Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:5762

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-07-2013
Datum publicatie
26-07-2013
Zaaknummer
10/710141-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Levenslang wegens onder meer tweemaal gekwalificeerde doodslag en poging moord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/710141-10, 10/710061-11, 10/710020-10, 10/710275-11 (t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 25 juli 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

preventief gedetineerd in de Penitentiair Psychiatrisch Centrum te ’s-Gravenhage,

raadslieden mrs. M. de Kock-Molendijk en N. Flikkenschild (hierna: de verdediging), advocaten te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 6, 10 en 11 juni 2013 en 11 en 16 juli 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 10/710141-10 (zaaksdossier Zargar), zoals deze op de terechtzitting van 12 april 2012 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd, alsmede hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 10/710061-11 (zaaksdossier Apollo), 10/710020-10 (zaaksdossier Malledijk) en 10/710275-11 (zaaksdossier Sterrenkwartier). De tekst van deze tenlasteleggingen en die van de gewijzigde tenlastelegging zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OPENBAAR MINISTERIE

De officieren van justitie mrs. C.J.A. van der Maas en W.D. de Boer (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

  • -

    bewezenverklaring van het in de zaak Zargar onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde (moord) en het in die zaak onder 2 en 3 tenlastegelegde, het in de zaak Apollo primair tenlastegelegde (poging tot moord), het in de zaak Malledijk primair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag) en de als 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 tenlastegelegde feiten uit het onderzoek Sterrenkwartier.

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

GELDIGHEID DAGVAARING IN ZAAKSDOSSIER APOLLO (10/710061-11)

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding in het zaaksdossier Apollo partieel nietig moet worden verklaard, te weten ten aanzien van het gedeelte: “welk voren omschreven misdrijf (poging tot moord en/of doodslag) werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten ….”. Uit de wijze waarop het primair tenlastegelegde is vormgegeven moet worden afgeleid dat het kennelijk de bedoeling is geweest de verdachte het verwijt van een gekwalificeerde vorm van poging moord te maken. Een dergelijke strafbaarstelling bestaat niet en om die reden moet het onderdeel van de tenlastelegging (de bewoordingen “poging tot moord”) nietig worden verklaard.

De officier van justitie heeft gesteld dat de door de verdediging bepleite nietigheid niet in de rede ligt en dat een simpel uitstrepen volstaat.

De rechtbank overweegt dat er geen misverstand over kan bestaan dat de steller van de tenlastelegging de verdachte in het primair tenlastegelegde (impliciet) primair het verwijt van een poging tot moord, al dan niet gepleegd in vereniging, heeft willen maken, en (impliciet) subsidiair van een al dan niet in vereniging gepleegde poging tot gekwalificeerde doodslag. Om deze reden moet het kwalificatieve deel van de tenlastelegging geacht worden louter betrekking te hebben op de (impliciet) subsidiair tenlastegelegde poging tot gekwalificeerde doodslag, zodat het niet anders kan zijn dan dat woorden ‘poging moord en/of’ abusievelijk in dat deel zijn opgenomen. De rechtbank zal de tenlastelegging op dat punt verbeterd lezen. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Er is aldus beschouwd geen aanleiding voor partiële nietigverklaring van de dagvaarding. Nu de dagvaarding in het zaaksdossier Apollo ook overigens aan de daaraan te stellen eisen voldoet, is deze geldig. Het verweer wordt verworpen.

BESPREKING ENKELE VERWEREN

Voordat de rechtbank overgaat tot de bespreking van het in de verschillende zaaksdossiers tenlastegelegde, zal zij ingaan op een tweetal verweren die voor meerdere zaaksdossiers van belang zijn.

INZET INFORMANT A-3482

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de verklaringen van de ingezette politiële informatie-inwinner A-3482 (hierna: informant A-3482) uit te sluiten van het bewijs. De verdachte heeft zich gedurende nagenoeg het hele onderzoek op zijn zwijgrecht beroepen. De informant is vervolgens ingezet in een periode waarin de verdachte zich in een kwetsbare positie bevond; hij maakte zich zorgen over zijn familie en was kort daarvoor tegen zijn verwachting in het PPC te Vught geplaatst. De informant heeft de verdachte toen dagelijks opgezocht, waarbij deze het initiatief nam voor de contacten en aan de verdachte vragen en vervolgvragen stelde. Dat de antwoorden van de verdachte concreter zijn geworden, zodra de informant een specifiekere opdracht van zijn begeleiders had gehad, is voor de verdediging, mede gezien het voorgaande, aanleiding te stellen dat sprake is geweest van een verhoorsituatie.

Dit leidt tot de conclusie dat de door de verdachte ten overstaan van de informant afgelegde verklaringen in strijd met de in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verankerde en de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) besloten liggende verklaringsvrijheid zijn verkregen. Daarnaast is benadrukt dat de verdachte betwist dat hij met de informant heeft gesproken.

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat de informant, overeenkomstig diens wettelijke opdracht, systematisch en gericht informatie heeft ingewonnen over de verdachte, in dit geval door aan te horen wat de verdachte te zeggen had. Dat daarbij sprake is geweest van een verhoorsituatie, is niet aannemelijk geworden. De stelling dat de verdachte niet met de informant heeft gesproken over strafbare feiten, mist feitelijke grondslag.

Oordeel rechtbank

Op 16 juli 2012 is door de zaaksofficier van justitie op grond van artikel 126j, eerste lid, Sv een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie over de verdachte gegeven. Het bevel had een geldigheidsduur van drie maanden. Ingevolge dat bevel heeft een niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar, aangeduid met de code A-3482, zich op 26 juli 2012 laten insluiten in de P.I. Vught, waar de verdachte op dat moment ook was gedetineerd. A-3482 is ingezet van 26 juli 2012 tot en met 1 augustus 2012.

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal van informant A-3482. Deze heeft op ambtseed gerelateerd - en bij de rechter-commissaris bevestigd - dat de verdachte in voornoemde periode dagelijks met hem heeft gesproken over de feiten waarvan hij werd verdacht en over andere strafbare gedragingen. Gelet hierop legt de kale stelling van de verdediging dat de verdachte niet met informant A-3482 heeft gesproken hiervoor volstrekt onvoldoende gewicht in de schaal, te meer nu diezelfde verdediging tijdens het verhoor van informant A-3482 bij de rechter-commissaris op 3 juni 2013 heeft gesteld dat de verdachte zijn raadslieden het een en ander heeft verteld over de inhoud van die gesprekken.

Ten aanzien van het beroep op strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte wordt als volgt overwogen.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 9 maart 2004 (NJ 2004/263) onderkend dat toepassing van een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning bij een voorlopig gehechte verdachte ‘licht het gevaar in zich bergt’ dat de verdachte feitelijk in een verhoorsituatie komt te verkeren, terwijl de waarborgen van een formeel verhoor ontbreken en dat de aldus verkregen verklaringen in strijd met de in artikel 29, eerste lid, Sv verankerde en artikel 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid zouden zijn verkregen. Gelet daarop zal als uitgangspunt toepassing van artikel 126j Sv pas in aanmerking komen als de bijzondere ernst van het misdrijf dat rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn. Als daaraan is voldaan kan de rechter, zoals in deze zaak, voor de vraag komen te staan of de informatie van de verdachte niet in strijd met die bepalingen is verkregen. Daarbij komt volgens de Hoge Raad betekenis toe aan de proceshouding van de verdachte, hetgeen zich gedurende het 126j Sv-traject in het onderzoek afspeelt, de aard en de intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en de gedragingen van de informant tot de verklaringen van de verdachte hebben geleid.

Uit het bevel stelselmatige inwinning van informatie d.d. 16 juli 2012 en het onderliggende proces-verbaal blijkt dat dit opsporingsmiddel vooral is ingezet om duidelijkheid te verkrijgen over de omstandigheden die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], alsmede over eventueel gepleegde levensdelicten waarvoor op grond van aangetroffen goederen en sporen, alsmede uitlatingen van de verdachte tegen medegedetineerden, aanwijzingen waren. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigde de buitengewone ernst van de feiten ten behoeve waarvan het opsporingsmiddel is ingezet die inzet zonder meer. Tijdens het opsporingsonderzoek is een scala aan technische en tactische opsporingsmiddelen aangewend, alsook andere bijzondere opsporingsmiddelen, zonder dat die duidelijkheid (geheel) is verkregen. Waar de verdachte zich voorts al langere tijd geheel op zijn recht om te zwijgen beriep, mocht redelijkerwijs worden geoordeeld dat andere opsporingsmiddelen nagenoeg waren uitgeput.

Gelet op het aanhoudende beroep van de verdachte op diens zwijgrecht en op de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de inzet van informant A-3482 was gedetineerd, is er wel aanleiding om de wijze waarop de verklaringen van de verdachte tot stand zijn gekomen met behoedzaamheid te bezien. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de door informant A-3482 van de verdachte opgetekende verklaringen zijn verkregen in strijd met de in artikel 29, eerste lid, Sv verankerde en artikel 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid en ook niet dat de facto sprake is geweest van een verhoorsituatie. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit de respectieve processen-verbaal van informant A-3482 en diens begeleiders maakt de rechtbank op dat deze gedurende zeven dagen is ingezet en dat deze tijdens de momenten waarop werd gelucht of gerecreëerd met de verdachte heeft gesproken. Er is geen aanwijzing om te veronderstellen dat op de verdachte op enigerlei wijze druk is uitgeoefend om informant A-3482 te ontmoeten of met hem in gesprek te gaan. Hoewel de gesprekken met de verdachte over het algemeen tot stand kwamen op initiatief van informant A-3482, heeft de verdachte - zo begrijpt de rechtbank - daartoe ook wel zelf het initiatief genomen. In dit verband is verder van belang dat bij sommige van deze gesprekken medegedetineerden aanwezig waren en dat de verdachte - ook vóór de inzet van informant A-3482 - met medegedetineerden sprak over de feiten waarvan hij werd verdacht, zoals bijvoorbeeld met de getuige [getuige 1]. Tijdens de gesprekken van de verdachte met de informant, waarbij beiden ongeveer evenveel aan het woord waren, stelde de informant vragen en vervolgvragen over de feiten waarvoor het opsporingsmiddel was ingezet, maar stond het de verdachte vrij om daar al dan niet op te reageren. Overigens blijkt uit het nog nader te bespreken rapport van het Pieter Baan Centrum dat de verdachte daar zeer wel in staat was de onderwerpen waarover hij wel en niet wilde spreken af te bakenen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat dit na de overplaatsing van de verdachte van het PBC naar de P.I. Vught anders is geweest. Dat veeleer sprake is van het tegendeel wordt onderstreept door het gegeven dat de verdachte op de zesde dag van de inzet van informant A-3482, deze ’s avonds te kennen heeft gegeven niet langer te diep op zijn zaken te willen ingaan. Hierna is er tussen de verdachte en informant A-3482 nog één contactmoment geweest waarin ook niet meer concreet over de zaken is gesproken. Tot slot is van belang dat de verdachte tijdens en rondom de periode van de inzet van informant A-3482 niet is verhoord en er ook geen andere opsporingshandelingen zijn verricht van waaruit druk zou kunnen zijn uitgegaan.

Het verweer wordt verworpen.

Nu informant A-3482 door de raadkamer van de rechtbank is aangemerkt als een bedreigde getuige en door de rechter-commissaris overeenkomstig de bepalingen van artikel 226c Sv e.v. is gehoord, dient het gebruik van de processen-verbaal van informant A-3482 aan de eisen van artikelen 344a Sv en 360 Sv te voldoen. De rechtbank is in dit verband allereerst

- met de raadkamer van de rechtbank - van oordeel dat, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, voor het leven van informant A-3482 moet worden gevreesd indien diens identiteit bekend zal worden, zulks om de in de beschikking van de raadkamer d.d. 13 mei 2013 genoemde redenen. Daarnaast constateert zij dat informant A-3482 te kennen had gegeven in verband daarmee geen verklaring te willen afleggen. Informant A-3482 is dan ook op goede gronden aangemerkt als bedreigde getuige. Voor zover de processen-verbaal van informant A-3482 voor het bewijs zullen worden gebezigd kan, zoals hierna zal blijken, worden vastgesteld dat de betreffende bewezen te verklaren feiten (telkens) een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren en dat het betreffende proces-verbaal (in belangrijke mate) steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht de processen-verbaal van de informant voorts betrouwbaar. Gesteld noch gebleken is dat door toekenning van de status van bedreigde getuige afbreuk is gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.

GEBRUIK VERKLARING GETUIGE [getuige 2] VOOR HET BEWIJS

De verdediging heeft voorts gesteld dat het gebruik van de verklaringen van getuige

[getuige 2] strijdt met artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen, deze verklaringen niet in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen en geen sprake is geweest van compenserende factoren.

Over de bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 2] is opgemerkt dat deze wat het openbaar ministerie betreft niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het verweer aangaande het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuige [getuige 2] behoeft geen bespreking, aangezien de rechtbank die verklaringen niet voor het bewijs zal bezigen.

