Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW5680

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
10/994590-08 (tussenvonnis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek aan Hof van Justitie van de Europese Unie om prejudiciële beslissing m.b.t. uitleg begrip "doorvoer" als bedoeld in artikel 2 onder 32 van de Verordening EG nummer 1013/2006 ("de nieuwe EVOA").

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/994590-08

Datum uitspraak: 4 mei 2012

Tegenspraak

Tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[verdachte rechtspersoon],

gevestigd te: [adres], [plaats], Frankrijk,

raadsvrouw mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

4 december 2008, 17 september 2009 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van 20 april 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Mackor heeft gerekwireerd:

- de bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de opzetvariant;

- de veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot het betalen van een geldboete van € 8.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

OVERWEGINGEN

Tijdens de beraadslaging is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, omdat de rechtbank vragen heeft over de interpretatie van de toepasselijke wet- en/of regelgeving, waar zij behoefte heeft aan nadere informatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank acht het in het belang van de Nederlandse rechtspleging dat die vragen reeds thans aan het Hof worden voorgelegd.

De rechtbank acht het derhalve noodzakelijk dat het onderzoek ter terechtzitting wordt heropend en dat de zaak wordt aangehouden teneinde het Hof van Justitie van de Europese Unie de hierna aan te geven prejudiciële vragen voor te leggen.

Het onderhavige geschil betreft de uitleg van de Verordening EEG nr. 259/93 van 1 februari 1993 betreffende Toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap (verder te noemen de oude EVOA) en de Verordening EG nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (verder te noemen de nieuwe EVOA) en heeft betrekking op het begrip “doorvoer”.

In casu gaat het om een transport van gebruikte ongesorteerde kleding, dat via Nederland (Rotterdam) werd verzonden vanuit Frankrijk met als bestemming de Verenigde Arabische Emiraten.

HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING

Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsvrouw, mr. J.C. Ozinga, zich op het standpunt gesteld dat er in het onderhavige geval geen sprake was van “doorvoer” in de zin van de oude EVOA, aangezien de container met afvalstoffen de Rotterdamse haven in transito aandeed -er werd slechts aangemeerd- zonder dat de goederen werden ingeklaard door de douane, zodat niet een kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten was vereist. Ter ondersteuning van haar stelling verwijst de raadsvrouw naar de website van Senternovum, een agentschap va het Ministerie van Economische Zaken, werkzaam in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, die ten tijde van het strafbare feit het volgende vermeldde:

“Valt het aanmeren in een Nederlandse haven ook onder de definitie van doorvoer? “

“Indien een (zee)schip dat afvalstoffen vervoert, aanmeert in een Nederlandse haven, maar er geen op- en/of overslag van de afvalstoffen plaatsvindt en de afvalstoffen niet aan de wal worden gebracht, is er volgens de Nederlandse interpretatie van de Verordening 259/93 (EVOA) geen sprake van doorvoer. In dit geval is dan ook geen kennisgevingsprocedure vereist. Indien de afvalstoffen wel aan de wal worden op- en/of overgeslagen en een (ander) schip de afvalstoffen vervolgens naar een ander land vervoert, is er sprake van doorvoer als de op- en/of overslagactiviteiten van korte duur zijn en van tevoren bekend is welk schip de afvalstoffen naar een ander land zal vervoeren”.Uit deze tekst blijkt uitdrukkelijk dat door de Nederlandse overheid het enkel aanmeren in een Nederlandse haven niet als doorvoer wordt gezien.

HET STANDPUNT VAN HET OPENBAAR MINISTERIE (OM)

Het Openbaar Ministerie (verder te noemen OM) te Rotterdam beroept zich op het Omni Metal Service arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 17 juli 2009 (LJN BL2281), waarin het Gerechtshof heeft overwogen dat er in de oude EVOA geen definitie van het begrip “doorvoer” voorkomt doch in de nieuwe EVOA wel in artikel 2 onder 32. Dit artikel luidt: “doorvoer”: een overbrenging van afvalstoffen of een geplande overbrenging van afvalstoffen doorheen een of meerdere andere landen dan het land van verzending of van bestemming”. Nu die nieuwe EVOA op dit punt een codificatie vormt van hetgeen de Europese wetgever reeds voor ogen stond, sluit het Gerechtshof zich aan bij de definitie van “doorvoer” in de nieuwe EVOA. Deze definitie omvatte naar het oordeel van het Gerechtshof evenmin als de oude EVOA een restrictie zoals die is aangebracht in de Nederlandse interpretatie van het begrip, zoals voorheen door de website van Senternovum weergegeven. Het begrip “doorvoer” dient dan ook ruimer uitgelegd te worden dan de beperkte wijze waarop de Nederlandse autoriteiten het in het verleden geïnterpreteerd hebben. Volgens het OM is deze uitleg van het Gerechtshof in lijn met het doel van de oude EVOA en het controlestelsel dat deze verordening in het leven roept, zoals blijkt uit de 6e considerans waarbij is overwogen dat het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen zodanig moet worden geregeld dat er rekening wordt gehouden met de noodzaak de kwaliteit van het milieu te beschermen en te verbeteren.

Ter ondersteuning verwijst het OM naar artikel 7 van de oude EVOA. Dit artikel biedt aan de bevoegde autoriteiten van bestemming, verzending en “doorvoer” de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een voorgenomen overbrenging van afvalstoffen waarvoor een kennisgeving wordt gedaan. Ook kunnen door deze autoriteiten voorwaarden worden verbonden aan het vervoer van de afvalstoffen binnen hun rechtsgebied. Voor de autoriteiten van het land van “doorvoer” is in dit artikel bepaald dat onder andere op grond van strijd met nationale bepalingen omtrent milieubescherming, openbare orde en veiligheid of gezondheidsbescherming bezwaar kan worden gemaakt tegen een voorgenomen overbrenging van afvalstoffen.

Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteiten van een land van “doorvoer” uitdrukkelijk zeggenschap hebben over afvalstoffen die zich op hun grondgebied bevinden. Genoemd artikel bevestigt de bedoeling van de oude EVOA: een systeem van controle en toezicht op het internationale transport van afvalstoffen van begin tot eind, zonder onderbreking en zonder restricties voor landen waar doorheen de afvalstoffen worden vervoerd. In het onderhavige geval, nu het een overbrenging van afvalstoffen vanuit Frankrijk naar de Verenigde Arabische Emiraten betrof, had door de verdachte rechtspersoon aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten (Nederland als land van “doorvoer”) kennisgeving van de verzending van de afvalstoffen moeten worden gedaan.

OVERWEGINGEN

De rechtbank overweegt allereerst dat met de (internationale) regelingen op het terrein van afvalverwerking en afvaltransport niet alleen gestreefd wordt naar zoveel mogelijk harmonisatie van de verschillende (nationale) regelingen, maar dat daarmee ook wordt beoogd te voorkomen dat op onjuiste wijze (vooral wat de milieuaspecten betreft) afvalstoffen worden vervoerd en verwerkt.

Alvorens tot een oordeel te komen of door de verdachte rechtspersoon in de onderhavige strafzaak ten onrechte is nagelaten de in art. 15 van de oude EVOA geregelde kennisgevingsprocedure te volgen, zou de rechtbank op de volgende vragen een antwoord willen hebben.

1)

Is in het geval van overbrenging per zeeschip van afvalstoffen van een EU-lidstaat (in casu Frankrijk) naar een staat waarop het OESO-Besluit niet van toepassing is (in casu de Verenigde Arabische Emiraten) sprake van “doorvoer” in de zin van de oude en nieuwe EVOA, indien onderweg de haven van een andere EU-lidstaat (in casu die van Rotterdam) wordt aangedaan?

2)

Maakt het voor het antwoord op vraag 1 verschil of:

- er in die haven op- en/of overslag van die afvalstoffen plaatsvindt en/of

- die afvalstoffen aan de wal worden gebracht en/of

- die afvalstoffen ter invoer worden aangegeven bij de douane?

Op grond van het bepaalde in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zal de rechtbank het Hof van Justitie verzoeken op die vragen een prejudiciële beslissing te nemen.

VERZOEK OM AANVULLEND PROCES-VERBAAL

Uit het door de douane opgemaakte processen-verbaal wordt niet zonder meer duidelijk of de container in kwestie in de Rotterdamse haven het zeeschip heeft verlaten (en zo, of dit al dan niet in opdracht van de Nederlandse autoriteiten is geschied) en/of de zich in die container bevindende afvalstoffen (in casu ongesorteerde tweedehands kledingstukken) zijn ingeklaard.

Om die reden zal de rechtbank de Officier van Justitie verzoeken daaromtrent een aanvullend proces-verbaal op te laten maken.

BESLISSING

De rechtbank:

heropent het onderzoek ter terechtzitting;

schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;

beveelt de oproeping van de verdachte rechtspersoon tegen een nader te bepalen terechtzitting, met verstrekking van een afschrift van de oproeping aan de raadsvrouw;

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen ten aanzien van de vragen als hiervoor onder 1 en 2 geformuleerd;

verzoekt de Officier van Justitie een aanvullend proces-verbaal op te laten maken zoals hierboven omschreven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van den Berg, voorzitter,

en mrs. Geerars en Van Nijen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lemm, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2012.

Bijlage bij vonnis ten aanzien van: EBS Le Relais Nord-Pas-De-Calais

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 11 april 2007 te Rotterdam, althans in Nederland,

in elk geval binnen het grondgebied van Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met één (of meer) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26, eerste lid van

de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de

overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

immers was zij doende afvalstoffen, te weten gebruikte ongesorteerde kleding,

in elk geval (een) afvalstof(fen) als bedoeld in Bijlage II van deze

Verordening (code GJ 120) over te brengen van Frankrijk naar de Verenigde

Arabische Emiraten via Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder

kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken

bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening;

[artikel 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 10.60 lid 1

Wet milieubeheer (oud) juncto artikel 26 lid 1 van de Verordening (EEG) Nr.

259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen

binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap]