Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9816

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
ROT 13/7416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening wegens herziening en verrekening inkomsten met de bijstand. Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekster vanaf juli 2013 inkomsten uit arbeid heeft doch dat eerst met ingang van de maand september 2013 fictieve inkomsten zijn ingehouden op de uitkering. Dit tezamen met de omrekening van inkomsten naar de uitkeringsperiode van een maand kan volgens de gemachtigde van verweerder onduidelijkheid voor verzoekers omtrent de verrekeningen hebben doen ontstaan. Dit neemt niet weg dat het verrekende bedrag van € 405,81 klopt. De nabetaling van € 424,92 hangt samen met de fictieve inkomsten die nadien zijn gekort en die achteraf zijn bijgesteld wegens ingeleverde loonstroken over de weken 37-40 en 41-44. Ter zitting is verder van de zijde van verweerder opgemerkt dat verzoekers contact op kunnen nemen met de medewerker van de afdeling Beheer Inkomen die is vermeld op de rapportage van 3 december 2013 teneinde het fictieve inkomensbedrag in de toekomst zo nodig neerwaarts bij te stellen. Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat toekomstige inkomsten van verzoekster niet of in mindere mate dan in de voorgaande periode het geval is geweest zullen leiden tot verrekeningen op de voet van artikel 58 lid 4 WWB naast een korting wegens geschatte inkomsten over de lopende maand. Gelet hierop en op de nabetaling van € 424,92 acht de voorzieningenrechter niet langer een spoedeisend belang aanwezig om een voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/7416

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[A] (verzoekster) en [B] (verzoeker), te Rotterdam, tezamen: verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de algemene bijstandsuitkering van verzoekers herzien over de periode van 12 augustus 2013 tot en met

8 september 2013 tot een bedrag van € 405,81, omdat in voornoemde periode hogere inkomsten uit werk zijn ontvangen dan is verrekend met de lopende uitkering. Daarbij is meegedeeld dat de verrekening van het bedrag van € 405,81 binnen drie maanden plaatsvindt, dat wanneer dit niet lukt het te verrekenen bedrag zal worden teruggevorderd en dat verzoekers in dat geval nader informatie zullen ontvangen.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de voorzieningenrechter daags voor de zitting bericht dat op 5 of 6 december 2013 een bedrag van € 424,92 zal worden overgemaakt op de rekening van verzoekers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2013.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

In artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, laatste volzin, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat het college onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand een besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In het vierde lid is bepaald dat het college bevoegd is tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.

Uit artikel 79 van de WWB volgt dat voor de toepassing van artikel 8:1 van de Awb het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

3.

In artikel 475c, aanhef en onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een beslagvrije voet is verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook.

4.

Verzoekers betogen dat verweerder een hoger bedrag aan inkomsten verrekent dan de daadwerkelijke inkomsten. Zij betogen verder dat een schuldproblematiek rond huur, energie en zorgverzekering zal ontstaan wanneer verweerder voortaan op deze wijze de inkomsten verrekent. Verzoekers menen dat zij een spoedeisend belang zijn blijven houden bij enige voorziening, omdat met deze eenmalige nabetaling niet wordt voorkomen dat verweerder in de toekomst een te hoog bedrag aan inkomsten blijft verrekenen met de lopende bijstandsuitkering.

5.

De voorzieningenrechter stelt vooraleerst vast dat verweerder een herzieningsbesluit heeft genomen dat ertoe strekt dat inkomsten binnen drie maanden kunnen worden verrekend met de lopende uitkering. Hoewel strikt genomen uit het in artikel 58, vierde lid, van de WWB neergelegde transactiebeginsel volgt dat een besluit tot herziening achtwege kan blijven, terwijl de toepassing van het transactiebeginsel zelf kan worden aangevochten op grond van artikel 79 van de WWB, is de herziening niettemin op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Indien de inkomsten niet binnen drie maanden kunnen worden verrekend kan dan immers een terugvorderingsbesluit worden genomen. Voor de verrekening van teruggevorderde uitkering geldt in afwijking van de verrekening op de voet van artikel 58, vierde lid, van de WWB dat verweerder rekening dient te houden met de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van Rv.

6.

Blijkens de loonstroken van verzoekster wordt haar salaris per vier weken uitbetaald. Over de weken 29-32 (salarisspecificatie van 9 augustus 2013) bedroegen de netto-inkomsten € 151,11 en over de weken 33-36 (salarisspecificatie van 6 september 2013) € 433,34. Blijkens de stukken was de salarisspecificatie van 9 augustus 2013 voor verweerder aanleiding om tot herziening en verrekening over te gaan van een bedrag van

€ 301,60 over de periode 22 juli 2013 tot en met 31 augustus 2013. Naast deze verrekening worden blijkens de uitkeringsspecificatie van september 2013 andere bedragen verrekend met of ingehouden op de uitkering, waaronder een bedrag van € 214,29 (exclusief vakantietoeslag) wegens inkomen loon klant. Uit de uitkeringsspecificatie van oktober 2013 blijkt dat naast de verrekening van € 405,81 andere bedragen worden verrekend met of ingehouden op de uitkering, waaronder een bedrag van € 479,77 (exclusief vakantietoeslag) wegens inkomen loon klant. De uitkeringsspecificatie van november 2013 bevat onder meer een inhouding op de uitkering van € 464,29 wegens inkomen loon klant.

7.

Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekster vanaf juli 2013 inkomsten uit arbeid heeft doch dat eerst met ingang van de maand september 2013 fictieve inkomsten zijn ingehouden op de uitkering. Dit tezamen met de omrekening van inkomsten naar de uitkeringsperiode van een maand kan volgens de gemachtigde van verweerder onduidelijkheid voor verzoekers omtrent de verrekeningen hebben doen ontstaan. Dit neemt niet weg dat het verrekende bedrag van € 405,81 klopt. De nabetaling van € 424,92 hangt samen met de fictieve inkomsten die nadien zijn gekort en die achteraf zijn bijgesteld wegens ingeleverde loonstroken over de weken 37-40 en 41-44. Ter zitting is verder van de zijde van verweerder opgemerkt dat verzoekers contact op kunnen nemen met de medewerker van de afdeling Beheer Inkomen die is vermeld op de rapportage van 3 december 2013 teneinde het fictieve inkomensbedrag in de toekomst zo nodig neerwaarts bij te stellen.

8.

Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat toekomstige inkomsten van verzoekster niet of in mindere mate dan in de voorgaande periode het geval is geweest zullen leiden tot verrekeningen op de voet van artikel 58, vierde lid, van de WWB naast een korting wegens geschatte inkomsten over de lopende maand. Gelet hierop en op de nabetaling van € 424,92 acht de voorzieningenrechter niet langer een spoedeisend belang aanwezig om een voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

9.

De voorzieningenrechter ziet in de hierboven geschetste omstandigheden aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 december 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.