ZAAKSDOSSIER ZARGAR (10/710141-10)

BEOORDELING VAN HET TENLASTEGELEGDE

Feit 1

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft vermoord. Uit het feit dat de verdachte in de penitentiaire inrichting tegen zijn zus heeft gezegd dat hij haar heeft gestoken en gewurgd, leidt zij af dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht. Dat hij dat met voorbedachte raad heeft gedaan, volgt volgens de officier van justitie uit de uitlating van de verdachte in datzelfde gesprek dat hij een ‘predator’ is en gewoon ergens als een roofdier is gaan zitten. Voorts zou dat volgen uit de tijd en de handelingen die nodig zijn om het moordwapen - een mes van het merk Leatherman - gebruiksklaar te maken, alsmede uit het feit dat er is gestoken èn gewurgd. Weliswaar heeft [getuige 3] verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] wilde beroven en haar heeft gedood omdat zij is gaan gillen, maar omdat het primair ten gelaste al bewezen kan worden verklaard, wordt niet meer toegekomen aan de bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de verdachte geheel vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte steeds heeft benadrukt niet verantwoordelijk te zijn voor de dood van [slachtoffer 1].

Subsidiar is verzocht de verdachte vrij te spreken van moord. Dat verwurgingshandelingen tot de dood hebben geleid, kan niet uit de rapportages worden afgeleid. Nu voorts de feitelijke toedracht rondom de dood van [slachtoffer 1] niet is komen vast te staan, kan voorbedachte raad niet worden bewezen. Aan de term ‘predator’ kan door de verdachte een andere betekenis worden toegedicht dan door de officier van justitie wordt gedaan en de Leatherman zou vóór de eventuele bedreiging van [slachtoffer 1] al door de verdachte uitgeklapt kunnen zijn geweest.

Tevens is bepleit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van gekwalificeerde doodslag en daartoe is allereerst aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij de spullen van [slachtoffer 1], die de politie bij hem thuis heeft aangetroffen, heeft gevonden. Daarbij komt volgens de verdediging dat - nu de feitelijke toedracht rondom de dood van [slachtoffer 1] niet kan worden vastgesteld - ook niet kan worden bewezen dat de doodslag zou zijn gepleegd met het oogmerk om een diefstal met geweld voor te bereiden, gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Oordeel rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op 6 augustus 2010 heeft de moeder van [slachtoffer 1] aangifte gedaan van vermissing van haar dochter. [slachtoffer 1] had de dag ervoor gewoon gewerkt en heeft na afloop daarvan om 17.12 uur het pand van haar werkgever in Spijkenisse verlaten, maar was niet thuis aangekomen. Zij had met haar vriend afgesproken hem die avond te ontmoeten. Deze heeft haar rond 19.30 uur gebeld, maar [slachtoffer 1] nam niet op. Daarna heeft hij nog twee keer geprobeerd haar te bereiken, eveneens zonder resultaat. De volgende dag heeft hij het nog eens geprobeerd, maar toen stond haar telefoon uit. Een collega van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij haar op 5 augustus 2010 tussen 17.00 en 17.15 uur voor het laatst heeft gezien. Zij fietste toen vanuit haar werk in de richting van het Mallebos. Omdat [slachtoffer 1]’s vriend wist dat zij daar na afloop van haar werk wel eens ging wandelen of muziek ging luisteren, heeft hij de dagen na haar verdwijning in het Mallebos geflyerd en aan mensen gevraagd of ze misschien iets hadden gezien. Zijn acties hebben niet geleid tot het traceren van [slachtoffer 1].

Op 9 november 2010 trof de politie te Spijkenisse in de brievenbus van het politiebureau plots een identifier en een bankpas aan op naam van [slachtoffer 1]. Bij het uitkijken van de beelden van de camera die aan de gevel van het politiebureau was geplaatst, werd gezien dat een magere man met dunne benen die dag om 3.08 uur iets in de brievenbus gooide. Het vertonen van die beelden in het programma Opsporing Verzocht bracht geen duidelijkheid over de identiteit van de man die de spullen in de brievenbus heeft gedeponeerd.

Verschillende uitgebreide zoekacties van de politie in het Mallebos leverden geen resultaat op. Wel werd op 26 november 2010 bij baggerwerkzaamheden in een sloot in het Mallebos een fiets aangetroffen die van [slachtoffer 1] blijkt te zijn geweest, en op 8 maart 2011 werd bij diezelfde sloot ook nog eens haar sleutelbos aangetroffen.

Op 13 oktober 2011 werd de verdachte op verdenking van het medeplegen van een aantal straatroven door de politie aangehouden in de nabijheid van de woning van zijn moeder aan de Venusstraat te Spijkenisse. Omdat bij één van die straatroven een mobiele telefoon zou zijn buitgemaakt, werd die woning doorzocht. Daarbij werd in een schoenendoos in de kamer, die bij de verdachte in gebruik was, een geplastificeerde kaart met daarop de naam en de foto van [slachtoffer 1] en het woord “gezocht” aangetroffen. Bij een volgende doorzoeking werd een tas met daarin onder meer een paspoort op naam van [slachtoffer 1], een Metro-krant van 5 augustus 2010, een horloge, een armband, een klein mesje en een stukje van een ketting gevonden. Op een aantal van de sierraden en op het mesje werd bloed aangetroffen. DNA-onderzoek wees uit dat het van het bloed verkregen DNA-profiel overeenkwam met het profiel van [slachtoffer 1]. Voorts werden verspreid op een jas van de verdachte meerdere bloedsporen aangetroffen. Het daaruit verkregen DNA-profiel matchte ook met dat van [slachtoffer 1].

Op 3 november 2011 is aan Meld Misdaad Anoniem een melding gedaan met betrekking tot de vermissing van [slachtoffer 1]. Daarbij is onder meer meegedeeld dat het lichaam van [slachtoffer 1] vlakbij de vindplaats van de fiets en de sleutels in het Mallebos zou zijn begraven en dat één van haar voeten zou zijn afgehakt en in een pot begraven zou liggen onder een schuur bij de woning aan de Venusstraat.

[Getuige 3], die tegelijk met de verdachte is aangehouden, heeft verklaard dat deze melding op zijn verzoek is gedaan door zijn - toenmalige - vriendin. Voorts heeft [getuige 3] verklaard dat hij de verdachte indertijd al heeft herkend op de beelden bij Opsporing Verzocht en dat hij hem daarmee heeft geconfronteerd. De verdachte heeft toen aan hem verteld dat hij [slachtoffer 1] wilde beroven en dat hij haar, omdat zij begon te gillen, heeft gestoken. Eerst in haar nek, maar omdat ze toen nog niet dood was, ook nog op andere plaatsen. Verder heeft de verdachte aan hem verteld dat hij het lichaam van [slachtoffer 1] had begraven in de buurt van de plek waar haar fiets was gevonden, dat hij een voet van het lichaam had afgezaagd en deze in een pot had begraven onder de schuur. Toen de politie de schuur hierop opnieuw doorzocht, troffen zij in het zand onder de vloer een plastic tas aan met daarin een glazen pot, waarin een voet zat. Onderzoek heeft uitgewezen dat dit een voet van [slachtoffer 1] betrof.

Verklaring van de verdachte

Geconfronteerd met het vorenstaande heeft de verdachte verklaard dat hij het lichaam van [slachtoffer 1] in het Mallebos heeft gevonden en dat zij toen al was overleden. Het was niet bij hem opgekomen om de politie te waarschuwen, maar omdat hij overal sporen had achtergelaten en zodoende “suspect number one” zou zijn, had hij haar begraven op dezelfde plek als waar hij haar had gevonden. Na een paar weken was hij naar die plek teruggegaan, had een voet van het lichaam afgezaagd en die onder de schuur begraven. Voor het afzagen van de voet heeft de verdachte verschillende motieven opgegeven: hij zou daaruit misschien ooit nog een financieel slaatje hebben willen slaan, hij had het gedaan als aandenken aan de vondst van zijn leven en hij had veel interesse in menselijke botten. Hij heeft verder verklaard dat hij, toen [getuige 3] hem had verteld dat hij hem op de camerabeelden van Opsporing Verzocht had herkend, een sterk verhaal tegen hem had opgehangen: dat hij [slachtoffer 1] had beroofd, dat dit verkeerd was gegaan en dat hij haar daarop had neergestoken en toen had begraven. Maar volgens de verdachte kloppen die dingen niet: hij heeft [slachtoffer 1] niet van het leven beroofd. Toen hij haar vond, was zij al overleden. Ze was al koud, maar nog wel bewegelijk. Hij had haar kleding uitgedaan en zag toen prikjes, onder meer in haar borststreek. Hij had haar sieraden afgedaan, in haar tas gestopt en had deze mee naar huis genomen. Het bloed op de sieraden moet er toen op terecht zijn gekomen. Ook het bloed op zijn jas zou daardoor kunnen worden verklaard, aldus de verdachte.

Hoewel de verdachte op 23 november 2011 tegen de politie heeft gezegd het volle, complete verhaal te willen vertellen en open kaart te willen spelen over [slachtoffer 1], heeft hij zich nadien voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen.

Aantreffen lichaam en sectie

Na aanwijzingen van de verdachte omtrent de plaats waar hij het lichaam van [slachtoffer 1] in het Mallebos had begraven, wordt uiteindelijk op 11 november 2011 een graf [slachtoffer 5]gelegd, met daarin het stoffelijk overschot van een vrouw waarbij de linkervoet ontbrak. Onderzoek heeft uitgewezen dat dit het lichaam van [slachtoffer 1] betrof.

Op 29 november 2011 heeft de patholoog sectie verricht en daarbij is onder meer het volgende bevonden. Aan het lichaam ontbrak de linkervoet, waarbij het, gelet op de kenmerken van de klievingsvlakken, goed mogelijk is dat deze postmortaal is geamputeerd.

Verder zijn streepvormige en onregelmatige huidperforaties op de borst waargenomen en een perforatie op de overgang van borst naar hals. Gelet op de vorm van de perforaties, zijn zij waarschijnlijk toegebracht door een vlak, hard voorwerp, zoals bijvoorbeeld één of meerdere messen of een glasscherf. De patholoog heeft geconcludeerd dat de perforaties aan de borstwand op zich, of in combinatie met eventuele steekletsels aan de hals, het overlijden zonder meer kunnen verklaren door verbloeding.

Verantwoordelijkheid verdachte voor de dood van [slachtoffer 1]

Op 13 december 2011 heeft [getuige 4], een zus van de verdachte, haar broer opgezocht in de penitentiaire inrichting. Het gesprek dat zij toen hebben gevoerd is opgenomen en bevat onder meer de volgende passage:

[getuige 4]: Wij verdenken Timothy er ook van.

[verdachte] Stel gewoon vragen en eh, één keer knipperen is ja, twee keer knipperen is nee.

[getuige 4]: Heeft hij ermee te maken?

Opmerking verbalisanten: 5 seconden stilte

[getuige 4]: Je weet dat wij dat niet kunnen geloven.

[verdachte]: Nee, maar wat ik zeg het is toevallig wel.

[getuige 4]: Heb je het gedaan?

Opmerking verbalisanten: 3 seconden stilte

[getuige 4]: Dan zal je er toch een goede reden voor moeten hebben.

Omdat de verdachte zich op die datum alleen in voorlopige hechtenis bevond voor de zaak Zargar, gaat de rechtbank ervan uit dat hier over die zaak wordt gesproken.

Nadat de politie [getuige 4] dit opgenomen gesprek heeft laten beluisteren, heeft zij verklaard dat haar broer door middel van het knipperen met zijn ogen haar eerste vraag met ‘nee’ heeft beantwoord en de vraag of hij het gedaan had met ‘ja’.

Op 20 december 2011 heeft [getuige 4] haar broer opnieuw bezocht en ook het gesprek dat zij toen met elkaar hebben gevoerd is opgenomen. Het bevat onder meer de volgende passages:

[getuige 4]: Het enigste wat ik me afvraag, wat je gedaan hebt, hoe heb je dat gedaan (…).

[verdachte]: Gestoken en verwur(gen)(ing)

Wat ik altijd heb gezegd, ik ben een predator. Gewoon ergens gaan zitten en (nvt)

[getuige 4]: Maar jij kende haar toch niet?

[verdachte]: Nee, tuurlijk niet.

Voor allebei laat ik het zo zeggen, the wrong place, the wrong time.

En verderop in het gesprek:

[getuige 4]: Weet je wat ik niet snap. Toen al die zoekacties zijn geweest hebben ze haar niet gevonden (…).

[verdachte]: Omdat ik weet waar ik mee bezig was, maar die kankerflikker heeft me verraden, die wist ervan (…).

[getuige 4]: Je had het nooit aan moeten wijzen.

[verdachte]: Dat weet ik, ik zeg nu constant dat ik haar gevonden heb ……

Ook met dit gesprek is [getuige 4] door de politie geconfronteerd. Naar aanleiding daarvan heeft zij verklaard dat dit over de zaak van [slachtoffer 1] gaat en dat de verdachte aan haar heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] met messteken om het leven heeft gebracht en haar heeft gewurgd. Zij dacht dat haar broer eerlijk is geweest tegen haar en dat het haar niet leek dat hij zomaar wat zou zeggen. Ook de broer van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte hem tijdens een bezoek aan het huis van bewaring heeft gezegd dat hij [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht.

