Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:596

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2016
Datum publicatie
26-01-2016
Zaaknummer
C/10/478112 / HA ZA 15-686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Summary in English.

Incidental proceedings on jurisdiction.

A Croatian man (“G”) signs an employment contract (the Employment Contract) with International Bulk Reefers (“IBR”), a company with its statutory seat in Liberia, to work on board of the motor vessel “Orange Wave” as ‘second engineer’. IBR is the shipowner. The ship’s ‘vessel operator’ is the company Atlanship which is established under Swiss law. G boards the “Orange Wave” in Santos, Brazil. During his employment G is fired. He is allowed to remain on board of the “Orange Wave” until the ship arrives at the next harbour. On January 2012 the “Orange Wave” is sailing the waters off the coast of North Carolina (United States). During stormy weather G sustains a severe injury. While using the toilet, G grabs its doorpost with his left hand at which time the door slams shut. One finger of G’s left hand has to be amputated in an American hospital. G starts an action for damages against Atlanship and IBR before the District Court of Rotterdam in the Netherlands. According to G, the defendants have acted wrongfully by neglecting to install ‘technical facilities’ on board of the “Orange Wave” which would have ensured safe toilet visits during inclement weather.

The 2007 Lugano Convention (Convention of 30 October 2007 on jurisdiction and the recognition and enforcement of judgments in civil and commercial matters). General jurisdiction concerning Atlanship. ‘Domicile’ ex Article 2(1) of the 2007 Lugano Convention. ‘Principal place of business’ ex Article 60. Special jurisdiction concerning Atlanship. Tort liability. Article 5(3). ‘Place where the harmful event occurred’. Discussion between the parties as to whether Rotterdam is the place of the event giving rise to the damage (the so-called Handlungsort). The fact that some employees of Atlanship in its branch office in Rotterdam are involved in the supervision of technical facilities on board of ships like the “Orange Wave” is not enough for the court of Rotterdam to have jurisdiction ex Article 5(3). There is neither jurisdiction on the basis of Article 5(5) of the 2007 Lugano Convention (disputes that arise out of the operations of the branch, agency or other establishment). Brussels Ibis Regulation (Regulation (EU) No 1215/2012 of the European Parliament and of the Council of 12 December 2012 on jurisdiction and the recognition and enforcement of judgments in civil and commercial matters). General jurisdiction concerning IBR. ‘Domicile’ ex Article 4(1) of the Brussels Ibis Regulation. ‘Central administration’ ex Article 63.

In the absence of any basis for jurisdiction the court has chosen not to rule on the question whether or not the arbitration clause in the Employment Contract applies in this case.

Internationale bevoegdheid. Zuivering verstek. Bevoegdheidsincident. Op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst (de Arbeidsovereenkomst) met de reder gaat een Kroatische man (G) in Santos, Brazilië, aan boord van de “Orange Wave” als ‘second engineer’. Reder is de vennootschap naar Liberiaans recht International Bulk Reefers (IBR). ‘Vessel operator’ van het schip is de vennootschap naar Zwitsers recht Atlanship. Tijdens zijn werkzaamheden aan boord wordt G ontslagen. Hij mag meevaren tot de eerstvolgende haven. Op 13 januari 2012 loopt G voor de kust van North Carolina (Verenigde Staten) zwaar letsel op. Tijdens een toiletbezoek in hevig weer klapt de deur dicht op het moment dat G met zijn linkerhand de deurpost vastpakt. Zijn linkervinger wordt geamputeerd in een Amerikaans ziekenhuis. G vordert schadevergoeding van Atlanship en IBR vanwege het nalaten ‘technische voorzieningen’ aan boord van de “Orange Wave” aan te brengen waardoor bemanningsleden bij zwaar weer veilig naar het toilet kunnen gaan. EVEX 2007. Woonplaats (art. 2 lid 1 EVEX 2007). ‘Hoofdvestiging’ van Atlanship in de zin van art. 60 lid 1 suc c EVEX 2007. Onrechtmatige daad. Art. 5 sub 3 EVEX 2007. Het enkele feit dat medewerkers van Atlanship op het kantoor te Rotterdam zich bezighouden met technische beheerswerkzaamheden is niet voldoende voor een Handlungsort in Rotterdam. Ook geen bevoegdheid ex art. 5 sub 5 EVEX 2007 (exploitatie van een filiaal). Herschikte EEX-Verordening (EEX II-Vo). Woonplaats (art. 4 lid 1 EEX II-Vo). ‘Hoofdbestuur’ van IBR in de zin van art. 63 lid 1 sub b EEX II-Vo. Aangezien een bevoegdheidsgrond ontbreekt, laat de rechtbank in het midden of zij onbevoegd is op grond van de arbitrageclausule in de Arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0079
PS-Updates.nl 2016-0269
AR 2016/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/478112 / HA ZA 15-686

Vonnis van 13 januari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

verweerder in het incident,

advocaat mr. T. Bezmalinovic,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

