Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
29-05-2002
Zaaknummer
KG 02/571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2002, p. 97 (nr.3)

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 29 mei 2002,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 02/571 van:

1. Law, gevestigd te Jeruzalem,

2. Stichting Pax Christi Projecten, gevestigd te Utrecht,

3. Stichting Cordaid, gevestigd te Den Haag,

4. Interkerkelijk Vredesberaad, gevestigd te Den Haag,

5. Stichting Interkerkelijke Organisatie voor Ontwikkelingssamenwerking ICCO, gevestigd te Den Haag,

6. Vereniging Kerk en Vrede, gevestigd te Utrecht,

7. Vrouwen voor Vrede, gevestigd te Amersfoort,

8. Stichting VD AMOK, gevestigd te Utrecht,

9. Stichting Euro's voor Vrede, gevestigd te Utrecht,

10. Stichting Campagne tegen Wapenhandel, gevestigd te Amsterdam,

11. Stichting XminY Beweging, gevestigd te Amsterdam,

12. Stichting Vrede voor Palestina, gevestigd te Deventer,

13. Vereniging DWARS, GroenLinkse jongerenorganisatie, gevestigd te Utrecht,

14. Kollektief Rampenplan, gevestigd te Sittard,

15. Stichting Moslimvrouwen "Dar Al-Arqam", gevestigd te Rotterdam,

16. Vereniging Het Verband, gevestigd te Nijmegen,

17. Stichting Assata, gevestigd te Nijmegen,

18. Vereniging Begijnen, gevestigd te Nijmegen,

19. Stichting Anti Militaristies Buro, gevestigd te Nijmegen,

20. Women's International League for Peace and Freedom, gevestigd te Utrecht,

21. Socialistische Partij, gevestigd te Rotterdam,

22. NOVIB, gevestigd te Den Haag,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident tot voeging,

procureur mr. G. Taekema,

advocaten mrs. A.H.J. van den Biesen en J.H.A. van der Grinten te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Buitenlandse Zaken),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident tot voeging,

procureur mr. E.J. Daalder,

en tegen:

H.F. Melkman,

wonende te Amsterdam,

eiser in het incident tot voeging,

verschenen in persoon.

1. Het incident

Ter zitting heeft eiser in het incident tot voeging (hierna: Melkman) mede aan de hand van een op diezelfde dag vooraf toegezonden incidentele conclusie gevraagd om te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van gedaagde. Eisers in de hoofdzaak hebben zich hiertegen verzet, gedaagde heeft zich terzake aan het oordeel van de voorzieningenrechter gerefereerd.

De voorzieningenrechter heeft Melkman aanstonds ter zitting niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek (vordering) op grond van het feit dat hij geen procureur heeft gesteld. Dit oordeel is als volgt gemotiveerd. Hoofdregel in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is dat partijen, behalve in zaken voor de kantonrechter (sector kanton van de rechtbank), niet in persoon doch slechts bij procureur kunnen procederen (artikel 79 Rv). Deze regel geldt ook voor het kort geding, met dien verstande dat de gedaagde daar behalve bij procureur ook in persoon kan procederen (artikel 255 lid 1 Rv). Deze uitzondering geldt echter alleen voorzover een partij gedaagde is. Melkman is geen gedaagde. Hij wil een zelfstandige vordering instellen en is als zodanig eiser in het incident. Voor het optreden in deze hoedanigheid is, volgens de genoemde hoofdregel, procureurstelling verplicht.

Melkman wordt veroordeeld in de kosten van dit incident, tot dusver aan de zijde van eisers en gedaagde in de hoofdzaak, telkens begroot op nihil.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 mei 2002 wordt in de hoofdzaak van het volgende uitgegaan.

