Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:2552

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
4178632 CV EXPL 15-22963
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

negatieve verklaring voor recht, geen misbruik van bevoegdheid, buitengerechtelijke kosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 4178632 CV EXPL 15-22963

Uitspraak: 1 april 2016

vonnis van de kamer voor kantonzaken, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk te Amsterdam.

Partijen worden hierna “Dexia” en “Van [gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties;

  • -

    de akte uitlating producties tevens houdende akte wijziging eis;

  • -

    de akte van Van [gedaagde].

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

Van [gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst(en) ondertekend waarop Van [gedaagde] als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

37103987

18-12-1998

Spaarleasen

240 mnd.

€ 21.677,55

2.2

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomst(en) een (fictieve) eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

37103987

???

€ 102,53

2.3

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia Van [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“(…)
Dexia (...) is voornemens haar financiële verplichtingen jegens u te voldoen. (…)


In het verleden heeft u één of meerdere effectenlease-overeenkomsten met Dexia afgesloten. Deze overeenkomsten hebben in lang niet alle gevallen tot het beoogde resultaat geleid. Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € 2.007,40 aan u uit te betalen.

(…)”.

2.4

Op of omstreeks 18 januari 2012 heeft Dexia genoemd bedrag van € 2.007,40 aan Van [gedaagde] uitgekeerd.

2.5

Van [gedaagde] heeft daarop (via Leaseproces) medegedeeld zich alle rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

2.6

Bij brief van 26 maart 2015 heeft Dexia Van [gedaagde] medegedeeld dat zij met Van [gedaagde] in contact wil treden teneinde tot een definitief einde van de onzekere situatie tussen partijen te komen. Dexia heeft daarbij verzocht mede te delen of zij had voldaan aan al haar verplichtingen jegens Van [gedaagde] en zo niet, mede te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn. Van [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

3 Het geschil

3.1

Dexia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

  1. te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de onder 2.1 genoemde leaseovereenkomst(en) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan Van [gedaagde] verschuldigd is, en

  2. Van [gedaagde] te veroordelen tot de terugbetaling van hetgeen door Dexia onverschuldigd is betaald, zijnde een bedrag van € 2.007,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2015 tot de dag van algehele voldoening,

met veroordeling van Van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Ter toelichting op de vordering onder a heeft zij -samengevat en voor zover thans van belang- aangevoerd dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat Van [gedaagde] een vordering op haar pretendeert en de verjaring van die vordering heeft gestuit, terwijl niet inhoudelijk wordt gemotiveerd waarom Van [gedaagde] meent een vordering op haar te hebben. Dexia heeft er daarom recht en belang bij dat in rechte wordt vastgesteld dat Van [gedaagde] geen vordering op haar heeft in verband met de onderhavige leaseovereenkomst(en).

Voor wat betreft haar vordering onder b heeft Dexia aangevoerd dat zij de onder 2.4 genoemde betaling heeft gedaan in de veronderstelling dat zij daartoe verplicht was, maar uit het arrest d.d. 9 december 2014 van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:5188) volgt dat zij daartoe geenszins gehouden was. Van [gedaagde] dient dat bedrag dan ook uit hoofde van onverschuldigde betaling aan Dexia te restitueren.

3.2

Van [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het gevorderde. Op hetgeen Van [gedaagde] in dat verband naar voren heeft gebracht alsook op hetgeen Dexia (verder) nog heeft aangevoerd, wordt hierna, zij het in samengevatte vorm en slechts voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, bij de beoordeling teruggekomen.

4 De beoordeling

ten aanzien van de vordering sub b

4.1

Van [gedaagde] heeft bestreden dat hij gehouden kan worden tot terugbetaling van het door Dexia omstreeks 18 januari 2012 aan hem uitgekeerde bedrag. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij uit de brief van 21 december 2011 van Dexia en de daaropvolgende uitkering van het betrokken bedrag heeft mogen begrijpen dat Dexia erkende dat zij (tenminste) dat bedrag aan schadevergoeding aan Van [gedaagde] verschuldigd was in verband met de leaseovereenkomst. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is volgens Van [gedaagde] onaanvaardbaar dat Dexia, nadat zij vervolgens drie jaar heeft laten verstrijken, daarop zou kunnen terugkomen en het bedrag van Van [gedaagde] zou kunnen terugvorderen.

