Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX9986

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-10-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
10/960072-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in derde Somalische piratenzaak. De verdachte is in de wateren bij Somalië aangetroffen op de Feddah, een Iranese vissersboot. Deze boot bleek later bij een eerdere gelegenheid te zijn gekaapt. Nederlandse mariniers benaderden de Feddah om poolshoogte te nemen. Vervolgens is er over en weer geschoten. De verdachte wordt vervolgd voor zeeroof en een poging tot moord op de Nederlandse mariniers.

De recht­bank heeft geoordeeld dat Nederland ook voor de poging tot moord rechtsmacht heeft. Ook alle andere niet-ontvankelijkheidsverweren zijn verworpen.

Bij het beantwoorden van de vraag of de feiten bewezen konden worden heeft de rechtbank geconstateerd dat het opsporingonderzoek niet altijd de vrije loop heeft kunnen hebben. In het opsporingsonderzoek is namelijk noodgedwongen veel aandacht geweest voor defensiebelangen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat dit uiteindelijk van invloed is op de vraag of de feiten bewezen konden worden.

De verdachte is veroordeeld tot viereneenhalf jaar gevangenis­straf voor zeeroof.

De verdachte is vrijgesproken van de poging tot moord. Niet kan worden vastgesteld wie heeft geschoten. De officier van justitie betoogde dat dit niet uitmaakt, omdat het gegeven dat de verdachten bij de zeeroof samenwerkten maakt dat zij ook samenwerkten bij de poging tot moord. Dit betoog wordt in het vonnis niet gevolgd. Dit zou volgens de rechtbank leiden tot een te algemene en te collectieve invulling van het medeplegen, welke onvoldoende recht doet aan de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte die in het Nederlandse strafrecht nog steeds het uitgangspunt vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/960072-11

Datum uitspraak: 12 oktober 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië),

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Huis van Bewaring ‘De Schie’ te Rotterdam,

raadsman mr. G. Sluiter, advocaat te Amsterdam.

In het onderzoek ‘Dhow’ zijn in totaal zestien Somaliërs aangehouden. Elk van hen heeft, zoals in het algemeen ook in onderzoeken in Nederland gebruik is, een verdachtennummer gekregen in het dossier. Anders dan gebruikelijk, zal de recht¬bank de verdachten (en ook de later als getuige aangemerkte [getuige 14] aanduiden met deze verdachtennummers. Veel van de verdachten delen een of meer namen met elkaar en aanduiding met nummers komt in deze zaak de leesbaarheid van het vonnis zeer ten goede.

De recht¬bank maakt gebruik van de volgende nummers:

V01 [verdachte 1]

V02 [verdachte 2];

V06 de verdachte;

V09 [verdachte 9];

V11 [verdachte 11];

V12 [verdachte 12];

V13 [verdachte 13];

G14 [getuige 14];

V15 [verdachte 15];

V16 [verdachte 16].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4, 5, 6, 10, 11, 14, 18, 19 en 28 september 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 4 september 2012 en 10 september 2012 overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage A aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. Baan en Ferdinandusse (officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde zeeroof als schepeling;

- bewezenverklaring van de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot moord;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Rechtsmacht

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor de onder 2 ten laste gelegde poging tot moord subsidiair poging tot gekwalificeerde doodslag, omdat Nederland geen rechtsmacht voor dat feit heeft.

Als mogelijke grondslag voor de rechtsmacht zou in aanmerking kunnen komen artikel 4, onderdeel 8, sub a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), doch dit artikel kan hier niet worden toegepast, aldus de verdediging.

De argumenten die de verdediging ten grondslag legt aan deze stelling komen kort samengevat op het volgende neer.

De wet waarbij artikel 4, onderdeel 8 sub a Sr is gewijzigd en rechtsmacht is gevestigd voor onder meer misdrijven omschreven in de artikelen 287, 288 en 289 Sr buiten Nederland begaan tegen een Nederlands zeegaand vaartuig (Staatsblad 2011, 24), strekt ter uitvoering van het Protocol van 2005 (Protocol) bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (SUA-verdrag). Nederland heeft een traditie van terughoudendheid van de vestiging van extraterritoriale rechtsmacht. Daarom moet worden aangenomen dat de wetgever bij de aanpassing van artikel 4, onderdeel 8 sub a Sr niet verder heeft willen gaan dan waartoe het SUA-verdrag en het Protocol machtigden en verplichtten. Met het uitoefenen van rechtsmacht over het in deze zaak onder 2 ten laste gelegde zou Nederland buiten de door het SUA-verdrag en het Protocol gestelde grenzen treden omdat:

- op grond van het bepaalde in artikel 2 van het SUA-verdrag ‘oorlogsschepen en schepen in eigendom of in beheer van een Staat die dienst doen als marinehulpschip of worden gebruikt ten behoeve van de douane of de politie’ zijn uitgezonderd van de toepasselijkheid van dat verdrag;

- de werking van het SUA-verdrag ingevolge het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van dat verdrag zich niet uitstrekt tot de territoriale wateren; om die reden zou in ieder geval de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging voor zover de tenlastelegging ziet op de territoriale wateren van Somalië;

- gelet op het bepaalde in artikel 3 quater van het SUA-verdrag er slechts sprake is van (een poging tot) een strafbaar levensdelict in de zin van het verdrag, indien dat feit in verband staat met bepaalde andere in het verdrag genoemde feiten, hetgeen hier niet het geval is.

Voorts is nog aangevoerd dat het Protocol, dat ten grondslag lag aan de hiervoor besproken wijziging van artikel 4, onder 8, sub a Sr, pas op 30 mei 2011 in werking is getreden en op 2 april 2011 dus nog niet gold.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld, dat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de subsidiair ten laste gelegde doodslag voor zover deze is vergezeld van en/of gevolgd door kaping als bedoeld in artikel 385a Sr. Nu er geen rechtsmacht bestaat voor de kaping van de de Iraanse vissersboot, de dhow Feddah (Feddah) op zichzelf, kan het niet zo zijn dat de Nederlandse rechter wel via de omweg van de strafverzwarende omstandigheid over de verdenking van kaping zou kunnen oordelen.

Verder stelt de verdediging dat de rechtsmacht voor feit 2 niet gebaseerd kan worden op artikel 3 Sr, omdat - kort gezegd - het feit waar het om gaat niet aan boord van een Nederlands vaartuig is gepleegd.

Beoordeling

Een basis voor de rechtsmacht voor het onder 2 ten laste gelegde kan worden gevonden in genoemd artikel 4, onderdeel 8, sub a Sr. In dit artikel is bepaald - voor zover hier van belang - dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan de misdrijven omschreven in de artikelen 287, 288 en 289 Sr, indien het feit is begaan tegen een Nederlands zeegaand vaartuig. Het marinefregat Hr. Ms. Tromp (Tromp) en de twee daarbij behorende ‘rigid hulled inflatable boats’ (RHIB’s) worden aangemerkt als Nederlandse zeegaande vaartuigen.

Op grond van het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet zou dit wettelijk voorschrift buiten toepassing gelaten moeten worden, indien deze toepassing in strijd zou zijn met, kort gezegd, regels van geschreven volkenrecht. Van een zodanige strijdigheid is echter niet gebleken. Voor zover zou moeten worden vastgesteld dat bij wet een ruimere rechtsmacht is gevestigd dan waartoe het SUA-verdrag of het Protocol verplichtte, dan betekent dit niet vanzelf dat de wet in strijd is met het verdrag en daarom niet mag worden toegepast. In artikel 6, vijfde lid van het verdrag is uitdrukkelijk bepaald dat het verdrag geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uitsluit.

