Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2620

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
C-10-432923 - HA ZA 13-932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil over energielevering aan advocaat tbv de door/namens hem geëxploiteerde buurtsupermarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/432923 / HA ZA 13-932

Vonnis van 9 april 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENECO SERVICES B.V., te dezen mede handelende als lasthebber en gevolmachtigde van:

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENECO RETAIL B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN NETBEHEER B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN MEETBEDRIJF B.V.,

alle gevestigd te Rotterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.P.K. Grootenboer,

tegen

[Gedaagde in conventie/eiser in reconventie],

wonende te Schiedam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N. Claassen.

Eisers zullen hierna Eneco genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 november 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft ten aanzien van het pand aan de [adres 1]te Rotterdam (hierna ook: het pand) voor een periode van 5 jaar, ingaande op 1 juli 2005 en eindigend op 30 juni 2010, een huurovereenkomst gesloten met Com-Wonen, de verhuurder van het pand.

2.2.

[gedaagde] heeft in het pand enige tijd een supermarkt geëxploiteerd.

2.3.

[gedaagde] heeft in het pand energie geleverd gekregen van Eneco.

2.4.

[gedaagde] heeft in de periode van oktober 2005 tot en met oktober 2006 steeds voorschotnota’s (gedeeltelijk) betaald aan Eneco.

2.5.

[gedaagde] heeft een (gedeelte van de) jaarnota van 2006 en de voorschotnota’s vanaf december 2006 onbetaald gelaten.

2.6.

Bij exploot van 18 februari 2008 heeft Eneco [gedaagde] gedagvaard om te verschijnen voor de kantontrechter van deze rechtbank in verband met de betalingsachterstand. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd in die procedure.

2.7.

Bij vonnis van 8 april 2008 is de onbetwiste ([gedaagde] vroeg om uitstel,r antwoordde niet) vordering van Eneco als volgt toegewezen:

“A. ontbindt de overeenkomst tussen partijen;

B. beveelt gedaagde medewerking te verlenen aan het opnemen van de meterstanden

en het onderbreken van de energielevering door eiseres dan wel aan de terugname

van de door eiseres ter beschikking gestelde meetinrichting en zo gedaagde hiertoe niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis overgaat:

beveelt gedaagde om werknemers van eiseres in het pand gelegen aan de

[adres 2] te Rotterdam toe te laten voor het opnemen van de

meterstanden en medewerking te verlenen aan het opnemen van de meterstanden en het onderbreken van de energielevering door middel van het weghalen van de energiemeters, die haar eigendom zijn, met machtiging aan eiseres om dit deel van het vonnis zelf ten uitvoer te leggen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie, in het geval gedaagde weigerachtig blijft om medewerkers van eiseres toe te laten;

C. veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen kwijting te betalen € 5.000,00,

vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van art. 6:119 BW over dit bedrag

vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

verstaat dat het onder C. bedoelde bedrag, voor zover daarin nog niet verrekende termijnvoorschotten zijn begrepen, na afloop van het jaar waarover de verrekening plaatsvindt, verrekend moet worden met het bedrag dat gedaagde alsdan daadwerkelijk verschuldigd zal blijken te zijn, en voorts dat eiseres het eventueel teveel betaalde bedrag aan gedaagde zal terugbetalen;

verstaat dat gedaagde aldus niet meer dan € 5.000,00 in totaal aan eiseres verschuldigd is;”

2.8.

Op 26 juni 2008 heeft [gedaagde] voornoemd bedrag van € 5.000,00 aan Eneco voldaan, zijnde het restant van de jaarnota van 2006 en de voorschotnota’s vanaf december 2006 tot en met januari 2008.

2.9.

[gedaagde] heeft de maandelijkse voorschotnota’s van 2008, de jaarnota van 2008 en de voorschotnota van januari 2009 onbetaald gelaten.

2.10.

Op 27 februari 2009 heeft Eneco aan [gedaagde] een eindnota gestuurd op basis van geschatte meterstanden.

2.11.

Op 9 april 2009 heeft [gedaagde] de sleutels van het pand afgegeven aan Com-Wonen.

2.12.

Op 19 augustus 2009 heeft Eneco aan [gedaagde] een gecorrigeerde eindnota gestuurd van € 59.420,82.

2.13.

Bij brieven van 10 november 2009, 22 december 2009, 17 mei 2010 en 12 september 2011 (productie 13 dagvaarding) heeft [gedaagde] geprotesteerd tegen de gecorrigeerde eindnota. Volgens [gedaagde] was sprake van een misverstand.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Eneco vordert na wijziging van eis samengevat - veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] tot betaling van € 65.373,43, vermeerderd met rente en (€ 1.788,00 aan buitengerechtelijke) kosten.

