Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7830

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
239566 - HA ZA 05-999
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eigendom van schoolgebouwen in het bijzonder onderwijs, die ooit met eigen middelen zijn gebouwd en waarvan het gebruik wordt gestaakt. De vraag is of de eigendom dan aan de gemeente vervalt, ook als later met overheidsmiddelen verbouwingen zijn uitgevoerd. De zaak is niet alleen van belang voor Lucas, die met Den Haag onderhandelt over herbouw van het Edith Stein College, dat omstreeks 1930 is gesticht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2007/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 239566 / HA ZA 05-999

Vonnis van 17 januari 2007

in de zaak van

de stichting

STICHTING CONFESSIONEEL ONDERWIJS LUCAS,

gevestigd te Leidschendam-Voorburg,

eiseres,

procureur mr. B.T. Beuving,

tegen

de GEMEENTE DEN HAAG,

waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. F.L. Bolkestein.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als SCO Lucas en de Gemeente.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

2. De feiten

2.1. In 1842 is de vereniging St. Willibrordus Vereniging (hierna: "de vereniging") opgericht.

2.2. Op 30 januari 1930 heeft de Gemeente bij notariële akte een stuk grond gelegen tussen de Mauritskade en de Kazernestraat aan de vereniging geleverd voor een koopprijs van NLG 209.104,00. Op dit terrein is op 16 april 1931 het nieuwe schoolgebouw voor het RK Lyceum voor Meisjes geopend (hierna: "het hoofdgebouw"), de voorloper van het huidige Internationaal Edith Stein College. Het hoofdgebouw is gefinancierd door de vereniging, met dien verstande dat jaarlijks een rentevergoeding van de overheid werd ontvangen als tegemoetkoming in de stichtings- en inrichtingskosten.

2.3. Rond 1964 is een aanbouw gebouwd aan de voorzijde van het hoofdgebouw. Deze aanbouw is gefinancierd door een rijksgegarandeerde geldlening. Rente en aflossing werden door het Rijk gesubsidieerd.

2.4. Op 3 december 1971 heeft de Gemeente bij notariële akte een stuk grond gelegen aan en nabij het Louis Couperusplein en de Nieuwe Schoolstraat aan de vereniging geleverd voor een koopprijs van NLG 87.402,00. Deze aanschaf is bekostigd uit eigen middelen van de vereniging.

2.5. In 1974 heeft de vereniging noodlokalen laten plaatsen op het in 1971 verworven stuk grond. De noodlokalen zijn gefinancierd op de wijze als vermeld onder 2.3.

2.6. In 1975 heeft de vereniging een (tweede) gymzaal laten bouwen. De bouw van de gymzaal is gefinancierd op de wijze als vermeld onder 2.3.

2.7. Op 3 januari 1995 is de vereniging omgezet in de Lucas Stichting. Op 3 januari 2000 is de statutaire naam van de Lucas Stichting gewijzigd in Stichting Confessioneel Onderwijs "Lucas" (verder: SCO Lucas). SCO Lucas is een stichting die de verantwoordelijkheid heeft voor 58 verschillende Rooms-katholieke, protestants-christelijke en interconfessionele scholen in de regio Zuid-Holland-West. SCO Lucas houdt onder meer het Internationaal Edith Stein College in stand.

2.8. In januari 2005 heeft SCO Lucas een aanvraag ingediend voor vervangende nieuwbouw. Op 15 december 2005 heeft de Gemeente besloten SCO Lucas een krediet te verlenen van EUR 7.000.000 en grond om niet ter beschikking te stellen voor vervangende nieuwbouw onder de voorwaarde dat SCO Lucas haar huidige terrein met bebouwing overdraagt aan de Gemeente.

3. Wettelijk kader

3.1. Artikel 76u van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (hierna: "WVO") luidt voor zover van belang als volgt:

"1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

[...]

4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O. en waarvoor door het bevoegd gezag van rijkswege slechts een rentevergoeding is ontvangen, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom."

3.2. Artikel XVIII van de Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402) (hierna: Wijzigingswet 1996) luidt als volgt:

"1. Indien artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs toepassing vindt, vergoedt de gemeente, indien gedeelten van de gebouwen uit eigen middelen zijn bekostigd en hiervoor geen vergoeding is genoten, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school de restantboekwaarde van die gedeelten, voor zover het gaat om investeringen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1997.

2. De restantboekwaarde wordt vastgesteld op basis van de afschrijvingstermijn van een dertigjarige annuïtaire lening. Het bevoegd gezag dient de bekostiging uit eigen middelen aan te tonen door middel van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek."