Indien de wetgever een zodanige directe koppeling tussen verdrag en wet beoogd zou hebben dat iedere vorm van rechtsmacht die niet is voorzien in het verdrag wordt uitgesloten, dan zou dit naar mag worden aangenomen, op een zelfde wijze als dat gebeurd is in de onderdelen 13, 14, 17 en 18 van artikel 4 Sr, uitdrukkelijk geregeld zijn. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het in Nederland kunnen berechten van de onder 2 ten laste gelegde poging tot moord dan wel gekwalificeerde doodslag begaan tegen een Nederlands vaartuig, welk feit nauw samenhangt met de onder 1 ten laste gelegde zeeroof, door de wetgever nooit kan zijn gewenst en bedoeld. Integendeel, bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer over de wetswijziging ter implementatie van het Protocol is uitdrukkelijk onderkend dat het Protocol weliswaar primair betrekking heeft op strafbaarstelling van gedragingen tegen de zeevaart die zijn begaan met een terroristisch oogmerk, doch dat het ook relevant kan zijn bij de strafrechtelijke aanpak van zeeroof (Tweede Kamer, 32 256, nr. 6).

Aan de omstandigheid dat genoemd Protocol voor Nederland pas in werking is getreden na de datum waarop het onder 2 ten laste gelegde zou zijn gepleegd komt in dit verband geen betekenis toe. De wetgever heeft de toepasselijkheid van het ter uitvoering van het Protocol gewijzigde en per 1 maart 2011 (Staatsblad 2011, 85) in werking getreden artikel 4, onderdeel 8, sub a Sr nu eenmaal niet afhankelijk gemaakt van de inwerkingtreding van het Protocol.

Het subsidiair gevoerde verweer over het partieel ontbreken van rechtsmacht - te weten over het gedeelte van feit 2 subsidiair waar wordt gesproken over kaping - wordt verworpen. Noch in de tekst van de wet noch elders is een aanknopingspunt te vinden voor een dergelijke beperkte toepassing van artikel 4, onderdeel 8, sub a Sr.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geoordeeld dat Nederland rechtsmacht heeft voor al hetgeen onder 2 ten laste is gelegd op grond van het hiervoor aangehaalde onderdeel van artikel 4, onderdeel 8, sub a Sr. Op de vraag of de rechtsmacht al dan niet ook op andere wettelijke bepalingen kan worden gebaseerd zal om die reden niet worden ingegaan.

Verzuimen in het (voor)onderzoek

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat in het (voor)onderzoek vormen zijn verzuimd. Een aantal van die verzuimen zijn verzuimen in de zin van 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Andere verzuimen leveren naar het oordeel van de verdediging strijd op met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging. De verdediging heeft primair gesteld dat sommige van de verzuimen reeds zelfstandig dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging. Subsidiair heeft zij naar voren gebracht dat dat in ieder geval de conclusie moet zijn wanneer de verzuimen in onderlinge samenhang worden bezien.

Beoordeling

Vooropgesteld moet worden dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ook bij de toetsing van het beroep op het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging een uitzondering. Bij die toetsing moet immers in ogenschouw worden genomen dat het bij die belangenafweging steeds gaat om een discretionaire bevoegdheid. De belangenafweging moet dan ook niet worden overgedaan, maar beoordeeld dient te worden of de afweging niet onredelijk is.

Hetgeen de verdediging in dit kader heeft gesteld laat zich - kort en zakelijk weergegeven - opdelen in de hieronder genoemde onderdelen A tot en met I, waarop per onderdeel een reactie wordt gegeven.

A. Structurele schending van de Aanwijzing verhoorregistratie

Aangevoerd is dat, in strijd met de 'Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten' (Aanwijzing) de verhoren van de verdachten en de geplande getuigenverhoren niet auditief en de verhoren van een aantal minderjarigen niet audiovisueel zijn geregistreerd. Herstel van deze verzuimen is niet mogelijk.

Vast staat dat in het onderzoek Dhow bij alle door de verdediging genoemde verhoren is gehandeld in strijd met de Aanwijzing. De verdediging heeft deze verzuimen als kwalijk betiteld, en heeft aangegeven dat dit een belemmering heeft gevormd bij de toetsbaarheid van die verhoren. Dit is onmiskenbaar een belang van de verdediging dat ook als zodanig en letterlijk in de Aanwijzing is opgenomen: ‘De auditieve en audiovisuele registratie zijn in de eerste plaats hulpmiddelen ten behoeve van de toetsbaarheid van de verhoren in een latere fase van het strafproces.’ De verdediging heeft echter niet aangegeven welk concreet nadeel de verdachte in het licht van een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft geleden.

B. Verzuimen bij de verhoren van de verdachten op 2 april 2011

Aangevoerd is - kort en zakelijk weergegeven - dat de officier van het bataljon Intelligence, Surveillance, Target Acquisition and Reconnaissance (ISTAR-officier), die de verdachten op 2 april 2011 heeft gesproken, de verdachten ook in strafvorderlijke zin heeft verhoord. Voor deze gesprekken draagt de officier van justitie verantwoordelijkheid. Subsidiair heeft de verdediging, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, aangevoerd dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat, ook indien de ISTAR-officier louter zijn militaire taak uitoefende, de officier van justitie verantwoordelijkheid draagt voor het (onrechtmatig) handelen van de ISTAR-officier.

Vast staat dat de gesprekken van de ISTAR-officier met de verdachten niet in opdracht van de officier van justitie hebben plaatsgehad. Niet gebleken is voorts dat de gesprekken een ander dan een militair operationeel doel hebben gehad. De context en achtergrond die de gebeurtenissen van 2 april 2011 bij de gesprekken vormden, bevestigen de noodzaak daarvan in dit operationele militaire kader. De officier van justitie draagt dan ook geen verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de gesprekken met de verdachten zijn gehouden noch voor (verdere) verslaglegging daarvan.

Dit zou slechts anders kunnen zijn indien door de gang van zaken doelbewust strafvorderlijke waarborgen zijn omzeild of fundamentele rechten van de verdachte zodanig zijn geschonden dat geen sprake meer is van eerlijk proces. Daarvan is niet gebleken.

C. Aanwezigheid ISTAR-officier bij de verhoren van de Koninklijke marechaussee

Aangevoerd is dat de Koninklijke marechaussee (KMar), in een aantal processen-verbaal heeft trachten te verhullen of wel, in strijd met de Aanwijzing, niet heeft vermeld dat de ISTAR-officier aanwezig is geweest bij verhoren van een aantal verdachten.

Dat de verbalisanten bewust vermelding van de ISTAR-officier achterwege hebben gelaten is niet gebleken. Daarnaast geldt het betreffende voorschrift in de Aanwijzing tot vermelding van andere aanwezigen bij een verhoor slechts voor een auditief of audiovisueel geregistreerd verhoor. Dat van een zodanig verhoor geen sprake is geweest en dat daarmee vormen zijn verzuimd is onder A reeds besproken.

