Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6042

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
379683 / HA ZA 11-1306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Importeur van basmat-rijst spreekt haar verzekeraar aan wegens contaminatie van de rijst. Is de 'recall-schade' gedekt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/379683 / HA ZA 11-1306

Vonnis van 13 maart 2013

in de zaak van

[Eiseres],

gevestigd te Papendrecht,

eiseres,

advocaat mr. M. van Tuijl,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

CHARTIS EUROPE S.A.,

gevestigd te Courbevoie, Frankrijk,

gedaagde,

advocaat mr. A.Ch.H. Franken.

Partijen zullen hierna [Eiseres] en Chartis genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering van eis, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte uitlating producties zijdens [Eiseres];

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

[Eiseres] is marktleider in Europa als het gaat om basmati-rijst. Zij importeert deze rijst uit landen buiten Europa, verwerkt deze en verkoopt ze aan afnemers in onder meer de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland. Haar afnemers zijn onder meer supermarktketens zoals Lidl, Rewe, EDK en Aldi. Daarnaast handelt zij ook in bran.

2.2

Per 1 juni 2008 heeft [Eiseres] door bemiddeling van de verzekeringsmakelaar Marsh een verzekering afgesloten bij Chartis. Het betreft een maatschappijpolis die voor zover thans van belang als volgt luidt:

“(...)

ARTIKEL 1 VERZEKERDE GEBEURTENISSEN

De Verzekeraar zal tot een maximum van de verzekerde bedragen de Verzekerde schadeloosstellen voor de schade die uitgaat boven het eigen risico, veroorzaakt door of als gevolg van één van de volgende Verzekerde Gebeurtenissen (…)

D Recall op last van de overheid (“Government Recall”)

Iedere contaminatie van een Verzekerd product veroorzaakt door het binnendringen van of in contact komen met een Vreemde stof, welke contaminatie:

a. heeft geleid tot een ambtelijk bevel van de bevoegde autoriteiten tot het terugroepen van producten; of

b. voldoet aan alle door de autoriteiten voorgeschreven eisen voor een terugroepactie en een bevel van overheidswege voor zo’n terugroepactie ophanden of redelijkerwijs te verwachten is. (…)

ARTIKEL 3 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

(…)

3.19 Onder Vreemde stof wordt verstaan:

Iedere chemische, organische of anorganische zaak of stof, natuurlijk of kunstmatig, die

(a) binnendringt, in contact komt of zich mengt met een Verzekerd Product en

(b) niet oorspronkelijk en opzettelijk aanwezig is als ingrediënt, onderdeel en/of verpakking van een verzekerd product, en

(c) niet voortkomt uit een combinatie of wisselwerking tussen deze ingrediënten, onderdelen en/of verpakking.

(…)”

2.3

Op of omstreeks 27 mei 2010 heeft de Duitse toezichthouder een reguliere controle van bij Lidl aanwezige, door [Eiseres] geleverde basmati-rijst uitgevoerd.

2.4

Een brief d.d. 23 augustus 2010 van het Niedersachsisches Landesamt fur Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit (hierna: NLVL) aan de Landkreis Hildesheim maakt melding van een reguliere controle bij Lidl van basmati-rijst, afkomstig van [Eiseres], waarin door het laboratorium is aangetroffen een IPT (een pesticidenresidu, Isoprothiolaan) gehalte van 0,04 mg/kg. IPT aangetroffen. De brief eindigt met de zinnen:

“Nach par.9 Abs.1 Nr/3 LFGB ist es verboten, Lebensmittel gewerbsmässig in Verkehr zu bringen die den Anforderungen nach Art. 18 (1) auch in verbindung mit Artikel 20 Abs 1 der VO (EG) Nr. 396/2005 nicht entsprechen. Die vorliegende Probe Basmatireis wird aufgrund der gesicherten Hochstgehaltsüberschreidung an Isoprothiolane (…) beanstandet. (…)”

Een soortgelijke brief van dezelfde afzender, van 24 augustus 2010 is ongeveer gelijkluidend, met dien verstande dat daarin sprake is van een aangetroffen maximumpesticideresidu (MRL) van 0,07 mg/kg.

2.5

In juni 2010 is [Eiseres] overgegaan tot een silent recall van basmati-rijst en bran in Duitsland.

2.6

[Eiseres] heeft dit onder de verzekering op of omstreeks 28 juni 2010 aan Chartis gemeld.