4. Het geschil

4.1. SCO Lucas vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. te verklaren voor recht dat inschrijving in de openbare registers van een akte als bedoeld in artikel 76u, eerste en vierde lid, WVO met betrekking tot het gebouw en terrein aan het Louis Couperusplein 33 te Den Haag (kadastraal object ’s-Gravenhage E E 3504), niet tot rechtsgevolg heeft dat de gemeente Den Haag de eigendom van dat gebouw en terrein verkrijgt;

subsidiair:

II. te verklaren voor recht dat de regelgeving waarbij het "economisch claimrecht" geregeld is, althans de uitoefening, althans de dreigende uitoefening van het "economisch claimrecht" in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de Gemeente Den Haag op te dragen aan SCO Lucas een nader vast te stellen, op de marktwaarde gebaseerde, reële vergoeding te betalen voor de overgang van de eigendom van het gebouw en terrein aan het Louis Couperusplein 33 te Den Haag (kadastraal object 's-Gravenhage E E 3504);

primair en subsidiair:

III. de Gemeente te veroordelen in de kosten van het geding.

4.2. Aan haar primaire vordering legt SCO Lucas ten grondslag dat het hoofdgebouw een gebouw betreft als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet WVO (hierna: "OWVO") en dat het bevoegd gezag van SCO Lucas daarvoor slechts een rentevergoeding heeft ontvangen. Dat brengt volgens artikel 76u lid 4 WVO mee dat de Gemeente niet de eigendom van het hoofdgebouw en het in de vordering bedoelde terrein kan verkrijgen door inschrijving van de in artikel 76u lid 1 WVO bedoelde akte in de openbare registers.

4.3. Aan haar subsidiaire vordering legt SCO Lucas ten grondslag dat door de (dreigende) uitoefening van het "economisch claimrecht", dat wil zeggen toepassing van artikel 76u WVO, het hoofdgebouw en het terrein worden onteigend zonder dat een vergoeding wordt betaald aan SCO Lucas.

4.4. De Gemeente voert gemotiveerd verweer.

5. De beoordeling

Primaire vordering

5.1. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de Gemeente ermee ingestemd dat de primaire vordering zó wordt begrepen, dat wordt gevorderd voor recht te verklaren dat het hoofdgebouw en het terrein vallen onder de in artikel 76u lid 4 WVO genoemde uitzondering voor gebouwen als bedoeld in artikel 28 van de OWVO waarvoor het bevoegd gezag slechts een rentevergoeding heeft ontvangen. De Gemeente heeft derhalve haar op de formulering van de primair gevorderde verklaring voor recht gebaseerde verweer laten vallen.

5.2. De Gemeente voert ten verweer aan dat de gebouwen en het terrein van het Internationaal Edith Stein College niet vallen onder de uitzondering van artikel 76u, vierde lid, WVO voor gebouwen als bedoeld in artikel 28 OVWO waarvoor door het bevoegd gezag slechts een rentevergoeding is ontvangen, aangezien van rijkswege ook subsidie is verstrekt voor de aanbouw aan de voorgevel en voor de noodlokalen en de gymzaal.

5.3. Niet in geschil is dat op de noodlokalen en de gymzaal een economisch claimrecht van de Gemeente rust en dat het hoofdgebouw een gebouw betreft als bedoeld in artikel 28 OVWO, waarvoor door het bevoegd gezag een rentevergoeding is ontvangen. Partijen verschillen van mening over de vraag of SCO Lucas voor het hoofdgebouw en het daarbij behorende gedeelte van het terrein van de school naast een rentevergoeding nog andere subsidie heeft ontvangen. SCO Lucas heeft aangevoerd dat in dit verband slechts de door haar ontvangen vergoedingen voor "stichtingskosten" van het hoofdgebouw - in tegenstelling tot kosten van latere verbouwingen en renovaties - in aanmerking zouden moeten worden genomen. Dat zou meebrengen dat bij de beoordeling van de in artikel 76u lid 4 WVO genoemde uitzondering de vergoeding die SCO Lucas heeft ontvangen voor de omstreeks 1964 gerealiseerde aanbouw aan de voorgevel van het hoofdgebouw buiten beschouwing dient te blijven.

5.4. Het betoog van SCO Lucas slaagt niet. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat het begrip “stichtingskosten” niet voorkomt in artikel 76u, vierde lid, WVO en - al geruime tijd - ook niet meer in de overige bepalingen van de WVO. Het huidige artikel 76u WVO maakt deel uit van de wettelijke regels inzake voorzieningen in de huisvesting (titel III, afdeling IA, hoofdstuk 1 WVO). De op deze regels gebaseerde vergoedingen voor voorzieningen in de huisvesting omvatten niet slechts de kosten van stichting van een schoolgebouw, maar ook de kosten van de uitbreiding en aanpassing daarvan (zie artikel 76c WVO). Derhalve moet worden aangenomen dat bij de uitleg van artikel 76u lid 4 WVO alle door het bevoegd gezag van SCO Lucas ontvangen vergoedingen voor de betreffende voorzieningen in de huisvesting, met inbegrip van vergoedingen voor de aanbouw aan de voorgevel, in aanmerking moeten worden genomen.