D. Verhoor [kapitein Feddah]

De verdediging heeft met betrekking tot het verhoor van de kapitein van de Feddah, [kapitein Feddah] aangevoerd dat bij de totstandkoming en de verslaglegging van de verklaring van [kapitein Feddah] vormen zijn verzuimd. Daarbij is ook op de waarde van de verklaring in inhoudelijke zin het één en ander af te dingen.

Het is onmiskenbaar dat aan de verklaring van [kapitein Feddah] zoals die uiteindelijk in het dossier is terechtgekomen de nodige gebreken kleven. In de lijn van hetgeen hiervoor onder B is aangegeven draagt de officier van justitie daarvoor, in ieder geval in het kader van zijn ontvankelijkheid, geen verantwoordelijkheid. De verzuimen en de eventuele invloed op de bewijswaarde van de 'verklaring' van [kapitein Feddah] worden hieronder onder de kop 'Bewijs' verder besproken.

E. Verstrekken van beeldmateriaal

Aangevoerd is dat de officier van justitie de beelden van de helmcamera bewust heeft achtergehouden, dan wel dat het ministerie van Defensie (Defensie) het bestaan van de beelden niet met de officier van justitie heeft gedeeld. Hierdoor is in de ogen van de verdediging cruciaal (ontlastend) bewijs voor de verdediging achtergehouden.

Indien al zou komen vast te staan dat de officier van justitie kennis droeg van de bewuste camerabeelden dan wel verwijtbaar niet heeft geïnformeerd bij, of is geïnformeerd door, Defensie, dan nog kan de officier van justitie geen verwijt worden gemaakt. De beelden bevatten immers niet substantieel andere informatie omtrent de ten laste gelegde feiten dan zoals die in het dossier in vele andere vormen steeds voorhanden zijn geweest. De officier van justitie heeft, als samensteller van het strafdossier in zo een geval in beginsel de vrijheid het bestaan van dergelijke beelden niet te vermelden.

F. Achterhouden van het drieluik

Aangevoerd is dat de officier van justitie een drieluik, welke door Defensie is gemaakt van de beelden van de miradorcamera, de helmcamera en de handheldcamera, (drieluik) voor de verdediging heeft achtergehouden.

Vooropgesteld wordt dat het drieluik een combinatie is van de beelden van de miradorcamera, de helmcamera en de handheldcamera zoals die door de rechtbank, de verdediging en de officier van justitie op de voorkijkdagen en op de terechtzitting zijn bekeken. Hieruit volgt reeds dat, anders dan de verdediging heeft gesteld, geen beelden zijn achtergehouden. In die zin mist het verweer feitelijke grondslag.

Op de voorkijkdag van de rechtbank is door de rechtbank gevraagd of het mogelijk was om de drie beelden van de verschillende camera's naast elkaar te zien. Na overleg van het defensiepersoneel met de officier van justitie is de rechtbank vervolgens in de gelegenheid gesteld de reeds gemaakte drieluik te bekijken. De verdediging is voordat het drieluik op de terechtzitting is vertoond in de gelegenheid gesteld om dit drieluik voor te kijken. Niet valt in te zien of, en zo ja: welke, verdedigingsbelangen door deze gang van zaken zijn geschaad en tot welk nadeel dit voor de verdachte heeft geleid.

Dat de officier van justitie niet in een eerder stadium de verdediging en de rechtbank op het bestaan van een drieluik heeft gewezen kan hem, gelet op hetgeen onder E is overwogen, niet worden tegengeworpen.

G. Vrijheidsbeneming zonder titel

Aangevoerd is dat de verdachte tussen 4 en 6 april 2011 zonder titel van zijn vrijheid beroofd is geweest omdat de officier van justitie te laat was met het indienen van de vordering tot inbewaringstelling.

Op grond van artikel 539l, tweede lid, sub b Sv kon in het onderhavige geval worden besloten dat de verdachte langer dan zes uren zou worden opgehouden voor verhoor. De officier van justitie heeft aangegeven dat hij hiertoe is overgegaan. Op grond van artikel 539k, eerste lid, Sv wordt zodra een besluit is genomen tot het langer dan 6 uur voor verhoor ophouden is genomen een vordering tot inbewaringstelling ingediend.

Vast is komen te staan dat de officier van justitie op 4 april 2011 heeft besloten dat de verdachte langer dan 6 uur moest worden opgehouden voor verhoor doch dat hij pas op 6 april 2011 is overgegaan tot het indienden van de vordering tot inbewaringstelling. In zoverre heeft de verdediging gelijk waar zij stelt dat de officier van justitie te laat was met zijn vordering tot inbewaringstelling. Dit doet echter niet af aan de titel van vrijheidsbeneming van dat moment, het ophouden voor verhoor.

H. Heenzenden Feddah met bemanning en heenzenden medeverdachten

Aangevoerd is dat het heenzenden van de Feddah met daarop potentiële getuigen en het heenzenden van medeverdachten zodanig in strijd is met een redelijke en billijke afweging tussen de belangen van de verdachte en de belangen van strafvordering dat de officier van justitie zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

De officier van justitie heeft niet de opdracht gegeven tot heenzending van de Feddah met bemanning. Ware dit als anders dan is het heenzenden van de Feddah met zijn bemanning, zowel als ook het heenzenden van medeverdachten in eerste instantie een keus van de officier van justitie waarin hij binnen opsporingsonderzoek vrij is. Dat de officier van justitie anders had kunnen handelen dan het (trachten te) noteren van de contactgegevens van de bemanning en de medeverdachten is mogelijk het geval, doch raakt, gelet op de rol en de positie van de officier van justitie in het opsporingsonderzoek, niet zijn vervolgingsrecht.

I. Onmogelijkheid van samenwerking met Defensie

Aangevoerd is dat (de medewerkers van) de Nederlandse marine (marine)

- een fundamenteel gebrek hebben aan kennis van de hen toekomende strafvorderlijke bevoegdheden;

- militaire belangen laat prevaleren boven strafvorderlijke;

- de officier van justitie niet inlicht over het bestaan van essentieel bewijsmateriaal en/of zeer relevante documenten voor de strafzaak niet kan of wil verstrekken.

Indien hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd al zou komen vast te staan dan is niet goed te begrijpen dat het - in de kern samengevat - kiezen voor defensiebelangen door een onderdeel van Defensie op enige wijze zodanig aan de officier van justitie zou kunnen worden tegengeworpen dat hiermee het vervolgingsrecht van de officier van justitie in het geding zou komen.

Conclusie

Wanneer het voorgaande wordt bezien tegen de achtergrond van hetgeen als juridisch kader is vooropgesteld kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de onder A tot en met I genoemde punten op zichzelf noch in onderlinge samenhang kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie.

Gelijkheidsbeginsel en willekeur

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de officier van justitie ten onrechte is afgeweken van een bestendige gedragslijn door de verdachte wel te vervolgen, terwijl het overgrote deel van de aan¬gehouden personen die van zeeroof worden verdacht, zonder vervolging worden heen¬gezonden. In de regel wordt slechts vervolgd indien een Nederlands belang in het geding is, hetgeen hier niet het geval is. Dat er is geschoten op marinepersoneel is geen bijzonderheid die tot vervolging kan leiden, omdat eerder bij de bevrijding van het schip ‘Taipan’ ook is geschoten op Nederlandse militairen en de toen aangehouden verdachten niet zijn vervolgd. Voorts is ten onrechte onderscheid gemaakt tussen de in deze zaak aangehouden meerderjarige verdachten. Derhalve is het verbod van willekeur over¬treden. Dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan in het Nederlandse straf¬proces is neergelegd bij de officier van justitie. Deze is gehouden een eigen afweging te maken binnen de ruime mate van vrijheid die hij heeft gekregen van de wetgever. De rechter toetst de vervolgingsbeslissing zeer terughoudend.

