Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:191

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2015
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
C/10/459646 / HA RK 14-759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verleent verzoekster op grond van art. 2:18 lid 6 BW toestemming om het beklemd vermogen te besteden op dezelfde wijze als verzoekster dat van tijd tot tijd ten aanzien van haar overige vermogen kan, zonder dat daarbij de beperking van het huidige artikel 34 van haar statuten zal gelden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0046
AR 2015/93
RO 2015/26
Bb 2015/22.1
JONDR 2015/445
AR 2015/2607
JOR 2015/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/459646 / HA RK 14-759

Beschikking van 13 januari 2015

in de zaak van

de naamloze vennootschap

OPTAS PENSIOENEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

advocaat mr. M. Ynzonides,

met als belanghebbenden

1. de stichting

STICHTING DEELNEMERSRAAD OPTAS,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat dr. mr. S.F.H. Jellinghaus,

2. de stichting

STICHTING BELANGENBEHARTIGING PENSIOENGERECHTIGDEN VAN DE VERVOER- EN HAVENBEDRIJVEN,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. R.B. Gerretsen.

Partijen worden hierna aangeduid als Optas Pensioenen, Stichting Deelnemersraad Optas en Stichting BPVH.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift ontklemming op grond van artikel 2:18 lid 6 Burgerlijk Wetboek, met bijlagen ingekomen op 15 september 2014;

  • -

    het verweerschrift ontklemming op grond van artikel 2:18 lid 6 Burgerlijk Wetboek, met bijlagen van Stichting Deelnemersraad Optas;

  • -

    het verweerschrift, met bijlage van Stichting BPVH.

1.2.

Ten slotte is de beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Optas Pensioenen is een pensioenverzekeraar en verzekert nagenoeg uitsluitend de pensioenen van werknemers in de haven. De naamloze vennootschap Aegon N.V. (hierna: Aegon) is middellijk enig aandeelhouder van Optas Pensioenen.

2.2.

De Stichting Deelnemersraad Optas en de Stichting BPVH vertegenwoordigen tezamen alle werkgevers en werknemers die actief zijn in de haven en allen die bij Optas Pensioenen zijn verzekerd.

2.3.

Op 31 december 1997 is de stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven (hierna: Stichting PVH) in de naamloze vennootschap Optas Pensioenen (II) N.V. omgezet. Daarna – op 29 juni 1998 – is laatstgenoemde vennootschap gefuseerd met Optas Pensioenen, bij welke fusie Optas Pensioenen de verkrijgende rechtspersoon was.

2.4.

Door de omzetting van Stichting PVH in de rechtsvoorgangster van Optas Pensioenen is op basis van het bepaalde in artikel 2:18 lid 6 BW beklemming van het vermogen van Optas Pensioenen ontstaan. Het beklemd vermogen betreft uitsluitend het eigen vermogen, alsmede de vruchten daarvan die de Stichting PVH had op het moment van omzetting.

2.5.

Artikel 34 van de vigerende statuten van Optas Pensioenen luidt als volgt:

Artikel 34. Vermogen ex artikel 2:18 lid 6 BW.

Het vermogen dat Stichting PVH blijkens de balans per éénendertig december negentienhonderd zevenennegentig ten tijde van de omzetting in OPTAS Pensioenen (II) N.V. had, alsmede de vruchten van dat vermogen, worden met inachtneming van het bepaalde in artikel 2:18 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek, slechts met toestemming van de rechter anders besteed dan voorafgaande aan die omzetting was voorgeschreven.

2.6.

Over de havenpensioenen en het beklemd vermogen heeft een lange tijd een conflict bestaan tussen Aegon en de vertegenwoordigers van de werknemers en werkgevers in de haven. Aan het conflict is medio april 2014 een einde gekomen door een (voorwaardelijke) schikking die is getroffen tussen Aegon en de Stichting Deelnemersraad Optas en Stichting BPVH. De schikking is getroffen onder de voorwaarde dat de beklemming op het eigen vermogen van Optas Pensioenen volledig wordt opgeheven.

3 Het verzoek en de beoordeling

3.1.

Optas Pensioenen verzoekt de rechtbank:

‘(I) Optas Pensioenen N.V. op grond van artikel 2:18 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek toestemming te verlenen het vermogen dat Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven blijkens de balans per 31 december 1997 ten tijde van de omzetting in Optas Pensioenen (II) N.V. had, alsmede de vruchten daarvan, te besteden op dezelfde wijze als Optas Pensioenen N.V. dat van tijd tot tijd ten aanzien van haar overige vermogen kan, zonder dat daarbij de beperking van het huidige artikel 34 van haar statuten zal gelden; en

(II) Optas Pensioenen N.V. toestemming te verlenen artikel 34 van haar statuten aan te passen conform het als Productie 6 bij dit verzoekschrift gevoegde tekstvoorstel;

met compensatie van proceskosten.