2.7

[Eiseres] heeft de teruggeroepen rijst uit laten pakken en opnieuw laten pellen.

Zij heeft aldus gereconditioneerde partijen, die na tests onder de toegestane MRL bleven, opnieuw uitgeleverd aan klanten.

2.8

In een brief d.d. 2 september 2010 aan Lidl wijst het Landratsamt Heilbronn op een onderzoek van NLVL van augustus 2010 naar basmati-rijst waarbij schending van de Duitse wetgeving op het punt van residuen (par. 9 abs. 1 nr. 3 LFGB) is vastgesteld en verzoekt zij om inlichtingen.

2.9

In november 2010 zijn in van [Eiseres] afkomstige basmati-rijst, aanwezig bij Lidl in Duitsland, opnieuw IPT-gehalten boven de MRL aangetroffen. [Eiseres] heeft daarom in november 2010 opnieuw de rijst teruggeroepen.

2.10

[Eiseres] heeft de tweede recall op of omstreeks 1 december 2010 onder de verzekering aan Chartis gemeld.

2.11

De Controleverordening (Verordening (EG) nr. 882/2004) houdt voor zover van belang in:

“(…)

Art 1 lid 4

De uitvoering van officiële controles overeenkomstig deze verordening doet geen afbreuk aan de primaire wettelijke verantwoordelijkheid van exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven voor de veiligheid van diervoeders en levensmiddelen bedoeld in Verordening (EG) nr. 178/2002, noch aan de burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit het niet nakomen van hun verplichtingen.

(…)

Art. 54

Actie in geval van niet-naleving

1. Wanneer de bevoegde autoriteit een geval van niet-naleving constateert, treft zij maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant de situatie rechtzet. (…)

2.

Indien nodig, behelzen deze maatregelen het volgende:

(…)

c) monitoring en, waar nodig, het terugroepen, uit de handel nemen en/of vernietigen van diervoeders of levensmiddelen.

(…)”

2.12

De Algemene Levensmiddelenverordening (Verordening (EG) nr. 178/2002) houdt voor zover van belang in:

“(…)

Art. 14

Voedselveiligheidsvoorschriften

1. Levensmiddelen worden niet in de handel gebracht als zij onveilig zijn.

2.

Levensmiddelen worden geacht onveilig te zijn indien zij worden beschouwd als:

a) schadelijk voor de gezondheid

b) ongeschikt voor menselijke consumptie.

(…)

5. Bij de beoordeling of een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie, wordt bezien of een levensmiddel onaanvaardbaar is voor menselijke consumptie, gelet op het gebruik waarvoor het is bestemd, als gevolg van verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of door verrotting, kwaliteitsverlies of bederf.

6. Wanneer een onveilig levensmiddel deel uitmaakt van een partij of zending van dezelfde klasse of omschrijving, wordt aangenomen dat alle levensmiddelen in die partij of zending onveilig zijn, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat de rest van de partij of zending onveilig is.

(…)

Art. 17

Verantwoordelijkheden

1. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoerderbedrijven zorgen ervoor dat de levensmiddelen en diervoeders in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd.

2. De lidstaten handhaven de levensmiddelenwetgeving (…)

Voorts stellen de lidstaten de regels vast inzake maatregelen en sancties in geval van overtredingen (…) De maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(…)

Art. 19

Verantwoordelijkheid voor levensmiddelen: exploitanten van levensmiddelenbedrijven

1. Indien een exploitant van een levensmiddelenbedrijf van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een levensmiddel dat hij ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken levensmiddel uit de handel te nemen wanneer dit de directe controle van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft verlaten, en de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen. (…)”

2.13

De Pesticideverordening (EG Vo. 396/2005) houdt voor zover van belang in:

“(…)

Art. 3

Definities

1.

Voor de toepassing van deze verordening gelden de bij verordening (EG) 178/2002 vastgestelde definities(…)

2.

Voorts wordt in deze richtlijn verstaan onder:

a) goede landbouwpraktijken (GLP): de door een land aanbevolen,

toegestane of geregistreerde veilige toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen onder reële omstandigheden in elk stadium van deproductie, de opslag, het vervoer, de distributie en de verwerking van levensmiddelen en diervoeders. Zij omvatten eveneens de toepassing overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG van de beginselen van geïntegreerde plagenbestrijding in een bepaalde klimaatzone, alsook het gebruik van een zo gering mogelijke hoeveelheid bestrijdingsmiddelen en vaststelling van MRL's/tijdelijke MRL's op het laagste niveau dat verkrijging van de gewenste gevolgen mogelijk

maakt;

(…)

c) bestrijdingsmiddelenresiduen: residuen, waaronder werkzame stoffen, metabolieten en/of afbraak- of reactieproducten van werkzame stoffen die thans worden of voorheen werden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen als omschreven in artikel 2, punt 1, van

Richtlijn 91/414/EEG, en die aanwezig zijn in of op de in bijlage I bij deze verordening bedoelde producten, met inbegrip van in het bijzonder de residuen die het gevolg zijn van het gebruik van die stoffen voor gewasbescherming, in de diergeneeskunde of als

biocide;

d) maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een bestrijdingsmiddelenresidu in of op een levensmiddel of diervoeder, overeenkomstig onderhavige verordening vastgesteld op basis van goede landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten;

(…)

Art. 18

Inachtneming van MRL’s

1. Zodra een product als bedoeld in bijlage I in de handel wordt gebracht als levensmiddel of diervoeder (…) mag het gehalte aan bestrijdingsmiddelen niet meer bedragen dan:

a) (…)

b) 0,01 mg/kg voor producten waarvoor in bijlage II of II geen specifiek MRL is vastgesteld (…)”

Voor IPT is geen specifiek MRL vastgesteld.

3. Het geschil

3.1.

[Eiseres] vordert samengevat en na vermeerdering van eis - verklaringen voor recht dat Chartis gehouden is dekking te verlenen en uit te keren ter zake van de evenementen die tot beide recalls hebben geleid, alsmede veroordeling van Chartis tot betaling van € 2.203.006,= in hoofdsom, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke en proces-)kosten.

3.2.

Chartis voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [Eiseres] in de kosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Nu Chartis geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eisvermeerdering en de goede procesorde aan die vermeerdering niet in de weg staat wordt recht gedaan op de aldus vermeerderde eis.

4.2

[Eiseres] maakt aanspraak op dekking omdat zich (tot twee maal toe) een voorval heeft voorgedaan dat heeft geleid tot schade die volgens de dekkingsomschrijving in de polis onder de dekking van de verzekering valt.

4.3

[Eiseres] doet in dat verband in de eerste plaats een beroep op art. 1 onder D sub a van de polis (zie 2.2).

Chartis wijst dekking af, onder meer omdat niet blijkt van een ambtelijk bevel van de bevoegde autoriteiten.

Die afwijzing is naar het oordeel van de rechtbank terecht. Daargelaten de overige vereisten die de polis stelt, bedoeld onderdeel stelt onmiskenbaar en in heldere bewoordingen als voorwaarde voor dekking dat sprake is van een contaminatie welke heeft geleid tot een ambtelijk bevel van de bevoegde autoriteiten tot het terugroepen van producten.

Nu [Eiseres] aanspraak maakt op dekking rust op haar de verplichting om aan te tonen dat aan dat vereiste is voldaan, dat wil zeggen dat zij in dit geval moet stellen en bij betwisting bewijzen dat een dergelijk bevel bestaat.

Aan die verplichting heeft zij niet voldaan. De onder 2.4 en 2.8 geciteerde en genoemde brieven zijn niet aan haar gericht en houden ook geen bevel in. Omtrent het bestaan van enig ander bevel heeft zij geen duidelijke, laat staan onderbouwde stellingen ingenomen. Deze grondslag kan de vorderingen dus reeds op deze grond niet dragen en behoeft geen verdere bespreking.

4.4

[Eiseres] heeft zich echter ook beroepen op art. 1 onder D sub b.

Zij stelt dat sprake was van contaminatie van haar rijst (en bran) met IPT, in dit verband aan te merken als een Vreemde stof in de zin van de polis, dat de contaminatie voldoet aan alle eisen voor een terugroepactie en dat een bevel van overheidswege redelijkerwijs te verwachten is.

Chartis bestrijdt deze stellingen op meerdere onderdelen.

4.5

Bij de bespreking van het debat stelt de rechtbank voorop dat inmiddels tussen partijen vaststaat dat het hier om een maatschappijpolis gaat, die daarom in voorkomend geval contra preferentem, derhalve in het nadeel van Chartis, dient te worden uitgelegd. Voorts staat niet ter discussie dat de reden voor [Eiseres] om deze verzekering te sluiten gelegen was in de omstandigheid dat haar bestaande verzekering geen dekking bood voor recall-schade, terwijl Chartis zich in de betreffende periode juist afficheerde met een product dat in deze leemte voorzag. Voorts heeft [Eiseres] gesteld, en Chartis niet betwist, dat Chartis van de hier bedoelde beweegreden van [Eiseres] op de hoogte was. Deze beide uitgangspunten spelen een rol bij de uitleg. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf zullen zij ertoe leiden dat [Eiseres] eerder van een ruime dekking mocht uitgaan en in redelijkheid mocht aannemen dat ook Chartis begreep dat [Eiseres] uitging van een ruime dekking.

4.6

Vast staat dat de door de Duitse laboratoria onderzochte rijst in 2010 door contact met of binnendringing van IPT gecontamineerd was. Dat volstaat echter niet. Vastgesteld moet worden of IPT een Vreemde stof is in de zin van art. 3.19 van de polisvoorwaarden.

Chartis stelt van niet, maar dat verweer snijdt geen hout. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

IPT wordt als bestrijdingsmiddel doelbewust op rijstplanten aangebracht. Noch de teler noch iemand anders in de keten, heeft echter de bedoeling om IPT op de rijstkorrels aanwezig te doen zijn als die, na de oogst, als rijst, zijnde het verzekerd product, verkocht worden. Dat er in 2010, gegeven de situatie in het land van herkomst (weinig regen), kennelijk nog steeds relatief grote hoeveelheden IPT aanwezig waren op de rijst kan dan ook niet worden aangemerkt als het opzettelijk aanwezig zijn van deze stof op de rijst.

IPT is dus een Vreemde stof in de zin van de polis.

4.7

Vervolgens is de vraag, of was voldaan aan alle door de autoriteiten voorgeschreven eisen voor een terugroepactie en of een bevel van overheidswege voor zo’n actie op handen of redelijkerwijs te verwachten was.

4.7.1

[Eiseres] heeft voor wat betreft het eerste gedeelte in de eerste plaats gesteld, dat op basis van de Europese regelgeving (zie 2.11-2.13) duidelijk is, dat het in de handel hebben en houden van rijst met een te hoog IPT-gehalte verboden is, zonder dat daartoe noodzakelijk is dat van daadwerkelijk gevaar voor de volksgezondheid sprake is. Als Chartis al een andere visie op de regelgeving heeft willen verdedigen heeft zij die niet uitgewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat uit genoemde Europese regelgeving zonder meer de juistheid van dat standpunt van [Eiseres] blijkt. Nu Duitsland gebonden is aan de Europese regelgeving kan de eigen nationale wetgeving, wat daarvan ook zij, op dat punt geen relevant verschil maken.

4.7.2

Voorts blijkt uit die Europese regels dat het in eerste instantie niet de overheid is die het product van de markt moet halen, maar degene die het product in het verkeer brengt. Chartis heeft niet betwist dat [Eiseres] de betrokken rijst in het verkeer brengt in de zin van de Europese verordeningen, nu zij deze geheel winkelklaar, met verpakking van de betreffende winkelketen als dat aan de orde is, aan de betreffende supermarkten levert. [Eiseres] zou dus ook degene zijn die verplicht was de rijst van de markt te halen als daartoe een bevel werd gegeven.

4.7.3

Een redelijke uitleg van de polis, met inachtneming van voormelde uitgangspunten, brengt mee dat [Eiseres] er in die situatie van uit mocht gaan dat aan alle door de autoriteiten voorgeschreven eisen voor een terugroepactie was voldaan. In redelijkheid kon van haar niet verwacht worden dat zij dat nader zou uitzoeken. Zij hoefde ook niet te wachten op (rechtstreeks aan haar gericht) bericht van de zijde van de overheid, vergelijkbaar met de onder 2.4 bedoelde brieven. Een redelijke interpretatie van de dekking, in het licht van de strekking en het belang daarvan juist in geval van contaminatie met stoffen die niet zonder meer gevaarlijk voor de gezondheid zijn brengt immers mee, dat [Eiseres] als verzekerde tot op zekere hoogte de veilige koers mocht kiezen zonder daarmee haar dekking te verspelen. Uit de constructie van artikel 1 -D b naast D a- blijkt immers onmiskenbaar dat het bevel van de autoriteiten niet hoeft te worden afgewacht. Dat deze autoriteiten in concreto geen eisen hebben geformuleerd doet daaraan niet aan.