- Bij brief van 23 april 2002 hebben eisers -behoudens eiseres sub 15- de Minister van Economische Zaken (EZ) op de hoogte gebracht van hun zorgen over de voortschrijdende escalatie van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Daarbij hebben zij de Minister verzocht om:

1. met ingang van vandaag geen vergunningen meer te verlenen op grond van de In- en Uitvoerwet juncto het In- en Uitvoerbesluit Strategische Goederen voor zover het betreft vergunningen voor leveranties aan Israël;

2. met ingang van vandaag uw bevoegdheid ingevolge artikel 2a, vijfde lid, van de In- en Uitvoerwet in voorkomende gevallen aan te wenden teneinde de wederuitvoer van militaire goederen uit Nederland naar Israël zonder vergunning te verbieden;

3. met onmiddellijke ingang alle van kracht zijnde vergunningen op grond van de In- en Uitvoerwet juncto het In- en Uitvoerbesluit Strategische Goederen die betrekking hebben op leveranties aan Israël in te trekken; of althans op andere wijze ervoor zorg te dragen dat de door- en uitvoer naar Israël van goederen waarop het In- en Uitvoerbesluit Strategische Goederen betrekking heeft, met onmiddellijke ingang zal worden gestaakt.

- Bij brief van 26 april 2002 heeft de Minister als volgt geantwoord:

"Uw eerste verzoek betreft het verlenen van exportvergunningen voor leverantie van militaire goederen naar Israël. Ik ben het met u eens dat, gegeven de huidige situatie, het verlenen van dergelijke vergunningen strijd kan opleveren met de criteria van het Nederlandse wapenexportbeleid. Iedere aanvraag voor leverantie van militaire goederen aan Israël wordt aan deze criteria getoetst. Onder de huidige omstandigheden valt deze toetsing in beginsel negatief uit, en wordt er dus geen vergunning verleend. Dat geldt in ieder geval voor goederen die voor repressie kunnen worden gebruikt. Een uitzondering wordt in beginsel gemaakt voor leverantie van goederen die in Israël slechts een bewerking ondergaan, en vervolgens naar een derde land worden uitgevoerd.

Ik wijs er overigens op dat alle lidstaten van de Europese Unie tijdens een bijeenkomst van de Raadswerkgroep inzake export van conventionele wapens (COARM) op 18 april jl. hebben bevestigd dat zij een zeer restrictief beleid voeren met betrekking tot uitvoer van militaire goederen naar Israël. Over een formeel wapenembargo op Israël bestaat daarentegen geen consensus, zoals bleek tijdens de Algemene Raad van 15 april jl.

Uw tweede verzoek betreft de doorvoer of wederuitvoer van militaire goederen naar Israël. Inderdaad biedt artikel 2a, vijfde lid van de In- en Uitvoerwet de mogelijkheid om een z.g. ad-hoc vergunningplicht op te leggen. Deze bevoegdheid is bedoeld om te kunnen optreden in geval er aanwijzingen zijn dat een zending, die kortstondig op Nederlands grondgebied verblijft en daar geen bewerking ondergaat (z.g. snelle doorvoer), een ongewenst karakter heeft. Het gaat daarbij primair om het risico dat die zending een land bereikt waartegen een internationaal wapenembargo is afgekondigd. Ook biedt deze bepaling de mogelijkheid om op te treden indien een zending niet van deugdelijke papieren is voorzien, of indien een risico bestaat op omleiding naar een andere bestemming.

Het enkele feit dat een doorvoerzending Israël als eindbestemming heeft, is dus geen aanleiding om een vergunningplicht op te leggen.

Tenslotte uw derde verzoek, te weten het intrekken van al verleende vergunningen voor leveranties aan Israël. Eenmaal afgegeven vergunningen zijn een jaar geldig. Verzoeken tot verlenging van de looptijd bieden een nieuw toetsingsmoment. Artikel 10 van de In- en Uitvoerwet voorziet in de mogelijkheid om bij wijze van maatregel van algemene strekking tot gezamenlijke intrekking van een groep vergunningen te besluiten indien gewichtige redenen, zoals oorlog, oorlogsgevaar, watersnood en voedseltekort, daartoe nopen. Artikel 10 ziet dus met name op noodsituaties in Nederland. De situatie in het Midden-Oosten, hoe ernstig op zichzelf ook, is naar het oordeel van de regering in de gegeven omstandigheden geen grond voor het inroepen van artikel 10 van de In- en Uitvoerwet. Dit temeer waar er geen sprake is van een Europees of internationaal wapenembargo op Israël."

