op basis van zijn bod van € 1.600.000,-- te onderhandelen en af te nemen is op geen enkele wijze geconcretiseerd en bovendien in strijd met zijn eigen bod van 4 augustus 2008. Daaraan heeft hij immers een termijn van één week heeft verbonden. Niet weersproken is dat [A] [C] heeft doorverwezen naar de makelaar, die op dat moment de verkoop van de woning op zich had genomen. Gesteld noch gebleken is dat [C] bij de makelaar een (serieus) bod heeft neergelegd. Bij dit alles wordt nog in aanmerking genomen dat de makelaar bovendien gebaat is bij een zo hoog mogelijke koopsom nu haar courtage bestaat uit een percentage van die koopsom. Het een ander leidt tot het voorlopige oordeel dat de koopsom van € 1.500.000,-- reëel voorkomt.

4.5. Nu uit het voorgaande volgt dat de koopsom van € 1.500.000,-- voorshands reëel voorkomt, dienen voorts de belangen van partijen tegen elkaar te worden afgewogen. Vooropgesteld wordt dat gesteld, noch gebleken is dat na de verkoop van de woning en de verdeling van de netto-opbrengst van de koopsom naar evenredigheid van ieders vordering onder de drie beslagleggers, de schuldeisers [A] finale kwijting zullen verlenen voor de restant schuld. Gedaagden, en de andere twee schuldeisers, blijven derhalve ook na verkoop van de woning beschikken over een nog te executeren titel ten laste van [A].

Vaststaat dat met de huidige verdeling van de netto-opbrengst gedaagden, bij elke extra € 100.000,-- bovenop de huidige koopsom, € 5.900,-- meer zullen ontvangen. Indien de door gedaagden verwachte verkoopopbrengst gerealiseerd zou worden dan levert dat voor hen € 17.700,-- extra op. Hoewel dit financiële belang aan de zijde van gedaagden niet onbelangrijk is, geldt hier echter dat, zoals hiervoor onder 4.4 overwogen, die koopsom niet op korte termijn te verwachten valt. Dit terwijl de vordering van de preferente schuldeiser, de Rabobank, blijft oplopen evenals de vordering van eiseres. Zo is door gedaagden niet weersproken dat [A] aan eiseres een maandelijkse rente verschuldigd is van ruim € 9.900,--. Voorts is voldoende aannemelijk dat, indien nu niet tot levering van de woning zal worden overgegaan, er op korte termijn een openbare executoriale veiling zal plaatsvinden op verzoek van de Rabobank dan wel van eiseres. Niet onaannemelijk is dat de woning op een dergelijke veiling in ieder geval niet meer zal opbrengen dan de huidige € 1.500.000,--. Tot slot wordt in aanmerking genomen dat bij de verdeling van de netto-opbrengst tussen de concurrente schuldeisers aansluiting is gezocht bij het wettelijk systeem, zoals neergelegd in artikel 3:277 lid 1 BW. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het financiële belang van de overige schuldeisers en [A] thans zwaarder weegt dan het financiële belang van gedaagden.

4.6. Op de zitting is voorts gebleken dat gedaagden zich voornamelijk benadeeld voelen door [A], nu hij i) zonder inhoudelijke betwisting, althans onvoldoende betwisting, het vonnis 17 december 2008 van deze rechtbank, genoemd onder 2.9, heeft geaccepteerd, ii) door zijn handelwijze gedaagden financieel nadeel heeft berokkend. Deze gevoelens zijn volstrekt begrijpelijk, echter in de afweging van de belangen van partijen van ondergeschikt belang.

4.7. Gezien de voorgaande bijzondere omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de voorzieningenrechter – gezien de onder 4.2 gegeven toetsingsmaatstaf – van oordeel dat gedaagden in redelijkheid de medewerking aan de opheffing van het executoriale beslag op de woning niet hadden kunnen weigeren. De vordering van eiseres zal dan ook worden toegewezen.

4.8. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- heft op het executoriale beslag dat op 17 september 2008 is ingeschreven in het register Hypotheken 3 in deel 57135 nummer 113 en ten laste van [A] is gelegd op de onroerende zaak in [woonplaats] aan de [adres], onder de voorwaarde dat gedaagden recht hebben op een aandeel van in ieder geval 5,9 % uit de netto-opbrengst van de verkoop van deze onroerende zaak;

- veroordeelt gedaagden om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op € 1.170,52, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 262,-- aan griffierecht en € 92,52 aan dagvaardingskosten, aan eiseres te betalen;

- bepaalt dat gedaagden bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2009