Tussenconclusie rechtbank

Gelet op de inhoud van deze gesprekken, waarin de verdachte zelf aan zijn zus heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken en gewurgd, en haar verklaring daaromtrent, in samenhang bezien met de verklaring van de broer van de verdachte, de verklaring van [getuige 3] en de bevindingen van de forensische opsporing, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] dood in het Mallebos heeft aangetroffen, volstrekt ongeloofwaardig. Daarbij is tevens meegewogen dat tussen het moment waarop [slachtoffer 1] haar werk heeft verlaten en het moment waarop de verdachte heeft verklaard haar te hebben gevonden - dezelfde dag tussen 18.30 en 19.00 uur - maar zeer beperkt tijd is verstreken.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het de verdachte is geweest die op 5 augustus 2010 een einde heeft gemaakt aan het leven van [slachtoffer 1]. Dat hij daartoe ook het (volle) opzet heeft gehad, valt af te leiden uit de handelingen - steken en wurgen - die hij daarbij heeft verricht. De rechtbank ziet in het gegeven dat bij het onderzoek van het lichaam van [slachtoffer 1] (vanwege de staat van de hals) geen sporen van verwurging meer zijn aangetroffen, geen aanleiding niet tevens van wurgen uit te gaan. De verdachte heeft dit aan zijn zus verteld en niet valt in te zien waarom hij tegen haar daarover zou liegen.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar daarvoor kunnen ook contra-indicaties zijn (HR 28 februari 2012, NJ 2012/518).

In het dossier zijn sterke aanwijzingen te vinden dat de verdachte bij het doden van [slachtoffer 1] gebruikt heeft gemaakt van een mes van het merk Leatherman. De rechtbank overweegt hieromtrent dat zelfs indien de verdachte bij zijn daad de Leatherman, of een daarmee vergelijkbare multitool heeft gebruikt, daaruit - anders dan door de officier van justitie is gesteld en gedemonstreerd - niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij voldoende tijd heeft gehad om zich te bezinnen op zijn daad. Het enkele feit dat er meerdere handelingen zijn vereist om een dergelijk mes te kunnen gebruiken is daarvoor niet voldoende. Dat geldt ook voor het gegeven dat er is gewurgd en gestoken. De uitlating van de verdachte dat hij als een ‘predator’ ergens is gaan zitten is evenmin voldoende voor het aannemen van voorbedachte raad. Dit wachten op een prooi hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de verdachte heeft geaasd op iemand die hij het leven zou kunnen benemen, het kan immers ook zijn dat hij zat te wachten op een geschikte persoon om te beroven.

De verdachte zal dan ook van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ worden vrijgesproken.

Eindconclusie

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat zij de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] dood in het Mallebos heeft aangetroffen volstrekt ongeloofwaardig acht en dat zij hem verantwoordelijk houdt voor haar dood. In het verlengde daarvan acht de rechtbank de verklaring dat de verdachte de spullen van [slachtoffer 1] die bij hem thuis zijn aangetroffen heeft gevonden, evenmin geloofwaardig.

[Getuige 3] heeft, zoals al bleek, verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord dat hij [slachtoffer 1] wilde beroven en dat hij haar, toen zij begon te gillen, in haar nek heeft gestoken. Zij was nog niet dood en toen had hij haar nog een keer gestoken. Uit het sectierapport blijkt dat [slachtoffer 1] meermalen met een mes, of ander scherp voorwerp, in het lichaam is gestoken. Voorts zijn in de woning waar de verdachte veelal verbleef, diverse spullen aangetroffen die hebben toebehoord aan [slachtoffer 1], waaronder een aantal sieraden. Uit het feit dat op deze sieraden bloed is aangetroffen van [slachtoffer 1], kan worden afgeleid dat de verdachte deze heeft weggenomen, nadat hij haar had gestoken.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigen bewezen kan worden geacht dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gewurgd en meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan zij is overleden en dat hij dat heeft gedaan om diefstal van haar spullen mogelijk te maken en/of om zijn straf daarvoor te ontlopen. Ter bevestiging van dit laatste merkt de rechtbank nog op dat de verdachte tegenover diverse getuigen heeft verklaard dat het, totdat [getuige 3] hem had verraden, een “perfect crime” was.

Feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] heeft verborgen. De rechtbank deelt dit standpunt. Nu de verdachte dit feit heeft bekend en de verdediging daarover geen opmerkingen heeft gemaakt, zal de rechtbank de bewezenverklaring van dit feit niet nader motiveren.

Feit 3

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, voor zover het betreft het afzagen van de voet van [slachtoffer 1]. Ook dit standpunt wordt door de rechtbank gedeeld. Nu de verdachte het afzagen van de voet heeft bekend en de verdediging op dit punt geen nadere opmerkingen heeft gemaakt, zal de rechtbank de bewezenverklaring van dit feit niet nader motiveren.

Van het eveneens tenlastegelegde snijden van een stuk uit een bil zal de verdachte, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de verdediging bepleit, worden vrijgesproken, omdat voor dit onderdeel onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op of omstreeks 05 augustus 2010 te Spijkenisse opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] gewurgd en/of met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp (meermalen) in de borst en/of de hals en/of de/een long(en), in elk geval het

lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij in of omstreeks de periode van 05 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Spijkenisse, opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer 1], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door het lijk van voornoemde [slachtoffer 1] te begraven in het Mallebos, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer 1], te weten dat voornoemde [slachtoffer 1] door verwurging en/of messteken, althans het steken met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam, om het leven is gebracht, te verhelen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 05 augustus 2010 t/m 30 september 2010 te Spijkenisse opzettelijk en wederrechtelijk een lijk (van) [slachtoffer 1] , geheel of ten dele toebehorende aan de erven en/of nabestaanden van voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd door een voet van voornoemd lijk af te zagen en/of een stuk van/uit de bil van voornoemd lijk af te snijden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

KWALIFICATIE

De bewezen feiten leveren op:

1 primair impliciet subsidiair:
Doodslag gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit, gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2. een lijk verbergen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats benadeelde partij 1].

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 33.500,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij is de moeder van [slachtoffer 1]. Ter onderbouwing van haar vordering heeft zij gesteld dat zij lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd over het welzijn van haar dochter. Het leven in onzekerheid heeft zowel fysiek als mentaal zijn tol geëist. In de betreffende periode kampte zij met diverse stressklachten. Ook is haar gezondheid achteruit gegaan. Ze had last van pijn in haar benen en rug. Toen eenmaal duidelijk werd dat haar dochter van het leven was beroofd, uitte het verdriet zich in constante druk op haar borst. Toen de pijn in rug en benen ondragelijk werd en is zij door haar huisarts voorzien van pijnstillers en ook door verwezen naar de cardioloog.

Ter nadere onderbouwing van de vordering zijn diverse bijlagen bijgevoegd.

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 10.000,- als voorschot dient te worden toegewezen. Daarnaast is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij ziet op shockschade. Die komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat geen sprake is van schade die is veroorzaakt door de directe waarneming van, of confrontatie met een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt én omdat uit de vordering niet blijkt dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Op die gronden dient de vordering te worden afgewezen.

Oordeel rechtbank

Uit de toelichting bij de vordering komt duidelijk naar voren dat de gestelde immateriële schade het gevolg is van twee, elkaar opvolgende gebeurtenissen. In de eerste plaats de gedurende lange tijd bestaande onzekerheid over het lot van [slachtoffer 1] en in de tweede plaats de (uiteindelijk gebleken) dood van [slachtoffer 1].

Het eerste deel van de vordering, de schade ten gevolge van de lange periode van onzekerheid, kan naar het oordeel van de rechtbank direct gerelateerd worden aan het onder 2 bewezen verklaarde feit, zijnde het verbergen van het lichaam van [slachtoffer 1]. Het verbergen van het lichaam van een overledene levert naar het oordeel van de rechtbank een onrechtmatige daad op jegens de nabestaanden van de overledene. Het zijn immers de nabestaanden die recht hebben op het stoffelijk overschot van hun dierbare, zodat zij kunnen vaststellen dat hun dierbare is overleden en kunnen doen onderzoeken ten gevolge waarvan.

Dat de benadeelde partij immateriële schade tengevolge van deze jegens haar gepleegde onrechtmatige daad heeft geleden, is voor de rechtbank met de gegeven toelichting en de daarbij behorende bijlagen komen vast te staan. Ingevolge artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek bestaat onder andere recht op immateriële schadevergoeding indien de benadeelde in de persoon is aangetast. Het leed dat de benadeelde partij heeft ondervonden ten gevolge van de lange periode van onzekerheid over het lot van [slachtoffer 1] kan naar het oordeel van de rechtbank hieronder worden geschaard. Alhoewel de rechtbank zich realiseert dat een dergelijk leed niet in enig geldbedrag valt uit te drukken, begroot zij dit deel van de gestelde schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 7.500,-.

Dit bedrag zal worden toegewezen, met toekenning van wettelijke rente met ingang van 5 augustus 2010.

Het tweede deel van de vordering ziet op de gestelde immateriële schade ten gevolge van de ontdekking dat [slachtoffer 1] overleden was. Dit deel van de vordering kan worden gerelateerd aan het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vraag of de benadeelde partij tengevolge hiervan ernstig leed is aangedaan, behoeft geen beantwoording, dat staat buiten kijf. De vraag die wel beantwoord moet worden is of er op grond van de wet ruimte bestaat om voor dit leed schadevergoeding toe te kennen.

De wet kent geen vergoeding voor zogenaamde affectieschade, schade bestaande uit verdriet om het overlijden van een naaste. Wel kan recht bestaan op vergoeding van shockschade. Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan dat is veroorzaakt door de directe waarneming van of confrontatie met een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moet volgens de jurisprudentie sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. Taxibusarrest, HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240).

Bij de behandeling van een vordering tot vergoeding van schade is de maatstaf of de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361, derde lid. Sv. Zoals uit de wetsgeschiedenis is af te leiden, heeft de vordering van de benadeelde partij in het strafproces een accessoir karakter. De behandeling van deze civiele vordering in het strafgeding mag niet ten koste gaan van een vlotte afhandeling van de strafzaak.

De rechtbank is van oordeel dat het bij dit deel van de vordering gaat om een juridisch en feitelijk gecompliceerde schadevergoedingskwestie. Immers, een aantal juridisch ingewikkelde vragen dient beantwoord te worden, zoals

- Is er sprake van versoepeling van de in het Taxibusarrest geformuleerde confrontatie-eis in geval van ernstige misdrijven?

- Kan het geestelijk letsel in rechte worden vastgesteld? Is er sprake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld?

- Is er sprake van shockschade en/of affectieschade? Hoe verhouden deze zich tot elkaar met het oog op het vaststellen van de omvang van de schade?
(vgl: Hof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9330)


De rechtbank is van oordeel dat een zorgvuldige beantwoording van deze vragen nader onderzoek en tijd vergt en dat de burgerlijke rechter bij uitstek het forum is waar deze vragen beantwoord moeten worden. Een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen door de rechtbank in de onderhavige strafprocedure zou een aanzienlijke verdere vertraging en aldus een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het eerste deel van de vordering zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

ZAAKSDOSSIER APOLLO (10/710061-11)

BEOORDELING VAN HET TENLASTEGELEGDE

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat op basis van de resultaten uit het opsporingsonderzoek - in het bijzonder de inhoud van een op 20 december 2011 door de verdachte in het huis van bewaring gevoerd en heimelijk afgeluisterd en opgenomen gesprek (hierna: OVC-gesprek), de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) en hetgeen de verdachte tegenover informant A-3482 heeft verklaard - bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord op het slachtoffer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]).

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken van het in de zaak Apollo tenlastegelegde, nu de verdachte heeft verklaard dat hij daarmee niets te maken heeft. Subsidiair is verzocht om gedeeltelijke vrijspraak, te weten van de primair tenlastegelegde poging tot moord. Uit de inhoud van het door de verdachte op 20 december 2011 gevoerde OVC-gesprek, alsmede uit de verklaringen van diens moeder en diens broer kan worden afgeleid dat de medeverdachte als eerste geweld tegen [slachtoffer 2] heeft toegepast. De medeverdachte is vervolgens in paniek geraakt en [slachtoffer 2] is gaan schreeuwen. Toen de verdachte zich hiermee geconfronteerd zag, heeft hij gehandeld en heeft hij ook geweld op [slachtoffer 2] toegepast. Van ‘kalm beraad en rustig overleg’ is bij de verdachte echter geen sprake geweest; eerder zijn er aanwijzingen dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvond, volgend op de geweldstoepassing door de medeverdachte.

Oordeel rechtbank

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank buiten redelijke twijfel dat zich in de avond van 24 maart 2011 in Spijkenisse het volgende heeft voorgedaan.

De verdachte had het plan opgevat om een dronken man van Poolse komaf, te weten [slachtoffer 2], te beroven. Met het oog daarop heeft hij de medeverdachte opgehaald en hem gezegd dat hij de Poolse man wilde beroven. Nadat zij [slachtoffer 2], die in het bezit was van een koffer en een laptop, op straat hadden getroffen en met hem kris kras door de wijk waren gelopen, kwam het drietal bij een grasveld, gelegen aan de achterzijde van woningen aan de Apollostraat. De verdachte haalde daar een door hem meegebrachte zware ijzeren staaf van 48 centimeter met aan beide uiteinden een moer tevoorschijn, gaf deze aan de medeverdachte en maande hem de Poolse man op zijn hoofd dan wel neer te slaan. De medeverdachte heeft [slachtoffer 2] daarmee vervolgens een klap op het hoofd gegeven, waarop [slachtoffer 2] begon te schreeuwen. Hierna heeft de medeverdachte te kennen gegeven niet meer (verder) te durven, heeft vervolgens wel de koffer (met de laptop) van [slachtoffer 2] afgepakt en is weggelopen. De verdachte riep de medeverdachte na: “Klootzak, maak hem dan af”, of woorden van gelijke strekking. Hierop heeft de verdachte de staaf ter hand genomen en [slachtoffer 2] vier tot vijf keer - in verdachtes eigen woorden - op zijn hoofd geslagen. Toen beide verdachten elkaar even later weer troffen heeft de verdachte tegen de medeverdachte gezegd dat hij de Poolse man had afgemaakt.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte hier heeft gehandeld met voorbedachte raad. Daarbij hanteert zij het toetsingskader dat zij ook al bij de beoordeling van het in de zaak Zargar tenlastegelegde voorop heeft gesteld.

Voor de rechtbank staat vast dat het voornemen om [slachtoffer 2] te doden bij de verdachte al bestond op het moment dat hij de ijzeren staaf aan de medeverdachte gaf en hem maande de man daarmee op het hoofd te slaan. Niet alleen kan dit uit deze handelingen worden afgeleid, maar ook uit de uitlating die de verdachte deed toen de medeverdachte niet meer verder durfde: “Klootzak maak hem dan af”.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op de betekenis en de gevolgen van de gepleegde geweldshandelingen en de tijd gehad heeft om van zijn voornemen af te zien. Toen hij zag dat de medeverdachte ophield te slaan, hij vervolgens zelf de staaf weer ter hand nam, naar [slachtoffer 2] toeliep en deze sloeg, handelde hij zoals hij tevoren had bedacht. Hij maakte immers af wat zijn medeverdachte - ondanks zijn aanmaning daartoe - liet liggen. Uit deze omstandigheden blijkt dat de verdachte handelde met voorbedachte raad. De enkele omstandigheid dat, zoals de verdediging heeft benadrukt, slechts relatief korte tijd gelegenheid heeft bestaan voor reflectie, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel, terwijl voor het handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling geen enkele aanwijzing is. Het op dit punt gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

In het licht van het voorgaande kunnen de handelingen van de verdachte strafrechtelijk als volgt worden geduid. De gedragingen in de eerste fase van de geweldpleging, de fase waarin de medeverdachte het geweld pleegde, kunnen worden gezien als het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag. Met de handelingen in de tweede fase van de geweldpleging, de fase vanaf het moment dat de medeverdachte er vandoor ging en hijzelf begon te slaan, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. In die tweede fase had de medeverdachte zich inmiddels met de koffer uit de voeten gemaakt, zodat toen niet langer sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte en derhalve evenmin van medeplegen. Nu de handelingen in beide fases voor wat betreft de verdachte zijn geworteld in één wilsbesluit, kan in feite gesproken worden van een voortgezette handeling van het medeplegen van een poging tot doodslag en een poging tot moord. De rechtbank leidt uit de tenlastelegging af dat de verwachte primair wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, al dan niet in vereniging gepleegd, en (impliciet) subsidiair aan een al dan niet in vereniging gepleegde poging tot gekwalificeerde doodslag. De wijze van ten laste leggen brengt in deze zaak mee dat “slechts” de gedragingen van de verdachte in de tweede fase van de geweldpleging een bewezenverklaring kunnen opleveren.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 24 maart 2011 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een stok en/of ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

welk vorenomschreven misdrijf (poging tot moord en/of doodslag) werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld in vereniging zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, en welke geweldshandeling(en) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

KWALIFICATIE

Het bewezen verklaarde feit levert op:

Poging tot moord.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2 tevens slachtoffer 2], wonende te [woonplaats benadeelde partij 2], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 23.541,27 aan materiële schade en een bedrag van € 7.500,= aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met uitzondering van de gevraagde compensatie voor een laptop, onder toewijzing van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, primair tot niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in diens vordering geconcludeerd. Subsidiair is afwijzing van de vordering bepleit voor zover deze ziet op opgevoerde schade voor kleding, medische kosten, een laptop, en kosten voor vervoer naar Polen, bij gebrek aan genoegzame onderbouwing. Voorts is gesteld dat de post ‘verlies aan arbeidsvermogen’ een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, hetgeen tot niet ontvankelijkheid moet leiden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vast staat dat door het bewezen verklaarde strafbare feit schade is toegebracht aan kleding (schoenen, spijkerbroek, T-shirt, leren jas) van de benadeelde partij (post 1). Gegeven de betwisting door de verdachte en bij gebreke aan concrete onderbouwing zal de rechtbank deze schade niet begroten op de gevraagde € 425,-, maar deze schattenderwijs vaststellen op € 200,- Voor het overige zal dit deel van de verzochte compensatie worden afgewezen.

De gevraagde vergoeding voor een laptop (post 2) zal worden afgewezen. De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat een in beslag genomen laptop aan de benadeelde partij zal worden geretourneerd. Voor zover er aangaande deze post al schade is geweest, zal die schade hierdoor teniet worden gedaan.

Niet weersproken is dat de benadeelde partij ten gevolge van het incident op 24 maart 2011 epileptische klachten heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de overgelegde (ongedateerde) bon van een Poolse apotheek, vooralsnog onvoldoende kan worden opgemaakt dat de benadeelde partij in verband met die klachten gedurende 24 maanden (maandelijks) een bedrag van € 65,- aan kosten voor het medicijn Depakine heeft gemaakt. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren hem alsnog in de gelegenheid te stellen hierop een toelichting te geven, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering (post 3) niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

Ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor kosten in verband met het vervoer van de benadeelde partij van Nederland naar zijn woonplaats Wloclawek (post 4, eerste deel) geldt dat vast staat dat daardoor kosten zijn gemaakt, dat die kosten een rechtstreeks verband hebben met het bewezen verklaarde en deze alleen voor wat betreft de hoogte daarvan zijn betwist. Ondanks dat er geen specificatie van het aantal gereden kilometers is overlegd, is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat het leeuwendeel van het gevraagde voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de openbare bron google.com/maps blijkt dat de afstand van het Ruwaard van Puttenziekenhuis in Spijkenisse, van waaruit de benadeelde partij op 29 maart 2011 is ontslagen, naar het Provinciaal Ziekenhuis in Wloclawek, waar hij op 2 april 2011 is opgenomen, 1.138 kilometer is, vice versa 2.276 kilometer. Tegen de opgevoerde kilometerprijs van € 0,24 komt dit neer op (0,24 x 2.276) € 546,24. Voor het overige zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde, rechtstreeks schade is toegebracht in de vorm van telefoonkosten (post 5). Deze kosten zijn niet betwist. Bij gebrek aan verdere onderbouwing komt het gevraagde bedrag van € 100,- de rechtbank echter bovenmatig voor. Schattenderwijs zal de rechtbank deze kosten begroten op € 50,- en dit bedrag voor compensatie in aanmerking brengen. Voor het overige zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Nu niet is betwist en is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde, rechtstreeks schade is toegebracht in de vorm van reiskosten van € 861,12 voor het bijwonen van de terechtzitting van 6 juni 2013 (post 4, tweede deel) en in de vorm van de kosten voor de bijstand van een tolk van € 744,97 (post 6, eerste deel) en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zullen deze onderdelen van de vordering worden toegewezen.

De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op gesteld verlies aan arbeidsvermogen (post 6, tweede deel), levert, mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging, een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu niet is betwist en komen vast te staan is dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde, rechtstreeks schade is toegebracht in de vorm van immateriële schade ter hoogte van € 7.500,- (post 7) en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal ook dit onderdeel van de vordering worden toegewezen.

In totaal zal de verdachte worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.902,33, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de verdachte het feitencomplex ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

De onderdelen van de vordering van de benadeelde partij waarin deze niet-ontvankelijk is verklaard, kunnen slechts worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Nu de vordering van de benadeelde partij in niet onbelangrijke mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

ZAAKSDOSSIER MALLEDIJK (10/710020-10)

BEOORDELING VAN HET TENLASTEGELEGDE

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gekwalificeerde doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Daartoe is aangevoerd dat een eenzijdig ongeval op basis van de bevindingen ter plaatse in combinatie met het letsel van [slachtoffer 3] kan worden uitgesloten en dat van een misdrijf moet worden uitgegaan. Vastgesteld kan worden dat de verdachte op 28 januari 2010 op de Malledijk was. Voorts blijkt uit de gesprekken die de verdachte in de penitentiaire inrichting met zijn zus en met medegedetineerden voert, alsmede de bevindingen daaromtrent, dat hij dat misdrijf heeft gepleegd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Aangevoerd is dat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 3] door een misdrijf om het leven is gebracht en dat evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte op 28 januari 2010 op de Malledijk te Spijkenisse was. Uit het op 20 december 2011 tussen de verdachte en zijn zus [getuige 4] gevoerde OVC-gesprek en uit de gesprekken met andere gedetineerden kan geen betrokkenheid van de verdachte met deze specifieke zaak worden afgeleid. De verklaringen van [getuige 4] daarover zijn louter gebaseerd op haar eigen interpretaties.

Oordeel rechtbank

Feiten en omstandigheden

In de ochtend van 28 januari 2010 wordt in een sloot langs de Malledijk te Spijkenisse een vrouw aangetroffen, die later blijkt te zijn genaamd [slachtoffer 3]. Haar fiets wordt zo’n 30 meter verder op het ijs van een bevroren sloot aan de andere zijde van de Malledijk aangetroffen. Op het moment van het aantreffen van [slachtoffer 3] leeft zij, maar is zij er slecht aan toe. Zij heeft een wond op haar hoofd en is zwaar onderkoeld. Ter plekke wordt zij gereanimeerd voordat zij naar het ziekenhuis wordt vervoerd.

Behalve de twee getuigen die verklaren dat zij in de vroege ochtend twee jongens of mannen op de Malledijk achter elkaar aan hebben zien lopen, hebben zich geen getuigen gemeld die daadwerkelijk hebben gezien wat er met [slachtoffer 3] is gebeurd en tengevolge waarvan zij haar letsel heeft opgelopen. Haar buurvrouw heeft haar die ochtend wel rond 6.15 uur van huis zien vertrekken.

Op 1 februari 2010 beschrijft een forensisch arts het letsel van [slachtoffer 3]. Zij blijkt onder meer meerdere schedeldakfracturen te hebben, 4 gebroken ribben en een ingeklapte long. Voorts heeft zij een mogelijke kneuzing van de alvleesklier en van de nier. De arts constateert dat het letsel kan zijn ontstaan door behoorlijk uitwendig geweld, bijvoorbeeld door een ongeval/aanrijding of door slaan op de schedel. Dat al het letsel is ontstaan door een val op het ijs, lijkt de arts minder waarschijnlijk.

Op 2 februari 2010 is [slachtoffer 3] overleden. Zij heeft zelf niet meer kunnen vertellen wat er is gebeurd op 28 januari 2010 en waardoor zij het letsel heeft opgelopen.

De patholoog heeft op 4 februari 2010 sectie verricht. Er wordt onder meer een impressiefractuur aan het schedeldak rechtsboven geconstateerd met uitwaaierende fractuurlijnen naar de voorste en middelste schedelgroeve rechts. De kroonnaad week uiteen door traumatische verscheuring van de verbinding. Er was veel begeleidende bloeduitstorting. Er was bloed onder het harde hersenvlies en er waren bloederige zachte hersenvliezen. De hersenen waren gezwollen, zeer week en toonden tekenen van inklemming. In de borstkas waren aan beide zijden ribfracturen met begeleidende bloeduitstortingen. De patholoog concludeert dat de letsels het gevolg zijn van heftig botsend geweld op het hoofd rechts en heftige compressie van de borstkas. Het overlijden kan goed worden verklaard op grond van de opgelopen hersenschade. De letsels zijn het gevolg geweest van heftig mechanisch botsend geweld op het lichaam en kunnen passen bij, maar zijn niet bewijzend voor een eenzijdig fietsongeval.

Op de plek waar [slachtoffer 3] en haar fiets langs de Malledijk zijn aangetroffen is zowel door de technische en ongevallendienst van de verkeerspolitie als door de forensische opsporing onderzoek verricht. Uit het onderzoek van de verkeerspolitie blijkt onder meer dat:

  • -

    er geen rijtechnische of infrastructurele oorzaken zijn aan te wijzen voor het ongeval;

  • -

    er geen bijzondere weersomstandigheden waren;

  • -

    er geen schade was aan de fiets waaruit bleek dat ze was aangereden;

  • -

    niet is vast te stellen, waardoor de bestuurster van de fiets de westelijke grasberm/slootkant is ingereden en ten val is gekomen;

  • -

    niet is vast te stellen, waardoor de bestuurster van de fiets in de oostelijk van de Malledijk gelegen sloot terecht is gekomen.

De conclusie van het forensisch onderzoek luidt dat niet is vast te stellen of het slachtoffer gewond is geraakt als gevolg van een (eenzijdig) verkeersongeval of van een misdrijf. Voor het laatste scenario zijn ter plaatse geen aanwijzingen gevonden.

Teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of [slachtoffer 3] inderdaad het slachtoffer is geworden van een eenzijdig ongeval, dan wel is aangereden of mishandeld, is een forensisch medisch onderzoek verricht door dr. H.G.T. Nijs, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). In zijn rapport van 18 februari 2011 concludeert hij dat op basis van de bestudeerde materialen geen aanwijzingen werden verkregen die een ander licht op de sectiebevindingen en -conclusies zouden kunnen werpen en die niet zouden kunnen passen bij de veronderstelde toedracht inzake een (ongelukkig) eenzijdig fietsongeval. Echter, de afwezigheid van aanwijzingen bij forensisch-medisch onderzoek kan een andere toedracht, waaronder betrokkenheid van één of meer andere personen, niet uitsluiten, aldus de deskundige.