De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt dat in met deze zaak vergelijkbare gevallen de verdachten zijn heengezonden. De zaak Dhow onderscheidt zich van andere zaken door het schietincident dat heeft plaatsgevonden bij de benadering van de Feddah. De aangehoudenen werden en verdachte wordt dan ook niet alleen verdacht van zeeroof, maar ook van poging tot moord. Zij zouden zich in een hinderlaag hebben gelegd voor Nederlandse militairen en op hen hebben geschoten. Niet is gebleken dat zich eerder een dergelijke situatie heeft voorgedaan en dat de aangehoudenen toen zijn heen¬gezonden. De vergelijking met de zaak Taipan loopt mank, reeds omdat in die zaak niet is besloten tot heenzending van de verdachten, maar tot overdracht aan een ander Europees land ter berechting.

De officier van justitie heeft voorts een bewuste keuze gemaakt tegen welke van de aangehouden verdachten zij verdere vervolging zou instellen, gebaseerd op de waardering van de hem op dat moment bekende informatie. Uit deze keuze blijkt geen willekeur.

De door de verdediging aangevoerde verweren kunnen dan ook niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

UNCLOS en de rechtmatigheid van het optreden van de marine

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat er geen situatie bestond waarin mocht worden opgetreden door de marine. Er was geen sprake van verdenking van piraterij, zodat het volkenrechtelijk de marine niet was toegestaan de Feddah te benaderen. Nederland heeft de artikelen 105 en 110 van het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake het recht van de zee (UNCLOS) geschonden, welke bepalingen volgens de toepasselijke VN-veiligheidsraadresoluties ook golden in de Somalische wateren.

De verdachte is in handen gekomen van de officier van justitie doordat Nederland in strijd met volkenrecht heeft gehandeld. In een dergelijke situatie kan de officier van justitie niet worden ontvangen in de vervolging. Mocht de officier van justitie niettemin worden ontvangen in de vervolging, moet bewijsuitsluiting volgen van in strijd met het volkenrecht in beslag genomen zaken en verhoren en bevindingen die daarmee rechtstreeks verband houden of een andere compensatie worden geboden.

Beoordeling

Ingevolge artikel 110, eerste lid, van het UNCLOS voor zover hier van belang is een oorlogsschip dat een vreemd schip aantreft niet gerechtigd het aan te houden, tenzij er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het schip zich bezighoudt met piraterij.

Anders dan de verdediging kennelijk meent, dient de recht¬bank zich zelfstandig en dus ook onafhankelijk van het oordeel van de commandant van de Tromp een oordeel te vormen over de vraag of er gegronde reden bestond aan te nemen dat de Feddah zich bezig¬hield met piraterij. Of sprake is van een gegronde reden moet worden beoordeeld naar hetgeen bekend was ten tijde van de aanhouding en tegen de achtergrond van het doel van deze bepaling: de bestrijding van piraterij. Indien een gegronde verdenking bestaat om aan te nemen dat een schip zich bezighoudt met piraterij, bestaat die verdenking behoudens contra-indicaties ook ten aanzien van vaartuigen die vanaf dat schip te water worden gelaten.

Het aangetroffen schip, een dhow, voer voor de Somalische kust in de buurt van Camp Grisby, een plek die bekend staat als locatie waarvandaan piraterijactiviteiten plaatsvinden. De Feddah voer globaal in de richting van Camp Grisby. Op het voordek lagen twee skiffs. Het lukte de Tromp niet om via VHF-communicatie contact te leggen met de Feddah.

Deze omstandig¬heden, die zich alle voordeden nog voordat de Feddah door de RHIB’s werd benaderd, vormden een gegronde reden om aan te nemen dat de Feddah zich bezighield met piraterij, zodat de marine gerechtigd was op te treden.

Ten slotte staat artikel 105 van het UNCLOS niet aan inbeslagname van goederen in de weg, indien inbeslagname niet plaatsvindt op het aangehouden schip, maar op het vaartuig waarnaar de betreffende aangehouden persoon is overgebracht en vaststaat dat deze persoon het voorwerp vanaf het aangehouden schip heeft meegenomen.

Omdat het optreden van de marine niet in strijd was met het UNCLOS, bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, of enige andere sanctie, dan ook geen aanleiding.

Conclusie

Nu geen van de ontvankelijkheidsverweren doel treft is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Oneerlijk proces

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een eerlijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte en dat om die reden de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. In dit verband is - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- als gevolg van hoogst onzorgvuldig handelen van de rechter-commissaris en de rechtbank zijn de door de verdediging verzochte getuigen à décharge [getuige 1] en [getuige 2] niet (nader) gehoord; dit levert een schending op van artikel 6, derde lid, onder d van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

- er is, in strijd met artikel 6, eerste lid, EVRM, niet sprake geweest van behandeling van de strafzaak door een onpartijdige rechter.

Beoordeling

Op 4 september 2012 is ter terechtzitting de gang van zaken rond de getuige [getuige 1] door de verdediging ter sprake gebracht. Vervolgens is het verzoek van de verdediging om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden met het oog op het in ieder geval nader horen van [getuige 1] afgewezen.

Daarna heeft de verdediging de rechtbank gewraakt, welk verzoek door de wrakingskamer ongegrond is verklaard.

Geconstateerd moet worden dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat er niet sprake is geweest van een eerlijk proces in essentie overeenkomt met hetgeen is aangevoerd in het kader van het aanhoudingsverzoek en het wrakingsverzoek. Het beoordelen van die stellingen zou er op neerkomen dat de

rechtbank zich zou moeten uitspreken over de juistheid van haar eigen eerdere beslissing respectievelijk over haar eigen onpartijdigheid. Voor het geven van dergelijke oordelen biedt de wet geen ruimte, zodat daarvan zal worden afgezien.

BEWIJS

Vooropstelling

In het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie is door de verdediging veel verweer gevoerd. Een groot deel van die verweren vond zijn grondslag in de samenwerking tussen Defensie en de officier van justitie, meer in het bijzonder in de afweging tussen strafvorderlijke belangen en defensiebelangen.

Wanneer deze afweging wordt beschouwd vanuit een defensieperspectief is de nadruk op defensiebelangen goed te begrijpen. In het kader van de deelname van Nederland aan anti-piraterijmissies als Atalanta en Ocean Shield patrouilleren marineschepen in de Golf van Aden en de Indische Oceaan. Het doel van de operaties is het begeleiden van schepen van het Wereldvoedselprogramma en het bestrijden en voorkomen van kapingen op koopvaardij¬schepen in het operatiegebied van de Hoorn van Afrika. In de kern is deze taak van de marine primair van vrijwel zuiver militaire aard.

Inmiddels is het na een aantal jaar van piraterijbestrijding voor Defensie, maar vooral ook voor het openbaar ministerie, duidelijk dat tijdens de genoemde missies door de marine verdachten kunnen worden aangehouden en dat op enig moment tot strafvervolging wordt besloten. Uitgaande van het primaire militaire doel is het ook dan nog begrijpelijk dat het defensiebelang voorop wordt gesteld en dat de strafvordering, zeker in de beginfase van een onderzoek, een rol op de achtergrond speelt. Dit wordt nog eens versterkt doordat Defensie steeds ter plaatse is en justitie ook feitelijk nog op afstand zit.