4.2

Dit verweer treft doel. Met Van [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat hij de brief van 21 december 2011 redelijkerwijze aldus heeft mogen begrijpen dat Dexia erkende jegens hem schadeplichtig te zijn, voor (in ieder geval) een bedrag van € 2.007,40, in verband met de leaseovereenkomst. Te meer nu Dexia dat bedrag kort nadien ook daadwerkelijk heeft uitgekeerd en gesteld noch gebleken is dat zij ter zake enig voorbehoud heeft gemaakt, wordt geoordeeld dat Dexia door zo te handelen haar recht op die erkenning en die betaling terug te komen omdat uit bijna drie jaar daarna gevormde jurisprudentie zou volgen dat daarvoor geen rechtsgrond bestond, heeft verwerkt. Daarop strandt deze vordering dan ook.

ten aanzien van de vordering sub a

Belang bij de vordering?

4.3

Van [gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Daarover wordt geoordeeld als volgt.

4.4

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease- producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Dexia stelt zich daarbij op het standpunt dat zij aan haar verplichtingen jegens Van [gedaagde] heeft voldaan, terwijl Van [gedaagde] met argumenten onderbouwd de mogelijkheid openhoudt dat Dexia daarmee nog niet aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers -onder wie Van [gedaagde]- nog aanspraken jegens haar hebben. Daartoe kan een verklaring voor recht een geëigend middel zijn.

Misbruik van bevoegdheid?

4.5

Hoewel Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en Van [gedaagde], kan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid. Op de voet van art. 3:13 lid 1 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid van dit artikel worden enkele voorbeelden genoemd van misbruik van bevoegdheid, waaronder het geval dat ‘men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.’ Om misbruik van bevoegdheid aanwezig te achten, is een zuivere belangenafweging onvoldoende. Vereist is dat er een grote onevenwichtigheid geconstateerd kan worden tussen het gediende en het aangetaste belang.

4.6

Deze procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding zoals die tussen partijen bestaat, is reeds eerder onderwerp van debat geweest in een groot aantal financiële massaschadezaken. Het overgrote deel van die zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst (Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade) in de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 25 januari 2007 (LJN: AZ7033). Van [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-out verklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat Van [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenst te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in het geval van Van [gedaagde] aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft Van [gedaagde] inmiddels al jaren geleden afgelegd.

4.7

Op 28 maart 2008 (LJN: BC2837) en 5 juni 2009 (LJN: BH2815) heeft de Hoge Raad richtinggevende arresten gewezen voor de beoordeling van effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN: BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (LJN: BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

4.8

De stellingen van (de gemachtigde van) Van [gedaagde] in dit verband komen er op neer dat Van [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld dat Van [gedaagde] geen aanspraken heeft jegens Dexia. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat Van [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en de Hoge Raad af te wachten waarin op nader omschreven beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat Van [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken. Van [gedaagde] voert in feite aan dat de vordering van Dexia behoort te worden afgewezen.

4.9

Er is geen reden om aan te nemen dat een vordering ter verkrijging van een negatieve verklaring voor recht, waarvan in deze zaak sprake is, niet toelaatbaar is te achten in een geval waarin dat voor de eiser de enige mogelijkheid is om zekerheid te verkrijgen over zijn vermogensrechtelijke positie. Dat de consequentie daarvan is dat een partij van wie het op het eerste gezicht voor de hand zou liggen dat deze als eiser zou optreden, daarmee in de positie van verwerende partij wordt gebracht, brengt niet met zich dat het instellen van een dergelijke vordering moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid. Ook kan, gezien al het voorgaande, niet worden gezegd dat de vordering die Dexia heeft ingesteld bij voorbaat kansloos is. Het enkele feit dat Van [gedaagde] meent dat er gronden zijn om de vordering af te wijzen, is onvoldoende om te concluderen dat Dexia haar bevoegdheid om haar vordering in rechte te laten beoordelen misbruikt. Nu ook overigens geen feiten zijn aangevoerd die de slotsom kunnen rechtvaardigen dat Dexia haar bevoegdheid tot het verkrijgen van een verklaring voor recht misbruikt, moet het verweer van Van [gedaagde] op dit punt worden verworpen.