De exacte toedracht van hetgeen zich heeft afgespeeld op 28 januari 2010 is tot dan toe niet komen vast te staan en de politie heeft het onderzoek naar deze zaak op enig moment gesloten. Berichtgeving daarvan is verschenen in de media, bijvoorbeeld op 5 april 2011, waarbij wordt vermeld dat niet is vast te stellen of [slachtoffer 3] is aangereden of zelf is gevallen.

De verdachte komt in beeld, OVC-gesprek 20 december 2011

Op 20 december 2011 heeft de verdachte, die op dat moment in preventieve hechtenis verblijft voor de zaak Zargar, in de penitentiaire inrichting te Krimpen aan den IJssel een gesprek met zijn zus, [getuige 4], die op dat moment bij hem op bezoek is. Dit gesprek is opgenomen en bevat, nadat door de verdachte en [getuige 4] is gesproken over de zaak Zargar, de volgende passage:

[verdachte]: (ntv) Voor allebei laat ik het zo zeggen, the wrong place, the wrong time. (ntv) dat is wat ik al zeg (ntv) Het is probleem is nou. Die klootzak als hij nou gaat lullen over die andere.

(…)

[getuige 4]: Was ook een diefstal of niet.

[verdachte]: Dat was een (ntv). Dat was een roof.

[getuige 4]: Huh?

[verdachte]: Dat was roof.

[getuige 4]: Roof? Ook daar in de buurt

[verdachte]: In de buurt maar niet in het park.

[getuige 4]: Gezond of niet?

[verdachte]: Ja.

[getuige 4]: Er was er toen natuurlijk eentje gevonden daaro met een scoot-mobiel geloof ik.

[verdachte]: Nee, dat was niet een scoot-mobiel, maar dat was anderhalf jaar geleden, twee duizend (ntv). Maar wat ik al zeg.

[getuige 4]: Goed weggewerkt.

[verdachte]: Ja, laat ik het zo zeggen, wederom ik lach wel en dit en dat, maar mensen zeggen wel eens (ntv) als je op de computer op internet (ntv) de politie heeft het onderzoek gestaakt en afgesloten. (ntv) te laten vertellen of dat ze is aangereden of ik weet.

[getuige 4]: Hebben ze haar nog gevonden.

[verdachte]: Ja, diezelfde ochtend nog destijds. Ja, dat is gewoon afgesloten. Ja.

[getuige 4]: Daar heb ik helemaal niks van gehoord.

[verdachte]: Nee, maar het staat wel op de computer alles (ntv) Niet op onze, maar gewoon in het algemeen, (ntv) maar kijk.

[getuige 4]: Dan kan je toch wel een keer gaan vertellen hoe je dat hebt gedaan.

[verdachte]: Ja, waarom (ntv) maarre (ntv) nee. Wat ik al zeg ik van alles ik lig er niet wakker van (ntv) ik lig er niet wakker van (ntv)

Dit gesprek bevat een aantal zeer specifieke elementen dat naar het oordeel van de rechtbank op z’n minst genomen aan het aantreffen van [slachtoffer 3] langs de Malledijk doet denken:

  • -

    In de buurt maar niet in park”; de Malledijk ligt naast het Mallebos, maar niet erin;

  • -

    Het betreft een ‘ze’, een vrouw dus;

  • -

    Ze hebben haar dezelfde ochtend nog gevonden’; dat was het geval bij [slachtoffer 3];

  • -

    De politie heeft het onderzoek gestaakt en afgesloten” en “te laten vertellen dat ze is aangereden”; met name dit laatste is in het bijzonder ook aan de orde in het onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het aantreffen van [slachtoffer 3] en is als mogelijke oorzaak naar buiten gebracht in de media.

Dat de in voornoemde passage voorkomende elementen goed passen bij de zaak van [slachtoffer 3] blijkt ook uit het onderzoek dat de politie heeft verricht in het bedrijfsprocessensysteem (BHV) van de politie. Gezocht is naar alle mogelijke incidenten/zaken waarop de verdachte in voornoemde passage van het gesprek mogelijk gedoeld zou kunnen hebben, om precies te zijn naar incidenten in de periode 1 januari 2009 tot en met 13 oktober 2011 in de gemeenten Spijkenisse en Bernisse. Alleen de zaak met betrekking tot [slachtoffer 3] blijkt aan die elementen te voldoen.

De zus van de verdachte, [getuige 4], bevestigt bovendien dat de verdachte in bovengenoemde passage spreekt over de zaak [slachtoffer 3]. In diverse verklaringen die zij heeft afgelegd bij de politie en ook bij de rechter-commissaris, benadrukt zij dat zij met haar broer - de verdachte - heeft gesproken over de zaak met betrekking tot [slachtoffer 3]. Alhoewel hij haar naam niet specifiek heeft genoemd, heeft [getuige 4] de overtuiging dat het over [slachtoffer 3] ging. Zij heeft verklaard dat het ging over de zaak waarvan haar broer ook verdacht werd (dat had zij via de media of van de politie gehoord) en de vrouw die was gevonden bij de bevroren sloot.

De verdachte heeft haar verteld dat het over die gehandicapte vrouw ging die op het ijs was gevonden. Over het jaartal dat de verdachte noemt in de zinsnede “maar dat was anderhalf jaar geleden, twee duizend (ntv)”, verklaart [getuige 4] dat in dit verband door haar broer het jaartal 2010 is genoemd. De verdachte heeft haar niet verteld hoe en waarom, maar wel dat hij het heeft gedaan en dat hij verantwoordelijk is voor haar dood.

Het is duidelijk dat het [getuige 4] moeite kost om dit aan de politie en later ook aan de rechter-commissaris te vertellen. Zij realiseert zich dat zij daarmee een voor haar broer, met wie zij een zeer hechte band heeft, mogelijk zeer belastende verklaring aflegt. De rechtbank ziet hierin te meer reden haar verklaring op dit punt geloofwaardig te achten.

In het gegeven dat in het OVC-gesprek de naam [slachtoffer 3] niet valt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat [getuige 4] (die via de media dan wel de politie over deze zaak had gehoord) het gesprek hier wellicht onjuiste interpreteert. Nog afgezien van het feit dat zij steeds zeer consequent en stellig is met betrekking tot de vraag of haar gesprek met haar broer over de zaak [slachtoffer 3] ging, heeft zij nog een aantal specifieke elementen genoemd die haar broer haar heeft verteld, zoals het gegeven dat het niet om een scootmobiel ging (zoals zij zelf veronderstelde), dat het om de vrouw ging die was gevonden bij de bevroren sloot en het jaartal 2010.

Dat [getuige 4] druk zou hebben gevoeld om te verklaren en daarom een onjuiste of te verstrekkende interpretatie van het gesprek zou hebben gegeven, acht de rechtbank niet aannemelijk. [getuige 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard over de wijze waarop de gesprekken met de politie zijn verlopen. Daaruit blijkt geenszins dat zij zich onder druk gezet voelde of anderszins de behoefte heeft gevoeld (te) verstrekkend te verklaren. Integendeel, ook bij de rechter-commissaris benadrukt zij nog eens hoe lastig het voor haar is om een dergelijke verklaring over haar broer af te leggen. Niettemin blijft zij bij de rechter-commissaris bij haar verklaring dat de verdachte in voornoemde passage over [slachtoffer 3] sprak en dat hij jegens haar heeft toegegeven verantwoordelijk te zijn voor haar dood.

Dat de verklaring van [getuige 4] tot slot zou zijn beïnvloed door haar wens om in deze zaak ook de medeverdachte te belasten, verklaart op geen enkele wijze waarom zij dan ten onrechte belastend over haar broer zou verklaren.

Gezien het voorgaande hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van [getuige 4], voor zover zij verklaart over hetgeen haar broer haar ten aanzien van zijn rol in de zaak met betrekking tot [slachtoffer 3] heeft verteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat haar verklaring op dat punt steun vindt in de eigen bevindingen van de rechtbank en de bevindingen van de politie ten aanzien van deze passage.

Gezien de inhoud van het hiervoor weergegeven OVC-gesprek, de bevindingen van de politie daaromtrent bij de gemaakte zoekslag naar mogelijke andere ongevallen/zaken en de verklaring van [getuige 4] is naar het oordeel van de rechtbank vrijwel geen andere conclusie mogelijk dan dat de verdachte in het hiervoor (deels) weergegeven gesprek spreekt over hetgeen [slachtoffer 3] op 28 januari 2010 is overkomen op de Malledijk te Spijkenisse.

In theorie kan niet geheel worden uitgesloten dat de verdachte in de hiervoor bedoelde passage over iets of iemand anders spreekt of heeft bedoelen te spreken. Gezien al hetgeen hiervoor is weergegeven, had het dan op de weg van de verdachte gelegen hierover enige verklaring te geven. Eén en andermaal is aan hem gevraagd waarover dit gesprek gaat en hem is door de politie meermalen en vervolgens ter zitting ook door de rechtbank uitgebreid voorgehouden welke interpretatie de politie en zijn zus aan dit gesprek hebben gegeven. De verdachte heeft hierover echter geen enkele verklaring willen afleggen. Ook op de vraag of zijn zus het gesprek mogelijk verkeerd had begrepen, heeft hij geen antwoord gegeven.

Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er vanuit dat in vorenbedoelde passage door de verdachte wordt gesproken over [slachtoffer 3] en hetgeen haar op 28 januari 2010 is overkomen.

Gesprek informant A-3482

Een ander gesprek dat de verdachte tijdens zijn detentie heeft gevoerd en dat doet denken aan de zaak van [slachtoffer 3], is het gesprek dat de verdachte op 30 juli 2012 voert met informant A-3482. Nadat tussen de verdachte en informant A-3482 gesproken is over een Pool die de verdachte zou hebben beroofd en die hij meerdere klappen met een loden pijp op zijn hoofd zou hebben gegeven, verklaart de verdachte het volgende:

“De politie probeerde nog drie berovingen op mij weg te schrijven omdat het

dezelfde werkwijze was. Maar hier waren helemaal geen bewijzen of sporen van, dus die

heeft mijn advocaat weg kunnen lullen. Ik heb die drie berovingen natuurlijk wel gedaan.

Daarvan was er ook een, een vrouw. Die heb ik ook met een pijp haar hoofd

ingeslagen. Ik heb twee/driehonderd euro gepakt en een kettinkje dat later

nepgoud bleek te zijn. Die vinden ze nooit meer terug. Dat was in Zuid-Holland. Ik hoefde

deze buit in ieder geval niet te delen. Ik deed die dingen altijd voor geld of omdat ik

bedreigd werd.”

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit gesprek welhaast zeker moet gaan over de zaak [slachtoffer 3]. Er wordt immers gesproken over nog drie berovingen die de politie op hem - de verdachte - zou willen wegschrijven, zaken dus waarvan de politie hem in het onderhavige onderzoek verdenkt. Niet in aanmerking komt de zaak Apollo, daarover wordt immers daarvoor gesproken (de Pool). Wel komen de tenlastegelegde berovingen die vallen onder het onderzoek Sterrenkwartier en de zaak Malledijk in aanmerking. De zaak Zargar niet, dit betrof immers geen ‘zelfde werkwijze’, zijnde - zoals de verdachte zelf verklaart - het met een pijp inslaan van het hoofd. Onder de zaken die in het onderzoek Sterrenkwartier als beroving zijn ten laste gelegd, bevindt zich geen zaak waarin sprake is van het inslaan van het hoofd met een pijp. Dan blijft slechts de zaak Malledijk over. Daar komt bij dat het letsel dat bij [slachtoffer 3] is geconstateerd, zeer goed kan passen bij het meermalen slaan met een pijp op het hoofd en het lichaam.

Gezien het voorgaande en bij gebreke van enige andere uitleg van de zijde van de verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte in dit gesprek over de zaak Malledijk heeft gesproken.

Aanwezigheid van de verdachte op de Malledijk op 28 januari 2010

De aanname dat de verdachte in voornoemde gesprekken uit eigen wetenschap vertelt over hetgeen op 28 januari 2010 op de Malledijk met [slachtoffer 3] is gebeurd (en derhalve daar aanwezig moet zijn geweest), wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 5] die op 28 januari 2010 op de Malledijk ter plekke was, vlak voordat de fiets van [slachtoffer 3] (en later [slachtoffer 3] zelf) is gevonden. Zij verklaart in februari 2010 dat zij toen en daar twee mannen heeft zien lopen. Ten aanzien van één van de mannen geeft zij het volgende signalement: ongeveer 1.70 meter lang, ongeveer 25 jaar oud, een heel smal ovaal gelaat en kleine ogen. De getuige weet niet of het nu wel of geen Nederlander was, mede vanwege zijn ongeschoren gelaat. Het leek volgens de getuige hierdoor dat hij een wat getint gelaat had. De rechtbank merkt op dat dit signalement past bij dat van de verdachte.

De getuige verklaart voorts dat deze man veel lijkt op de man die bij haar in de straat altijd de ochtendkrant bezorgt. “Gelet op zijn gezicht, leeftijd en postuur lijkt hij er veel op. Hij draagt dan ook die donkere jas. Hij bezorgt de krant met een fiets met rode fietstassen. Hij brengt de krant bij de bewoners van de flat aan de overzijde. Het is een galerijflat op de hoek van de Planetenlaan met de Uranusstraat”, aldus de getuige.