Deze, voor een groot deel gedwongen, keuze voor de defensiebelangen resulteert hierin dat een opsporingsonderzoek niet steeds de vrije loop heeft maar - zeker in de beginfase - als het ware moet meanderen langs en om de defensiebelangen heen. Dit heeft in het algemeen als consequentie dat het resultaat van een dergelijk, in zekere zin, beperkt en onvolkomen opsporingsonderzoek anders is dan wanneer de strafvordering steeds haar vrije loop kan hebben. Het onderzoek Dhow vormt op deze gang van zaken géén uitzondering, maar is daarvoor exemplarisch.

Dit gegeven kan en zal uiteindelijk een rol gaan spelen bij de vraag of de ten laste gelegde feiten wettig én overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Bewijsuitsluitingsverweren

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verschillende onderdelen van het dossier niet mogen worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Beoordeling

A. Document G01

Vooropgesteld wordt dat document G01 waarmee de rechtbank uitsluitend doelt op het stuk dat zich, als zodanig genummerd, in het dossier bevindt niet op één lijn kan worden gesteld met een door een opsporingsambtenaar in een proces-verbaal opgetekende verklaring, gelet op de volgende omstandig¬heden:

- de verklaring is niet neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal;

- het document is niet (mede) ondertekend door [kapitein Feddah];

- de verklaring van [kapitein Feddah] is niet met behulp van een beëdigde tolk afgenomen, terwijl duidelijk is geworden dat de communicatie tussen [kapitein Feddah] en de ISTAR-officier (G02) moeizaam is verlopen en de wijze van communicatie onjuist is gerelateerd in document G01;

- gebleken is dat delen van document G01 die worden gepresenteerd als verklaring van [kapitein Feddah] waarnemingen van de verhorende ISTAR-officier bevatten.

Deze omstandig¬heden leiden ertoe dat voorzichtig moet worden omgegaan met document G01. Zij zijn echter, afzonderlijk noch gezamenlijk, voldoende om op voorhand document G01 geheel uit te sluiten van het bewijs. Wel volgt uit het voorgaande dat de ondergrens van het gebruik van document G01 is, dat slechts die delen van het document voor gebruik in aanmerking komen waarover de ISTAR-officier later heeft verklaard dat deze onderdelen de weergave vormen van de verklaring van [kapitein Feddah]. Hierbij wordt aangetekend dat de verdediging in staat is geweest de ISTAR-officier op dit punt te bevragen.

De verdediging heeft nog andere argumenten aangedragen waarom document G01 geheel moet worden uitgesloten van het bewijs:

- de identiteit van [kapitein Feddah] is niet vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs;

- [kapitein Feddah] is niet gewezen op zijn rechten en plichten;

- de ISTAR-officier hield er geen rekening mee dat zijn verslag, document G01, zou worden gebruikt in een strafprocedure;

- het verslag is niet direct na het horen opgemaakt.

Deze omstandig¬heden leiden noch afzonderlijk, noch gezamenlijk, noch in samenhang met de eerder genoemde omstandig¬heden tot het oordeel dat document G01 geheel moet worden uitgesloten. Vast staat dat [kapitein Feddah] op de Feddah is aangetroffen; dat zijn identiteit niet door middel van identiteitspapieren is vastgesteld beïnvloedt daarom noch de betrouwbaarheid van zijn verklaring, noch de bruikbaarheid van G01. Welke rechten en plichten [kapitein Feddah] zouden moeten zijn voorgehouden, ontgaat de rechtbank. Ten slotte is er niet zo veel tijd verstreken tussen het horen van [kapitein Feddah] (op 2 april 2011) en het opmaken van het verslag (op 3 april 2011) dat dit afdoet aan de bruikbaarheid van document G01, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat de ISTAR-officier aantekeningen heeft gemaakt van het gesprek, die hij heeft gebruikt bij het opstellen van document G01.

B. De verklaring van G14

De omstandigheid dat het verhoor van G14 bij de KMar niet auditief of audiovisueel is opgenomen, doet op zichzelf niet af aan de betrouwbaarheid of bruikbaarheid van het op ambtseed opgemaakte verslag van dat verhoor. Daarvoor moet ten minste aannemelijk worden gemaakt dat de verslaglegging onjuist of onvolledig is en de verdediging heeft op dit punt niets gesteld.

Verder is G14 door de verdediging ondervraagd bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris. De recht¬bank is zich ervan bewust dat deze ondervraging in een vroeg stadium van het onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er later nadere onder¬zoeksresultaten bekend zijn geworden. De verdediging stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat zij het ondervragingsrecht niet ten volle heeft kunnen uitoefenen, al moet wel worden opgemerkt dat G14 wel degelijk kon worden bevraagd over de door hem afgelegde, voor de verdachte belastende, verklaring. De raadsman van de verdachte beschikte immers voorafgaand aan het verhoor over de verklaring van G14. De stelling dat G14 niet kon worden geconfronteerd met gestelde inconsistenties, generalisaties en ongefundeerde aannames in zijn verklaring bij de KMar is dus feitelijk onjuist.

C. Uitsluiting van getuigenverklaringen wegens schending van het ondervragingsrecht

Naar vaste rechtspraak is de enkele omstandigheid dat de verdediging een getuige niet heeft kunnen onder¬vragen onvoldoende om te concluderen dat diens verklaring moet worden uitgesloten van het bewijs. De betreffende verklaring kan worden gebezigd tot het bewijs indien deze in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit wordt niet anders indien het niet kunnen ondervragen het gevolg is van handelen of nalaten van de Staat, zodat in het midden kan blijven of de Staat zich in de rechtshulprelatie met Iran voldoende heeft ingespannen.

Conclusie

De conclusie is dan ook dat de verklaringen van [kapitein Feddah] en van G14 inhoudelijk worden beoordeeld, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen. Dat zal hierna en met de nodige voorzichtigheid gebeuren.

Bewijsconstructie feit 1

Standpunt verdediging

De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is van zeeroof of de betrokkenheid van de verdachte daarbij. Hieromtrent wordt als volgt overwogen

Aantreffen van de Feddah

Op 2 april 2011 heeft de marine de Feddah aangetroffen in de wateren voor Somalië, vrij dicht in de buurt van Camp Grisby, een locatie die bekend staat als een locatie waarvandaan piraterijactiviteiten worden georganiseerd. Bij een benadering van de Feddah door de marine is geschoten vanaf de Feddah. Na dit vuurgevecht is een aantal Somaliërs de Feddah in een skiff ontvlucht. Toen enige tijd later marine¬personeel aan boord van de Feddah kwam, heeft het daar wapens, munitie, ladders, skiffs en een flinke voorraad diesel in jerrycans aangetroffen. Voorts is gebleken dat sprake is van twee groepen opvarenden, Somaliërs en Iraniërs, dat de Feddah van de Iraniërs is en dat bij de nadering door de marine Somaliërs zich tegen de marine hebben geweerd.