Eneco legt daaraan ten grondslag primair nakoming van de overeenkomst van energielevering met betrekking tot het pand staande en gelegen aan de [adres 1]te Rotterdam. Op basis van de op het moment van levering geldende tarieven heeft Eneco energie geleverd aan [gedaagde] vanaf 5 oktober 2005 tot en met 27 januari 2009. Ten aanzien van het bestaan van deze overeenkomst in de periode tot 8 april 2008 beroept Eneco zich op het gezag van gewijsde van een vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 8 april 2008. Na de ontbinding van de overeenkomst door de kantonrechter op 8 april 2008 is de overeenkomst (stilzwijgend) voortgezet door partijen.

Subsidiair (voor zover [gedaagde] rechtsgeldig een beroep kan doen op artikel 95 m lid 4 van de Electriciteitswet 1998) doet Eneco een beroep op artikel 6:210 BW (vergoeding van de waarde van de prestatie). Eneco komt een redelijke vergoeding van de waarde van de prestatie toe, omdat de prestatie bij vernietiging van de overeenkomst niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

Meer subsidiair doet Eneco ten aanzien van de periode na 8 april 2008 een beroep op artikel 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking). Na 8 april 2008 geldt dat [gedaagde] niet heeft betaald voor de door Eneco geleverde energie. Eneco is verarmd doordat zij kosten heeft moeten maken voor het leveren van de energie aan [gedaagde] zonder daarvoor een vergoeding te hebben ontvangen, terwijl [gedaagde] voordeel heeft genoten zonder daarvoor een vergoeding te hebben betaald. Voor de verrijking door [gedaagde] bestaat geen enkele rechtvaardiging. De door Eneco geleden schade is gelijk aan de verbruikte energie.

3.2.

[gedaagde] betwist de vordering en voert het volgende aan als verweer:

  • -

    Eneco is op geen enkel moment langsgekomen om de meterstanden te controleren. Op grond van vaste jurisprudentie geldt in dat geval dat eventuele afwijkingen ouder dan drie jaren niet meer toe te rekenen zijn aan de consument. Voor kleine ondernemers zoals hij geldt volgens [gedaagde] reflexwerking van deze jurisprudentie.

  • -

    [gedaagde] heeft twijfels geuit over de juiste registratie van de meterstand. Afhankelijk van de uitkomst van een onderzoek naar de meetinrichting dient het verbruik dan te worden geschat en kan het slechts tot 24 maanden teruggevorderd worden, te rekenen vanaf het moment van het uiten van de twijfel. Ook ten aanzien van deze regel beroept [gedaagde] zich op de reflexwerking voor kleine ondernemers.

  • -

    Wanneer sprake is van een (stilzwijgend voortgezette) overeenkomst tussen partijen, dient deze overeenkomst op grond van artikel 95m lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 vernietigd te worden, omdat nagelaten is om de algemene voorwaarden voor het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde] te verstrekken.

in reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert samengevat - Eneco te gebieden om de meetinrichting te onderzoeken en de resultaten over te leggen in de procedure en haar te gebieden om aan [gedaagde] volledige inzage te geven in alle benodigde bewijsstukken ter zake het energieverbruik en het functioneren van de meetinrichting. Voorts verzoekt [gedaagde] de rechtbank een deskundige te benoemen die onderzoek moet doen naar de juistheid van de meterstanden. Een en ander met veroordeling van Eneco in de (na)kosten van deze procedure, met rente.

[gedaagde] legt aan zijn vordering artikel 10 van de Algemene Voorwaarden Eneco Retail 2013 ten grondslag.

3.4.

Volgens Eneco bestaat voor toewijzing van de reconventionele vordering van [gedaagde] geen rechtsgrond.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Omdat [gedaagde] de meterstanden nooit heeft doorgegeven aan Eneco, heeft Eneco steeds voorschotnota’s in rekening gebracht die waren gebaseerd op geschatte meterstanden. [gedaagde] heeft deze voorschotnota’s, ook na(ar aanleiding van) het vonnis van 8 april 2008, gedeeltelijk betaald. De werkelijk verbruikte energie is het verschil tussen de beginmeter-standen op 13 mei 2005 en de eindmeterstanden op 10 augustus 2009, welke meterstanden ook staan vermeld op het door Eneco in het geding gebrachte “historisch overzicht” (productie 12 Eneco). Met de eindnota van 19 augustus 2009 is de werkelijk verbruikte, maar nog niet betaalde energie bij [gedaagde] in rekening gebracht. Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] deze eindnota moet betalen.