Bij een doorzoeking aan de Venusstraat 7 zijn rode fietstassen en blauwe regenjassen aangetroffen die volgens zijn familie van de verdachte zijn. In één van die regenjassen is een wijklijst van de Telegraaf, gedateerd 5 februari 2010, aangetroffen met daarop onder meer het adres Uranusstraat 20c Spijkenisse. De depothouder van de Telegraaf - een ochtendkrant - heeft bevestigd dat de verdachte in de periode december 2008 tot en met 28 februari 2010 de Telegraaf heeft bezorgd in de wijk Sterrenkwartier, de wijk waarin de Uranusstraat valt.

Gezien het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat getuige [getuige 5] in de vroege ochtend van 28 januari 2010 vlak voor het aantreffen van [slachtoffer 3], de verdachte heeft zien lopen op de Malledijk. Het enkele gegeven dat zij hem ruim twee jaar later bij een meervoudige fotoconfrontatie niet meer herkent, doet daar niet aan af.

Toedracht

Wat op 28 januari 2010 exact de feitelijke toedracht is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank thans niet meer worden vastgesteld.

Wel kan, gezien al het voorgaande, worden vastgesteld dat de verdachte tegenover zijn zus heeft bekend verantwoordelijk te zijn voor de dood van [slachtoffer 3] en dat [slachtoffer 3] door heftig botsend mechanisch geweld op het hoofd en het lichaam, het letsel heeft bekomen ten gevolge waarvan zij is overleden.

Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank in de conclusies van de technische en ongevallendienst van de verkeerspolitie en de forensische opsporing geen beletsel om uit te gaan van een misdrijf. Immers, in de door beide diensten opgemaakte rapporten wordt de mogelijkheid van een misdrijf uitdrukkelijk opengelaten. Het enkele gegeven dat daarvoor geen specifieke aanwijzingen zijn gevonden op de plaats delict (zoals bijvoorbeeld een wapen) maakt niet dat er geen sprake kán zijn geweest van een misdrijf. Voorts is het niet onlogisch dat, bij gebreke van specifieke aanwijzingen voor een misdrijf (zoals bijvoorbeeld een gevonden wapen of getuigen die anders verklaren), vooralsnog werd uitgegaan van een eenzijdig ongeval, een scenario dat op dat moment niet kon worden uitgesloten. De rechtbank merkt daarbij op dat ook voor het scenario van een eenzijdig ongeval geen specifieke aanwijzingen zijn gevonden. Gezien de uitlatingen van de verdachte jegens zijn zus en A-3482, wordt dit scenario thans niet langer aannemelijk geacht.

Hetzelfde geldt in feite voor de onderzoeken naar de letsels van [slachtoffer 3]. Waar de forensisch arts nog benoemt dat het onwaarschijnlijk is dat een enkele val op het ijs al het letsel heeft doen ontstaan, heeft de patholoog en ook de forensisch medisch onderzoeker geconcludeerd dat de letsels het gevolg zijn geweest van heftig mechanisch botsend geweld op het lichaam en kunnen passen bij, maar niet bewijzend zijn voor, een eenzijdig ongeval. De forensisch medisch onderzoeker voegt daar aan toe dat een andere toedracht, waaronder betrokkenheid van één of meer andere personen, niet kan worden uitgesloten. Ook het onderzoek naar de letsels geeft met andere woorden geen uitsluitsel over de vraag of de letsels door een eenzijdig ongeval dan wel door een misdrijf moeten zijn ontstaan. Beide opties blijven open, terwijl er geen aanwijzingen zijn die meer in de één of meer in de andere richting doen denken. Ook deze conclusies staan er derhalve niet aan in de weg om op basis van het bovenstaande aan te nemen dat het de verdachte is geweest die het heftig mechanisch botsend geweld op het lichaam van [slachtoffer 3] heeft toegepast.

Uit de verklaring van de verdachte tegen informant A-3482 kan worden afgeleid dat dit heftig mechanisch botsend geweld heeft bestaan uit het met een pijp slaan op het hoofd van [slachtoffer 3]. Gelet op deze buitengewoon ernstige vorm van geweld op het hoofd van [slachtoffer 3] kan het niet anders dan dat het verdachtes bedoeling is geweest om haar te doden.

Voorts kan worden vastgesteld dat de aanleiding van het incident roof betrof. De verdachte heeft dat immers zelf tegenover zijn zus en informant A-3482 verklaard. Niettegenstaande het gegeven dat thans niet meer vastgesteld kan worden of er die dag daadwerkelijk iets van [slachtoffer 3] is afgenomen en zo ja wat, acht de rechtbank op basis van de verklaring van de verdachte in voornoemde passages, bewezen dat het een beroving betrof. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding voor de verdachte om daar tegen zijn zus en informant A-3482 onjuist over te verklaren. Zij ziet voorts geen enkele andere uitleg dan dat de doodslag uiteindelijk is gepleegd om de roof mogelijk te maken. De verdachte stelt in beide voornoemde gesprekken dat het om roof ging. Dat stond kennelijk voorop. Bij gebreke van enige andere uitleg gaat de rechtbank ervan uit dat het gepleegde geweld ten dienste stond van de roof, om die roof mogelijk of gemakkelijk te maken dan wel om aan de verdachte straffeloosheid te verzekeren.

Conclusie rechtbank

Voorgaande overwegingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte [slachtoffer 3], door meermalen met een pijp met kracht op het hoofd te slaan, om het leven heeft gebracht en dat hij dat heeft gedaan om diefstal van haar spullen mogelijk te maken en/of zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3]

  • -

    van een fiets geduwd en/of getrokken (mede)tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde [slachtoffer 3] ten val gebracht, en/of

  • -

    meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, in elk geval (heftig) uitwendig mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van) voornoemde [slachtoffer 3] toegepast,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (poging)diefstal met geweld/afpersing, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

KWALIFICATIE

Het bewezen verklaarde feit levert op:

Doodslag gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

ZAAKSDOSSIER STERRENKWARTIER (10/710275-11)

BEOORDELING VAN HET TENLASTEGELEGDE

Zaken Schopvoorde en Duikerhoek (feiten 1 primair en 2 primair)

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte was samen met de medeverdachte op pad om mensen te beroven en beiden wisten heel goed wat zij gingen doen. Er is dan ook sprake van medeplegen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. De verdachte is bij beide voorvallen aanwezig geweest, maar heeft geen uitvoeringshandelingen verricht. Voorts kan niet gesproken worden van medeplegen, nu ten aanzien van de verdachte en de medeverdachte geen sprake is geweest van gelijkwaardige rollen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 13 oktober 2011 zijn de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] in de avond samen met de fiets op pad gegaan. Op enig moment kwamen zij aangeefster [slachtoffer 4] tegen. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de achterste persoon van de fiets sprong en voor haar ging staan. Zij zag dat hij een vuurwapen tevoorschijn haalde en op haar richtte. Zij hoorde hem roepen: “stoppen of ik schiet je dood”. Zij wist weg te komen zonder dat er spullen van haar werden afgenomen. Hierna zijn de verdachte en zijn medeverdachte terug naar het schuurtje in de Venusstraat gegaan. [getuige 5] heeft verklaard dat zij, toen zij bij het schuurtje aankwamen riepen ‘het is mislukt, het is mislukt’. Toen die verklaring aan de medeverdachte werd voorgehouden, heeft deze verklaard dat ‘het mislukt was’ omdat hij en de medeverdachte geen spullen hadden; het slachtoffer had niets gegeven. Hij heeft ook verklaard dat ze elkaar na de eerste keer hebben opgefokt om het nog een keer te proberen. Nadat de verdachte en zijn medeverdachte even in het schuurtje waren geweest, zijn ze weer op pad gegaan. Ditmaal kwamen zij [slachtoffer 5] tegen. De medeverdachte heeft verklaard dat hij het meisje op het fietspad heeft tegengehouden en haar onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gedwongen tot afgifte van haar telefoon. Na dit voorval zijn de mannen samen terug naar het schuurtje gegaan.

De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat de verdachte en zijn medeverdachte de avond van 13 oktober 2011 een gemeenschappelijk voornemen hadden om mensen te beroven. Dat bij de verdachte dit voornemen al bestond voordat hij met de medeverdachte op pad ging, wordt onderstreept door de verklaring van [getuige 5] dat de verdachte voor diens vertrek uit het schuurtje een ronde ijzeren stok met aan het uiteinde grote bouten onder zijn jas stopte.

Nadat de eerste beroving was mislukt, zijn de verdachte en de medeverdachte vrij snel weer samen op pad gegaan en toen is het gelukt om [slachtoffer 5] van haar telefoon te beroven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wel degelijk gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. Bij het tweede incident is het duidelijk de medeverdachte geweest die de confrontatie met het slachtoffer is aangegaan. Met betrekking tot het eerste incident van die avond hebben de verdachte en de medeverdachte naar elkaar gewezen en is zodoende onduidelijk wie van de twee de uitvoeringshandelingen heeft gepleegd. Of er bij de uitvoering al dan niet sprake is geweest van gelijkwaardige rollen en wie welke rol heeft gespeeld, is hier naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend. Beide verdachten hadden een gezamenlijk doel, het beroven van mensen, en gingen daartoe samen op pad in de wetenschap dat één van hen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich had. De buit werd vervolgens gedeeld. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan respectievelijk een afpersing en een poging diefstal met geweld.

Zaak Venus (feit 3)

[slachtoffer 6] heeft aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte, gepleegd op 13 oktober 2011. Volgens de verklaring van [slachtoffer 6] heeft de verdachte tegen hem gezegd dat wanneer [slachtoffer 6] hem zou verlinken, hij alsnog de kogel zou krijgen. [slachtoffer 6] is de enige die over deze bedreiging heeft verklaard, de uitlating vindt geen verdere steun in het dossier. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, zodat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Zaak M.A. de Ruijterstraat (feit 4)

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de inbraak in de woning van de medeverdachte. Daartoe is het volgende redengevend.

De verdachte heeft verklaard dat de medeverdachte de inbraak feitelijk heeft gepleegd en dat hij daarbij op de uitkijk heeft gestaan. Aanvankelijk heeft de medeverdachte deze gang van zaken bevestigd. Pas toen hem nadere vragen werden gesteld, verklaarde deze dat de verdachte ook in de woning is geweest. Vanwege deze inconsistentie en omdat voor de stelling dat de betrokkenheid van de verdachte groter is geweest dan het enkele op de uitkijk staan geen andere aanwijzing is, staat de als tweede door de medeverdachte gegeven lezing niet buiten redelijke twijfel. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat de verdachte een min of meer aan de medeverdachte gelijkwaardige rol heeft gehad, hetgeen in de weg staat aan het bewijs van het medeplegen van een delict.

Nu evenmin bewezen kan worden dat de verdachte het primair tenlastegelegde als pleger heeft begaan, zal hij daarvan worden vrijgesproken. De subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan woninginbraak is wel wettig en overtuigend bewezen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat

1. primair (zaak Schopvoorde)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse op of aan de openbare weg, de Schopvoorde, althans op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

  • -

    blokkeren van de doorgang van die [slachtoffer 5], terwijl die [slachtoffer 5] op de fiets zat, en/of

  • -

    richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 5], en/of doorladen van dat (op een) vuurwapen (gelijkende) voorwerp, en/of

  • -

    (daarbij) aan die [slachtoffer 5] (dreigend) toevoegen van de woorden: "geef je mobiel, geef je mobiel", althans woorden van dreigende aard en/of strekking, en/of

  • -

    vastpakken van de keel/hals van die [slachtoffer 5];

2. primair (zaak Duikerhoek)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of

geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- de doorgang van die [slachtoffer 4] heeft geblokkeerd, terwijl die [slachtoffer 4] op een fiets

zat, en/of

  • -

    een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 4] heeft gericht, en/of

  • -

    aan die [slachtoffer 4] de woorden heeft toegevoegd: "stoppen of ik schiet je dood";

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. subsidiair (zaak M.A. de Ruijterstraat)

[medeverdachte] op of omstreeks 11 september 2011 te Spijkenisse met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de M A de Ruijterstraat heeft weggenomen sieraden en/of een geldkist met daarin ongeveer 2000 euro en/of een dolby surround systeem en/of een laptop en/of een navigatiesysteem (TomTom) en/of een fototoestel en/of een enveloppe met daarin ongeveer 300 euro en /of drie Albert Heijn spaarboekjes met een waarde van 150 euro en/of twee jassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

5. ( zaak Mars)

hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te Spijkenisse, in elk geval in Nederland,

één of meermalen (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten in totaal 403 420

foto's en/of 2 films, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een

persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was

betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of

aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd

en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad

en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking

van een communicatiedienst de toegang tot die afbeelding(en) heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis van het lichaam

van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,

en/of

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een

(ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog

niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of (een)

voorwerp(en),

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de

penis,

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door

een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met

de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong,

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij

deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt is/zijn en/of in een omgeving

en/of met (een) voorwerp(en) (eventueel aanvullen met soort voorwerp) en/of

in (een)(erotisch getinte) houding(en) poseert/poseren die niet bij haar/hun

leeftijd past/passen

en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of

de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld

gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt en/of het spuiten/zichtbaar maken van sperma op het lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling;

(artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

KWALIFICATIE

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

1. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg

2. poging diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen;

4. medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5 eendaadse samenloop van

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd

en

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3 tevens slachtoffer 5], wonende te [woonplaats benadeelde partij 3], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 132,- aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade.

