Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9801

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
04-01-2016
Zaaknummer
4190581 CV EXPL 15-4525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waiver-zaken, verklaring voor recht wordt afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat Dexia niets meer aan de afnemer is verschuldigd. Daartoe is onder meer van belang dat de jurisprudentie op aantal essentiele punten nog niet is uitgekristalliseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 4190581 CV EXPL 15-4525

Uitspraak: 24 december 2015

vonnis van de kamer voor kantonzaken, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk te Amsterdam.

Partijen worden hierna “Dexia” en “[gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende akte (voorwaardelijke) wijziging eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst(en) ondertekend waarop [gedaagde] als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

21404140

10-9-1999

Capital Effect

240 mnd.

€ 32.904,48

2.2

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomst(en) een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

21404140

9-7-2004

€ 137,10

2.3

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“(…)
Dexia (...) is voornemens haar financiële verplichtingen jegens u te voldoen. (…)


In het verleden heeft u één of meerdere effectenlease-overeenkomsten met Dexia afgesloten. Deze overeenkomsten hebben in lang niet alle gevallen tot het beoogde resultaat geleid. Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € 3.957,32 aan u uit te betalen.

(…)”.

2.4

Op of omstreeks 18 januari 2012 heeft Dexia genoemd bedrag van € 3.957,32 aan [gedaagde] uitgekeerd.

2.5

[gedaagde] heeft daarop (via Leaseproces) medegedeeld zich alle rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

2.6

Bij brief van 26 maart 2015 heeft Dexia aan [gedaagde] medegedeeld dat zij met [gedaagde] in contact wil treden teneinde tot een definitief einde van de onzekere situatie tussen partijen te komen. Dexia heeft daarbij verzocht mede te delen of zij had voldaan aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] en zo niet, mede te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn. [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

3 Het geschil

3.1

Dexia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

  1. te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de onder 2.1 genoemde leaseovereenkomst(en) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, en

  2. [gedaagde] te veroordelen tot de terugbetaling van hetgeen door Dexia onverschuldigd is betaald, zijnde een bedrag van € 3.957,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2015 tot de dag van algehele voldoening,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Ter toelichting op de vordering onder a heeft zij -samengevat en voor zover thans van belang- aangevoerd dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert en de verjaring van die vordering heeft gestuit, terwijl niet inhoudelijk wordt gemotiveerd waarom [gedaagde] meent een vordering op haar te hebben. Dexia heeft er daarom recht en belang bij dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering op haar heeft in verband met de onderhavige leaseovereenkomst(en).

Voor wat betreft haar vordering onder b heeft Dexia aangevoerd dat zij de onder 2.4 genoemde betaling heeft gedaan in de veronderstelling dat zij daartoe verplicht was, maar uit het arrest d.d. 9 december 2014 van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:5188) volgt dat zij daartoe geenszins gehouden was. [gedaagde] dient dat bedrag dan ook uit hoofde van onverschuldigde betaling aan Dexia te restitueren.

3.2

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het gevorderde. Op hetgeen [gedaagde] in dat verband naar voren heeft gebracht alsook op hetgeen Dexia (verder) nog heeft aangevoerd, wordt hierna, zij het in samengevatte vorm en slechts voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, bij de beoordeling teruggekomen.

4 De beoordeling

ten aanzien van de vordering sub b

4.1

[gedaagde] heeft bestreden dat hij gehouden kan worden tot terugbetaling van het door Dexia omstreeks 18 januari 2012 aan hem uitgekeerde bedrag. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij uit de brief van 21 december 2011 van Dexia en de daaropvolgende uitkering van het betrokken bedrag heeft mogen begrijpen dat Dexia erkende dat zij (tenminste) dat bedrag aan schadevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd was in verband met de leaseovereenkomst. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is volgens [gedaagde] onaanvaardbaar dat Dexia, nadat zij vervolgens drie jaar heeft laten verstrijken, daarop zou kunnen terugkomen en het bedrag van [gedaagde] zou kunnen terugvorderen.

