Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1265

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
10/691053-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking. Digitale belaging door op internet accounts en websites op naam van het slachtoffer te maken en daarbij persoonlijke gegevens en foto’s van het slachtoffer te gebruiken. Tatoeage van de naam van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/86
Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij annotatie in UDH:IR/13085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691053-15

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[woonadres].

Raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 februari 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met dien verstande dat de pleegperiode begint op 28 november 2014;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, zich zal houden aan een meldplicht, een contactverbod en een verbod zoals dit door de rechter-commissaris is verwoord in schorsingsvoorwaarde 8 van zijn beschikking van 18 maart 2015 (RC-nummer 15/848), kort gezegd betreffende verdachtes internetgedrag in verband met de naam en foto’s van aangeefster, en dat de verdachte een ambulante behandeling zal ondergaan;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde bijzondere voorwaarden (subsidiair oplegging van een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan);

  • -

    opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak.

4 De verdediging

De raadsman heeft gepleit voor/tot:

  • -

    (primair) vrijspraak van het ten laste gelegde omdat de pleegperiode pas vanaf 30 november 2014 loopt en de vanaf dan ten laste gelegde gedragingen geen belaging zijn;

  • -

    (subsidiair) referte ten aanzien van de gevorderde taakstraf, de bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid.

5 Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij

in of omstreeks de periode van 30 november 2014 tot en met 8 maart 2015

te Rotterdam,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te dulden

door

immers heeft zij, verdachte, op verschillende data in voormelde periode:

- een Facebook account op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd

en (vervolgens) foto's van die [slachtoffer] en (een)

liefdesverklaring(en) op voornoemd Facebook account gepost en/of

geplaatst en

- Twitter account(s) op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd

en

- een Instagram account op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd

en

- websites op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd, te weten:

[slachtoffer].com en [slachtoffer].net en [slachtoffer].info en

[naam][slachtoffer].com en

- een tatoeage met de naam "[slachtoffer]" op haar, verdachtes, (onder)arm

laten tatoeëren althans laten aanbrengen en

- ( persoonlijke) gegevens en foto's van die [slachtoffer], weergegeven op

social media gekopieerd/overgenomen van die social media en/of

(vervolgens) die gegevens en foto('s) geplaatst op de websites [slachtoffer].com en [slachtoffer].net en [slachtoffer].info en [naam][slachtoffer].com.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Nadere bewijsoverwegingen

Juridisch kader

Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1447) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De Hoge Raad oordeelt verder dat de omstandigheid dat iemand aan de verdachte niet te kennen heeft gegeven dat hij geen contact met hem wilde hebben, weliswaar van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging, maar niet zonder meer toereikend is om te oordelen dat een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet is komen vast te staan.

Periode tot 28 november 2014

De verdachte en de aangeefster kennen elkaar doordat de verdachte tot kort voor de ten laste gelegde periode stage heeft gelopen bij [naam instelling], waar de aangeefster werkt en haar aanspreekpunt was. In de ten laste gelegde periode van 5 tot 28 november 2014 gaat het (op twee dagen) om twee e-mails en drie WhatsAppberichten in een wederzijdse conversatie tussen de verdachte en de aangeefster over het krijgen van aangeefsters mobiele nummer respectievelijk de nieuwe baan die de verdachte heeft gevonden. Alsmede om een informele e-mailwisseling tussen de verdachte en een andere (oud-)collega over de aangeefster, waarin de verdachte desgevraagd juist schrijft dat zij niet verliefd is op de aangeefster. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat met deze e-mails en apps in deze periode geen belaging plaatsvindt. Dat wordt niet anders door wat er daarna gebeurt.