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, zulks onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade, groot € 132,-, is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet op inhoudelijke gronden heeft betwist, zal deze worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag van € 1.000,- komt de rechtbank, in vergelijking met hetgeen in vergelijkbare zaken voor vergoeding in aanmerking wordt gebracht, bovenmatig voor. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derhalve zal de verdachte worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 632,- aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

STRAFBAARHEID FEITEN

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd. Daarvoor ziet zij aanleiding en grond in de ernst van de bewezen feiten en de omstandigheid dat de verdachte geen enkel berouw heeft getoond voor wat hij heeft aangericht. Daarnaast is door toedoen van de verdachte onvoldoende zicht op de persoon van de verdachte verkregen, terwijl er een groot gevaar bestaat dat de verdachte zich, na terugkeer in de maatschappij, opnieuw aan zeer ernstige misdrijven zal schuldig maken.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om niet over te gaan tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Een dergelijke straf dient vanuit humanitaire overwegingen slechts bij hoge uitzondering te worden opgelegd. Ook bij de meest ernstige misdrijven dient een verdachte zicht te blijven houden op terugkeer in de maatschappij. Daarbij komt dat, zoals uit jurisprudentie blijkt, de aanwezigheid van een ‘evident gevaar voor herhaling van soortgelijke delicten’ een noodzakelijke voorwaarde is voor het opleggen van deze ultieme sanctie. Bij gebrek aan eerdere veroordelingen voor geweldsfeiten en waar de deskundigen van het Pieter Baan Centrum de vraag naar het recidivegevaar niet hebben kunnen beantwoorden, is er onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat aan deze voorwaarde is voldaan. Voorts heeft de verdediging verzocht niet over te gaan tot oplegging van de tbs-maatregel. Daarbij is opgemerkt dat daarvoor geen ruimte is, nu de deskundigen geen gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bij de verdachte hebben vastgesteld.

Oordeel rechtbank

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Sinds 5 augustus 2010 is [slachtoffer 1] verdwenen en is er geen enkel levensteken meer van haar vernomen. Haar naaste familie en toenmalige partner zijn achtergebleven met de vraag wat er met haar gebeurd zou kunnen zijn en hebben in hun hoofd allerlei scenario’s de revue laten passeren, tot aan ontvoering naar Afghanistan toe. In november 2011, dus meer dan een jaar later, is haar lichaam gevonden in het Mallebos te Spijkenisse, op aanwijzing van de verdachte.

Hij lijkt in het Mallebos te hebben gewacht om iemand te kunnen beroven en toen de
21-jarige [slachtoffer 1] langsfietste, was zij voor hem de geschikte prooi. Het is echter niet gebleven bij een beroving: de verdachte heeft haar gewurgd en met messteken om het leven gebracht en vervolgens haar lichaam in het bos begraven. Na een aantal weken is hij teruggegaan naar die plaats en heeft hij een voet van haar lichaam afgezaagd en vervolgens in een pot onder zijn schuur begraven. De verdachte heeft de nabestaanden hiermee onnoemelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Niet alleen heeft hij hen lange tijd in tergende onzekerheid laten verkeren over het lot van [slachtoffer 1], maar toen eenmaal duidelijk was dat zij niet meer in leven was, werden zij ook nog eens geconfronteerd met de meest gruwelijke details over hetgeen de verdachte met haar en haar stoffelijke resten had gedaan. Uit de ter zitting namens de moeder van [slachtoffer 1] voorgelezen verklaring bleek welk effect dit op hun leven heeft gehad en nog steeds heeft.

Op 28 januari 2010 is [slachtoffer 3] zwaar gewond aangetroffen in een sloot bij de Malledijk. Zij is uiteindelijk op 2 februari 2010 aan haar verwondingen bezweken. Ook voor de familie van [slachtoffer 3] is lange tijd onduidelijk geweest of zij tengevolge van een ongeluk was overleden, of dat er sprake is geweest van een geweldsmisdrijf. Omdat de politie noch het ene, noch het andere scenario sluitend kreeg, is het onderzoek naar haar dood afgesloten en kon de familie aan de rouwverwerking beginnen.

In januari 2012 kwam er ineens een ander licht op de zaak en werd duidelijk dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de dood van [slachtoffer 3]. Hij heeft haar meermalen met een zware ijzeren pijp op het hoofd geslagen, waardoor zij zodanig ernstig verwond is geraakt dat zij daaraan is komen te overlijden. Ook hierbij is het verdachtes bedoeling geweest om het slachtoffer te beroven. Twee jaar na het verlies van hun dochter en zus is de wond bij de nabestaanden weer volledig opengereten en moesten zij opnieuw een heftig rouwproces doormaken. De broer van [slachtoffer 3] heeft dit ter zitting ook onder woorden gebracht.

Voorts heeft de verdachte een poging tot moord begaan door meermalen met een zware ijzeren pijp op het hoofd te slaan van [slachtoffer 2]. Opnieuw werd heftig geweld gebruikt om iemand te beroven van zijn spullen. Dat [slachtoffer 2] dit ternauwernood heeft overleefd, is geenszins aan het handelen van de verdachte te danken. Sterker nog, het lijkt er sterk op dat de verdachte ervan is uitgegaan dat hij [slachtoffer 2] dood had geslagen en er later pas is achtergekomen dat de man het mogelijk toch had overleefd.

De verdachte heeft door zijn handelen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] het meest fundamentele recht dat hen toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. [slachtoffer 2] heeft het delict - weliswaar ternauwernood - overleefd, maar draagt nog elke dag de gevolgen van die gebeurtenis met zich, die vooral zijn sporen heeft nagelaten op de gezondheidstoestand van [slachtoffer 2]. Nog maanden na de gebeurtenis moest hij met een briefje rondlopen met daarop de namen van zijn kinderen, omdat hij die anders niet kon onthouden.

Dergelijke feiten schokken niet alleen de slachtoffers dan wel de nabestaanden, maar ook de rechtsorde in het algemeen en dragen bij aan de reeds bestaande gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, te meer omdat het zeer gewelddadige berovingen betrof, van - naar het lijkt - volstrekt willekeurige slachtoffers.

De verdachte heeft nimmer verantwoording genomen voor deze feiten. Hij heeft gebruik gemaakt van het hem toekomende zwijgrecht. De nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben daardoor nog steeds geen wetenschap van de exacte toedracht rondom de dood van hun dierbare.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een afpersing en een poging tot diefstal met geweld en is hij medeplichtig aan een woninginbraak. Ook bij deze delicten heeft de verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen motieven, zonder stil te staan bij de gevolgen voor de slachtoffers.

Voorts heeft de verdachte een hoeveelheid kinderporno in zijn bezit gehad, hetgeen evenzeer verwerpelijk is. Seksueel misbruik van jeugdigen is wereldwijd verspreid en juist daarom moet ook de (digitale) exploitatie van dergelijk misbruik worden tegengegaan. De bescherming van de (afgebeelde) jeugdige staat daarbij centraal.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 mei 2013 reeds eerder is veroordeeld en dat hij ten tijde van de bewezen feiten uit het onderzoek Sterrenkwartier in een proeftijd liep van een hem in voorwaardelijke vorm opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum van 9 oktober 2012. Daaruit blijkt dat de verdachte slechts selectief en beperkt heeft willen meewerken aan het onderzoek. Volgens de deskundigen was er geen sprake van een pathologische weigering. Wel zou het basiswantrouwen van de verdachte - in combinatie met zijn procespositie - een rol kunnen hebben gespeeld bij zijn weigering. Vanwege de weigering van de verdachte was het niet mogelijk om een volledige gedragskundige analyse van de verdachte te geven en er is onvoldoende informatie verkregen om de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis in engere zin te kunnen vaststellen, dan wel volledig uit te sluiten.

Wel kan worden gezegd dat sprake is van een chronisch en significant disfunctioneren op alle levensterreinen (wonen, werk, relaties), hetgeen wijst in de richting van een gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling. Zijn gewetensfunctie lijkt minder goed ontwikkeld.

De verdachte kampt met een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een groot basiswantrouwen, een laag zelfbeeld, een gebrek aan affectieve empathie en verschijnselen die zowel bij een ASS als bij persoonlijkheidsproblematiek kunnen passen. Uit het geheel van wat wel aan onderzoek heeft kunnen plaatsvinden komt onmiskenbaar een psychopathologisch beeld naar voren, dat echter niet exact kan worden gediagnosticeerd. De rapporteurs kunnen niet onderbouwen of hieraan een ziekelijke stoornis (zoals een ASS) dan wel een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens (zoals bijvoorbeeld een cluster-A-persoonlijkheidsstoornis), of een combinatie van beide, ten grondslag ligt.

Om een advies te kunnen geven over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte is het onderzoek te beperkt geweest. Evenmin hebben de rapporteurs aanbevelingen van gedragskundige en andere aard kunnen doen voor eventuele interventies op hetgeen zij bij de verdachte hebben gezien.

Nu de gedragsdeskundigen bij de verdachte geen stoornis hebben kunnen vaststellen en die ook anderszins niet is komen vast te staan, gaat de rechtbank ervan uit dat hem de strafbare gedragingen volledig kunnen worden toegerekend.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft de verdachte zich in twee van de zaken waarvan hij verdacht werd, schuldig gemaakt aan misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf is gesteld. In dit verband deelt de rechtbank de opvatting van de verdediging dat ook bij de meest ernstige misdrijven de pleger daarvan, vanuit overwegingen van humaniteit, in beginsel het perspectief moet worden geboden dat hij op enig moment weer in de samenleving zal kunnen terugkeren. Mede gelet op de jurisprudentie moet oplegging van een levenslange gevangenisstraf, waarbij dit uitzicht slechts in geringe mate bestaat, gereserveerd blijven voor zeer uitzonderlijke gevallen, waarbij het gaat om zeer ernstige misdrijven en waarbij de kans dat de verdachte - eenmaal weer op vrije voeten - zich opnieuw aan zeer ernstige misdrijven schuldig zal maken, dusdanig groot is dat zijn terugkeer in de maatschappij niet meer verantwoord is.

Bij de vraag of in deze zaak sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval en met name hoe groot de kans is dat de verdachte opnieuw zulke ernstige misdrijven zal begaan, houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de persoon van de verdachte en zijn handelen, zoals dat uit het dossier en op de terechtzitting is gebleken. Daarover valt het volgende op te merken.

De verdachte heeft voor een onderzoek naar zijn geestesgesteldheid verbleven in het Pieter Baan Centrum, maar heeft daar zijn medewerking aan het gedragskundig onderzoek grotendeels geweigerd. Ook lichamelijk onderzoek, neurologisch onderzoek en laboratoriumonderzoek is door hem geweigerd. Voorts heeft de verdachte geweigerd machtigingen te verlenen om informatie over hem op te vragen bij andere instanties en heeft zijn familie laten weten niet in gesprek te willen gaan met de onderzoekers.

Al in een vrij vroeg stadium van het politieonderzoek is de verdachte zich gaan beroepen op zijn zwijgrecht en ter terechtzitting heeft hij zich - ondanks de vele uitnodigingen van de rechtbank om inzicht te verschaffen in zijn handelen - bij elke vraag beroepen op zijn zwijgrecht. Het spreekt voor zich dat de rechtbank de keuze van de verdachte om te zwijgen respecteert. Echter, door niet mee te werken aan onderzoek in het Pieter Baan Centrum en zich bij elke vraag op zijn zwijgrecht te beroepen, heeft de verdachte de rechtbank geen enkel inzicht verschaft omtrent zijn motief of de achterliggende redenen voor het plegen van zijn misdrijven.

Evenmin heeft de rechtbank inzicht gekregen in de vraag of de verdachte enige vorm van wroeging of berouw voelt ten aanzien van de gepleegde delicten. Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan zulks in ieder geval niet worden afgeleid. Integendeel, in het dossier bevinden zich verklaringen van medegedetineerden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte met enige trots spreekt over de misdrijven die hij heeft gepleegd. Hij spreekt over de perfecte moord, hij weet hoe die uitgevoerd moet worden en hij zou dat zelf al jaren doen. Hij geeft ook adviezen over de wijze waarop de sporen van een misdrijf kunnen worden uitgewist, zoals het strooien van ammonia, het vergruizen van botten en het wegmaken van de kleding van een slachtoffer. Het spreekt voor zich dat dergelijke uitlatingen grote zorg wekken.

Toen zijn zus tijdens een bezoekuur aan de verdachte vroeg of hij spijt had van zijn misdaden, antwoordde hij haar er niet wakker van te liggen. Hij beklaagde zich er eigenlijk vooral over dat hij zich nu in deze positie bevond, omdat [medeverdachte] zijn vertrouwen heeft beschaamd en hem heeft verraden. Uit geen van de stukken uit het dossier komt naar voren dat de verdachte zich ook maar enigszins realiseert wat hij bij de slachtoffers en hun nabestaanden heeft aangericht of dat hij enige gewetenswroeging heeft, hij lijkt eerder trots te zijn op wat hij heeft gedaan.

Ook heeft de verdachte in detentie diverse uitlatingen gedaan over wat hij, als hij de kans krijgt, zal gaan doen met de mensen die hem in zijn ogen hebben verraden, zoals zijn medeverdachte en de informant A-3482.

Tegenover familieleden en andere mensen uit zijn omgeving heeft de verdachte al voor zijn detentie zeer zorgwekkende uitlatingen gedaan betreffende zijn persoon. Zo heeft hij gezegd onmenselijk te zijn en geen gevoelens te hebben en beschrijft hij zichzelf als een monster en een beest. Ook heeft hij gezegd een serial killer te willen zijn. Daarnaast is in zijn kamer een enorme collectie (deels zelfgemaakte) wapens gevonden. Eén van die wapens werd volgens een getuige door de verdachte zijn magic stick genoemd en dat zou de ijzeren staaf met moeren aan beide zijden betreffen, waarmee [slachtoffer 2] is geslagen.