4.2

Dit verweer treft doel. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat hij de brief van 21 december 2011 redelijkerwijze aldus heeft mogen begrijpen dat Dexia erkende jegens hem schadeplichtig te zijn, voor (in ieder geval) een bedrag van € 3.957,32, in verband met de leaseovereenkomst. Te meer nu Dexia dat bedrag kort nadien ook daadwerkelijk heeft uitgekeerd en gesteld noch gebleken is dat zij ter zake enig voorbehoud heeft gemaakt, wordt geoordeeld dat Dexia door zo te handelen haar recht op die erkenning en die betaling terug te komen omdat uit bijna drie jaar daarna gevormde jurisprudentie zou volgen dat daarvoor geen rechtsgrond bestond, heeft verwerkt. Daarop strandt deze vordering dan ook.

ten aanzien van de vordering sub a

Belang bij de vordering?

4.3

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Daarover wordt geoordeeld als volgt.

4.4

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease- producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Dexia stelt zich daarbij op het standpunt dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan, terwijl [gedaagde] met argumenten onderbouwd de mogelijkheid openhoudt dat Dexia daarmee nog niet aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – onder wie [gedaagde] – nog aanspraken jegens haar hebben. Daartoe kan een verklaring voor recht een geëigend middel zijn.

Misbruik van bevoegdheid?

4.5

Hoewel Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en [gedaagde], kan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid. Op de voet van art. 3:13 lid 1 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid van dit artikel worden enkele voorbeelden genoemd van misbruik van bevoegdheid, waaronder het geval dat ‘men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.’ Om misbruik van bevoegdheid aanwezig te achten, is een zuivere belangenafweging onvoldoende. Vereist is dat er een grote onevenwichtigheid geconstateerd kan worden tussen het gediende en het aangetaste belang.

4.6

Deze procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding zoals tussen partijen bestaat, is reeds eerder onderwerp van debat geweest in een groot aantal financiële massaschadezaken. Het overgrote deel van die zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst (Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade) in de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 25 januari 2007 (LJN: AZ7033). [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-out verklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenst te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in het geval van [gedaagde] aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft [gedaagde] inmiddels al jaren geleden afgelegd.

4.7

Op 28 maart 2008 (LJN: BC2837) en 5 juni 2009 (LJN: BH2815) heeft de Hoge Raad richtinggevende arresten gewezen voor de beoordeling van effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN: BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (LJN: BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

4.8

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] in dit verband komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen aanspraken heeft jegens Dexia. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en de Hoge Raad af te wachten waarin op nader omschreven beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken. [gedaagde] voert in feite aan dat de vordering van Dexia behoort te worden afgewezen.

4.9

Er is geen reden om aan te nemen dat een vordering ter verkrijging van een negatieve verklaring voor recht, waarvan in deze zaak sprake is, niet toelaatbaar is te achten in een geval waarin dat voor de eiser de enige mogelijkheid is om zekerheid te verkrijgen over zijn vermogensrechtelijke positie. Dat de consequentie daarvan is dat een partij van wie het op het eerste gezicht voor de hand zou liggen dat deze als eiser zou optreden, daarmee in de positie van verwerende partij wordt gebracht, brengt niet met zich dat het instellen van een dergelijke vordering moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid. Ook kan, gezien al het voorgaande, niet worden gezegd dat de vordering die Dexia heeft ingesteld bij voorbaat kansloos is. Het enkele feit dat [gedaagde] meent dat er gronden zijn om de vordering af te wijzen, is onvoldoende om te concluderen dat Dexia haar bevoegdheid om haar vordering in rechte te laten beoordelen misbruikt. Nu ook overigens geen feiten zijn aangevoerd die de slotsom kunnen rechtvaardigen dat Dexia haar bevoegdheid tot het verkrijgen van een verklaring voor recht misbruikt, moet het verweer van [gedaagde] op dit punt worden verworpen.

Niets meer verschuldigd?

4.10

Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen.

4.11

Dexia heeft bij deze en andere rechtbanken tegen een groot aantal andere afnemers dezelfde (waiver-)vordering ingesteld als in deze zaak tegen [gedaagde]. De afnemers worden, zoals [gedaagde], vertegenwoordigd door Leaseproces. In al die zaken worden voor een groot deel (en op gestandaardiseerde wijze) dezelfde stellingen betrokken en dezelfde verweren gevoerd. Dexia is van mening dat deze zaken zich ook bij uitstek lenen voor een gestandaardiseerde afdoening door de rechtbank.