ATLANSHIP S.A.,

gevestigd te La Tour-de-Peilz, Zwitserland,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

INTERNATIONAL BULK REEFERS INC.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

gedaagden,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden, gedaagden gezamenlijk Atlanship c.s. en afzonderlijk Atlanship respectievelijk IBR.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij dagvaarding van 12 januari 2015, met producties, heeft [eiser] een procedure aanhangig gemaakt tegen Atlanship c.s. voor de kantonrechter van deze rechtbank, met zaaknummer 3818846/CV EXPL 15-4970. Op 3 februari 2015 heeft [eiser] een akte overlegging producties genomen, met producties. De kantonrechter heeft vervolgens op 2 maart 2015 een rolbeslissing gegeven. Op 19 maart 2015 heeft [eiser] een akte met producties genomen. De kantonrechter heeft op 12 juni 2015 vonnis (hierna ook te noemen: het kantonrechtervonnis) gewezen. In het kantonrechtervonnis worden Atlanship c.s. op het voorblad aangeduid als “gedaagden die niet hebben gereageerd” en wordt vervolgens tegen hen verstek verleend (r.o. 4.6). Onder het hoofdje “Het verloop van de procedure” in dit vonnis worden achtereenvolgens genoemd:

“▪ de inleidende dagvaarding van 12 januari, met producties;

▪ de akte houdende overlegging producties van [eiser]

▪ de brieven van mr. M.M. van Leeuwen ingekomen ter griffie op 2 en 5 februari 2015;

▪ de rolbeslissing van de kantonrechter van 2 maart 2015, waarbij [eiser] in de gelegenheid is gesteld een akte te nemen;

▪ de brief van mr. M.M. van Leeuwen, ingekomen ter griffie op 11 maart 2015”.

1.2.

In het kantonrechtervonnis overweegt de kantonrechter dat deze rechtbank internationaal bevoegd is (r.o. 4.5) maar dat de zaak niet tot de competentie van de sector kanton maar tot die van de sector civiel van deze rechtbank behoort (r.o. 4.7-4.9). De kantonrechter verklaart zich in zijn vonnis onbevoegd en verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de handelskamer van deze rechtbank van 15 juli 2015. Op die rol(zitting) in de onderhavige zaak stelt mr. Van Leeuwen voornoemd zich als advocaat van Atlanship c.s. Vervolgens nemen Atlanship c.s. een conclusie met de titel “conclusie van antwoord na zuivering verstek (houdende exceptie van onbevoegdheid voor alle weren, alsmede een beroep op nietigheid van de dagvaarding”, met producties. Hierna neemt [eiser] een conclusie met de titel “conclusie van antwoord in het incident alsmede verzoek houdende akte niet dienen ten principale)”, met producties. Op de rol van 9 oktober 2015 wordt een pleidooizitting bepaald, waarna eerst Atlanship c.s. en vervolgens [eiser] nog een akte ne(e)m(t)(en) om producties in het geding brengen. Op 1 december 2015 vindt de pleidooizitting plaats. Aan het einde van deze zitting wordt de zaak naar de rol verwezen voor vonnis.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op of omstreeks 30 september 2011 is [eiser] te Santos (Brazilië) aan boord gegaan van het aan IBR in eigendom toebehorende schip “Orange Wave” (hierna: de “Orange Wave”) om voor een periode van vier maanden, op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met IBR, werkzaamheden te verrichten in de functie van “second engineer”. Atlanship is de zogeheten “vessel operator” (scheepsbeheerder) van de “Orange Wave” en tevens de agent van IBR.

2.2.

Op 3 januari 2012 is [eiser] door de kapitein van de “Orange Wave” op staande voet ontslagen. Het ontslag is gelijktijdig schriftelijk aan [eiser] bevestigd bij brief, getiteld “notice of termination of contract”. [eiser] heeft dit ontslag niet aangevochten. Overeenkomstig de van toepassing zijnde “Condition of Employment” mocht [eiser] na het ontslag nog meevaren tot de eerstvolgende haven.

2.3.

Op 13 januari 2012, voor de kust van North Carolina (Verenigde Staten), heeft [eiser] op de “Orange Wave” letsel opgelopen. Tijdens een toiletbezoek in hevig weer klapte de deur dicht op het moment dat [eiser] met zijn linkerhand de deurpost vastpakte, waardoor deze klem kwam te zitten. Ten gevolge hiervan is later in een ziekenhuis in de Verenigde Staten een vinger bij hem (gedeeltelijk) geamputeerd.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoer bij voorraad

I. voor recht verklaart dat:

  1. Atlanship en IBR ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schadevergoeding die aan [eiser] dient te worden betaald als gevolg van het ongeluk dat op 13 januari 2012 heeft plaatsgevonden aan boord van de “Orange Wave”, als gevolg waarvan [eiser] ernstige verwondingen aan zijn linkerhand heeft opgelopen, met als gevolg een amputatie van een deel van zijn linker ringvinger en een permanente korst op de top van zijn linker middelvinger, en

