Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:1219

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
4703715 VZ VERZ 15-23405
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Bij het opstappen van een stoep struikelt voetganger over een langs de stoeprand geplaatst paaltje. Voetganger spreekt gemeente Rotterdam aan tot vergoeding van zijn schade op grond van een gebrekkige opstal dan wel onrechtmatige daad.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/161
JA 2016/79
PS-Updates.nl 2016-0053
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4703715 VZ EXPL 15-23405

uitspraak: 16 februari 2016

beschikking van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Gorichem,

verzoeker, hierna “[verzoeker]” genoemd,

gemachtigde: mw. S. Bukala,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelende te Rotterdam,

verweerder, hierna “de Gemeente”, genoemd,

gemachtigde: mr. S. de Wit.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 2 december 2015, met producties;

  • -

    het verweerschrift, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2016. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mw. S. Bukala. Namens de Gemeente is haar schaderegelaar [L.] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde,
mr. S. de Wit. Door de griffier is aantekening gehouden van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3.

De datum voor uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 30 juni 2014 omstreeks 18.45 uur op de Bulgersteyn te Rotterdam, nadat hij de straat was overgestoken en weer de stoep wilde opstappen, gevallen over een langs de stoeprand geplaatst paaltje.

2.2.

Door de val heeft [verzoeker] een gebroken neus, een gescheurde lip en schaafwonden in zijn gezicht opgelopen.

2.3.

Een aantal van de op de Bulgersteyn geplaatste paaltjes, waaronder ook het paaltje waarover [verzoeker] op 30 juni 2014 is gestruikeld, is korte tijd later door de Gemeente verwijderd.

2.4.

Bij brief van 31 december 2013 heeft mw. [S.] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val op 15 november 2013 (ook) over een paaltje ter hoogte van de plek waar [verzoeker] ten val is gekomen.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank te beslissen over het tussen partijen bestaande deelgeschil waarbij de rechtbank beslist dat de Gemeente aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval en de daaruit voortvloeiende schade alsmede om daarbij de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv te begroten en de Gemeente te veroordelen tot betaling daarvan.

3.2.

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

De Gemeente is als wegbeheerder verplicht om zorg te dragen voor een goede en veilige inrichting van de wegen. Daarbij dient de Gemeente rekening te houden met het feit dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten en met de risico’s die zijn verbonden aan objecten zoals de onderhavige paaltjes. De paaltjes hadden geen duidelijke markering, hadden dezelfde kleur als het trottoir en waren niet duidelijk op te merken. Als gevolg daarvan is [verzoeker] over een van de paaltjes ten val gekomen. Gezien het vorenstaande had het ongeval voorkomen kunnen worden als de paaltjes een opvallende kleur hadden gehad of duidelijker waren gemarkeerd.

De geplaatste paaltjes leveren op zichzelf een verkeersgevaarlijke situatie op, waartegen de Gemeente had moeten waarschuwen. Daar komt bij dat er al meerdere personen over deze paaltjes zijn gevallen en de Gemeente hiermee bekend was. Ter onderbouwing legt [verzoeker] twee verklaringen over waaronder een verklaring van de eigenaar van het restaurant dat is gevestigd aan de Bulgersteyn, vlak bij het paaltje waar [verzoeker] ten val is gekomen. De getuigen verklaren dat ter plaatse meerdere valpartijen hebben plaatsgevonden en dat dit herhaalde malen is gemeld bij zowel de politie alsook de Gemeente.

3.3.

Op de overige stellingen van [verzoeker] wordt bij de beoordeling, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het verweer

4.1.

De paaltjes aan de Bulgersteyn komen veel voor in de gemeente en zijn, mede gelet op de hoogte ervan, goed zichtbaar en ter plaatse is de verkeerssituatie overzichtelijk. De paaltjes zijn verwijderd, omdat er een vast terras op de stoep is geplaatst zodat fout parkeren of keren met de auto niet meer mogelijk is en dus de paaltjes geen redelijk doel meer dienden.

4.2.

De valpartij is het gevolg van onvoldoende oplettendheid van [verzoeker] zelf. Op het moment van de valpartij was in de straat althans in de omgeving van waar [verzoeker] liep een oefening van de ME gaande en door de vele afleidingen zijn de paaltjes niet door [verzoeker] opgemerkt. Er is dus sprake van eigen schuld aan de kant van [verzoeker]. De Gemeente heeft ook haar zorgplicht niet geschonden. Sinds 2003 is de Gemeente enkel bekend met meldingen van [verzoeker] en van mw. [S.]. Dit blijkt ook uit het overzicht van deze locatie uit het meldingensysteem buitenruimte waarin dit soort meldingen wordt vastgelegd. Gezien de hoeveelheid van deze paaltjes in Rotterdam en het geringe aantal meldingen in al die tijd is de kans op ongevallen zeer gering. Daar komt bij dat voetgangers ook struikelen en/of vallen over bijvoorbeeld stoepranden. Van gebruikers van de openbare weg mag de nodige oplettendheid worden verwacht. De enkele omstandigheid dat zich een valpartij voordoet, maakt niet dat dan ook meteen sprake is van een gevaarlijke situatie, aldus de Gemeente.

4.3.

De Gemeente heeft voorts betwist dat [verzoeker] schade heeft geleden, althans die schade is onvoldoende door hem onderbouwd.

4.4.

Op de overige stellingen van de Gemeente wordt bij de beoordeling, voor zover relevant, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in discussie dat [verzoeker] op 30 juni 2014 op de Bulgersteyn is gestruikeld over een op de stoep geplaatst paaltje. Partijen twisten over de vraag of de Gemeente aansprakelijk is voor de gevolgen van dit ongeval op grond van een gebrekkige opstal dan wel op grond van een jegens [verzoeker] gepleegde onrechtmatige daad.

Gebrekkige opstal?

5.2.

Op grond van artikel 6:174 BW is de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de openbare weg of de weguitrusting. Van een gebrek is sprake als de weg of de weguitrusting naar objectieve maatstaven gemeten niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken. Of dit het geval is hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de vraag of die weg of weguitrusting, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn. In dat kader komt onder meer betekenis toe aan de beleidsvrijheid die de Gemeente heeft en de haar ter beschikking staande financiële middelen (ECLI:NL:HR:2010:BN6236 en ECLI:NL:HR:2014:831).

5.3.

Beoordeeld dient te worden of het paaltje, naar objectieve maatstaven gemeten, voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mag stellen. Het enkele feit dat het paaltje op die plek op de stoep stond betekent nog niet dat het paaltje gebrekkig was dan wel dat de openbare weg niet in goede staat verkeerde. Ook het feit dat [verzoeker] ten val is gekomen over het paaltje rechtvaardigt niet de conclusie dat het paaltje gebrekkig is.

De paaltjes zijn door de Gemeente op die locatie geplaatst, om te voorkomen dat voertuigen op de stoep parkeren en dat voertuigen, met gebruikmaking van de stoep, in de straat keren. Vaststaat dat dit type paaltjes door heel de stad wordt geplaatst en voorts dat gemeenten door heel het land gebruik maken van dit type paaltjes voor hetzelfde doel als waarvoor de Gemeente die paaltjes op de stoep heeft geplaatst. Hieruit blijkt dat de paaltjes in zoverre een zinvolle functie hadden, die was gericht op het bevorderen van de verkeersveiligheid in de straat. Uit de foto’s blijkt verder dat sprake is van een overzichtelijke straatsituatie, het paaltje deel uitmaakte van een reeks paaltjes die op gezette afstand over de lengte van de stoep waren geplaatst, het paaltje c.q. de paaltjes een donkerder kleur hadden ten opzichte van de tegels van de stoep en voorts dat het paaltje en ook de overige paaltjes, mede gelet op de hoogte ervan, voor zowel voetgangers op de stoep als voor personen die de stoep willen opstappen goed zichtbaar zijn. Gezien het vorenstaande voldeed het paaltje aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden, zodat van een gebrek aan het paaltje dan wel de openbare weg geen sprake is. De omstandigheid dat de Gemeente kort na het ongeval de paaltjes heeft laten verwijderen maakt dit niet anders aangezien is geoordeeld dat de paaltjes deugdelijk zijn. Bovendien is de reden die de Gemeente voor de verwijdering van de paaltjes gegeven heeft alleszins aannemelijk. Immers doordat de horecazaak een terras gerealiseerd had op het trottoir vlak achter de paaltjes, bezien vanaf de straatzijde, dienden de paaltjes geen redelijk doel meer, aangezien parkeren daardoor niet langer mogelijk was.

5.4.

Het verzoek op grond van artikel 6:174 BW te bepalen dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die van [verzoeker] als gevolg van zijn val heeft geleden mist dan ook doel.

Onrechtmatige daad?

5.5.

Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, als dat gevaar zich verwezenlijkt, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW indien is voldaan aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het zogenaamde Kelderluikarrest. In dit arrest is beslist dat alleen in het licht van de omstandigheden van het geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en het met oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet op niet alleen de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

5.6.