4.12

Dexia baseert haar vordering op haar stelling dat met de hierboven in r.o. 4.7 genoemde jurisprudentie voor alle afnemers vaststaat hoe de schadevergoeding moet worden vastgesteld, en dat hieraan in alle gevallen is voldaan. Volgens haar is de jurisprudentie volledig uitgekristalliseerd. Wat deze stelling betreft is Dexia evenwel gedurende de looptijd van deze procedure al ingehaald door de feiten. Zo heeft de Hoge Raad op 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch beslist – anders dan het tot dan toe door Dexia ingenomen standpunt – dat de wettelijke rente over de inleg (in gevallen waarin sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last) moet worden berekend vanaf het moment van betaling. Tevens heeft de Hoge Raad op 9 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:41) beslist dat – anders dan het tot dan toe door Dexia ingenomen standpunt – de toestemming van de echtgenoot op grond van 1:88 BW ook vereist is voor de met Dexia gesloten verlengingsovereenkomsten. De stelling van Dexia dat de jurisprudentie volledig is uitgekristalliseerd, is in zijn algemeenheid dus niet juist.

4.13

Leaseproces heeft zich in deze zaken onder meer erop beroepen dat de maatstaf voor toerekening van eigen schuld aan gedaagden als gevolg van aan Dexia toe te rekenen onrechtmatig handelen nog niet vaststaat. Leaseproces heeft zich in dit verband onder meer beroepen op beleggingstechnische gebreken van het product en/of op aansprakelijkheid van Dexia voor advisering door de betrokken tussenpersoon op grond van artikel 6:76, 6:171 en 6:172 BW en/of op artikel 41 NR wegens advisering door de tussenpersoon die volgens Leaseproces optrad zonder daarvoor vereiste vergunning. Volgens Leaseproces zal een oordeel van de Hoge Raad over deze aspecten gevolgen hebben voor de mate van eigen schuld van de afnemer. Deze vragen kunnen thans niet in deze zaak worden beantwoord omdat deze geschilpunten nog niet zijn uitgekristalliseerd en ter beoordeling voorliggen bij de Hoge Raad in het cassatieberoep dat is ingesteld van in ieder geval de arresten van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1736) en 17 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1775).

4.14

Leaseproces heeft zich namens een aantal gedaagden beroepen op het bepaalde in artikel 1:88 BW, het ontbreken van toestemming van de eega bij het aangaan van overeenkomsten zoals vermeld onder 2.1, en dus de vernietiging van die overeenkomsten, mogelijk leidend tot een verplichting tot ongedaanmaking door Dexia. Dexia heeft in reactie daarop aangevoerd dat het recht om zich op het ontbreken van die toestemming te beroepen is verjaard en dat de verjaring niet is gestuit door de collectieve actie die voorafging aan de hiervoor genoemde WCAM-overeenkomst, en dat voorts niet is voldaan aan het vereiste van artikel 3:316 lid 2 BW dat binnen zes maanden nadat die collectieve actie door een schikking is geëindigd, een nieuwe eis is ingesteld. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 20 januari 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:105) prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld die ook voor beoordeling van die standpunten van Dexia van belang zijn. Op 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad deze vragen beantwoord (ECLI:NL:HR:2015:3018), waarbij de standpunten van Dexia zijn verworpen. Dat brengt met zich dat het in deze procedure door Dexia bepleite standpunt niet tot de conclusie kan leiden dat de afnemers die dit betreft, niets meer van haar te vorderen hebben.

4.15

Nu in de onderhavige procedure minstens één van de hiervoor genoemde aspecten aan de orde is, betekent een en ander dat de vordering onder b van Dexia op de door haar gestelde grond niet toewijsbaar is, omdat thans niet kan worden vastgesteld dat Dexia – kort gezegd – niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat Dexia zich heeft verzet tegen de door Leaseproces geopperde mogelijkheid van aanhouding van de zaak totdat (onder meer) verdere duidelijkheid is verkregen over de toe te passen maatstaven.

4.16

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

4.17

Omdat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder Dexia haar eis bij conclusie van repliek heeft gewijzigd, komt de rechtbank aan de beoordeling daarvan niet toe.

4.18

De vordering zal worden afgewezen en Dexia zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 400,- wegens salaris gemachtigde (2 punten à € 200,-).

5
5. De beslissing

De rechtbank, kamer voor kantonzaken:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt Dexia in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 400,- aan salaris voor de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654