Gezien de bewezen verklaarde feiten en voornoemde uitlatingen van de verdachte wordt de kans dat de verdachte bij terugkeer in de maatschappij weer zeer ernstige misdrijven zal plegen, heel groot geacht. Bij gebreke van enig inzicht in de gedachtegang, de drijfveren, en eventuele achterliggende problematiek van de verdachte is er, mede gezien de rapportage van het Pieter Baan Centrum geen enkel aanknopingspunt waaruit hoop kan worden geput dat na behandeling van de verdachte en op termijn zijn terugkeer in de maatschappij op verantwoorde wijze zal kunnen geschieden.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat slechts een levenslange gevangenisstraf kan leiden tot preventie van soortgelijke delicten door de verdachte in de toekomst, tot adequate vergelding van de door de verdachte begane misdrijven en tot vereffening van de schade die de verdachte door die feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht. De rechtbank zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen.

De rechtbank heeft zich ambtshalve nog voor het volgende gesteld gezien.

Uit de jurisprudentie van het EHRM (o.a. Kafkaris tegen Cyprus, EHRM 12 februari 2008, NJ 2009/90) volgt dat de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende eisen ertoe nopen dat er een voorziening bestaat die de facto en de jure te eniger tijd kan leiden tot bekorting van een opgelegde levenslange gevangenisstraf. Bij arresten van 16 juni 2009 (NJ 2009/602) en 22 februari 2011 (NJ 2012/608) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat vooralsnog niet kan worden geconcludeerd dat de Nederlandse praktijk van oplegging en tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd komt met de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende eisen, omdat een dergelijke voorziening is getroffen in de vorm van de mogelijkheid tot gratieverlening.

In het recente arrest van 9 juli 2013 heeft het EHRM in de zaak van Vinters tegen het Verenigd Koninkrijk (appl. no. 66069/09) de uit artikel 3 EVRM aan de oplegging en tenuitvoerlegging voortvloeiende eisen opnieuw onder de aandacht gebracht en, mede tegen de achtergrond van waargenomen tendensen in de verdragsstaten, verder uitgediept. In het bijzonder is hierbij van belang dat het EHRM heeft geoordeeld dat als er ten tijde van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet is voorzien in een mogelijkheid tot bekorting van deze straf, de oplegging van die straf strijdig is met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Het EHRM laat het aan de lidstaten over om hun wetgeving daarop aan te passen en de herbeoordelingprocedure vorm te geven. Wel ziet het hof in internationaal recht aanwijzingen dat er na maximaal 25 jaar een herbeoordeling zou moeten plaatsvinden, die dan periodiek wordt herhaald.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld wat dit recente arrest betekent voor eerdergenoemde door de Hoge Raad getrokken conclusies en is tot de slotsom gekomen dat die conclusies nog altijd opgeld doen. Immers, ongewijzigd is de mogelijkheid voor de tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde om een gratieverzoek in te dienen, waarna er een herbeoordeling plaatsvindt. Hoe die herbeoordeling in een bepaald geval zal uitvallen, zal afhangen van de persoonlijke omstandigheden van de langgestrafte, diens veranderde gedrag of levenshouding en dergelijke.

Het arrest van 9 juli 2013 staat derhalve niet aan het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in de weg.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 45, 47, 48, 55, 57, 63, 240b, 288, 289, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding in het zaaksdossier Apollo geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte

  • -

    het in het zaaksdossier Zargar onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde (moord),

  • -

    het in het zaaksdossier Sterrenkwartier onder 3 tenlastegelegde (zaak Venus) en

  • -

    het in het zaaksdossier Sterrenkwartier onder 4 primair tenlastegelegde (zaak M.A. de Ruijterstraat)

heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte

  • -

    het in het zaaksdossier Zargar onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag),

  • -

    het in het zaaksdossier Zargar onder 2 en 3 tenlastegelegde,

  • -

    het in het zaaksdossier Apollo primair impliciet primair tenlastegelegde (poging tot moord),

  • -

    het in het zaaksdossier Malledijk primair impliciet primair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag) en

  • -

    de in het zaaksdossier Sterrenkwartier onder 1 primair (zaak Schopvoorde), 2 primair (zaak Duikerhoek), 4 subsidiair (zaak M.A. de Ruijterstraat) en 5 (zaak Mars) tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats benadeelde partij 1], toe tot een bedrag van € 7.500,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 72 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats benadeelde partij 2], toe tot een bedrag van € 9.902,33 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente in die zin dat de wettelijke rente over de immateriële schade en schade aan kleding (totaal € 7.700,-) wordt toegewezen vanaf 24 maart 2011, de wettelijke rente over de reis- en telefoonkosten (totaal € 596,24) wordt toegewezen vanaf 19 maart 2011 en de wettelijke rente over de reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 6 juni 2013 en de tolkkosten (totaal € 1.606,09) wordt toegewezen vanaf 6 juni 2013, alles tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af het door de benadeelde partij gevorderde aangaande een laptop en het door hem meer of anders gevorderde aangaande schade aan kleding, kosten voor vervoer naar Polen en telefoonkosten;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op verlies aan arbeidsvermogen en medicijnkosten; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 9.902,33, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 9.902,33 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 84 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] wonende te [woonplaats benadeelde partij 3], toe tot een bedrag van € 632,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 632,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 632,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en J.J.I. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2013.

Bijlage I bij vonnis van 25 juli 2013:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/710141-10 (Zaaksdossier Zargar)

1.

hij op of omstreeks 05 augustus 2010 te Spijkenisse

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk een persoon genaamd

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1]

gewurgd en/of met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp

meermalen in de borst en/of de hals en/of de/een long(en), in elk geval het

lichaam gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan

van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld, en welke doodslag werd

gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

(artikelen 289/288/287 van het Wetboek van Strafrecht);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 augustus 2010 te Spijkenisse

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

twee armbanden en/of een horloge en/of een tas met inhoud (waaronder een

paspoort op naam van [slachtoffer 1] en/of een ov-chipkaart en/of een portemonnee

en/of diverse (bank)pasjes en/of een edentifier), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

voornoemde [slachtoffer 1] wurgen en/of meermalen met een mes, althans een

scherp/puntig voorwerp in de borst en/of de hals en/of de/een long(en), in elk

geval het lichaam steken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 05 augustus 2010 tot en met 31 augustus

2010 te Spijkenisse,

opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer 1], heeft verborgen en/of

weggevoerd en/of weggemaakt door

het lijk van voornoemde [slachtoffer 1] te begraven in het Mallebos,

zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van

voornoemde [slachtoffer 1], te weten dat voornoemde [slachtoffer 1] door verwurging en/of

messteken, althans het steken met een scherp en/of puntig voorwerp, in het

lichaam, om het leven is gebracht, te verhelen;

(artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks 05 augustus 2010 t/m 30 september 2010 te Spijkenisse

opzettelijk en wederrechtelijk een lijk (van) [slachtoffer 1],

geheel of ten dele toebehorende aan de erven en/of nabestaanden van voornoemde

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

beschadigd door een voet van voornoemd lijk af te zagen en/of een stuk van/uit

de bil van voornoemd lijk af te snijden;

(artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/710061-11 (zaaksdossier Apollo)

hij op of omstreeks 24 maart 2011 te Spijkenisse,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk een persoon genaamd

[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet na kalm beraad en

rustig overleg,

meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een stok en/of ijzeren staaf,

althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die

[slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

welk vorenomschreven misdrijf (poging tot moord en/of doodslag) werd gevolgd,

vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met

geweld in vereniging zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend,

en welke geweldshandeling(en) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om,

bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikelen 289/288/287 jo 45/47 Wetboek van Strafrecht);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2011 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge en/of een ring en/of twee mobiele telefoons en/of een koffer met

inhoud (waaronder geld (4000 euro of daaromtrent) en/of een laptop en/of

kleding en/of een id-bewijs), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

voornoemde [slachtoffer 2] meermalen met een stok en/of een ijzeren staaf, althans

een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of het lichaam slaan,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten

meerdere hoofdwonden en/of een breuk van de schedel en/of een bloeding onder

het hersenvlies en/of kneuzingshaarden in de hersenen en/of een gebroken

pols), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/710020-10 (zaaksdossier Malledijk)

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 3]

-van een fiets geduwd en/of getrokken (mede)tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer 3] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde

[slachtoffer 3] ten val gebracht, en/of

-meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam

gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, in elk geval (heftig) uitwendig

mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van) voornoemde

[slachtoffer 3] toegepast,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan

van enig strafbaar feit, te weten (poging)diefstal met geweld/afpersing, en

welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikelen 288/287 van het Wetboek van Strafrecht);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer 3] heeft

gedwongen tot de afgifte van een horloge, in lke geval een goed,

geheel of ten dele toebehorend aan die [slachtoffer 3], in elk geval aan (een)

ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge,

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan (een)

ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een)

andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het voornoemde

[slachtoffer 3]

-van een fiets duwen en/of trekken (mede)tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer 3] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde

[slachtoffer 3] ten val brengen, en/of

-meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam

stompen/slaan en/of schoppen/trappen, in elk geval (heftig) uitwendig

mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van) voornoemde

[slachtoffer 3] toepassen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden;

(artikel 312/317 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf/misdrijven om

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer 3] te dwingen

tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan

die [slachtoffer 3], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn

mededader(s),

en/of

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan

(een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3],

één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk

te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een)

andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

heeft gehandeld als volgt:

hij, verdachte, en/of (een) mededader(s)

heeft/hebben voornoemde [slachtoffer 3]

- van een fiets geduwd en/of getrokken (mede) tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer 3] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde

[slachtoffer 3] ten val gebracht, en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het

lichaam gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, in elk geval(heftig)

uitwendig mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van)

voornoemde [slachtoffer 3] toegepast,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is

voltooid;

(artikel 312/317 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/710275-11 (zaaksdossier Sterrenkwartier)

1.

(zaak Schopvoorde)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse

op of aan de openbare weg, de Schopvoorde, althans op of aan een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de

afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- blokkeren van de doorgang van die [slachtoffer 5], terwijl die [slachtoffer 5] op de fiets zat,

en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 5], en/of doorladen van dat (op een) vuurwapen

(gelijkende) voorwerp, en/of

- ( daarbij) aan die [slachtoffer 5] (dreigend) toevoegen van de woorden: "geef je

mobiel, geef je mobiel", althans woorden van dreigende aard en/of strekking,

en/of

- vastpakken van de keel/hals van die [slachtoffer 5];

(artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht);

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

(zaak Duikerhoek)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of

geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen

vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

die [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans

alleen

- de doorgang van die [slachtoffer 4] heeft geblokkeerd, terwijl die [slachtoffer 4] op een fiets

zat, en/of

  • -

    een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 4] heeft gericht, en/of

  • -

    aan die [slachtoffer 4] de woorden heeft toegevoegd: "stop of ik schiet je dood";

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 312 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 4]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 4]

gericht en/of (daarbij) die [slachtoffer 4] toegevoegd de woorden (van de strekking):

stop of ik schiet je dood";

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een persoon genaamd [slachtoffer 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet (met kracht) met een (op een) vuurwapen (gelijkend

voorwerp), althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 4]

heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4])

(met kracht) met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp),

althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(zaak Venus)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) getoond en/of

voorgehouden aan die [slachtoffer 6], en/of

(daarbij) tegen die [slachtoffer 6] gezegd - zakelijk weergegeven - dat wanneer die

[slachtoffer 6] [medeverdachte] zou verlinken die [slachtoffer 6] alsnog de kogel zou krijgen;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(zaak M.A. de Ruijterstraat)

hij op of omstreeks 11 september 2011 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan

de M A de Ruijterstraat heeft weggenomen sieraden en/of een geldkist met

daarin ongeveer 2000 euro en/of een dolby surround systeem en/of een laptop

en/of een navigatiesysteem (TomTom) en/of een fototoestel en/of een enveloppe

met daarin ongeveer 300 euro en /of drie Albert Heijn spaarboekjes met een

waarde van 150 euro en/of twee jassen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 11 september 2011 te Spijkenisse

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de M A de Ruijterstraat heeft weggenomen sieraden en/of een geldkist met

daarin ongeveer 2000 euro en/of een dolby surround systeem en/of een laptop

en/of een navigatiesysteem (TomTom) en/of een fototoestel en/of een enveloppe

met daarin ongeveer 300 euro en /of drie Albert Heijn spaarboekjes met een

waarde van 150 euro en/of twee jassen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [medeverdachte], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte,

waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest door op de uitkijk te staan;

(artikel 311 jo 48 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

(zaak Mars)

hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te Spijkenisse, in elk geval in Nederland,

één of meermalen (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten 420

foto's en/of 2 films, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een

persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was

betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of

aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd

en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad

en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking

van een communicatiedienst de toegang tot die afbeelding(en) heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis van het lichaam

van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,

en/of

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een

(ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog

niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of (een)

voorwerp(en),

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de

penis,

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door

een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met

de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong,

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij

deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt is/zijn en/of in een omgeving

en/of met (een) voorwerp(en) (eventueel aanvullen met soort voorwerp) en/of

in (een)(erotisch getinte) houding(en) poseert/poseren die niet bij haar/hun

leeftijd past/passen

en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of

de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld

gebracht worden

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt en/of het spuiten/zichtbaar maken van sperma op het lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling;

(artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht)