Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1810

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2014
Datum publicatie
13-03-2014
Zaaknummer
13/6199
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Volkskrant heeft DNB verzocht om toezending van een kopie van twee rapporten, die zijn opgesteld door of onder leiding van A. verbonden aan DNB. De rapporten behandelen onderscheidenlijk de koop van ABN Amro door het consortium Fortis – Royal Bank of Scotland – Banco Santander en het opkopen van ABN Amro door de Staat en hebben de (werk)titel ‘Bank in brokken’. De verzochte openbaarmaking van de rapporten ziet op werkzaamheden van DNB die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar toezichtstaken en -bevoegdheden, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Daaruit volgt dat DNB terecht de Wob niet op het verzoek om openbaarmaking van de twee rapporten van toepassing heeft geacht. Nu het doel van het verzoek van De Volkskrant is dat de rapporten op enigerlei wijze openbaar worden gemaakt en de Wob daarvoor geen grondslag biedt omdat het om financieel toezicht gaat moet vervolgens worden bezien of de Wft, waaruit deze toezichtstaak voortvloeit, een openbaarmakingsregeling bevat. DNB heeft zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat artikel 1:89 van de Wft voor gehele of gedeeltelijke openbaarmaking van de rapporten zoals door De Volkskrant voorgestaan geen grondslag biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/6199

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Volkskrant B.V., te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde]

en

de naamloze vennootschap

De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,

gemachtigde: mr. C.M. Bitter.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft DNB het verzoek van eiseres om openbaarmaking van twee rapporten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2012 (het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag

Bij brief van 15 november 2012 heeft DNB de op de zaak betrekking hebbende stukken aan die rechtbank toegezonden. DNB heeft daarbij op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat op de twee rapporten geheimhouding dient te worden toegepast.

De bijzondere kamer van de rechtbank Den Haag heeft besloten dat beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb gerechtvaardigd is. Eiseres heeft vervolgens toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op grondslag van de twee rapporten uitspraak te doen.

De rechtbank Den Haag heeft het beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar de rechtbank Amsterdam.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 september 2013 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van eiseres met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in gezelschap van [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in gezelschap van mr. A. Veuskens, mr. M.L.F. van der Scheer en mr. R.P.A. Kraaijeveld.

Overwegingen

1.

Bij brief van 16 april 2012 heeft eiseres DNB op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wob verzocht om toezending van een kopie van twee rapporten, die zijn opgesteld door of onder leiding van dr. Corry van Renselaar, bij leven economisch historica verbonden aan DNB. De rapporten behandelen onderscheidenlijk de koop van ABN Amro door het consortium Fortis - Royal Bank of Scotland - Banco Santander en het opkopen van ABN Amro door de Staat en hebben de (werk)titel ‘Bank in brokken’.

2.

Bij het primaire besluit van 14 mei 2012, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft DNB geweigerd deze rapporten te verstrekken, omdat DNB is uitgezonderd van de toepassing van de Wob, voor zover zij belast is met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, waaronder de toezichthoudende taak van DNB op kredietinstellingen uit hoofde van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het verzoek van eiseres ziet volgens DNB op informatie die DNB uit hoofde van deze taak heeft verkregen en die daarnaast ook verband houdt met de uitoefening van deze taak. Voorts heeft DNB zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, nu DNB de informatie heeft gekregen uit hoofde van haar toezichthoudende taak van artikel 1:24 van de Wft, de informatie valt onder de geheimhoudingsplicht van DNB ingevolge artikel 1:89, eerste lid van de Wft.

3.

De rechtbank stelt voorop dat zij zich bevoegd acht van het geschil kennis te nemen. Daarbij acht zij van belang dat DNB haar weigering tot openbaarmaking van de desbetreffende rapporten bij het bestreden besluit mede heeft gegrond op de Wft, welke wet is opgenomen in artikel 7 van Bijlage 2 bij de Awb, houdende de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Daarin is, evenals in het vóór 1 januari 2013 en derhalve ten tijde van het instellen van beroep geldende artikel 1:110, eerste lid, van de Wft, in afwijking van artikel 8:7 van de Awb deze rechtbank aangewezen als bevoegde rechtbank. Partijen hebben ter zitting overigens verklaard in te stemmen met een behandeling door deze rechtbank, ook voor het geval de rechtbank Amsterdam bevoegd zou blijken te zijn.

4.1.

De rechtbank overweegt vervolgens dat, naar tussen partijen ook niet in geschil is, DNB, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 oktober 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU4987), een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is, voor zover haar één of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend.

4.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob is deze wet van toepassing op andere dan de in dat lid onder a, b en c vermelde bestuursorganen, voor zover deze niet bij algemene maatregel van bestuur zijn uitgezonderd.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (Besluit) zijn - voor zover hier van belang - als bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob, uitgezonderd DNB, voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 en de Wft.

5.