Periode van 28 november 2014 tot aangeefsters app van 30 november 2014

Op 28 en 29 november 2014 en tot en met verdachtes laatste app op 30 november 2014 gaat het om tien WhatsAppberichten en twee voicemails van de verdachte aan aangeefster. Hierin vraagt de verdachte om verder contact en laat zij weten verliefd te zijn op de aangeefster en daarmee te worstelen. Dit is eenrichtingsverkeer tot de aangeefster op 30 november 2014 om 15.57 uur WhatsAppt dat de relatie puur zakelijk en werkgerelateerd was en dat zij het daarbij wilde laten. Verdachtes verliefde berichten zijn naar hun inhoud van persoonlijke aard en intens. De duur van de gedragingen is echter nog kort en de frequentie beperkt. De intensiteit wordt qua vorm (WhatsAppberichten en voicemails) gerelativeerd doordat het contact op afstand is, waarbij de aangeefster niet in een situatie zit waarin zij onmiddellijk moet reageren, zoals bijvoorbeeld bij een fysieke ontmoeting. De omstandigheid dat de berichten van een oud-collega komen, legt op zich onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat sprake is van belaging, Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de verdachte op 28 november 2014 aan de aangeefster WhatsAppt dat zij het respecteert als de aangeefster haar, zoals zij graag wil, niet nog eens wil zien. Te meer omdat de verdachte in deze periode niet in weerwil van een afwijzende reactie van de aangeefster berichten stuurt.

Wat betreft de invloed van de berichten op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid wil de rechtbank als feit van algemene bekendheid wel aannemen dat een onverwachte, met horten en stoten gebrachte liefdesbekentenis van een oud-collega, die niet als wederzijds wordt ervaren, op iemand een bijzondere indruk maakt en de lastige vraag oproept hoe daarvan af te komen. Meer dan dat is het in beginsel ook niet en uit het dossier blijkt ook niet van verderstrekkende invloed van deze tien WhatsAppberichten en twee voicemailberichten op aangeefsters persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid. De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat met deze Whatsappberichten en voicemails in deze periode geen belaging plaatsvindt. Ook dat wordt niet anders door wat er daarna gebeurt.

Conclusie periode tot 30 november 2014 en streepjes 1-3

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster van 5 tot 30 november 2014 heeft belaagd en hetgeen de verdachte bij de eerste drie gedachtestreepjes ten laste is gelegd.

Digitale belaging (streepjes 4-7 en 9)

Bij het vierde tot en met zevende en negende gedachtestreepje op de tenlastelegging gaat het, kort gezegd, om het maken van Facebook-, Twitter- en Instagramaccounts en websites op naam van de aangeefster en het (daarop) plaatsen van liefdesverklaringen, foto’s en persoonlijke gegevens van de aangeefster.

Wetsgeschiedenis

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de expliciete bedoeling van de wetgever is digitale belaging (cyberstalking of belaging via internet) strafbaar te stellen, mits sprake is van een inbreuk op een persoonlijke levenssfeer (Handelingen II 1998/99, p. 97-5661, 97-5666, 98-5695 en p. 98-5702).

Over ‘persoonlijke levenssfeer’ leert de wetsgeschiedenis: ‘Het door de delictsomschrijving in de woorden « persoonlijke levenssfeer » te beschermen rechtsgoed is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. (…) In de Memorie van Toelichting hebben de indieners het begrip « persoonlijke levenssfeer » omschreven in de lijn van de jurisprudentie van art. 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). (…) In het Niemitz-arrest heeft het Hof beslist dat het begrip « privacy » een transcedent begrip is dat is onttrokken aan stoffelijke beperkingen.’ (Kamerstukken II 1998/99, 25 768, nr. 7, p. 6).

‘Wij hebben gezocht naar een omschrijving die in beginsel allerlei soorten gedragingen kan omvatten, maar die tegelijkertijd niet nietszeggend is. (…) In de Lüdi-zaak uit 1993 ging het over “the reasonable expectation of privacy” in strafzaken. Daarmee is door het Hof gezegd dat je niet altijd zomaar die privacy of die persoonlijke levenssfeer kunt inroepen. Nee, je moet daarbij een redelijke verwachting hebben van die persoonlijke levenssfeer. En mocht je die dus redelijkerwijs verwachten en mocht je verwachten dat die levenssfeer gewaarborgd zou blijven? Wij merken op dat bij belaging eerder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal worden gemaakt wanneer iemand bijvoorbeeld thuis wordt lastiggevallen. (…) De verwachting dat je persoonlijke levenssfeer beschermd wordt in de openbaarheid zul je toch wat bij moeten stellen, terwijl je daar wel het een en ander van mag verwachten als je thuisblijft. (…) Onze eigen Hoge Raad heeft in 1992 ook uitspraken gedaan over de persoonlijke levenssfeer. Hij heeft gezegd dat je als individu de mogelijkheden moet hebben om onbevangen je eigen leven te leiden, om onbevangen jezelf te zijn. En dat “onbevangen jezelf zijn” betekent in de uitleg die eraan gegeven wordt, dat je er niet voortdurend op bedacht hoeft te zijn dat, wanneer je aan het openbare leven deelneemt, iemand anders inbreuken maakt op jouw levenssfeer. Je hoeft dus niet van tevoren al te gaan anticiperen en als het ware als een schichtig vogeltje door het leven te gaan, omdat anderen jouw persoonlijke vrijheid niet waarderen en accepteren.’ (Handelingen II 1998/99, p. 98-5693 en p. 98-5694).