  2. de schadevergoeding waar [eiser] recht op heeft naar federaal Amerikaans maritiem recht, om precies te zijn de Jones Act en het Principle of Maintenance and Cure, dient te worden vastgesteld in een daaropvolgende schadestaatprocedure met behulp van een deskundige op het gebied van de Jones Act en het Principle of Maintenance and Cure;

II. de procedure verwijst naar de schadestaatprocedure;

III. Atlanship en IBR hoofdelijk veroordeelt in:

  1. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijfde dag na de dag van betekening van het in dezen te wijzen vonnis tot de dag van de algehele betaling, en

  2. de nakosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] - kort samengevat - het volgende ten grondslag. IBR als scheepseigenaar en Atlanship als scheepsbeheerder hebben hun verplichtingen jegens [eiser] geschonden. Er is sprake van een “tort of negligence” (onrechtmatig handelen, gebaseerd op de “Jones Act”) omdat zij niet hebben zorg gedragen en/of maatregelen hebben getroffen aan boord, zodanig dat [eiser] veilig naar het toilet kon. Ten gevolge van dit onrechtmatig handelen/nalaten heeft [eiser] schade geleden die door Altanship c.s. moet worden vergoed.

4. Het geschil in het incident en het verzoek van [eiser] aan de rechtbank tot het verlenen van een akte niet dienen ten principale aan Atlanship en IBR

4.1.

Atlanship c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] , althans de dagvaarding nietig verklaart, althans de vorderingen van [eiser] afwijst, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure dan wel, indien over de bevoegdheid in een incident wordt beslist, zowel in de kosten van het incident als in de kosten van de hoofdzaak.

4.2.

Hieraan leggen Atlanship c.s. - samengevat - de volgende stellingen ten grondslag:

- deze rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Atlanship en IBR; daartoe wijzen Atlanship c.s. de rechtbank op het volgende ((a)-(d)):

- ( a) noch Atlanship noch IBR heeft (in het kader van deze zaak) woonplaats in Nederland;

- ( b) er heeft geen gebeurtenis of handeling in Nederland plaatsgehad die voor de vordering van [eiser] relevant is;

- ( c) als al sprake is van schade, dan is of wordt deze schade niet geleden in Nederland;

- ( d) voor zover de vordering van [eiser] direct of indirect gebaseerd is op de (voormalige) arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en IBR, is deze rechtbank vanwege de in die overeenkomst opgenomen arbitrageclausule onbevoegd zowel wat betreft de vordering tegen IBR als wat betreft de vordering tegen Atlanship, nu deze arbitrageclausule mede is geformuleerd als een derdenbeding waarop ook Atlanship een beroep kan doen;

- de dagvaarding is nietig omdat deze niet deugdelijk is betekend.

4.3.

[eiser] verzoekt de rechtbank Atlanship en IBR ten principale een akte niet dienen te verlenen en geen acht te slaan op de conclusie van antwoord van Atlanship c.s. en meteen uitspraak te doen in de hoofdzaak. Daarnaast voert [eiser] verweer tegen de incidentele vordering van Atlanship c.s. en concludeert zij tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Atlanship in de kosten van het incident.

5. De beoordeling van (a) het verzoek van [eiser] tot het verlenen van een akte niet dienen ten principale aan Atlanship en IBR en (b) de incidentele vordering van Atlanship c.s.

inleiding

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het door de kantonrechter verleende verstek tegen Atlanship c.s. is gezuiverd door de advocaatstelling van mr. Van Leeuwen op de rolzitting van 15 juli 2015.

Door deze zuivering van het verstek vervallen de gevolgen van deze verstekverlening behalve ten aanzien van de kosten van het verstek. Na deze zuivering van het verstek komen Atlanship c.s., de gedaagden, behoudens ten aanzien van de kosten van het verstek, in de toestand alsof zij terstond waren verschenen.

ten aanzien van (a) het verzoek van [eiser] tot het verlenen van een akte niet dienen ten principale aan Atlanship en IBR

5.2.

[eiser] verzoekt de rechtbank aan Atlanship c.s. akte niet dienen te verlenen ten aanzien van de hierboven in 1.2 genoemde ‘conclusie van antwoord na zuivering verstek (houdende exceptie van onbevoegdheid voor alle weren, alsmede een beroep op nietigheid van de dagvaarding)’. Inwilliging van dit verzoek zou betekenen dat deze conclusie niet meer mag worden genomen. Daarom dient de beoordeling van dit verzoek vooraf te gaan aan de beoordeling van de incidentele vordering van Atlanship c.s., die immers deel uitmaakt van deze conclusie.

5.3.

[eiser] baseert dit verzoek - in de kern genomen - op zijn stelling dat het Atlanship c.s. thans niet meer vrijstaat het verweer te voeren dat de dagvaarding nietig is omdat hij dat verweer al heeft gevoerd voor de kantonrechter.

