Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:230

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-01-2016
Datum publicatie
07-01-2016
Zaaknummer
C/10/482249 HAZA 15-835
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot stellen van proceskostenzekerheid in de zin van art. 224 Rv. Onder ‘een wet’ in artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv moet worden verstaan de wet op grond waarvan vonnissen die in Nederland zijn gewezen, op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten uitvoer kunnen worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/482249 HAZA 15-835

Vonnis in incident van 6 januari 2016

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar Singaporees recht

HULOTTE PTE. LTD.,

gevestigd te Singapore,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTTOLINX B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTTOLINX SP B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

4. [eiser],

wonende te [woonplaats 1] ,

5. [eiseres],

wonende te [woonplaats 2]

eisers in conventie,

verweerster in het incident is Hulotte Pte. Ltd.,

advocaat: mr. T. Bezmalinovic,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE STALEN BURCHT B.V.,

gevestigd te Bergambacht,

2. de Antilliaanse naamloze vennootschap

BEHEERMAATSCHAPPIJ DE IJZEREN BURCHT,

gevestigd te Curaçao,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRASSTO SPD B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRASSTO B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRASSTO COATING B.V.,

gevestigd te Alblasserdam,

6. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR BRASSTO,

gevestigd te Dordrecht,

7 [gedaagde 7] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

8. [gedaagde 8],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagden in conventie,

eisers in het incident,

advocaat: mr. J.M. de Heer.

Partijen zullen “Hulotte” en “Brassto c.s.” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juli 2015, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot zekerheidsstelling, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord;

  • -

    een akte uitlaten producties aan de zijde van Brassto c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in het incident en de beoordeling daarvan

2.1.

Brassto c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. Hulotte te gebieden om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in het incident zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan Hulotte veroordeeld zou kunnen worden, door middel van een bankgarantie volgens het NVB-model, ten behoeve van Brassto c.s., ter hoogte van € 17.859,50 althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, waarbij de bankgarantie zodanig dient te zijn vormgegeven dat Brassto c.s. aanspraak op betaling kan maken als de beslissing in de hoofdzaak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

2. het geding in de hoofdzaak te schorsen tot het moment dat Hulotte zekerheid heeft gesteld;

3. Hulotte te veroordelen in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na de datum van het vonnis.

Brassto c.s. hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat Hulotte in Singapore is gevestigd.

2.2

Hulotte concludeert primair tot afwijzing van de incidentele vordering, subsidiair tot toewijzing van de vordering waarbij zekerheid wordt gesteld tot een bedrag van

€ 6.874,00 door dat bedrag op de derdengeldenrekening van haar advocaat te storten en uiterst subsidiair tot toewijzing van de vordering waarbij zekerheid wordt gesteld tot een bedrag van € 6.874,00 door middel van een bankgarantie bij een Nederlandse bank.

Hulotte betwist de omvang van de zekerheidsstelling en voert als verweer dat indien zij in de proceskosten zou worden veroordeeld, die veroordeling op grond van het recht van Singapore in Singapore ten uitvoer kan worden gelegd.

2.3

Vaststaat dat Hulotte in Singapore is gevestigd, zodat de vordering van Brassto c.s. voldoet aan de voorwaarden voor toewijzing gesteld in artikel 224 lid 1 Rv.

Vaststaat dat Singapore geen partij is bij een verdrag dat, al dan niet na het doorlopen van een exequaturprocedure, voorziet in tenuitvoerlegging van een proceskostenveroordeling. Een procedure naar Singaporees recht voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen voldoet niet aan de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv. Onder ‘een wet’ in artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv moet blijkens de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kamerstukken II, 2008/09, 31959, nr. 3. p. 63), waarbij die woorden in die bepaling zijn ingevoegd, worden verstaan de wet op grond waarvan vonnissen die in Nederland zijn gewezen, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten uitvoer kunnen worden gelegd. Het verweer van Hulotte treft reeds daarom geen doel. De vordering van Brassto c.s. is toewijsbaar.

2.4

De rechtbank begroot de proceskosten tot betaling waarvan Hulotte zou kunnen worden veroordeeld op een (afgerond) bedrag van EUR 15.000,00 (3 punten met een waarde per punt van € 3.211,-). Daarbij wordt (voorlopig) uitgegaan van een procesverloop zonder complicaties. Het door Brassto c.s. betaalde griffierecht ad EUR 3.864,00 behoort eveneens tot de proceskosten tot betaling waarvan Hulotte zou kunnen worden veroordeeld ook al heeft Brassto c.s. dat niet aan haar incidentele vordering ten grondslag gelegd.
Dat bedrag is daarom betrokken in het begroten van de proceskosten.

2.5

Wat betreft de vorm waarin de stellen zekerheid moet worden geboden, wordt als volgt overwogen. Het doel van de regeling van artikel 224 Rv is te voorkomen dat verhaal van proceskosten wordt bemoeilijkt doordat de daartoe veroordeelde eiser het centrum van zijn sociale en economische activiteiten buiten Nederland heeft. De te verschaffen zekerheid moet gezien artikel 6:51 lid 2 BW enerzijds voldoende waarborg verschaffen voor de voldoening van in ieder geval de hoofdsom, terwijl de schuldeiser zich zonder moeite op de aangeboden zekerheid moet kunnen verhalen. In dat licht kan het storten van het bedrag onder de eigen advocaat voldoende zekerheid zijn. Dan is immers sprake van een vermogensbestanddeel binnen Nederland, waarop de schuldeiser zich kan verhalen.

Er dient echter wel zekerheid te bestaan dat het geld niet op eerste verzoek van Hulotte weer wordt teruggestort. Hulotte heeft geen inzicht gegeven in de wijze waarop zij laatstbedoelde zekerheid zal bieden. Gelet daarop acht de rechtbank in dit geval zekerheidsstelling door middel van storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van Hulotte, geen passende vorm van zekerheidsstelling. Daarom zal worden bepaald dat de zekerheid moet worden gesteld door middel van een bankgarantie volgens het NVB-model. Nu daartegen geen verweer is gevoerd, zal voorts worden bepaald dat Brassto c.s. ook verhaal moeten kunnen halen op de bankgarantie op basis van een proceskostenveroordeling in de hoofdzaak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

2.6

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1

beveelt Hulotte zekerheid te stellen voor een bedrag van EUR 15.000,00 (vijftienduizend euro) voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan Hulotte naar aanleiding van haar vordering zou kunnen worden veroordeeld,

3.2

bepaalt dat de zekerheid – op straffe van niet-ontvankelijkheid van Hulotte in de hoofdzaak – binnen vier weken na deze uitspraak dient te worden gesteld in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven onherroepelijke bankgarantie conform NVB-model die ook verhaal dient te bieden voor een proceskostenveroordeling in de hoofdzaak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard,

3.3

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.4

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 februari 2016 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Brassto c.s.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op

6 januari 2016.

2294/16968