4.8

Hoewel van [Eiseres] niet verwacht kon worden dat zij de rijst zonder meer op de markt zou laten en zou afwachten of de autoriteiten inderdaad zouden ingrijpen vereist de polis wel dat zij het product pas terugtrekt als daadwerkelijk overheidsingrijpen te verwachten valt. De vraag die dus resteert is, of op het moment dat [Eiseres] besloot tot de recall een bevel van overheidswege redelijkerwijs te verwachten was geweest als zij niet zelf de producten had teruggehaald. Nu Chartis op dat punt gemotiveerd verweer voert en dit een geschilpunt is dat zich leent voor bewijs en ter zake waarvan [Eiseres] een bewijsaanbod heeft gedaan zal [Eiseres] tot dat bewijs worden toegelaten.

Voormelde bewijslevering dient zowel te zien op de recall in juni als die in november 2010. Het betreft immers twee evenementen in de zin van de polis, die dus ook beide, los van elkaar, bewezen moeten worden. Voorts dient het bewijs zowel op de basmati-rijst als op de bran te zien; de bran komt in de tot dusver overgelegde stukken nauwelijks voor.

In dat verband merkt de rechtbank reeds thans op dat voor het bewijs niet van belang is wat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit eventueel heeft gedaan of gelaten respectievelijk in een vergelijkbaar geval wel of niet zou hebben gedaan. Het gaat louter om de Duitse autoriteiten.

4.9

Nu Chartis ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat haar stellingen aangaande een Ausbrauchfrist (verlof om de voorraad van de betrokken producten gedurende een bepaalde tijd op te maken) niet opgevat dienen te worden als een zelfstandig verweer beschouwt de rechtbank deze stellingen als onderbouwing van het algemene standpunt van Chartis dat een bevel niet redelijkerwijs te verwachten was.

Als [Eiseres] slaagt in haar bewijs als hiervoor bedoeld is daarmee dit punt dus van tafel; tot zelfstandige bewijslevering wordt Chartis niet toegelaten (wel kan zij natuurlijk getuigen in contra-enquête voorbrengen).

4.10

Als [Eiseres] in dat bewijs slaagt is evenmin relevant of de recalls onder commerciële druk, op aandringen van Lidl en/of uit economische motieven (om Lidl als klant niet te verliezen) zijn geschied. De polis voorziet niet in een uitsluiting voor schade ten gevolge van recall als verzekerde voor die recall, behalve een te verwachten bevel van overheidswege, ook andere motieven heeft. Ook overigens valt niet in te zien -en heeft Chartis ook niet aangevoerd- waarom dat voor de dekking relevant zou zijn.

4.11.1

Als [Eiseres] slaagt in het onder 4.8 bedoelde bewijs kan Chartis zich, op basis van de thans beschikbare gegevens, niet beroepen op schending van de algemene zorgvuldigheidsverplichting en/of het niet nakomen van de bereddingsplicht. Dat een ontheffing verkregen had kunnen worden is, ingeval het betreffende bewijs geleverd wordt, niet alleen hoogst onaannemelijk -bewezen is dan immers dat de Duitse autoriteiten aanleiding zagen om in te grijpen-, maar voor de polisdekking ook niet van belang. Er bestaat geen algemene verplichting, noch in de polis noch in de wet, om een dergelijke ontheffing te verzoeken. In een bijzonder geval kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wellicht een dergelijke verplichting aanwezig worden geacht, doch daaromtrent is onvoldoende gesteld.

Daarbij verdient opmerking dat een Ausbrauchfrist weliswaar niet gelijk te stellen is met een ontheffing, maar dat het verzoek daartoe voor voormeld oordeel wel gelijk te stellen valt met een ontheffingsverzoek; ook tot een dergelijk verzoek was [Eiseres] niet verplicht.