5.5. De stelling van SCO Lucas dat de voorlopers van artikel 76u lid 4 WVO, te weten artikel 101 WVO (oud) en artikel 45tredecies van de Wet op het Middelbaar Onderwijs, niet van toepassing waren op het hoofdgebouw en het terrein van SCO Lucas, kan niet leiden tot een extensieve interpretatie van de in artikel 76u lid 4 WVO opgenomen uitzondering. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de wetgever zich bij invoering van artikel 76u lid 4 WVO bewust geweest van het feit dat schoolbesturen soms uit eigen middelen investeringen hebben gedaan in gebouwen. Voor die situatie heeft de wetgever een regeling getroffen in artikel XVIII Wijzigingswet 1996. Die regeling houdt niet in dat het schoolgebouw is uitgezonderd van de toepassing van artikel 76u lid 4 WVO, maar dat de schoolbesturen een bepaalde vergoeding krijgen voor hun investeringen.

5.6. Uit het voorgaande volgt dat de primaire vordering moet worden afgewezen.

Subsidiaire vordering

5.7. De rechtbank is - met SCO Lucas en anders dan de Gemeente - van oordeel dat toepassing van artikel 76u WVO in de gegeven omstandigheden moet worden gekwalificeerd als ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: "Eerste Protocol"). Het feit dat de eigendom van het hoofdgebouw en het terrein alleen wordt overgedragen indien SCO Lucas ervoor kiest blijvend op te houden die te gebruiken voor de school, doet daar niet aan af. Toepassing van het artikel brengt immers mee dat SCO Lucas het recht om te beschikken over haar eigendom geheel verliest. Reeds daarom is geen sprake van regulering van eigendom, zoals de Gemeente bepleit.

5.8. De stelling van SCO Lucas dat de door artikel 1 Eerste Protocol vereiste wettelijke basis voor de ontneming van de eigendom ontbreekt, is ongegrond. Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de primaire vordering, volgt dat artikel 76u WVO die basis biedt. De stelling dat de ontneming van de eigendom niet in het algemeen belang zou zijn, moet als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. De Gemeente heeft terecht aangevoerd dat artikel 76u WVO moet worden begrepen in het licht van het gegeven dat scholen worden geëxploiteerd en in stand gehouden met publieke middelen. Mede in verband met de financiële beheersbaarheid van dit stelsel heeft de wetgever ervoor gekozen dat de eigendom van die scholen bij beëindiging toevalt aan de overheid. Een algemene verklaring voor recht dat de regelgeving waarbij het economisch claimrecht is geregeld als zodanig in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol, zoals SCO Lucas vordert, is dan ook niet toewijsbaar.

5.9. Voor zover SCO Lucas heeft gevorderd te verklaren dat de (dreigende) uitoefening van deze regelgeving in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol, moet de vordering bij gebrek aan feitelijke onderbouwing worden afgewezen. SCO Lucas heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangedragen om te kunnen beoordelen of de dreigende toepassing van deze regelgeving, mede gezien artikel XVIII van de Wijzigingswet 1996, een buitensporige last voor SCO Lucas meebrengt, zoals zij stelt dat het geval is. Zo heeft SCO Lucas niets gesteld over de waarde van de bij de eigendomsoverdracht betrokken registergoederen.

5.10. Ook het laatste deel van de subsidiaire vordering, waarin SCO Lucas vraagt om de Gemeente - naar de rechtbank begrijpt: voorwaardelijk, voor het geval dat een akte als bedoeld in het eerste lid van artikel 76u WVO wordt ingeschreven - te veroordelen tot betaling van een op de marktwaarde gebaseerde, reële vergoeding voor de eigendom van- zo begrijpt de rechtbank - het hoofdgebouw en het daarbij behorende gedeelte van het terrein, is niet toewijsbaar, nu die waarde niet is gespecificeerd. Daargelaten of SCO Lucas aanspraak kan maken op een op de marktwaarde gebaseerde vergoeding, is dit onderdeel van het gevorderde te onbepaald om te kunnen worden toegewezen.

Proceskosten

5.12. SCO Lucas zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht EUR 244,00

- salaris procureur 1.808,00 (4 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.052,00

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst de vorderingen af;

6.2. veroordeelt SCO Lucas in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 2.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de datum van betekening van dit vonnis;

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen, mr. D.A. Schreuder en mr. P.H. Blok en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007