Het verzoek faalt. Het mag dan zo zijn dat mr. Van Leeuwen (namens Atlanship c.s.) zich in zijn hierboven in 1.1 genoemde brieven aan de kantonrechter heeft beroepen op de nietigheid van de dagvaarding en dat de kantonrechter in zijn vonnis met deze brieven rekening heeft gehouden, dat alles maakt nog niet dat hier sprake is van een contradictoire procedure. De kantonrechter heeft immers verstek verleend tegen Atlanship c.s. Die verstekverlening en de daarop volgende zuivering van het verstek heeft tot gevolg dat het Atlanship c.s. vrijstond alle (principale en incidentele) verweren aan te voeren die zij hadden kunnen aanvoeren als zij van aanvang af in de procedure waren verschenen.

ten aanzien van (b) de incidentele vordering van Atlanship c.s.

(i) de nietigheid van de dagvaarding

5.4.

Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt door Atlanship c.s. gebaseerd op het bepaalde in de artikelen 45, 50, 54 en 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In artikel 66 lid 1 Rv, dat deel uitmaakt van dezelfde afdeling als voornoemde wetsartikelen, is het volgende bepaald:

De niet-naleving van hetgeen in deze afdeling is voorgeschreven, brengt slecht nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld.

Atlanship c.s. hebben niet, ook niet desgevraagd ter zitting, kunnen duidelijk maken in welk belang zij zijn geschaad. Dit beroep van Atlanship c.s. op de nietigheid van de dagvaarding faalt derhalve.

(ii) de internationale bevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van Atlanship - eerste gedeelte

5.5.

Hier is sprake van een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX II-Vo) en van vorderingen die zijn ingesteld na 10 januari 2015 (art. 66 lid 1 EEX II-Vo), maar niet (zonder meer) van een gedaagde die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (zie artt. 4 en 5 EEX II-Vo). Daarom is de EEX II-Vo wel materieel en temporeel maar niet (zonder meer) formeel van toepassing.

5.6.

Zwitserland is, evenals Nederland, partij bij het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007 (hierna: EVEX 2007), dat voor Nederland in werking is getreden op 1 januari 2010 en voor Zwitserland op 1 januari 2011. Aangezien in het onderhavige geval sprake is van een burgerlijke- of handelszaak, is dit verdrag materieel van toepassing (art. 1 EVEX 2007). Formeel is dit verdrag van toepassing, nu Atlanship, vanwege haar statutaire zetel, (in ieder geval) woonplaats heeft in Zwitserland (zie artt. 2, 3 en 60 lid 1, aanhef en sub a, EVEX 2007). Temporeel is dit verdrag van toepassing, nu de onderhavige zaak aanhangig is gemaakt na 1 januari 2011 (art. 63 lid 1 EVEX 2007).

5.7.

In het geval Atlanship ‘woonplaats’ heeft in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Dit volgt uit de in artikel 2 lid 1 EVEX 2007 neergelegde ‘hoofdbevoegdheidsregel’ van de EVEX 2007:

Onverminderd dit verdrag worden degenen die woonplaats hebben op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.

5.8.

In artikel 60 lid 1 EVEX 2007 is bepaald dat vennootschappen en rechtspersonen voor de toepassing van dit verdrag ‘woonplaats’ hebben op de plaats van:

  1. hun statutaire zetel, of

  2. hun hoofdbestuur, of

  3. hun hoofdvestiging.

Als gezegd, de statutaire zetel van Atlanship bevindt zich in Zwitserland. Bovendien is niet in geschil dat ook het hoofdbestuur van Atlanship zich in Zwitserland bevindt. In geschil is in welk land zich de hoofdvestiging van Atlanship bevindt. [eiser] meent dat de hoofdvestiging van Atlanship zich in Nederland (Rotterdam) bevindt, terwijl Atlanship c.s. zich op het standpunt stellen dat Atlanship haar hoofdvestiging heeft in Zwitserland.

5.9.

Met het begrip ‘hoofdvestiging’ van een vennootschap of rechtspersoon in artikel 60 lid 1 sub c EVEX 2007 wordt gedoeld op het centrum van de bedrijfsactiviteiten van deze vennootschap of rechtspersoon, een criterium van uitsluitend feitelijke aard.

5.10.

De vraag waar een gedaagde ‘woonplaats’ heeft in de zin van artikel 2 lid 1 EVEX is een vraag die (in beginsel) onafhankelijk moet worden beantwoord van het geheel van feiten en omstandigheden waar het geschil in de hoofdzaak betrekking op heeft. Daarom mag, anders dan [eiser] lijkt te menen, ter bepaling van de plaats van de ‘hoofdvestiging’ van Atlanship van artikel 60 lid 1 sub c EVEX 2007 niet uitsluitend worden gekeken naar de bedrijfsactiviteit(en) van Atlanship waar [eiser] ’s vordering in de hoofdzaak tegen Atlanship op is gebaseerd. Ter bepaling van de plaats van de hoofdvestiging van Atlanship in de zin van artikel 60 lid 1 sub c EVEX 2007 (lees: ter bepaling van het centrum van de bedrijfsactiviteiten van Atlanship) moet in zoverre dus worden geabstraheerd van de concrete zaak. Hierin onderscheidt de bevoegdheidsgrond van artikel 2 lid 1 juncto artikel 60 lid 1 EVEX 2007 zich van de bevoegdheidsgrond van artikel 5, aanhef en sub 5, EVEX 2007.