‘Voor de rechter, die met de bepaling moet werken, is ook de wetsgeschiedenis relevant. Daarom is ook ten tijde van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer uitvoerig stilgestaan bij dit aspect. Uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens en ook van de Hoge Raad op het gebied van de persoonlijke levenssfeer geven relevante afbakeningen. In die uitspraken komt naar voren dat men niet te pas en te onpas de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan inroepen, maar dat men een redelijke verwachting van die bescherming moet hebben. Daaruit volgt dat die verwachting in de omgeving van het eigen huis sterker is dan op de openbare weg. Toch dient men onbevangen zichzelf te kunnen zijn in het openbare leven. Dus al te indringende inbreuken op de persoonlijke levenssfeer zijn ook daar niet toegestaan.’ (Kamerstukken I 1999/2000, 25 768, nr. 67a, p. 6).

‘(…) De jurisprudentie van privacy komt erop neer dat er eerder een inbreuk op je persoonlijke levenssfeer plaatsvindt, wanneer je thuis aanwezig bent of wanneer je op je werk wordt lastiggevallen dan wanneer je je in het openbaar begeeft. Maar, zoals uit de jurisprudentie blijkt, ben je ook daar niet vogelvrij (…) Evenals het begrip “home” uit artikel 8 strekt het zich uit naar ruimtelijkheden die niet gefixeerd zijn naar tijd of plaats. Volgens het Europese Hof houdt het respect voor iemands privé-leven ook het recht in om contacten met anderen aan te gaan en te ontwikkelen. (…) Ik heb geprobeerd aan te geven met tal van argumenten hoe wij het bestanddeel persoonlijke levenssfeer zien en hoe dat ook doorwerkt in de jurisprudentie. Enigszins onduidelijk blijft het – dat is zo – maar daar is de

jurisprudentie voor nodig om dat verder in te kaderen.’ (Handelingen I 1999/2000, p. 28-1361 en p. 28-1372).

Online regels, bescherming van naam en portret

Zonder noemenswaardige moeite valt uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen en heeft dus als feit van algemene bekendheid in de zin van artikel 339, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering te gelden: ‘Facebook is een community van mensen die hun ware identiteit gebruiken. Het is verplicht voor gebruikers om de naam op te geven die ze in het dagelijks leven gebruiken.’ (namenbeleid Facebook). ‘Impersonatie: je mag je via de Twitter-service niet voordoen als iemand anders op een wijze die anderen feitelijk of beoogd misleidt, verwart of bedreigt’ (Twitter-regels). ‘Instagram prohibits the creation of and you agree that you will not create an account for anyone other than yourself.’ (Instagram Terms of Use); ‘You may not use the Site or the Services provided through or in connection with the Site to: (a) defame, abuse, harass, threaten or otherwise violate the legal rights (such as rights of privacy and publicity) of others’ (Epik.com Terms of Service). Naar het oordeel van de rechtbank zijn Facebook-, Twitter- en Instagramaccounts persoonsgebonden en mag domeinnaamregistratie andermans rechten niet schaden. Artikel 1:8 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat degene die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, jegens die persoon onrechtmatig handelt, wanneer diegene daardoor de schijn wekt die ander te zijn. De artikelen 20 en 21 van de Auteurswet beschermen bovendien het portret van mensen, voor de openbaarmaking waarvan hun toestemming dan wel een redelijk belang dat zich daartegen verzet, een rol spelen.