De vraag die in het onderhavige geschil eerst beoordeeld dient te worden is derhalve of de verzochte openbaarmaking van de rapporten ziet op werkzaamheden van DNB die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taak van het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen en de daarmee aan haar toegekende bevoegdheden, of ziet op een andere aan DNB opgedragen overheidstaak.

6.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de vertrouwelijk in geding gebrachte rapporten met de titels ‘Bank in brokken. Reconstructie van het optreden en handelen van de Nederlandsche bank met betrekking tot de overname van ABN Amro en de aanloop daartoe, 2006-2007’, en ‘Bank in brokken II. Fortis verslikt zich in ABN Amro. Reconstructie van het optreden en handelen van de Nederlandsche Bank met betrekking tot de nationalisatie van Fortis Nederland en de aanloop daartoe, 2007-2009’. Na lezing van de rapporten kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat deze rapporten in overwegende mate verband houden met de toezichthoudende taak van DNB. Beide rapporten betreffen gedocumenteerde, feitelijke reconstructies van de aanloop naar en de achtereenvolgende gebeurtenissen bij de verkoop van ABN Amro en later de nationalisatie van Fortis Nederland. Het gaat daarbij onder meer om gesprekken tussen de direct betrokken functionarissen van DNB, het ministerie van Financiën en de banken, alsmede om overleggen en directievergaderingen, geplaatst in het kader van het toezicht door DNB op de banken.

7.

Gelet op het vorenstaande heeft DNB naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden het standpunt ingenomen dat de rapporten betrekking hebben op werkzaamheden van DNB die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar toezichtstaken en -bevoegdheden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 (zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, thans, per 1 januari 2014, artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a) en de Wft. Daaruit volgt dat DNB terecht de Wob niet op het verzoek om openbaarmaking van de twee rapporten van toepassing heeft geacht.

8.

Het betoog van eiseres dat DNB tot openbaarmaking van de rapporten dient over te gaan omdat deze de “onderzoekstaak” van DNB betreffen, dat de informatie tevens van geschiedkundige aard is en dat inmiddels geruime tijd (6 à 7 jaar) is verstreken na de in de rapporten beschreven gebeurtenissen, doet, wat hier verder ook van zij, niet af aan het toezichtaspect en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Het betoog dat het bij de nationalisatie om miljarden aan belastinggeld gaat en dat openbaarmaking een publiek doel dient, maakt het oordeel ook niet anders.

9.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3099) in de zaak van RTL Nederland B.V. tegen DNB treft geen doel, omdat daarin is overwogen dat de verzochte openbaarmaking in dat geding van declaraties (inclusief nota’s en bonnen) van directieleden van DNB onder de Wob valt voor zover zij die declaraties hebben ingediend in de uitoefening van hun ambt op grond van overheidstaken en publiekrechtelijke bevoegdheden die aan hen daarvoor zijn toegekend, die niet voortvloeien uit dan wel verband houden met hun taken op grond van de wetgeving die is vermeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit en die uit de Nederlandse publieke middelen zijn betaald. De thans in het geding zijnde rapporten betreffen, zoals hiervoor is overwogen, juist wel de in het Besluit uitgezonderde toezichtstaak op grond van artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 en de Wft.

10.

Nu het doel van het verzoek van eiseres is dat de rapporten op enigerlei wijze openbaar worden gemaakt en de Wob daarvoor geen grondslag biedt omdat het om financieel toezicht gaat, dient – anders dan DNB blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting kennelijk meent maar zoals zij blijkens het bestreden besluit wel heeft gedaan – vervolgens te worden bezien of de Wft, waaruit deze toezichtstaak voortvloeit, een openbaarmakingsregeling bevat. Uit de rechtspraak van de Afdeling en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2010:BM9675 en ECLI:NL:CBB:2012:BV3704, vloeit overigens voort dat, ook in het geval het niet zou gaan om een op grond van het Besluit uitgezonderd bestuursorgaan of uitgezonderde taak, de Wob als algemene openbaarmakingsregeling wijkt voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Volgens die rechtspraak bevat artikel 1:89, eerste lid, van de Wft een dergelijke regeling in het kader van financieel toezicht. Deze bepaling behelst een strikt geheimhoudingsregime met betrekking tot gegevens of inlichtingen die op grond van de financiële toezichtwetgeving zijn verkregen met een stelsel van limitatief omschreven uitzonderingen op de geheimhouding. DNB heeft zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat deze bepaling voor gehele of gedeeltelijke openbaarmaking van de rapporten zoals door eiseres voorgestaan geen grondslag biedt. Het in overweging 8 weergegeven betoog van eiseres kan ook hier niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze aspecten geen deel uitmaken van het hier geldende toetsingskader.

11.

Het beroep is ongegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

13.

Nu de conclusie is dat het toetsingskader in het onderhavige geschil niet wordt gevormd door de Wob maar – uiteindelijk – door de Wft, zal de rechtbank het CBb in de rechtsmiddelenclausule vermelden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, en mr. D. Haan en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Kleingeld-Top, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2014.

De griffier is niet in staat de uitspraak De voorzitter

mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.