5.11.

Nu Atlanship c.s. betwisten dat deze rechtbank internationaal bevoegd is vanwege de aanwezigheid van een hoofdvestiging van Atlanship in Rotterdam, rust op [eiser] de stelplicht van feiten en omstandigheid waaruit moet volgen dat deze hoofdvestiging zich in Rotterdam bevindt, anders gezegd, van feiten en omstandigheden waaruit moet volgen dat het centrum van bedrijfsactiviteiten van Atlanship zich in Rotterdam bevindt.

5.12.

De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat tussen hen niet in geschil is dat tot de bedrijfsactiviteiten van Atlanship alle activiteiten van economische, industriële en commerciële aard behoren die het beheer van zeeschepen met zich mee pleegt te brengen. Dat op het Rotterdamse kantoor van Atlanship activiteiten plaatsvinden op het gebied van het technische beheer van de zeeschepen is dan ook, anders dan [eiser] lijkt te menen, niet voldoende voor het aannemen van een hoofdvestiging van Atlanship in Rotterdam (Nederland).

5.13.

Dat het technische beheer van de zeeschepen van Atlanship plaatsvindt op het Rotterdamse kantoor van Atlanship staat tussen partijen kennelijk niet ter discussie. In de visie van Atlanship c.s. echter, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt, is dit technische beheer de enige activiteit die vanuit het Rotterdamse kantoor plaatsvindt en geldt dit niet tevens voor de commerciële en economische activiteiten. Mede gelet op bovengenoemde stelplicht van [eiser] ter zake van de hoofdvestiging van Atlanship c.s. mocht van [eiser] in het licht van dit standpunt van Atlanship c.s. worden verwacht dat hij voldoende concreet zou aangeven dat en waarom men zich op het kantoor van Atlanship in Rotterdam ook bezighoudt met commerciële en economische activiteiten. [eiser] heeft dat echter nagelaten. Hieraan doet niet af dat volgens [eiser] de zakelijke middelen van Atlanship bestaan uit de vloot aan schepen (“orange juice carriers”) en dat die feitelijk vanuit Rotterdam worden beheerd door het personeel aldaar in de vorm van onder meer “fleet managers” en “(technical) superintendents” (randnr. 34 incidentele conclusie van antwoord). De rechtbank gaat er dan ook van uit dat men zich op het kantoor van Atlanship in Rotterdam niet bezighoudt met commerciële en economische activiteiten en dat die activiteiten worden uitgevoerd op het Zwitserse kantoor van Atlanship.

5.14.

De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de schriftelijke verklaringen van (voormalige) medewerkers van het Rotterdamse kantoor van Atlanship. Deze verklaringen zijn overgelegd door Atlanship c.s. als producties 13 tot en met 15, waarna [eiser] uitsluitend de daaraan door Atlanship c.s. verbonden conclusie heeft bestreden en niet de juistheid van de uit die verklaringen blijkende feiten (pleitaantekeningen van [eiser] , p. 7). De rechtbank gaat van die feiten dan ook uit. In de verklaringen komt concreet tot uitdrukking dat alle commerciële activiteiten (bijvoorbeeld met betrekking tot “vessels voyage planning, accounting, crewing, freight agreements or payments, taxes and such matters”) door het kantoor in Zwitserland worden verricht, en dat alle “major decisions”, zelfs die met betrekking tot het beheer van de schepen, door het kantoor in Zwitserland worden genomen. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat niet alleen wat betreft alle economische en commerciële activiteiten maar ook waar het gaat om belangrijke beslissingen op het technische vlak niet het Rotterdamse kantoor maar het hoofdkantoor in Zwitserland bepalend is. Dit wijst erop dat het centrum van de bedrijfsactiviteiten zich in Zwitserland bevindt en niet in Nederland. [eiser] heeft bij dagvaarding gewezen op verschillende stukken die, bijvoorbeeld naar aanleiding van een aanvaring waarbij een van de door Atlanship beheerde schepen betrokken is geweest, in het verleden aan het kantoor te Rotterdam zijn gericht (producties 22 tot en met 24). Dit werpt geen ander licht op de zaak. De adressering aan het kantoor te Rotterdam kan heel goed passen bij een ‘representation office’ dat volgens Atlanship c.s. de aard van het Rotterdamse kantoor is, maar zegt niet zonder meer iets over de vraag waar het centrum van de bedrijfsactiviteiten zich bevindt. Voor zover [eiser] zijn beroep op het (voorblad van het) uittreksel uit het register van de Kamer van koophandel (productie 30) heeft willen handhaven, geldt dat hij onvoldoende concreet heeft gereageerd op het uitvoerige verweer daartegen van de zijde van Atlanship c.s. (vanaf randnr. 45 van de incidentele conclusie van Atlanship c.s.).