Gedragingen van de verdachte in het licht van de toetsstenen van de Hoge Raad

De verdachte heeft accounts en sites gemaakt op aangeefsters naam, met door de verdachte vergaarde persoonlijke foto’s van de aangeefster (die de verdachte onder meer als profielfoto gebruikt) en/of persoonlijke informatie van de aangeefster, haar partner en andere familieleden.

De gedragingen deden zich aanzienlijke tijd (ruim drie maanden) en regelmatig voor.

Van belang is enerzijds de omstandigheid dat sprake is van gedrag op internet. Anderzijds is van belang de omstandigheid dat op de sites met aangeefsters naam ook grievende informatie staat. Ook heeft de verdachte op eigen (Facebook) pagina’s geschreven dat zij jarenlang bendelid is geweest, een foto gezet van twee vuurwapens en geschreven ‘or maybe I will come after you, don’t think I won’t remember what your front steps look like’, ‘You will never get me, how many times you run to the Police Office.. they will not do anything, but when they do I will not come after you but after your fucking family’, ‘Hey [naam] I know you read this!!! delete that interview, or I will come after you and your friends, Crips are also in Los Angeles’, terwijl daarbij telkens aangeefsters gezicht als profielfoto staat. Van belang is tevens de omstandigheid dat de aangeefster voor al deze gedragingen geen recht of toestemming heeft gegeven. Integendeel, in haar WhatsApp van 30 november 2014 heeft zij uitdrukkelijk aan de verdachte laten weten geen rol te zullen spelen in verdachtes toekomst en dat zij het hierbij wilde laten. Ook is van belang dat de aangeefster geen bekende persoonlijkheid is die zich wat betreft aanbidding meer moet laten welgevallen, zodat het vergelijk van de raadsman daarmee, en wat er ook van zij, niet opgaat.

De aangeefster verklaart in haar aangifte en verhoren hoe de handelingen van de verdachte haar persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid beïnvloeden. Zo verklaart zij op 27 januari 2015 onder meer: ‘Ik werk bij [naam instelling]. Al mijn huidige klanten, dan wel toekomstige klanten kunnen van alles te zien krijgen als ze mijn naam op internet intikken. Dan krijgen ze sites en informatie te zien die niet door mij geplaatst zijn.’ Op 30 januari 2015 verklaart de aangeefster onder meer: ‘mijn facebookaccount heb ik afgesloten. Die bestaat niet meer. Ik had deze 2 of 3 jaar geleden aangemaakt, maar door deze omstandigheden wilde ik niks meer op internet zetten.’ Op 12 februari 2015 verklaart zij onder meer: ‘Deze stalking gaat inmiddels (…) zover dat ik mij gigantisch in mijn vrijheid belemmerd voel. Ik durf niet goed meer over straat. Ik draag vaak een capuchon over mijn hoofd of een sjaal voor mijn gezicht. Ik durf niet zonder begeleiding van mijn werk naar een ander kantoor te gaan. Ik mag tegenwoordig van mijn werk in de garage staan, omdat ik niet meer naar het werk durf te lopen vanaf de plek waar ik parkeerde. Ik kan niet meer gebruik maken van Facebook, omdat alles wat ik plaats gebruikt wordt door de verdachte. Zij weet alles over mij, over mijn familie, vrienden, bekenden, wat ik doe of zeg, waar ik heen ga. (…) Al met al beheerst het heel mijn privéleven, dit beheerst heel mijn dagelijks functioneren. Ik ben er 24 uur per dag mee bezig. Het beheerst mijn privé- maar ook mijn werkbestaan. Ik functioneer niet goed meer. Ik word er gek van. Soms kwaad, soms huilend, dan weer relativerend, maar ook ben ik bang dat het niet stopt of zelfs erger wordt. Ik ben boos op mijn werk, dat ik door mijn werkgever hiertegen niet beschermd wordt. Ik ben soms boos op de politie, omdat er naar mijn mening/gevoel niet snel genoeg iets aan gedaan wordt of er niks aan gedaan kan worden. Ik wil dat het stopt en ik mijn veilige luchtbel (zoals ik dat noem) weer terug krijg en weer onbezorgd kan verdergaan.’