Deze feiten en omstandig¬heden, bezien in onderling verband en samenhang, vormen de kern van het bewijs dat de Somaliërs zich hebben schuldig gemaakt aan zeeroof. Het standpunt van de verdediging, dat de locatie van aantreffen van de Feddah niet kan bijdragen aan het bewijs wordt verworpen, omdat niet het aantreffen in de wateren voor Somalië van belang is, maar het aantreffen in de nabijheid van een bekend piratenkamp. Het enkele feit dat wapens ook ter verdediging zouden kunnen worden gebruikt, is anders dan de verdediging meent onvoldoende om te concluderen dat het aantreffen ervan niet kan bijdragen aan het bewijs van zeeroof. De recht¬bank wijst erop dat zich onder de aantroffen wapens een raketwerper (RPG) met munitie bevond en bovendien het aantreffen van de wapens niet op zichzelf staat, maar moet worden beoordeeld in samenhang met de overig aangetroffen zaken ladders, skiffs en brandstof , de locatie van de Feddah, het feit dat de Feddah niet van de Somaliërs was en de omstandigheid dat een vuur¬gevecht is uitgebroken bij de nadering van de Feddah.

De verklaring van G14

G14 verklaart bij zijn verhoor door de KMar dat hij voor piraterij de zee op is gegaan en dat hij onder piraterij verstaat het afpakken van schepen van anderen. Hij vertelt hoe hij op de Feddah is gekomen en dat daar uiteindelijk een groep van achttien Somaliërs was, die het voornemen had om een schip te gaan kapen. De groep had een duidelijke leider, [naam leider]; deze is overleden in het vuur¬gevecht met de marine. De Iraniërs op de Feddah werden in bedwang gehouden door de Somaliërs. G14 wijst V01 aan als bestuurder van een skiff, V02 als plaatsvervanger van [naam leider] en V06, V09, V11, V12 en V13 als gewapende soldaten. V15 en V16 zouden plaatsvervangers van de twee skiff¬bestuurders zijn. In grote lijnen bevestigt G14 zijn verklaring bij de rechter-commissaris.

De verklaring wordt op verschillende punten bevestigd door andere verklaringen. Zo wordt [naam leider] door V06 en V15 als leider genoemd. Dat de Somaliërs optreden als groep wordt bevestigd door V01. V01 bevestigt ook dat de Iraniërs niet vrij waren; hij verklaart immers dat de Iraniërs ‘gedwongen werden om ons naar het vaste land van Somalië te brengen.’ Dat de Feddah een gekaapt schip was, is een omstandigheid die bijdraagt aan het bewijs dat dit schip de bestemming had daden van geweld tegen andere schepen te plegen. Dat V06 en V09 gewapend waren, wordt bevestigd door V15.

Verder vindt de verklaring van G14 dat de groep Somaliërs was samengesteld om andere schepen aan te vallen steun in de aan boord aangetroffen zaken.

Er is dan ook geen reden de verklaring van G14 niet te gebruiken als bewijsmiddel. De verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen en draagt, bezien in onderling verband en samenhang daarmee, bij aan het bewijs van het tenlastegelegde.

De verklaring van [kapitein Feddah]

Hoe gebrekkig ook weergegeven in document G01, de kern van de verklaring van [kapitein Feddah] zoals die ook via de verklaringen van G02 bekend is geworden is dat zijn schip gekaapt was en dat hij en zijn landgenoten gegijzeld zijn geweest totdat de marine hen bevrijdde. Deze verklaring vindt zijn bevestiging in verklaringen van G14, V01, de aanwezige goederen en opvarenden op de Feddah en de omstandig¬heden waaronder zij is aangetroffen. Derhalve draagt de verklaring van [kapitein Feddah], bezien in onderling verband en samenhang met die andere bewijsmiddelen, bij aan het bewijs van het tenlastegelegde.

Medeplegen en wetenschap

Niet hoeft te worden bewezen dat daadwerkelijk geweld is gepleegd en evenmin of de verdachte van plan was zelf geweld te gaan plegen. Voldoende is de wetenschap dat het schip waarop hij dienstdeed in welke rol dan ook een geweldsbestemming had.

Dat de Somaliërs, onder wie de verdachte, bewust en nauw hebben samengewerkt valt af te leiden uit de omstandigheid dat de Somaliërs op de Feddah, onder wie de verdachte, als groep hebben opgetreden. Deze groep had in elk geval één duidelijke leider, [naam leider]. Leiderschap en daaruit voortvloeiende taakverdeling is ook noodzakelijk om een schip op zee te kunnen laten varen en aan boord van dat schip een groep mensen in gijzeling te houden. Onder die omstandig¬heden is het redelijkerwijs uitgesloten dat de verdachte, of een van de andere Somaliërs, niet wist wat er gaande was. De verdachte moet hebben geweten van de bestemming van de Feddah en merkt nog op dat de omstandigheid dat na het vuurgevecht niet alle Somaliërs zijn gevlucht, niet afdoet aan het oordeel dat zij allen in elk geval tot dat moment als één groep hebben opgetreden.

Op open zee

Uit de verklaring van V06 blijkt dat de Feddah een bestemming had buiten de territoriale wateren. Daar is zij in eerste instantie ook aangetroffen. Dat is voldoende bewijs voor het bestanddeel dat de bestemming van het vaartuig het plegen van daden van geweld op open zee was. Aan deze bestemming doet niet af, dat de Feddah zich in de territoriale wateren van Somalië bevond toen de marine haar actie uitvoerde.

Periode

Er zijn dusdanig veel verschillende verklaringen over wie op welk moment aan boord van de Feddah kwam, dat de recht¬bank de bewezenverklaring beperkt tot dienstdoen op of omstreeks 2 april 2011. Zeker is dat de verdachte zich op 2 april 2011 op de Feddah bevond en in elk geval ook daar de nacht had doorgebracht.

Machtiging oorlog voerende mogendheid

Gesteld noch gebleken is dat de verdachte en zijn medeverdachten door een oorlogvoerende mogendheid tot hun daden zijn gemachtigd of dat zij tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid behoren. Om die reden is gekomen tot de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Schipper

Er is geen bewijs waaruit blijkt dat de verdachte als schipper kan worden aangemerkt. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft zich op dit standpunt gesteld, terwijl het eveneens is bepleit door de verdediging.

Gepleegde daden van geweld tegen de Feddah of andere schepen

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te kunnen concluderen dat de verdachte dienst heeft gedaan op een schip dat een daad van geweld heeft gepleegd tegen de Feddah of enig ander schip dat zich op open zee bevond, zodat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. De recht¬bank merkt hierbij op, dat vaststaat dat het vuurgevecht tussen de Feddah en de marine zich niet op open zee, maar binnen de territoriale wateren van Somalië heeft afgespeeld.