4.11.2

Voor zover Chartis stelt dat zij geen dekking hoeft te verlenen vanwege gebrekkige preventieve controles zijdens [Eiseres] geldt dat, tegen de achtergrond van de stellingen van [Eiseres] omtrent haar controlesysteem in het algemeen, Chartis haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft toegelicht voor wat betreft de eerste recall. Zij beroept zich niet op enige concrete verplichting uit de polis die [Eiseres] geschonden zou hebben. De aard van de verzekering brengt mee, dat de algemene eisen die aan [Eiseres] gesteld kunnen worden niet snel tot verlies van dekking zullen leiden. De verzekering ontleent immers haar bestaansrecht aan het gegeven dat er zo nu en dan een partij met een ongedetecteerde contaminatie op de markt komt. Chartis had het recht om, teneinde haar risico te beperken, concrete eisen aan de preventieve controle te stellen, maar nu zij dat op dit punt heeft nagelaten mocht [Eiseres] erop vertrouwen dat zij dekking zou hebben in een geval als dit.

4.11.3

Ten aanzien van de tweede recall doet zich de bijzonderheid voor dat [Eiseres] wist van de eerdere contaminatie. Dat leidt tot verdergaande verplichtingen aangaande de (reiniging/reconditionering en de) controle. [Eiseres] was als verzekerde jegens Chartis ook tot schadebeperking gehouden. Weliswaar geldt ook hier het uitgangspunt dat in 4.11.2 is geformuleerd, maar toen eenmaal vastgesteld was dat een te hoog MRL aanwezig was mocht van [Eiseres] verwacht worden dat zij adequate actie zou ondernemen, niet alleen op het gebied van het verwijderen van de buitenlaag waarop het residu aanwezig was, maar ook voor wat betreft de controle. Zij heeft in algemene zin gesteld dat zij de rijst dieper heeft laten pellen en steekproeven heeft genomen, maar niet inzichtelijk is geworden wat die maatregelen exact hebben ingehouden en waarom vervolgens toch weer gecontamineerde partijen op de markt gebracht zijn. Onduidelijk is ook in hoeverre hierover contact met Chartis is geweest. Indien Chartis destijds genoegen heeft genomen met de door [Eiseres] genomen maatregelen kan zij daarvan thans in elk geval niet volhouden dat die onvoldoende zijn geweest.

Op deze punten zal [Eiseres] te zijner tijd meer informatie moeten verstrekken, waarna Chartis kan reageren.

4.12

Als [Eiseres] niet slaagt in het onder 4.8 bedoelde bewijs wordt de vordering afgewezen. Voor zover [Eiseres] zich meer subsidiair op het standpunt stelt dat zij, ook als geen sprake is van een verzekerde gebeurtenis, aanspraak kan maken op vergoeding van de betrokken kosten omdat deze dan zouden zijn aan te merken als bereddingskosten in de zin van art. 7:957 BW moet dat stranden.

De structuur van de polis brengt mee, dat zowel als sprake is van een daadwerkelijk bevel als wanneer sprake is van een ophanden zijnd bevel dan wel een redelijkerwijs te verwachten bevel dekking bestaat. Een onmiddellijk dreigend gevaar -het criterium van art. 7:957 BW- dat een redelijke verwachting omtrent overheidsingrijpen gaat ontstaan is in deze structuur niet denkbaar. Anders geformuleerd: de wijze waarop de polis is geconstrueerd komt neer op integratie van de bereddingskosten in de primaire dekking.

4.13

Ten aanzien van de omvang van de schade hebben partijen ter zitting laten weten dat zij daarover eerst samen nader zullen pogen overeenstemming te bereiken; de rechtbank zal dat onderdeel dus voorlopig daarlaten. Wel merkt de rechtbank reeds thans op dat de stelling van Chartis dat de rijst onderdeel is geworden van een product van Lidl geen hout snijdt. Vast staat dat [Eiseres] de rijst kant en klaar, inclusief verpakking, aan Lidl leverde; dat was dus het verzekerd product. Een andere interpretatie is in strijd met hetgeen [Eiseres] in redelijkheid van de dekking mocht verwachten.

5. De beslissing

De rechtbank

alvorens verder te beslissen:

laat [Eiseres] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat ten tijde van de recall in juni 2010 en ten tijde van de recall in november 2010 een bevel vanwege de Duitse overheid strekkende tot het van de Duitse markt halen van de door [Eiseres] geleverde basmati-rijst en bran redelijkerwijs te verwachten en/of op handen was;

bepaalt dat indien [Eiseres] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de advocaat van [Eiseres] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan eigen zijde in de maanden mei tot en met november 2013 en dat de advocaat van Chartis binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan eigen zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. Th. Veling en mr. B. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2013.?

106/1980/1918