Conclusie streepjes 4-7 en 9

Privacy thuis of op het werk verdient zwaardere bescherming dan privacy in de openbaarheid. Dit geldt zeker op internet. Maar, in de woorden van de wetgever: ook in de openbaarheid is men niet vogelvrij en ook dat geldt naar het oordeel van de rechtbank op internet. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft belaagd door de gedragingen die haar bij het vierde tot en met zevende en negende gedachtestreepje ten laste zijn gelegd. Zij verwerpt het ter zake gevoerde verweer van de raadsman.

Tatoeage (streepje 8)

De verdachte heeft op haar arm een tatoeage met aangeefsters naam laten aanbrengen. Dit is een zowel voor de verdachte als de aangeefster zeer persoonlijke gedraging, die in beginsel altijd voortduurt en die zeer intens is. Als omstandigheden zijn van belang dat de verdachte het laten plaatsen van die tatoeage online op pagina’s met aangeefsters naam aankondigt en daarop ook achteraf foto’s zet en dat zij hierover op haar Facebookpagina schrijft: ‘Other reason that I had [naam] en [slachtoffer] on my arm is so that I can’t hurt them physical. Type of insurace...Soon I will have a teardrop tattoo under my eye, because..Google it.’ Ook is als omstandigheid van belang het hiervoor benoemde digitale belagingsgedrag, dat maakt dat deze gedraging niet op zichzelf staat. Van belang is tevens de omstandigheid dat de aangeefster voor deze gedraging geen recht of toestemming heeft gegeven. Integendeel, in haar WhatsApp van 30 november 2014 heeft zij uitdrukkelijk aan de verdachte laten weten geen rol te zullen spelen in verdachtes toekomst en dat zij het hierbij wilde laten. Tot slot is ook van belang dat de aangeefster geen bekende persoonlijkheid is die zich wat betreft aanbidding meer moet laten welgevallen, zodat het vergelijk van de raadsman daarmee niet opgaat. De aangeefster geeft in verband met onder meer deze tatoeage aan dat zij zich door de verdachte in haar eer en goede naam aangetast voelt en zich beknot voelt in haar vrijheid, zij is bang voor wat de verdachte doet. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster mede heeft belaagd door de gedraging die haar bij het achtste gedachtestreepje ten laste is gelegd.

6 Strafbaarheid feit

6.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

BELAGING.

6.2.

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf en maatregel

8.1.

Algemene overweging

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feit waarop de straffen en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer gedurende een periode van meer dan drie maanden belaagd. Zij heeft accounts op naam van het slachtoffer aangemaakt op diverse social media en heeft websites op naam van het slachtoffer aangemaakt. Op social media en de websites heeft de verdachte vervolgens zeer persoonlijke gegevens en foto’s van het slachtoffer en haar familie geplaatst. Ondertussen heeft zij ook de zeer indringende beslissing genomen om op haar arm de naam van het slachtoffer te laten tatoeëren. Door haar volhardende handelen heeft de verdachte het slachtoffer ongevraagd en tegen haar uitdrukkelijke wil gedwongen om de door verdachte gepleegde handelingen en activiteiten en het voortbestaan van die voor haar niet te beheren sites met haar gegevens te dulden.

Belaging is een ernstig feit dat grote invloed heeft op het dagelijkse leven van slachtoffers.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte in ernstige mate over de schreef is gegaan. Het zijn met name dit soort feiten die niet alleen bij de slachtoffers, maar ook in rest van de samenleving gevoelens van angst, onveiligheid en verontwaardiging oproepen.

Een dergelijk feit dient dan ook consequent te worden aangepakt en bestraft.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 december 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een identiek feit.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland te Rotterdam heeft op 18 maart 2015, 25 augustus 2015 en 31 augustus 2015 gerapporteerd over de verdachte. Ook het NIFP heeft op 18 maart 2015 gerapporteerd over de verdachte. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

Psycholoog drs. [psycholoog] heeft getracht een rapport over de verdachte op te maken. De verdachte heeft echter geweigerd haar medewerking te verlenen.

Psychiater drs. [psychiater] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 juni 2015. Dit rapport houdt onder meer in:

Bij betrokkene is waarschijnlijk sprake van borderline persoonlijkheidsstoornis en posttraumatische stressstoornis. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was sprake van beide stoornissen

De beide stoornissen beïnvloedden onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden.

Het contact met het slachtoffer heeft zij als prettig ervaren, zij heeft het geïdealiseerd en heeft vervolgens het slachtoffer de liefde verklaard. Betrokkene denkt zwart-wit en kan niet nuanceren.

Zij heeft veel moeite met afstand en nabijheid. De afwijzing kon zij niet verdragen, zij is gekrenkt en werd overspoeld door verdriet. Zonder stil te staan bij de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, is zij zich te buiten gegaan door via internet binnen te dringen in het leven van slachtoffer, waarbij ze ook privé informatie over het slachtoffer en haar naasten op internet heeft gedeeld. Betrokkene lijkt als het ware heen en weer geslingerd te zijn tussen verschillende hevige emoties (verliefdheid, blijdschap, woede, intens verdriet), waarmee ze vanwege het ontbreken van adequate coping niet kon omgaan. Door haar rigiditeit van het denken is ze in haar eenzaamheid steeds doorgegaan met haar gedrag en heeft ze zich niet laten corrigeren hierin.

Naar mening van rapporteur heeft betrokkene hierom niet de volledige controle gehad over haar

gedrag, hoewel ze, mede gezien haar verleden, had kunnen weten dat haar gedrag ontoelaatbaar

was.

Daarnaast was betrokkene gedurende de maanden waarin ze de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd, meer gespannen en schrikachtig dan eerder, vanwege de traumatische ervaring die

zij in het najaar van 2014 heeft opgedaan. Dit heeft het wellicht voor haar nog moeilijker gemaakt om controle te houden over haar gedrag. Het is bij/voor betrokkene bekend dat zij onder stressvolle omstandigheden eerder de controle over haar emoties en gedrag kan verliezen dan in tijden van stabiliteit.

Rapporteur adviseert betrokkene wat betreft de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De psychiater verwacht geen verandering in het denken en gedrag van betrokkene zonder hulp en begeleiding en schat de kans op recidive hoog in. Om het recidiverisico te beperken, adviseert hij om als bijzondere voorwaarden op te leggen: verplicht reclasseringstoezicht (hulp en begeleiding) voor een termijn langer dan twee jaar alsmede het voortzetten van de reeds gestarte verplichte ambulante behandeling bij De Waag.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusie van de psychiater wordt gedragen door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestonden tijdens het begaan van het feit ziekelijke stoornissen van de geestvermogens in verband waarmee zij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straffen en maatregel

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Voor een dergelijk feit wordt in de regel, afhankelijk van de duur, intensiteit en ontwrichting van het leven van het slachtoffer, een gevangenisstraf opgelegd van enige duur.

De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat zij van oordeel is dat zowel de verdachte als de samenleving meer is gediend bij het feit dat de verdachte in de toekomst geen (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen. De verdachte is bovendien verminderd toerekeningsvatbaar geacht. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf die als forse stok achter de deur moet dienen en de ernst van verdachtes misdragingen uitdrukt.

Omdat de rechtbank met de psychiater en de reclassering van oordeel is dat de verdachte moet worden begeleid, behandeld en ondersteund, zal de rechtbank aan voornoemde gevangenisstraf de na te noemen (bijzondere) voorwaarden verbinden. Nu de rechtbank en de psychiater van oordeel zijn dat de behandeling, begeleiding en ondersteuning van de verdachte langdurig zal moeten zijn, zal de rechtbank de proeftijd bepalen op drie jaren, hetgeen een langere duur is dan gebruikelijk. Als bijzondere voorwaarde zullen de verdachte bovendien maatregelen worden opgelegd ten aanzien van internet, social media, afbeeldingen enz. in verband met de aangeefster en haar naasten, in de meest ruime zin. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechter kan geen bevel geven als bedoeld in artikel 14e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, omdat naar haar oordeel niet is voldaan aan de daar gestelde eisen.

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt dan ook aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een gebiedsverbod voor het huidige en het eventueel toekomstige werk- en woonadres van het slachtoffer, voor zover bij de verdachte bekend, en een contactverbod met het slachtoffer.