3.2.

Optas Pensioenen voert ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aan. De beklemming dient geen redelijk doel meer en kan daarom worden opgeheven.

Het beklemd vermogen maakt onderdeel uit van het eigen vermogen van Optas Pensioenen. Tegenover de post eigen vermogen staan wel activa op de balans van Optas Pensioenen, maar die zijn niet geoormerkt voor besteding conform het doel van de Stichting PVH. Op de activa en passiva afzonderlijk van de Stichting PVH rust immers geen beklemming.

Betaling van pensioenen aan werknemers in de haven worden niet ten laste gebracht van het beklemd vermogen. De (voormalige) Stichting PVH groep van verzekerden van Optas Pensioenen neemt voortdurend af en daarmee ook de verplichtingen die Optas Pensioenen heeft tegenover die verzekerden. Het beklemd vermogen neemt alleen maar toe door het rendement dat daaraan wordt toegerekend. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BN8852) in het kader van de jaarrekeningprocedure geoordeeld dat er geen verplichting is om het beklemd vermogen op een bepaalde wijze aan te wenden, dat de verzekerden geen aanspraak kunnen maken op het beklemd vermogen en dat Optas Pensioenen vanuit deze invalshoek niet gehouden is het beklemd vermogen aan te wenden ter verbetering van de pensioenen van de havenmedewerkers.

Het beklemd vermogen is feitelijk niet meer dan een solvabiliteitsbuffer. Optas Pensioenen dient ook zonder het beklemd vermogen aan de zeer strikte solvabiliteitseisen te blijven voldoen die De Nederlandse Bank op grond van Europese regelgeving handhaaft. Op basis van deze eisen is Optas Pensioenen verplicht voldoende buffers aan te houden om de pensioenafspraken na te komen. De Nederlandse Bank handhaaft hoge wettelijke solvabiliteitseisen en ziet toe op de financiële huishouding van Optas Pensioenen. Er zijn dus voldoende waarborgen om te verzekeren dat Optas Pensioenen ook in de toekomst voldoende kapitaal zal aanhouden om aan al haar verplichtingen jegens haar verzekerden te kunnen blijven voldoen.

Aegon heeft een belang bij de ontklemming. De omvang van het beklemd vermogen is thans meer dan twee keer zo hoog als op het moment dat de beklemming ontstond en bedroeg per 31 december 2013 een bedrag van in totaal € 977.458.000,00. Door de beklemming zit het vermogen vast in Optas Pensioenen en is Optas Pensioenen zwaar overgekapitaliseerd. De solvabiliteitsratio is driemaal de zeer ruime norm die Aegon hanteert en viermaal de norm die De Nederlandse Bank hanteert op grond van de toepasselijke regelgeving. Door de beklemming kan het vermogen niet optimaal worden ingezet en is het Aegon concern als geheel verplicht meer vermogen aan te houden. Dit leidt tot hogere kosten voor Aegon en daarmee tot nadeel voor alle belanghebbenden.

Doelstelling van de omzetting van de Stichting PVH was het veilig stellen van de pensioenen. De werknemers in de haven hebben een ander type pensioenproduct gekregen dat met meer zekerheden is omkleed en dat werd en wordt uitgevoerd op afstand van de sociale partners in de haven. Dat doel is bereikt. In dit opzicht is er geen sprake van een handelen dat vanuit de beschermingsgedachte van artikel 2:18 lid 6 BW moet worden voorkomen. Bovendien zal het beklemd vermogen na ontklemming worden besteed in overeenstemming met een doel dat in hoge mate verwant is aan het oorspronkelijke doel van Stichting PVH.

3.3.

Stichting Deelnemersraad Optas en Stichting BPVH verzoeken de rechtbank het verzoek toe te wijzen en voeren daartoe het volgende aan. Beide stichtingen stellen zich op het standpunt dat de havenmedewerkers belang hebben bij toewijzing van het verzoek tot opheffing van de beklemming. De schikking die bereikt is, is in het belang van de (voormalige) werknemers in de haven die zijn verzekerd bij Optas Pensioenen. De havenwerknemers hebben er belang bij dat de schikking met Aegon onvoorwaardelijk wordt door de opheffing van de beklemming van het beklemd vermogen van Optas Pensioenen omdat de schikking leidt tot een belangrijke versterking van hun pensioenen. Daarom achten de stichtingen een handhaving van de beklemming niet langer noodzakelijk.

De met Aegon getroffen regeling wordt breed gedragen onder de werknemers in de haven die zijn verzekerd bij Optas Pensioenen, zoals blijkt uit de uitslagen van het in de haven gehouden referendum over de bereikte schikking.

Het opheffen van de beklemming betekent dat Optas Pensioenen conform haar statuten over het beklemd vermogen zal kunnen beschikken op dezelfde wijze als dat kan voor haar overige vermogen. De stichtingen zijn zich hiervan bewust en hebben daar geen bezwaar tegen. Opheffing van de beklemming op het eigen vermogen van Optas Pensioenen is in het belang van alle betrokkenen.

3.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De wet, parlementaire geschiedenis en de rechtspraak bevatten geen beperkingen omtrent een verzoek tot ontklemming op grond van artikel 2:18 lid 6 BW, zodat de rechter een grote mate van vrijheid toekomt bij de beoordeling van een dergelijk verzoek. Daarbij dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in acht te nemen. Volgens de wetsgeschiedenis is van belang de vraag of derden worden benadeeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid dan wel of de verandering van doelstelling strijdt met de openbare orde. Artikel 2:18 lid 6 BW beoogt immers te voorkomen dat het vermogen van een stichting na omzetting in een andere rechtsvorm, anders wordt besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval geen sprake van een verandering van doelstelling die strijdig is met de openbare orde. Het beklemd vermogen zal na ontklemming worden besteed in overeenstemming met een doel dat in hoge mate verwant is aan het oorspronkelijke doel van Stichting PVH. Daarnaast is er geen sprake van benadeling van derden. Uit hetgeen is aangevoerd en uit de overgelegde stukken is gebleken dat ontklemming van het beklemde vermogen geen gevaar met zich brengt voor de continuering van de pensioenen van de havenmedewerkers. Optas Pensioenen is ruim voldoende gekapitaliseerd om haar verplichtingen tegenover haar verzekerden na te komen en zal in de toekomst ook ruim voldoende kapitaal aanhouden om aan die verplichtingen te blijven voldoen. Daarbij is van belang, dat in rechte is komen vast te staan dat de havenbelanghebbenden geen aanspraak op (uitkering van) de buffer hebben.

Bovendien blijkt uit hetgeen is overgelegd, dat alle belanghebbenden zich kunnen vinden in toewijzing van hetgeen is verzocht. Van andere belanghebbenden dan degenen die bij het verzoek zijn betrokken, is niet gebleken. Uit het verzoekschrift blijkt immers dat beide stichtingen tezamen alle werkgevers en werknemers vertegenwoordigen die actief zijn in de haven en allen die bij Optas Pensioenen zijn verzekerd.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat het beklemd vermogen in het onderhavige geval geen redelijke doel meer dient, terwijl Aegon wel belangrijk nadeel ondervindt van de beklemming, doordat de binnen Optas Pensioenen aanwezige overwaarde niet effectief kan worden benut.

Toewijzing van het verzoek is in het belang van alle partijen aangezien daardoor de bereikte schikking onvoorwaardelijk wordt.

3.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen zoals verzocht.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verleent Optas Pensioenen N.V. op grond van artikel 2:18 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek toestemming het vermogen dat Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven blijkens de balans per 31 december 1997 ten tijde van de omzetting in Optas Pensioenen (II) N.V. had, alsmede de vruchten daarvan, te besteden op dezelfde wijze als Optas Pensioenen N.V. dat van tijd tot tijd ten aanzien van haar overige vermogen kan, zonder dat daarbij de beperking van het huidige artikel 34 van haar statuten zal gelden;

4.2.

verleent Optas Pensioenen N.V. toestemming om artikel 34 van haar statuten aan te passen conform het als Productie 6 bij het verzoekschrift gevoegde tekstvoorstel, waarin staat vermeld: ‘Tot * 2014 [deze datum zal moeten worden aangepast, opmerking rechtbank] gold voor de vennootschap uit hoofde van artikel 2:18 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek een beperking ten aanzien van de wijze waarop zij een deel van haar vermogen mocht besteden. Die beperking is volledig opgeheven bij een op genoemde datum door de rechtbank te Rotterdam gegeven beschikking.’;

4.3.

compenseert de proceskosten in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2015.

1346/2053