5.15.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat noch de statutaire zetel noch het hoofdbestuur noch de hoofdvestiging van Atlanship als bedoeld in artikel 60 EVEX 2007 zich in Nederland bevindt.

5.16.

De vordering van [eiser] tegen Atlanship is gebaseerd op een onrechtmatige daad. Voor de internationale bevoegdheid van deze rechtbank is derhalve tevens van belang de in artikel 5, aanhef en sub 3, EVEX 2007 neergelegde alternatieve bevoegdheidsregel inzake niet-contractuele verbintenissen:

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, kan in een andere door dit verdrag gebonden staat voor de volgende gerechten worden opgeroepen

[…]

3. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

5.17.

Artikel 5 sub 3 EVEX 2007 biedt een alternatieve bevoegdheid ten aanzien van rechtsvorderingen die gegrond zijn op een verbintenis uit onrechtmatige daad. De alternatieve bevoegdheid van artikel 5 sub 3 EVEX 2007 berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een ander gerecht dan dat van de staat van de woonplaats van de verweerder, zodat de bevoegdheid van dat gerecht gerechtvaardigd is om redenen van goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting. Zie het arrest van het Hof van Justitie EG van 30 november 1976 (C-21/76) in de zaak Bier/Mines de Potasse d'Alsace (Kalimijnen), waarin het hof antwoord geeft op prejudiciële vragen met betrekking tot de uitleg van artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag, waarvan de tekst nagenoeg gelijk is aan die van artikel 5 sub 3 EVEX 2007. De ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ als bedoeld in artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag (EVEX 2007) ziet volgens het hof zowel op de plaats waar de schade is ingetreden (het zgn. ‘Erfolgsort’) als op de plaats waar het schadebrengende feit zijn oorsprong vindt (het zgn. ‘Handlungsort’).

5.18.

Niet in geschil is dat de schade waarvan [eiser] vergoeding vordert niet is ingetreden in Nederland; het Erfolgsort bevindt zich dus niet in Nederland. Het geschil tussen partijen beperkt zich in dit verband tot de vraag of de schade veroorzaakt is - het Handlungsort - in Rotterdam, zoals [eiser] meent, dan wel buiten Nederland, zoals Atlanship c.s. vinden. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

5.19.

De onrechtmatige daad waar [eiser] zijn vorderingen tegen Atlanship c.s. op baseert, is het nalaten om voorzieningen te treffen aan boord van de “Orange Wave” waardoor bemanningsleden bij zwaar weer veilig naar het toilet kunnen gaan. [eiser] merkt Rotterdam aan als de plaats waar deze onrechtmatige daad is geschied. Hieraan legt [eiser] ten grondslag dat Atlanship heeft nagelaten “technische voorzieningen” te treffen en dat het technisch beheer van de schepen van Atlanship plaatsvindt “door het kantoor in Rotterdam”. Het gaat [eiser] dus kennelijk om het ontbreken van materiële voorzieningen die in zijn visie wel aangebracht hadden moeten zijn. De rechtbank overweegt dat op zichzelf denkbaar is dat het niet aanbrengen van die voorzieningen, dus het achterwege laten van fysieke handelingen om die voorzieningen aan te brengen, in een geval als het onderhavige kan worden beschouwd als de handeling die oorsprong is van het schadebrengende feit. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden gelijk gesteld het enkele feit dat medewerkers van Atlanship op het kantoor te Rotterdam zich bezig houden met beheerswerkzaamheden ten aanzien van de schepen die Atlanship onder beheer heeft, ook niet als aangenomen zou moeten worden dat het al dan niet aanbrengen van de hier bedoelde voorzieningen vanuit dit kantoor geïnitieerd kan worden. Van het in r.o. 5.17 bedoelde bijzonder nauwe verband tussen de vordering en de Nederlandse rechter kan in zodanig geval niet worden gesproken. Dit zou wellicht anders zijn als medewerkers van het Rotterdamse kantoor van Atlanship het aanbrengen van de voorzieningen op enigerlei wijze zouden hebben verhinderd, maar dat is gesteld noch gebleken. In dit kader dient bedacht te worden dat de alternatieve bevoegdheid van artikel 5 sub 3 EVEX 2007 een uitzondering vormt op de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EVEX 2007, en om die reden restrictief dient te worden toegepast (vgl. het arrest van het Hof van Justitie EG van 27 september 1988 (C-189/87) in de zaak Kalfelis/Schröder). Artikel 5 sub 3 EVEX 2007 leidt dus niet tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

5.20.

Vervolgens rijst de vraag of deze rechtbank bevoegd is op grond van de in artikel 5, aanhef en sub 5, EVEX 2007 neergelegde alternatieve bevoegdheidsregel inzake exploitatie van een filiaal e.d.:

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, kan in een andere door dit verdrag gebonden staat voor de volgende gerechten worden opgeroepen

[…]

5. ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging: voor het gerecht van de plaats waar zij zijn gelegen.