Alternatieve scenario’s feit 1

Door de verdediging gegeven alternatieve verklaringen voor de aanwezigheid van de verdachte aan boord van de Feddah en diens bedoelingen aldaar worden weerlegd in door de door de recht¬bank gebezigde bewijsmiddelen. Bovendien zijn de diverse verklaringen die de verdachten op dit punt hebben afgelegd niet geloofwaardig, omdat zij elkaar onderling tegenspreken.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage B aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 15 december 2010 tot en met 2 april 2011,

vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Somalië, en/of in de territoriale wateren van Somalië en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schepeling heeft dienstgenomen en/of heeft dienst gedaan op een vaartuig, dat (telkens) bestemd was en/of gebruikt werd om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen, terwijl hij bekend was met deze bestemming en/of dit gebruik en/of vrijwillig in dienst is gebleven op zodanig vaartuig na met deze bestemming en/of dit gebruik bekend te zijn geworden

(welk gepleegd geweld (onder meer) bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een of meerdere raketwerper(s) op, althans in de richting van het vaartuig 'Feddah' (althans een Iraanse dhow), althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij) vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen) en/of het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan personen die zich op dat vaartuig ‘Feddah’ (althans een Iraanse dhow) bevonden en/of het met die wapens onder schot houden van die personen,

zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de

oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 2

Geen pleger

Als vaststaand wordt aangenomen dat er vanaf de Feddah met vuurwapens gerichte schoten zijn afgevuurd in de richting van personeel van de marine. De strafrechtelijk relevante feiten en omstandigheden zoals deze rondom dit schietincident (schietincident) uit het dossier kunnen blijken zijn voor het overige beperkt. Zo is voor de verdachte geen bewijsmiddel voorhanden op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat hij het is geweest die één of meer schoten vanaf de Feddah heeft gelost. Sterker nog, van de verdachte kan geen concrete betrokkenheid bij het schieten worden vastgesteld. De verdachte kan dan ook niet als zelfstandig pleger van het schietincident worden aangemerkt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie komt in feite ook tot deze conclusie en richt zich daarom in zijn bewijsconstructie op de deelnemingsvorm van het medeplegen en acht bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachten medeplegers zijn van het schietincident. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat op het moment van de schietpartij de verdachte en zijn medeverdachten medeplegers van de zeeroof waren. Zij vormden een groep die samen plannen had gemaakt, samen optrok, door hun gezamenlijk optreden in de confrontatie met de marine was beland. Op deze wijze hebben zij gezamenlijk de situatie gecreëerd waarin het geweld plaatsvond. Dat daarbij potentieel dodelijk letsel zou ontstaan was voor de verdachten voorzienbaar.

Beoordeling

A. Opzet op het schietincident

Vast staat dat de verdachte aan boord van de Feddah was om met of vanaf die Feddah daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of zich daarop bevindende personen. Vast staat ook dat de verdachte nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt om daaraan uitvoering te geven. Dit volgt rechtstreeks uit de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van feit 1, de zeeroof, zoals die hiervoor zijn besproken. Met de officier van justitie kan worden vastgesteld dat voor de verdachte en zijn medeverdachten aldus gewelddadig, mogelijk gewapend, handelen was te voorzien. Daarmee is het (voorwaardelijk) opzet op een potentieel dodelijk schietincident gegeven.

B. Samenwerking bij zeeroof is niet hetzelfde als samenwerking bij schietincident

Met de officier van justitie kan voorts worden geoordeeld dat de aan de zeeroof ten grondslag liggende feiten en omstandigheden ook bij de beoordeling van de voor het medeplegen van het schietincident noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking een opmaat vormen. Daarbij moet worden opgemerkt dat dergelijke feiten en omstandigheden niet één op één van de zeeroof naar het schietincident kunnen worden doorgeschoven. Anders gezegd - de invulling van - de nauwe en bewuste samenwerking van de zeeroof en die van het schietincident lopen in zekere zin parallel, maar vallen niet samen.

C. Nadere invulling nauwe en bewuste samenwerking

Bezien moet daarom worden of de aan het medeplegen van zeeroof ten grondslag liggende redengevende inhoud van de bewijsmiddelen, aangevuld met andere feiten en omstandig¬heden sterk en overtuigend genoeg is om te kunnen concluderen dat de verdachte en zijn medeverdachten ook nauw en bewust hebben samengewerkt bij het schietincident.

Zoals hiervoor al is overwogen kan van de verdachte geen betrokkenheid worden vastgesteld bij uitvoering van het schietincident. Ook ontbreekt ieder bewijs waaruit mogelijk zou kunnen worden afgeleid dat verdachte bij de planning en organisatie of op andere wijze, afgezien van zijn enkele aanwezigheid op de Feddah, bij het schietincident betrokken is geweest. Daarbij wordt opgemerkt dat niet is uit te sluiten dat de verdachte zich - al dan niet slapend - op een andere plek op de Feddah heeft bevonden toen de schietpartij begon.

Conclusie

Alles overziend ontbreken aanvullende feiten en omstandigheden waarop de nauwe en bewuste samenwerking gericht op het schietincident mede zou kunnen worden gebaseerd. Een en ander is mogelijk het gevolg van hetgeen hierboven onder de kop ‘Vooropstelling’ is overwogen over de wijze waarop het opsporings¬onderzoek is verricht. Een veroordeling voor het medeplegen van het schietincident zou volledig moeten worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die de grondslag vormden voor de bewezenverklaarde zeeroof. Dit zou leiden tot een te algemene en te collectieve invulling van het medeplegen, welke onvoldoende recht doet aan de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte die in het Nederlandse strafrecht nog steeds het uitgangspunt vormt. Er bestaat dan ook onvoldoende wettige en overtuigende basis voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het schietincident. De verdachte zal daarom van feit 2 in al zijn onderdelen worden vrijgesproken.

Afwijzing voorwaardelijke getuigenverzoeken

Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de opsteller van het drieluik en commandeur [naam commandeur] wordt afgewezen, nu het drieluik niet voor het bewijs wordt gebruikt en de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen verklaarde feit levert op:

1. medeplegen van zeeroof.

De bedoeling van de wetgever moet zijn geweest om ook gevallen waarin de schepeling dienst doet op een piratenschip onder het bereik van de strafbaarstelling van artikel 381 Sr te brengen. Een redelijke uitleg van het begrip ‘dienst nemen’ in de strafbaarstelling van zeeroof door een schepeling brengt dan mee, dat hieronder mede wordt verstaan het ‘dienst doen’ op een piratenschip. Derhalve kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd zoals hierboven vermeld. (Zie: rechtbank Rotterdam 17 juni 2010, LJN: BM8116)

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zeeroof. Hij is samen met zijn medeverdachten in de wateren bij Somalië aangetroffen op de Feddah, welke boot, naar later bleek, bij een eerdere gelegenheid was gekaapt. Zij bevonden zich daar met de bedoeling geweld te plegen tegen andere vaartuigen en met het oog daarop waren zij voorzien van onder andere vuurwapens, ladders en twee skiffs, snelle kleine bootjes met buitenboordmotor.

Toen marinemensen, afkomstig van de Tromp die daar voer in het kader van een inter¬nationale antipiraterij-missie, de Feddah benaderden om poolshoogte te nemen, is het tot een gewapend treffen gekomen. Daarbij is over een weer geschoten. Aan boord van de Feddah zijn twee mensen gedood en zes mensen gewond geraakt.

Aan boord van de Feddah bevond zich ook nog de Iranese bemanning. Toen de marine de Feddah benaderde zijn deze Iraniërs door de Somaliërs onder dreiging van vuurwapens gedwongen om aan dek plaats te nemen en de indruk te wekken dat er niets aan de hand was aan boord. De bemanningsleden van de Feddah, die zich in het kader van de uitoefening van hun beroep als visser op volle zee bevonden, hebben gedurende de kaping zeer angstige momenten beleefd.