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen -zakelijk weergegeven- gedaagde te veroordelen al datgene te doen dat nodig is om alle vormen van vervoer van militaire goederen (export/doorvoer/wederuitvoer) vanuit Nederland naar Israël met onmiddellijke ingang (te doen) staken, meer in het bijzonder door in elk geval:

- met onmiddellijke ingang geen nieuwe exportvergunningen voor leverantie van militaire goederen naar Israël te verlenen;

- met onmiddellijke ingang de tot op vandaag niet-vergunningplichtige doorvoer of wederuitvoer van militaire goederen naar Israël vergunningplichtig te maken;

- met onmiddellijke ingang al verleende vergunningen, voorzover deze nog van kracht zijn, als in te trekken groep te definiëren;

althans in goede justitie vast te stellen maatregelen te treffen, een en ander voor een periode totdat buiten redelijke twijfel is vastgesteld dat Israël dan wel het Israëlische leger zich niet langer aan schendingen van fundamentele (rechts)normen schuldig maakt, althans voor een in goede justitie vast te stellen periode.

Daartoe voeren eisers onder meer het volgende aan.

Israël maakt zich schuldig aan tal van schendingen van het humanitaire recht. Gedaagde, die verplicht is om te verzekeren dat dit recht wordt gerespecteerd, handelt jegens eisers onrechtmatig door de levering van militaire goederen aan Israël niet onmogelijk te maken of te staken. De Europese gedragscode voor de wapenexport van juni 1998 bepaalt dat een vergunning behoort te worden geweigerd als aan één of meer van de in de code genoemde criteria niet wordt voldaan. De criteria zien onder meer op naleving van de internationale verplichtingen van de lidstaten van de Europese Unie, eerbiediging van de rechten van de mens door het land van eindbestemming en de situatie in dat land, handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit in de regio, de nationale veiligheid van de lidstaten, het gedrag van het land van eindbestemming ten aanzien van bijvoorbeeld terrorisme en het gevaar dat de goederen een andere dan de opgegeven bestemming krijgen.

Het betreft minimumnormen; de lidstaten hebben nadrukkelijk de vrijheid een restrictiever beleid te voeren. Gedaagde hanteert ook een meer restrictieve benadering dan waartoe de code al dwingt. Daarmee zijn tegenover eisers verwachtingen gewekt die nu gehonoreerd dienen te worden. Het nalaten daarvan is zonder meer onrechtmatig jegens eisers.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde heeft niet (voldoende gemotiveerd) tegengesproken dat de vordering van elk van de eisers voldoet aan de eisen van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek. Dit staat dus tussen partijen vast. Nu zich daartegen ook overigens niets verzet, zijn de eisers in dit opzicht ontvankelijk in hun vordering.

4.2. Eisers hebben aan hun vordering de stelling ten grondslag gelegd dat gedaagde jegens hen, gelet op hun respectieve statutaire doelstellingen, onrechtmatig heeft gehandeld. Daarmee is de burgerlijke rechter - in dit geval die in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering. De zaak is spoedeisend, zodat ook in zoverre de voorzieningenrechter bevoegd is.