5.21.

In het arrest van 22 november 1978 in de zaak Somafer-Saar Ferngas (C-33/78)

heeft het Hof van Justitie EG antwoord gegeven op aan hem gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 5 sub 5 EEX-Verdrag, aan welke bepaling artikel 5 sub 5 EVEX 2007 (nagenoeg) gelijkluidend is. Het hof geeft in dit arrest een opsomming van de geschillen die onder het begrip ‘exploitatie’ kunnen vallen. Enerzijds gaat het om geschillen over (1a) contractuele en (1b) niet-contractuele rechten en verplichtingen met betrekking tot het eigenlijke beheer van het filiaal zelf. Anderzijds gaat het om geschillen betreffende (2a) contractuele verplichtingen die het filiaal namens het moederbedrijf is aangegaan en in zijn lidstaat van vestiging van het filiaal moeten worden nagekomen en (2b) niet-contractuele verplichtingen die hun oorsprong vinden in de werkzaamheden die het filiaal in zijn lidstaat van vestiging heeft verricht.

5.22.

Tussen [eiser] en Atlanship bestaat geen contractuele relatie. Van de hierboven bedoelde geschillen onder (1a) en (2a) is dan ook geen sprake. [eiser] meent dat Atlanship jegens hem op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is wegens het nalaten technische voorzieningen te treffen aan boord van de “Orange Wave”. Deze aansprakelijkheidsgrond, zo is niet in geschil, heeft geen betrekking op het eigenlijke beheer in vorenbedoelde zin van het Rotterdamse filiaal van Atlanship. Derhalve kan hier evenmin sprake zijn van de hierboven bedoelde geschillen onder (1b). Het gestelde onrechtmatige handelen van Atlanship heeft betrekking op het niet aanbrengen van bepaalde materiële voorzieningen op de “Orange Wave”. Geen sprake is dus van (mogelijke) aansprakelijkheid die haar oorsprong vindt in werkzaamheden die het filiaal heeft verricht. Hooguit is sprake van werkzaamheden die vanuit het filiaal hadden kunnen worden verricht, maar naar het oordeel van de rechtbank is die - fictieve en hypothetische - band onvoldoende om te kunnen spreken van “een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal” als is bedoeld in artikel 5 sub 5 EVEX 2007 en zoals in de rechtspraak van het Hof van Justitie EG is uitgewerkt. Hier is dus ook geen sprake van een geschil als hierboven bedoeld onder (2b) over niet-contractuele verplichtingen die hun oorsprong vinden in de werkzaamheden die het filiaal in zijn lidstaat van vestiging heeft verricht.

5.23.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat deze rechtbank ook aan artikel 5, aanhef en sub 5, EVEX 2007 geen bevoegdheid kan ontlenen om kennis te nemen van de vorderingen tegen Atlanship.

5.24.

Daarmee resteert de vraag of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Atlanship op grond van artikel 6, aanhef en sub 1, EVEX 2007:

Deze persoon [een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat; Rechtbank] kan ook worden opgeroepen:

1. Indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gedaan.

5.25.

De onderhavige zaak kent twee gedaagden; naast Atlanship is IBR gedagvaard. Het antwoord op de vraag of deze rechtbank op grond van artikel 6 sub 1 EVEX 2007 bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Atlantis hangt (in de eerste plaats) af van het antwoord op de vraag of IBR woonplaats heeft in Rotterdam. Daaromtrent geldt het volgende.

(iii) de internationale bevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van IBR

5.26.

Partijen denken verschillend over de vraag of IBR woonplaats heeft in Nederland.

5.27.

De vraag of IBR woonplaats heeft in Nederland dient te worden beantwoord aan de hand van de regels van de hierboven in r.o. 5.5 genoemde Herschikte EEX-Verordening (EEX II-Vo). Heeft IBR woonplaats in Nederland, dan heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 EEX II-Vo rechtsmacht. Waar vennootschappen en rechtspersonen woonplaats hebben, volgt uit artikel 63 EEX II-Vo. Artikel 63 lid 1 EEX II-Vo is gelijkluidend aan artikel 60 lid 1 EVEX 2007.

5.28.

Als onbetwist gesteld door [eiser] is komen vast te staan dat de statutaire zetel van IBR in de zin van artikel 63 lid 1 sub a EEX II-Vo zich in Liberia bevindt, dat Atlanship in Nederland fungeert als “agent” van IBR en dat IBR geen eigen kantoor heeft in een land waarvoor EEX II-Vo geldt of dat partij is bij EVEX 2007, zoals Nederland. Met Atlanship c.s. is de rechtbank dan ook van oordeel dat IBR geen ‘hoofdvestiging’ in Nederland heeft in de zin van artikel 63 lid 1 sub c EEX II-Vo.

5.29.

Een vennootschap of rechtspersoon heeft tevens haar woonplaats in een EEX II-lidstaat indien zij haar ‘hoofdbestuur’ heeft in zulke lidstaat in de zin van artikel 63 lid 1 sub b EEX II-Vo. Met het begrip ‘hoofdbestuur’ wordt gedoeld op het centrum van de bestuursactiviteiten. De invulling van dat begrip is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [eiser] meent dat sprake is van ‘hoofdbestuur’ van IBR in Nederland, omdat de heer [persoon] (hierna: [persoon] ), die de enige bestuurder is van IBR, op het moment van betekening van de dagvaarding werkzaam was aan de Universiteit Leiden. Door Atlanship c.s. is naar aanleiding van deze stelling als productie 12 bij hun akte van 1 december 2015 een verklaring van [persoon] in het geding gebracht. Uit die verklaring volgt, kort samengevat, dat IBR reeds 25 jaar bestaat als Liberiaanse vennootschap, dat [persoon] sinds 2013 bestuurder van IBR is, dat hij inwoner is van Malta, dat hij in het verleden aan de Universiteit van Leiden heeft gestudeerd en dat hij vanuit zijn woonplaats in Malta nog werkzaamheden voor deze universiteit heeft verricht. In het licht van deze concrete verklaring had van [eiser] verwacht mogen worden zijn standpunt ter zake de gestelde plaats van het hoofdbestuur concreet te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat IBR geen ‘hoofdbestuur’ heeft in Nederland.

5.30.

[eiser] baseert de bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van zijn vorderingen tegen IBR eveneens op artikel 20 lid 2 EEX II-Vo:

Wanneer een werknemer een individuele arbeidsovereenkomst aangaat met een werkgever die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, maar in een lidstaat een filiaal, agentschap of andere vestiging heeft, wordt de werkgever voor geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht zijn woonplaats te hebben op het grondgebied van die lidstaat.

In het onderhavige geval is evenwel geen sprake van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, agentschap of andere vestiging van IBR in Nederland, zodat deze rechtbank ook aan deze bevoegdheidsregel geen bevoegdheid kan ontlenen.

5.31.

Gesteld noch gebleken is dat IBR haar woonplaats heeft op het grondgebied van een ander land dan Nederland waarvoor de Herschikte EEX-Verordening geldt dan wel dat partij is bij EVEX 2007. Deze internationale regelingen zijn derhalve formeel niet toepasselijk. Bij gebreke van andere toepasselijke internationale regelingen dient de vraag of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen IBR dan ook te worden beantwoord aan de hand van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, zoals de artikelen 1-13 Rv. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

5.32.

Artikel 6, aanhef en sub e, Rv verleent rechtsmacht aan de Nederlandse rechter ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Voor wat betreft het begrip ‘schadebrengende feit’ dient aangeknoopt te worden aan de uitleg van dit begrip volgens het HvJ EG (EU). Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen wat betreft de vraag of zij op grond van artikel 5 sub 3 EVEX 2007 bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Atlanship overweegt de rechtbank dat zij ook niet op grond van artikel 6 sub e Rv bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen IBR.

5.33.

Resteert de vraag of de Nederlandse rechter, voor zover de vorderingen van [eiser] tegen IBR betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst die hij had gesloten met IBR, rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en sub b, Rv. Volgens deze regel - aangehaald voor zover relevant - heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst [..] indien de arbeid gewoonlijk in Nederland [..] wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Dit vereiste dat de arbeid gewoonlijk in Nederland wordt verricht houdt in dat de arbeid ‘hoofdzakelijk’ in Nederland wordt verricht. Daarvan is (was) in dit geval geen sprake. Ook deze bevoegdheidsregel schept derhalve geen bevoegdheid voor de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen tegen IBR.

5.34.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen IBR. In dit verband kan dan ook in het midden worden gelaten of deze rechtbank niet reeds onbevoegd is vanwege de arbitrageclausule in artikel 30 van de door [eiser] als productie 1 in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst.

(iv) de internationale bevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van Atlanship - tweede gedeelte

5.35.

Aangezien IBR geen woonplaats heeft binnen het rechtsgebied van deze rechtbank, kan deze rechtbank ook aan artikel 6 sub 1 EVEX 2007 geen bevoegdheid ontlenen om kennis te nemen van de vorderingen tegen Atlanship.

5.36.

Bij gebreke van andere bevoegdheidsregels van de EVEX 2007 waaraan de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen betekent het bovenstaande dat deze rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] tegen Atlanship (artikelen 3 en 4 EVEX 2007). In het midden kan worden gelaten of deze rechtbank niet reeds onbevoegd is ten aanzien van Atlanship vanwege de arbitrageclausule in artikel 30 van de door [eiser] als productie 1 in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst.

(v) de proceskostenveroordeling

5.37.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Atlanship c.s. worden begroot op:

  • -

    vastrecht € 613,00

  • -

    salaris advocaat € 904,00 (2 punten x € 452,00)

totaal € 1.517,00.

6 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] tegen Atlanship en IBR;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van Atlanship c.s. tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 1.517,00;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2016.

901/1980