Het aantal gevallen van zeeroof en daarmee veroorzaakte kapingen van schepen in de wateren bij Somalië is de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. Het valt daarbij op dat de piraten steeds professioneler, gewelddadiger en overmoediger optreden. Het motief daarbij is duidelijk: het levert enorme sommen geld op, gelden die worden betaald om de vrijheid te bewerkstelligen van de gegijzelde bemanningen en de in bezit genomen schepen. Iedere ‘geslaagde’ kaping draagt ook bij tot de groei en verdere professionalisering van dit fenomeen: de gelden lijken namelijk ook deels gebruikt te worden om krachtigere boten, materialen en wapens te kopen.

Deze piraterij vormt een ernstige bedreiging voor het internationaal erkende recht op vrije doorgang op internationale wateren. De getroffen wateren bij Somalië maken deel uit van een van de drukst bevaren zeevaartroutes ter wereld. Het vrije vervoer van vracht komt daardoor ernstig in gevaar.

De ernst van het feit gebiedt oplegging van gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is voorts het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is afkomstig uit Somalië. Het is algemeen bekend dat Somalië een onveilig land is, zonder effectief centraal gezag. Strijdende partijen vechten hun conflicten uit in een sfeer van straffeloosheid, bij welke conflicten veel burgerslachtoffers zijn gevallen. Daarbij worden de mensenrechten in Somalië met voeten getreden en wordt Somalië geteisterd door droogte en hongersnood. Een en ander geldt in ieder geval voor het deel van Somalië waar de verdachte woonde.

Hoewel het niet mogelijk is gebleken om alle persoonlijke omstandigheden van de verdachte te verifiëren, wil de rechtbank aannemen dat deze persoonlijke omstandigheden schrijnend zijn. De verdachte heeft verklaard dat tijdens zijn voorlopige hechtenis zijn zus is overleden. Voorts had de verdachte de zorg voor zijn ouders, die op dit moment geen inkomstenbron hebben. Daarnaast is de verdachte tijdens het gewapend treffen met de marine gewond geraakt.

Bovengeschetste ongunstige omstandigheden in Somalië - zowel in algemene zin als de persoonlijke situatie van de verdachte betreffende - kunnen echter niet een rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond.

In aanmerking is voorts genomen, dat in gevallen waarin alleen een verdenking van zeeroof bestaat, in veel gevallen aangehouden verdachten worden heengezonden en geen straf¬vervolging wordt ingesteld. Dit speelt echter slechts een marginale rol bij de straftoemeting.

De verdachte is overgebracht naar Nederland. Aangenomen wordt dat detentie in Nederland een zware belasting voor de verdachte vormt, aangezien hij in detentie een zeer geïsoleerd bestaan leidt. De verdachte is immers ver van huis en zijn familie, ontvangt geen bezoek in het huis van bewaring en de mogelijkheden om contact met zijn familie in Somalië te onderhouden zijn beperkt.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die zijn opgelegd voor vergelijkbare zaken van zeeroof in de wateren bij Somalië (vonnissen van deze rechtbank van 17 juni 2010 en 12 augustus 2011, onder andere LJN BM8116 en BR4931).

Ten slotte kan naar het oordeel van de rechtbank er niet geheel aan voorbijgezien worden dat er een gerede kans bestaat - gelet op artikel 15, derde lid, aanhef en onder c Sr - dat de verdachte niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Alles overziend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47 en 381 Sr.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren en zes

(6) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, alsmede de tijd die vanaf 2 april 2011 tot aan de aanvang van de voorlopige hechtenis in detentie is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Janssen, voorzitter,

en mrs. Klein Wolterink en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Welten en Balk, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2012.

De oudste rechter en de griffier mr. Balk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage A bij vonnis van 12 oktober 2012:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 15 december 2010 tot en met 4 april 2011,

vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Somalië, en/of in de territoriale wateren van Somalië, en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schipper heeft dienstgenomen en/of dienst heeft gedaan op een vaartuig, wetende dat het bestemd was en/of (telkens) het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen (welk gepleegd geweld (onder meer) bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een of meerdere raketwerper(s) op, althans in de richting van de vaartuig 'Feddah' (althans een Iraanse dhow), althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij) vaartuigen, en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen en/of het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan personen die zich op het vaartuig ‘Feddah’ (althans een Iraanse dhow) bevonden en/of het met die wapens onder schot houden van die personen),

zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren;

en/of

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 15 december 2010 tot en met 2 april 2011,

vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Somalië, en/of in de territoriale wateren van Somalië, en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schepeling heeft dienstgenomen en/of heeft dienst gedaan op een vaartuig, dat (telkens) bestemd was en/of gebruikt werd om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen, terwijl hij bekend was met deze bestemming en/of dit gebruik en/of vrijwillig in dienst is gebleven op zodanig vaartuig na met deze bestemming en/of dit gebruik bekend te zijn geworden

(welk gepleegd geweld (onder meer) bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een of meerdere raketwerper(s) op, althans in de richting van het vaartuig 'Feddah' (althans een Iraanse dhow), althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij) vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen) en/of het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan personen die zich op dat vaartuig ‘Feddah’ (althans een Iraanse dhow) bevonden en/of het met die wapens onder schot houden van die personen),

zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de

oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren;

2.

hij, op een of meer tijdstippen, op of omstreeks 2 april 2011,

in de territoriale wateren van Somalië en/of op volle zee, en/of in de Indische Oceaan,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen

misdrijf om opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg personeel van de Nederlandse Marine (zich bevindende in de twee Rigid Hull Inflatable Boats (RHIB), althans vaartuigen, van het Nederlandse fregat Hr. Ms. Tromp en/of aan boord van het Nederlandse fregat Hr. Ms. Tromp) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (vanaf korte afstand) heeft geschoten met (automatische) (vuur)wapens op/in de richting van dat Marinepersoneel,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij, op een of meer tijdstippen, op of omstreeks 2 april 2011, in de territoriale wateren van Somalië en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk personeel van de Nederlandse Marine (zich bevindende in de twee RHIB’s van het Nederlandse marine fregat Hr. Ms. Tromp en/of aan boord van het Nederlandse marine fregat Hr. Ms. Tromp) van het leven te beroven, met dat opzet vanaf korte afstand heeft geschoten met (automatische) (vuur)wapens op/in de richting van dat Marinepersoneel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

(welke voren omschreven poging tot doodslag toen en aldaar werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten zeeroof (als bedoeld in art. 381 Sr en nader omschreven onder feit 1) en/of de kaping (als bedoeld in art. 385a Sr) van de dhow ‘Jelbut 19/Feddah' (althans een Iraanse Dhow) (welke werd gepleegd middels onder meer bedreiging met (automatische) vuurwapens van de bemanning van die dhow) en werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit/die feiten voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit/die feiten straffeloosheid te verzekeren en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren);

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op een of meer tijdstippen, op of omstreeks 2 april 2011,

in de territoriale wateren van Somalië en/of op volle zee, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk een daad van geweld heeft begaan tegen (een) perso(o)n(en) die zich aan boord van een vaartuig ter zee bevond(en), terwijl daardoor gevaar voor de veilige vaart van dat vaartuig te duchten was, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededaders toen en aldaar (vanaf korte afstand) met (automatische) (vuur)wapens meermalen, althans eenmaal,

geschoten op, dan wel in de richting van, personeel van de Nederlandse Marine dat zich bevond in (een) varend(e) RHIB('s), althans vaartuig(en) van het Nederlandse fregat Hr. Ms. Tromp en/of zich bevond aan boord van het varende Nederlandse fregat Hr. Ms. Tromp.