Er moet bovendien ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Dit gelet op het bewezenverklaarde, het strafblad van verdachte, de rapporten van de psychiater en de reclassering en de uit het dossier blijkende uitingen van de verdachte op internet dat zij het slachtoffer zal blijven volgen. Daarom wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Alles afwegend worden na te noemen straffen en maatregel passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt de proeftijd vast op 3 (drie) jaar;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij Reclassering Nederland, afdeling reclassering, Marconistraat 2 te Rotterdam, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen bij de polikliniek van ‘De Waag’ te Rotterdam of een soortgelijke instelling, ter behandeling van haar problematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de polikliniek verantwoord vindt, en zich houden aan alle aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling worden gegeven;

- de veroordeelde zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze de naam van de aangeefster vermelden of afbeeldingen plaatsen van de aangeefster op internet of social media (onder meer Twitter, Facebook en Instagram), op geen enkele wijze afbeeldingen van de aangeefster kopiëren van sites of social media van vrienden, bekenden of familie van de aangeefster, op geen enkele wijze afbeeldingen van de aangeefster vervaardigen of doen vervaardigen, alsmede zal de verdachte niet langer op naam van de aangeefster accounts/profielen/websites aanmaken/aanvragen of op die sites gegevens of afbeeldingen plaatsen van de aangeefster. Dit geldt ook voor eigen accounts/profielen/websites van de veroordeelde, voor WhatsApp of andere communicatiemiddelen en voor afbeeldingen van verdachtes arm waarbij het zwaartepunt ligt op de tatoeage met de naam van aangeefster. De veroordeelde zal in de eerste maand van de proeftijd alle in haar macht liggende accounts/profielen/websites, teksten over en afbeeldingen van de aangeefster verwijderen en die gedurende de proeftijd verwijderd houden, waaronder ten minste ook is begrepen het zonder voorbehoud opgeven van de domeinnaamregistraties die voorkomen in de bewezenverklaring. Het voorgaande geldt – in alle opzichten – voorts ten aanzien van de partner en familieleden van de aangeefster en ten aanzien van namen die gelijken op die van de aangeefster.

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

- zich te onthouden van direct of indirect contact met [slachtoffer];

- zich niet op te houden in [adres] te [plaats] en in de straat van een eventuele andere werklocatie van [slachtoffer], voor zover deze bij de veroordeelde kennelijk bekend blijkt, en zich niet op te houden in de straat waar [slachtoffer] woonachtig is, voor zover deze straat bij de veroordeelde kennelijk bekend blijkt;

met bevel dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mr. C. Vogtschmidt en mr. F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

in of omstreeks de periode van 5 november 2014 tot en met 8 maart 2015

te Rotterdam,

althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens),

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van

een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te

dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

door

immers heeft zij, verdachte, (tekens) op verschillende data in voormelde

periode (onder meer):

- zogenaamde whatsapp berichten naar de mobiele telefoon(s) van die [slachtoffer]

verstuurd en/of

- ( een) voicemailbericht(en) ingesproken en/of

- ( een) email(s) verstuurd naar (een collega van) die [slachtoffer] en/of

- ( een) facebook account(s) op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd

en/of (vervolgens) één of meer foto's van die [slachtoffer] en/of (een)

liefdesverklaring(en) op voornoemd(e) facebook account(s) gepost en/of

geplaatst en/of

- ( een) twitter account(s) op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd

en/of

- ( een) instagram account(s) op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd

en/of

- één of meer website(s) op naam van die [slachtoffer] aangemaakt/aangevraagd,

te weten:

[slachtoffer].com en/of [slachtoffer].net en/of [slachtoffer].info en/of

[naam][slachtoffer].com en/of

- een tatoeage met de naam "[slachtoffer]" op haar, verdachtes, (onder)arm

laten tatoeëren althans laten aanbrengen en/of

- ( persoonlijke) gegevens en/of foto's van die [slachtoffer], weergegeven op

social media dan wel van websites van familieleden en/of bekende(n) van die

[slachtoffer], gekopieerd/overgenomen van die social media dan wel van die

websites van die familieleden en/of bekende(n) van die [slachtoffer] en/of

(vervolgens) die gegevens en/of foto('s) geplaatst en/of gepost op de

website(s) [slachtoffer].com en/of [slachtoffer].net en/of

[slachtoffer].info en/of [naam][slachtoffer].com.