4.3. Voor ontvankelijkheid van eisers in hun vordering bij de civiele rechter is voorts vereist dat voor hen geen andere met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang openstaat. In dit geval moet hiertoe worden onderzocht of de vordering zich richt tegen een of meer besluiten in de zin van artikel 1:3 (in verbinding met artikel 6:2) van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu het gaat om de toepassing van de In- en uitvoerwet (hierna: de wet), betreft dit onderzoek in het bijzonder de vraag of voor eisers de mogelijkheid bestaat om beroep in te stellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de (bestuurs)rechter die ingevolge artikel 10 lid 1 van de wet bevoegd is tot kennisneming van beroepen tegen besluiten op grond van de wet. Eisers beantwoorden deze vraag ontkennend, gedaagde bepleit het tegendeel. Dit laatste standpunt is kennelijk aldus te verstaan dat gedaagde van oordeel is dat elk van de eisers terzake van de zijns inziens aanwezige besluiten belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb. Buiten discussie is dat de rechtsgang bij (de voorzieningenrechter van) het College van Beroep voor het bedrijfsleven een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang is.

4.4. Het tweede en het derde onderdeel van de vordering richten zich tegen beslissingen van de Minister waaromtrent voorlopig wordt geoordeeld - met de in dit kort geding vereiste mate van aannemelijkheid - dat zij gelijk staan aan besluiten in de hier bedoelde zin. De brief van 26 april 2002 van de Minister behelst ten aanzien van het tweede en het derde verzoek van 23 april 2002 de weigering (1) om op basis van artikel 2a lid 5 van de wet een vergunningplicht op te leggen voor doorvoerzendingen met Israël als eindbestemming, respectievelijk (2) om met toepassing van artikel 10 van de wet alle reeds verleende vergunningen voor leveranties aan Israël aan te merken als een in te trekken groep. In dit opzicht behelst de brief niet louter (algemene) bespiegelingen. Als de Minister deze verzoeken zou hebben gehonoreerd, zou zij immers beslissingen hebben gegeven die op enig rechtsgevolg zijn gericht. Artikel 6:2 Awb stelt een dergelijke beslissing gelijk met een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Eisers hebben zich nog beroepen op artikel 13 lid 2 van de wet, waarin onder meer is bepaald dat de in artikel 2a lid 5 bedoelde beschikking van de Minister wordt beschouwd als een beslissing als bedoeld in artikel 6:3 Awb (en dus niet vatbaar is voor beroep), maar in dit geval gaat het om een beslissing die de belanghebbenden los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in hun belang treft. Op grond van het tweede deel van artikel 6:3 Awb (de zinsnede na het woord "tenzij") staat hier het rechtsmiddel van bestuursrechtelijk beroep dus wel open.

4.5. Dit leidt tot de conclusie dat eisers in het tweede en derde onderdeel van hun vordering niet ontvankelijk zijn. Aangenomen moet worden dat zij zich terzake kunnen - en dus bij uitsluiting moeten - wenden tot de voorzieningenrechter van het College van beroep voor het bedrijfsleven.

4.6. In het midden kan blijven of dit oordeel ook opgaat voor het eerste deel van de vordering, dat betrekking heeft op het (niet) verlenen van nieuwe exportvergunningen. De Minister heeft in haar brief van 26 april 2002 te kennen gegeven dat iedere aanvraag voor leverantie van militaire goederen aan Israël wordt getoetst aan de criteria voor het Nederlandse wapenexportbeleid. Naar deze criteria verwijzen ook de eisers in hun vordering. De Minister heeft verklaard dat onder de huidige omstandigheden de hier bedoelde toets in beginsel negatief uitvalt en dat dergelijke vergunningen dus niet worden verleend. Op dit punt zijn partijen het dus in de kern met elkaar eens. Mede gelet op de terughoudendheid die de burgerlijke rechter - en zeker die in kort geding - op dit vlak in acht heeft te nemen, is er in dit kort geding geen plaats voor het (algemene) oordeel dat gedaagde jegens eisers onrechtmatig handelt in alle gevallen waarin de Minister reden zou kunnen vinden voor het maken van een uitzondering op de door haar aanvaarde regel. Bij een nader - en strikt genomen prealabel - onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit deel van hun vordering hebben eisers dus geen belang.

4.7. De vordering van eisers slaagt dus in geen van de onderdelen. Dit leidt tot afwijzing, deels op grond van niet-ontvankelijkheid. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 896,--, waarvan € 193,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

AB