Vooropgesteld wordt dat het enkele feit dat de Gemeente een paaltje, althans een reeks paaltjes, op de stoep van de Bulgersteyn heeft geplaats en waarover [verzoeker] ten val is gekomen, nog niet betekent dat door de Gemeente daarmee een gevaarzettende situatie is gecreëerd. Daarbij komt dat van een voetganger, in een stad als Rotterdam, de nodige oplettendheid mag worden verwacht, zeker bij het oversteken van de straat en het betreden van de stoep. Die oplettendheid mag zeker worden verwacht van de voetganger die niet bekend is met de situatie ter plaatse, zoals in het geval van [verzoeker], die in Gorinchem woonachtig is en nog niet eerder op de Bulgersteyn geweest was.

In dit verband is tevens van belang dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling verklaard heeft dat hij vlak voor de val afgeleid werd door de oefening van de ME en dat hij om die oefening en het daarmee gepaard gaande kabaal te ontwijken van het trottoir is afgestapt en een stukje over de straat heeft gelopen, waarna hij vervolgens weer de stoep is opgestapt en vlak daarna is gestruikeld over een van de bewuste paaltjes. Voorts heeft [verzoeker] verklaard dat hij vlak voor de val druk om zich heen aan het kijken was om te zien waar het restaurant Antichic gevestigd was, waar hij met een aantal andere mensen (voor het eerst) afgesproken had. Een en ander lijkt een ongelukkige samenloop van omstandigheden en voor het aannemen van aansprakelijkheid van de Gemeente is in de gegeven omstandigheden meer nodig. Te denken valt aan de situatie dat ter plaatse meerdere mensen over een van de paaltjes ten val zijn gekomen waarmee de Gemeente ook bekend was en dat zij desondanks geen maatregelen heeft getroffen en besloten heeft om de paaltjes te handhaven, hoewel deze al geruime tijd geen redelijk doel meer dienden in verband met de realisatie van het terras door de horecagelegenheid.

5.7.

[verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat meerdere mensen ten val zijn gekomen over de bewuste paaltjes op de Bulgersteyn, maar dit is door de Gemeente gemotiveerd betwist. Dat betekent dat niet vast dat, met uitzondering van [verzoeker] en [S.], er ook andere personen ten val zijn gekomen over de paaltjes en voorts dat de Gemeente hiermee ook bekend was. De door [verzoeker] overgelegde schriftelijke verklaringen maken dit niet anders, nu de juistheid daarvan door de Gemeente is betwist en deze niet onder ede zijn afgelegd. Aan die verklaringen komt dan ook geen volledige bewijskracht toe. Om te kunnen vaststellen of de paaltjes op de stoep van de Bulgersteyn hebben geleid tot een gevaarzettende situatie, met welke situatie de Gemeente ook bekend was, is verdere bewijslevering noodzakelijk zijn. Bovendien zal nader onderzocht moeten worden wanneer meerbedoelde horecagelegenheid het terras gerealiseerd heeft en of van de Gemeente in de gegeven omstandigheden verlangd had mogen worden dat zij eerder tot verwijdering van die paaltjes was overgegaan omdat die immers geen redelijk doel meer dienden. Voor dat nadere onderzoek en die verdere bewijslevering leent de onderhavige deelgeschilprocedure zich echter niet.

5.8.

Het vorenstaande leidt ertoe dat bij deze stand van zaken de Gemeente evenmin op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk gesteld kan worden voor het ongeval.

5.9.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechter de kosten van de procedure (ambtshalve) dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, zodat zal worden overgegaan tot begroting van de kosten van dit deelgeschil.

5.10.

Op grond van artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de kosten door de rechter begroot waarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Of deze kosten redelijk zijn hangt ervan af of de kosten in redelijkheid zijn gemaakt en of de hoogte van de kosten redelijk is. Door [verzoeker] is wel verzocht om toewijzing van de kosten ex artikel 1019aa, maar door hem is geen onderbouwing gegeven van de omvang ervan. Deze kosten worden begroot op het bedrag van de inmiddels verschenen proceskosten, zijnde een bedrag van € 78,00 aan vastrecht en (2 punten á € 250,00) € 500,00 aan salaris gemachtigde.

5.11.

Omdat aansprakelijkheid van de Gemeente niet is komen vast te staan worden de kosten slechts begroot en zal niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan worden uitgesproken.

6 De beslissing

De kantonrechter

wijst het verzoek af;

begroot de kosten voor deze procedure aan de zijde van [verzoeker] op € 578,00;

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

918