4.2.

Eneco heeft ter onderbouwing van haar vordering ten aanzien van de beginstand van de energiemeter in het pand een werkopdracht in het geding gebracht (productie 20 Eneco). Op deze werkopdracht d.d. 13 mei 2005 heeft een medewerker van Eneco in verband met het afsluiten van de energielevering van de vorige energieverbruiker in het pand de volgende meterstanden genoteerd:

“(...) Meternr. (...) vorige meterstand (...) Huidige meterstand (...)

G (...) 34102699 40555,000 (...) 41205 (...)

W (...) 92202275 59,000 (...) 101 (...)

E mno 7018675

I 35689 (...)

II 45200 (...).”

De rechtbank begrijpt dat G staat voor gas, W voor water en E voor electriciteit.

[gedaagde] heeft deze werkopdracht betwist, maar deze blote betwisting is, gelet op het feit dat deze meterstanden overeenkomen met de beginstanden die staan vermeld op de eerste aan [gedaagde] gestuurde jaarnota d.d. 2 november 2006 (productie 7 Eneco), dat [gedaagde] deze beginstanden heeft kunnen controleren en dat [gedaagde] tegen deze jaarnota geen bezwaar heeft gemaakt, onvoldoende. Tegen de achtergrond van het feit dat [gedaagde] bij aanvang van de exploitatie van de supermarkt niet heeft voldaan aan zijn verplichting Eneco juist en volledig te informeren (ter zitting heeft hij verklaard dat er wel energie werd geleverd in het pand, maar wist hij niet door wie en nam hij aan dat sprake was van contract overname van de vorige eigenaar van de supermarkt), moet dan ook van de juistheid van de meterstanden op de werkopdracht worden uitgegaan.

4.3.

Wat de eindstand van de energiemeter betreft heeft Eneco een e-mail in het geding gebracht van de verhuurder van het pand, Com-Wonen (productie 18 Eneco). In deze e-mail d.d. 10 augustus 2009 heeft Com-Wonen aan Eneco de meterstanden doorgegeven van het pand. Volgens Com-Wonen betreffen dit de meterstanden op 14 mei 2009. Het betreffen de volgende meterstanden:

gas 50534

elektriciteit I 60729

elektriciteit II 72051

water 190

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij “niets weet van door Com-Wonen opgegeven meterstanden” en dat Com-Wonen “een fout gemaakt kan hebben”. Tegen de achtergrond van het feit dat deze meterstanden - op een zeer klein verbruik van elektriciteit I (72062) en II (60741) na - corresponderen met de door de volgende energieverbruiker in het pand opgegeven meterstanden per 11 januari 2010 (productie 19 Eneco), heeft [gedaagde] deze betwisting van de meterstanden onvoldoende gemotiveerd. Het voorgaande brengt mee dat van de juistheid van de meterstanden in de e-mail van Com-Wonen moet worden uitgegaan.

4.4.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de reden van de hoge meterstanden is dat de kWh-meter defect is of dat de kWh-meter uit het gehuurde is verwijderd en nadien is vervangen door een andere kWh-meter, in welk verband hij een brief van de Politie Eenheid Rotterdam van 9 december 2013 (productie 3) in het geding brengt waarin – kort gezegd – staat dat de politie vanwege privacyredenen geen inlichtingen kan verschaffen.

Deze betwisting van de meterstanden is tegenover de met foto’s (productie 21 Eneco) onderbouwde stelling van Eneco dat de betreffende kWh-meter, met het unieke nummer 7018675, niet uit het pand is verwijderd en is vervangen, maar tot op heden aanwezig is in het pand, onvoldoende. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, valt niet in te zien waarom deze meter niet juist zou functioneren. Dit volgt in ieder geval niet uit de enkele omstandigheid dat achteraf meer energie blijkt te zijn verbruikt dan [gedaagde] zelf kennelijk verwachtte. De meterstanden zijn gedurende ruim vier jaar geschat, omdat [gedaagde] de werkelijke meterstanden nooit aan Eneco heeft doorgegeven. De mogelijkheid bestaat dat het daadwerkelijke energieverbruik (veel) hoger is, welke mogelijkheid zich in casu heeft verwezenlijkt. Uit de door Eneco gestelde en door [gedaagde] niet, althans onvoldoende weersproken omstandigheid, dat de bewuste energiemeter thans nog steeds in het pand aanwezig is en goed functioneert ten behoeve van de verbruiker die na [gedaagde] in het pand een supermarkt exploiteert, volgt dat [gedaagde] geen grond heeft om aan de juistheid van de meetinrichting te twijfelen.

Aan het verweer van [gedaagde] dat, wanneer na onderzoek blijkt dat de meter niet juist functioneert, het verbruik dient te worden geschat en slechts tot 24 maanden teruggevorderd kan worden, wordt dan ook niet toegekomen.

4.5.

Vast staat dat het vonnis van 8 april 2008 in kracht van gewijsde is gegaan. De beslissing in dat vonnis betreft dezelfde rechtsbetrekking tussen partijen als de rechts-betrekking die in de onderhavige zaak aan de orde is. Gelet op het gezag van gewijsde van dat vonnis, betekent dit dat in de onderhavige zaak ervan moet worden uitgegaan dat tussen partijen een overeenkomst van energielevering bestond en dat deze overeenkomst met ingang van 8 april 2008 is ontbonden. De energie die is geleverd in de periode tot 8 april 2008, is geleverd op basis deze overeenkomst.

4.6.

In het vonnis van 8 april 2008 is [gedaagde] veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan het opnemen van de meterstanden en het onderbreken van de energielevering door Eneco, dan wel aan de terugname van de door Eneco ter beschikking gestelde meetinrichting. Zover is het echter niet gekomen. Ter zitting heeft Eneco verklaard dat zij niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis is overgegaan, omdat [gedaagde] het bedrag van
€ 5.000,00 dat Eneco had gevorderd en waartoe [gedaagde] bij gebrek aan betwisting was veroordeeld, op 26 juni 2008 had voldaan. Eneco is daarop energie blijven leveren en [gedaagde] heeft daar geen einde aan gemaakt.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] Eneco ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij, zoals hij in deze procedure heeft aangevoerd, de exploitatie van de supermarkt had gestaakt en evenmin dat Eneco dat wist. Als afnemer van energie was [gedaagde] echter wel verplicht om zijn energieleverancier daarover te informeren. [gedaagde] heeft echter geen verweer gevoerd bij de kantonrechter. Wanneer [gedaagde] na 8 april 2008 geen energie meer geleverd had willen krijgen in het pand, had hij Eneco daarvan op de hoogte moeten stellen, had hij de meterstanden moeten laten opnemen door Eneco en had hij Eneco de energielevering moeten laten onderbreken dan wel had hij de meetinrichting moeten laten terugnemen, tot medewerking waaraan hij was veroordeeld door de kantonrechter. Uit de omstandigheid dat [gedaagde] dit alles niet heeft gedaan en de betaalachterstand heeft ingelost, heeft Eneco mogen afleiden dat [gedaagde] de energielevering ten behoeve van het pand dat hij nog steeds huurde, waarvan hij de sleutels nog gedurende een jaar (tot 9 april 2009) in zijn bezit had en waar zijn beheerder nog wel eens kwam, wilde voortzetten. Dit mocht Eneco bovendien afleiden uit de omstandigheid dat [gedaagde] de voorschotnota’s en de jaarnota 2008 die Eneco aan [gedaagde] heeft gestuurd na 8 april 2008 zonder protest heeft behouden. Eneco heeft onbetwist gesteld dat een dergelijke gang van zaken na een vonnis waarin de overeenkomst is ontbonden niet ongebruikelijk is. Dat [gedaagde] deze voorschotnota’s niet betaalde, maakt het voorgaande niet anders, nu [gedaagde] voordien de voorschotnota’s ook niet tijdig en volledig betaalde. Eneco mocht er dan ook op vertrouwen dat na 8 april 2008 (stilzwijgend) opnieuw een overeenkomst van energielevering tussen partijen tot stand is gekomen, waarbij Eneco net als vóór 8 april 2008 energie leverde aan [gedaagde]. De energie die is geleverd in de periode na 8 april 2008, is geleverd op basis van deze nieuwe overeenkomst.

Artikel 95m lid 4 van de Elektriciteitswet heeft geen betrekking op dergelijk voortgezette overeenkomsten. Het beroep van [gedaagde] op vernietigbaarheid van de overeenkomst faalt dan ook.

4.7.

[gedaagde] verwijst naar de methode-Vink ter onderbouwing van zijn stelling dat afwijkingen tussen de geschatte meterstand en de daadwerkelijk geleverde energie ouder dan drie jaren niet aan hem zijn toe te rekenen. De methode-Vink wordt echter gehanteerd in geschillen tussen energieleveranciers en consumenten. Deze methode ziet niet op geschillen met zakelijke verbruikers, zoals het onderhavige geschil. Er is geen grond voor reflex-werking. Voor zakelijke verbruikers geldt dat, wanneer het bedrag op de voorschotnota om wat voor reden dan ook (aanzienlijk) afwijkt van het werkelijke verbruik, dit altijd voor risico komt van de afnemer. Afgenomen energie moet worden betaald. Een te laag voor-schotbedrag leidt niet tot verval van de plicht om alsnog het meerdere te betalen. Dit klemt in casu temeer, nu de afnemer van de energie, [gedaagde], een advocaat is die meerdere panden bezit en in het onderhavige pand een supermarkt heeft geëxploiteerd en het dus niet gaat om als primaire levensbehoeften te beschouwen nutsvoorzieningen. Van een dergelijke afnemer mag worden verwacht dat hij op de door Eneco verstuurde voorschotnota’s leest dat deze zijn gebaseerd op geschatte meterstanden. Dat [gedaagde] desondanks ontvangen voorschotnota’s en jaarnota’s niet heeft vergeleken met de werkelijke meterstand en een en ander op zijn beloop heeft gelaten door ook na 8 april 2008 geen meterstanden door te geven aan Eneco, terwijl dat een snel en eenvoudig klusje is en hij de sleutels nog had van het pand en zijn beheerder er af en toe nog kwam, kan Eneco niet worden tegengeworpen.

4.8.

Tot slot heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat Eneco geen rekening zou hebben gehouden met sterk variërende energieprijzen. [gedaagde] heeft dit verder echter niet onderbouwd, zodat aan deze betwisting van de door Eneco gehanteerde tarieven voorbij zal worden gegaan.

4.9.

Het voorgaande brengt mee dat de onder 4.4. geformuleerde vraag of [gedaagde] de factuur waarmee de daadwerkelijk door hem verbruikte energie in rekening is gebracht moet betalen, bevestigend moet worden beantwoord. De primaire vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.10.

Eneco heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaam-heden heeft verricht c.q. heeft laten verrichten anders dan ter instructie van de zaak en/of voorbereiding van de processtukken. Als onbetwist staat vast dat er een overleg op het kantoor van [gedaagde] heeft plaatsgevonden. Het gevorderde bedrag van € 1.788,00 zal dan ook worden toegewezen. Anders dan [gedaagde] in dit kader heeft aangevoerd, was Eneco niet verplicht om een onderzoek aan de meetinrichting uit te voeren, waarover meer bij de beoordeling in reconventie.

4.11.

Met het verstrijken van de vervaldata van de facturen is [gedaagde] van rechtswege in verzuim komen te verkeren, zodat vanaf die data rente is gaan lopen.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eneco worden begroot op:

- dagvaarding € 76,71

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten x tarief € 894,00)

Totaal € 3.700,71

in reconventie

4.13.

De meetinrichting en de meetgegevens worden geacht juist te zijn, wanneer die voldoen aan de bij of krachtens de wet daaraan gestelde eisen. Artikel 10 van de door Eneco gehanteerde algemene voorwaarden waar [gedaagde] een beroep op doet, regelt gevallen waarin sprake is van twijfel aan de juistheid van de meterstanden. Evident is dat het daarbij moet gaan om gerede twijfel. Daarvan is echter geen sprake. [gedaagde] heeft niet toegelicht of onderbouwd waarom getwijfeld moet worden aan de juistheid van de meterstanden. Zoals in conventie onder 4.3. reeds is geoordeeld, is de enkele omstandigheid dat de meterstand hoger uitvalt dan verwacht, onvoldoende om aan de juistheid van de meterstanden te twijfelen. Dit brengt mee dat de vordering van [gedaagde] om Eneco te gebieden de meet-inrichting te onderzoeken, althans een deskundige te benoemen die onderzoek moet doen naar de juistheid van de meterstanden, zal worden afgewezen.

4.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eneco worden begroot op € 452,00 aan salaris advocaat (1 x tarief € 452,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Eneco te betalen een bedrag van € 65.373,43 (vijfenzestigduizend driehonderd drieënzeventig euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de hoofdsom vanaf de respectieve vervaldata van de facturen telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Eneco te betalen een bedrag van € 1.788,00 (zeventienhonderd achtentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Eneco tot op heden begroot op € 3.700,71,

in reconventie

5.4.

wijst de vordering af,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Eneco tot op heden begroot op € 452,00,

in reconventie en in reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van 5.4.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.

615/2326