Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:6686

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
AWB - 13_01991
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens, bevoegdheid rechtbank, afwijzing verzoek aan DNB op grond van de Wet op het financieel toezicht, gegevens geen bestand

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 2
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 1:89
Wet op het financieel toezicht 1:92
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2014/299
JBP 2014/37
JOR 2014/37 met annotatie van prof. mr. J.M.A. Berkvens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/1991

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigden: mr. G. van Dam en mr. W.J. Koops,

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,

gemachtigde: mr. C.M. Bitter.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2012 (primaire besluit) heeft DNB eisers verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens voor zover die zijn opgenomen in onderzoeksdossiers afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 24 mei 2013 bepaald dat het beroep versneld behandeld wordt.

Bij brief van 4 juni 2013 heeft DNB de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. DNB heeft ten aanzien van die stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank meegedeeld dat uitsluitend zij daarvan kennis zal mogen nemen en verzocht om met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.

De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 17 juni 2013 beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. Eiser heeft toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Bootsma, kantoorgenoot van haar gemachtigde.

Overwegingen


1.1 Op grond van artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

c. bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen.

1.2 Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wbp is de Wbp van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

1.3 Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt

2.1 Eiser heeft bij brief van 22 augustus 2012 een verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp bij DNB ingediend.

2.2 DNB heeft bij het primaire besluit aan eiser een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens die DNB van eiser heeft verwerkt. Eisers verzoek tot inzage in deze gegevens is ten dele toegewezen voor zover dit ziet op artikelen die uit de media afkomstig zijn. Het verzoek is afgewezen voor zover het persoonsgegevens betreft, die zijn opgenomen in onderzoeksdossiers van DNB.

3.

Aan het bestreden besluit heeft DNB ten grondslag gelegd dat eiser op grond van artikel 43, aanhef en onder b, d, en e, van de Wbp inzage is geweigerd voor zover zijn verzoek ziet op zijn persoonsgegevens die voorkomen in onderzoeksdossiers van DNB.
Volgens DNB is deze weigering noodzakelijk gelet op het bepaalde in de artikelen 1:89 en 1:92 van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

4.

De rechtbank stelt voorop dat zij zich bevoegd acht van de onderhavige zaak kennis te nemen. Daartoe acht zij van belang dat DNB haar weigering mede heeft gebaseerd op de Wft. Voorts heeft DNB in de rechtsmiddelenclausule deze rechtbank vermeld. Tenslotte hebben partijen aangegeven in te kunnen stemmen met een behandeling door deze rechtbank.


5.1 De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) heeft in zijn uitspraak van 30 januari 2013 (ECLI:RVS:2013: BY9910) geoordeeld dat het enkele feit dat persoonsgegevens in bepaalde documenten voorkomen, nog niet maakt dat sprake is van persoonsgegevens die behoren tot een bestand en daarmee onder de Wbp vallen.
Naar het oordeel van de Afdeling is vereist dat de persoonsgegevens een gestructureerd geheel vormen dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van de Wbp is daarvoor een samenhangend geheel en een systematische toegankelijkheid van de persoonsgegevens vereist. Ook geautomatiseerde gegevensverwerkingen moeten aan beide vereisten voldoen wil er sprake zijn van een bestand. Het vereiste “gestructureerd geheel” houdt in dat de gegevensverwerking of de verzameling op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang vertoont.

5.2

DNB stelt zich met verwijzing naar genoemde uitspraak van de Afdeling, die tijdens de bezwaarprocedure in dit geschil is uitgesproken, desgevraagd op het nadere standpunt dat de Wbp niet van toepassing is. Met betrekking tot eiser is er bij DNB geen sprake van een bestand als bedoeld in de Wbp. Eisers persoonsgegevens bevinden zich in een ‘intern record management’ systeem van DNB, dat wordt gebruikt als archief. Documenten, die DNB opstelt of verkrijgt, worden daarin opgeslagen aan de hand van een mappenstructuur ten behoeve van lopende toezichtdossiers. In dit ‘intern record management’ systeem kan met een zoekterm, zoals een naam, gezocht worden. Dan komen geen persoonsgegevens naar voren, maar slechts mappen met de titels van de vertrouwelijke onderzoeksdossiers waarin de gezochte naam voorkomt. Het gaat hier niet om persoonsgegevens die in een gestructureerd geheel of samenhangende verzameling op grond van meer dan één kenmerk verzameld zijn. De op basis van de in het ‘intern record management’ systeem ingegeven zoekterm verkregen documenten waarin de achternaam van eiser voorkomt, zijn onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb door DNB overgelegd. Omdat DNB er in het bestreden besluit nog vanuit is gegaan dat de Wbp wel van toepassing is, verzoekt DNB - gelet op haar nadere standpunt - de rechtbank zelf in de zaak te voorzien.

6.1

Eiser betoogt dat - hoewel hij door toepassing van artikel 8:29 van de Awb niet kan beoordelen of die stukken een bestand vormen in de zin van de Wbp en de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013 - de Wbp van toepassing is op het ‘intern record management’ systeem van DNB, omdat het voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wbp opgenomen definitie. DNB geeft namelijk aan dat zij in haar systeem kan zoeken. Bovendien kan dit systeem worden aangemerkt als één groot bestand, omdat het als verbindend element een functionele bewaar- en archieffunctie heeft. Tot slot wijst eiser op de kritische noot bij deze uitspraak.


6.2 Dit betoog faalt. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb van de door DNB verstrekte documenten kennis te hebben genomen - het gaat om onderzoeksdossiers waarin de naam van eiser op verschillende plaatsen voorkomt - is de rechtbank van oordeel dat deze documenten, waarop de weigering van DNB ziet, geen onderdeel uitmaken van een bestand in de zin van de Wbp. De in die documenten opgenomen persoonsgegevens vertonen niet op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang noch vormen zij een gestructureerd geheel. De rechtbank concludeert dat de Wbp niet op deze documenten van toepassing is. DNB heeft eisers verzoek op een onjuiste grondslag afgewezen.

7.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit - voor zover het verzoek is afgewezen - wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten, nu het nader door DNB ingenomen standpunt voor juist moet worden gehouden.

8.

Gelet op hierop alsmede gelet op het onder 4. overwogene zal de rechtbank de Afdeling in de rechtsmiddelenclausule vermelden.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat DNB aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt DNB in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.888,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift,
1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de weigering van het verzoek,

  • -

    laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand,

  • -

    bepaalt dat DNB aan eiser het betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt DNB in de proceskosten tot een bedrag van € 1.888,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. J.C.A.T. Frima, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.