Niets meer verschuldigd?

4.10

Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan Van [gedaagde] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen.

4.11

Een van de onderwerpen die partijen verdeeld houden, betreft de vraag of Dexia Van [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden is verschuldigd. Die vraag wordt bevestigend beantwoord, zoals hierna wordt toegelicht.

4.12

Van [gedaagde] heeft aangevoerd recht te hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ter zake van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, te weten de door Dexia gepleegde onrechtmatige daad door schending van haar zorgplicht met betrekking tot het aangaan van de onderhavige leaseovereenkomst(en). Volgens Dexia is echter niet voldaan aan de redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten en heeft Van [gedaagde] de omvang van de kosten van de gestelde verrichte en gestandaardiseerde buitengerechtelijke werkzaamheden niet toegelicht, terwijl de kosten die zijdens Van [gedaagde] wel zijn gemaakt, volgens Dexia kennelijk niet verder gaan dan de werkzaamheden waarop artikel 241 Rv ziet.

4.13

Overwogen wordt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte op de voet van artikel 6:96 lid 2, aanhef en sub b en c BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen, behoudens voor zover, zo volgt uit artikel 6:96 lid 3 BW, de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797) en voor de vergoeding van de kosten van artikel 6:96 lid 2 sub b BW is niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586). Uit de toelichting van Van [gedaagde] blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat er aan de zijde van Van [gedaagde] buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, die op basis van het hiervoor geschetste toetsingskader geheel of ten dele op Dexia kunnen worden verhaald. Het enkele feit dat de correspondentie grotendeels op gestandaardiseerde wijze is gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van Dexia dat voor zover Leaseproces al enige inspanning heeft verricht, die slechts gericht is geweest op het verkrijgen van een hogere schadevergoeding dan die waar Van [gedaagde] ingevolge de hierboven in 4.7 omschreven maatstaven recht op had en die Dexia wilde betalen, leidt ook niet tot een ander oordeel. Zulks alleen al omdat uit de stellingen van Van [gedaagde] blijkt dat de werkzaamheden van Leaseproces veel eerder zijn begonnen, wat Dexia niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. De vraag tot welk bedrag die kosten verhaalbaar zijn, is echter niet voorgelegd zodat daarover nu geen oordeel wordt gegeven.

4.14

Dat betekent dat de onderhavige vordering van Dexia op de door haar gestelde grond niet toewijsbaar is, omdat thans niet kan worden vastgesteld dat zij -kort gezegd- niets meer aan Van [gedaagde] verschuldigd is. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, behoeft daarom -voor zover al van belang in deze zaak- geen bespreking meer.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering

4.15

Bij akte na dupliek heeft Dexia medegedeeld haar eis te wijzigen in die zin dat zij subsidiair vordert te verklaren voor recht dat Van [gedaagde] met het sluiten van de onderhavige leaseovereenkomst niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last.

4.16

Aan behandeling daarvan komt de kantonrechter niet toe, nu Dexia bij griffiersbrief d.d. 11 december 2015 in de gelegenheid werd gesteld -uitsluitend- te reageren op de door Van [gedaagde] bij dupliek overgelegde producties. Voornoemde eiswijziging wordt dan ook, mede gelet op het late stadium van de procedure, onder toepassing van artikel 130 lid 1 Rv buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde.

4.17

Het voorgaande betekent dat het door Dexia gevorderde zal worden afgewezen en dat Dexia, als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van Van [gedaagde] vastgesteld op € 500,- wegens salaris gemachtigde (2,5 punt à € 200,-).

5
5. De beslissing

De rechtbank, kamer voor kantonzaken:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt Dexia in de kosten van het geding, aan de zijde van Van [gedaagde] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 500,- aan salaris voor de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654