Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ3735

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
946361 / CV EXPL 08-45131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene voorwaarden van CBW; annulering; onredelijk bezwarend beding; ambtshalve buiten toepassing laten; richtlijn 93/13/EEG.

Gedaagde heeft nagelaten aan zijn stelling dat het beding onredelijk bezwarend is een rechtsvordering tot vernietiging te verbinden. Gelet op het feit dat er sprake is van een consumententransactie is de Europese Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten van toepassing, waaruit een verplichting tot richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht voortvloeit. Nu het annuleringsbeding oneerlijk is in de daaraan door de richtlijn toegekende betekenis zal de rechtbank genoemd beding ambtshalve buiten toepassing laten omdat de betrokken consumentenbeschermingsbepalingen anders onvoldoende effectief zouden zijn en de arresten van het Hof van Justitie ambtshalve toetsing in bepaalde gevallen noodzakelijk acht, waarbij de rechtbank ervan uit is gegaan dat (gedaagde), gelet op zijn processuele opstelling, zich hier niet tegen zou hebben verzet; vgl. HvJ EG 26 oktober 2006, RvdW 2006, 1102 (Mostaza Claro) en recent HvJ EG 4 juni 2009 C-243/08 (Pannon GSM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Zaak-/rolnummer: 946361 / CV EXPL 08-45131

Uitspraak: 10 juli 2009

VONNIS van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Waalwijk,

eiseres,

gemachtigde The Receivables Management Company B.V.,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. M.A. Lo A Foe, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 5 december 2008 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Op 31 december 2005 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een badkamer verkocht voor een aankoopbedrag van € 16.250,-. De order is op afroep gezet. De vermoedelijke levering zou plaatsvinden in week 31 van 2007. Partijen zijn tevens overeengekomen dat [gedaagde] tot het moment van afroep de order mocht wijzigen.

2.2 Van de koopovereenkomst maken deel uit de algemene voorwaarden van de Centrale Branchevereniging Wonen (hierna te noemen: CBW-voorwaarden), waarvan artikel 12, voor zover hier relevant, luidt:

“1. Bij annulering van de overeenkomst door de afnemer is deze een schadevergoeding verschuldigd van 30% van hetgeen de afnemer bij de uitvoering van de overeenkomst had moeten betalen, tenzij partijen bij het sluiten van de overeenkomst anders zijn overeengekomen. (…)

2. De in het vorige lid genoemde percentages zijn vaststaand, tenzij de ondernemer kan bewijzen dat zijn schade groter is of de afnemer aannemelijk kan maken dat de schade kleiner is.”

2.3 Begin 2006 heeft [gedaagde] aan [eiseres] kenbaar gemaakt enkele wijzigingen in de bestelde badkamer aan te willen brengen.

2.4 In een brief van 27 november 2006 heeft [gedaagde] [eiseres] verzocht hem “binnen veertien dagen een factuur op te sturen, zoals wij dat drie maanden geleden hebben afgesproken”.

2.5 Op 15 januari 2007 heeft [gedaagde] [eiseres] schriftelijk bericht de koopovereenkomst te willen ontbinden, omdat hij – na de doorgegeven orderwijziging – ondanks herhaalde verzoeken geen orderspecificatie heeft ontvangen, reden waarom hij het vertrouwen in [eiseres] heeft verloren.

2.6 Bij brief van 14 februari 2007 heeft [eiseres] [gedaagde] een gewijzigde orderspecificatie doen toekomen. De gewijzigde koopprijs bedraagt € 11.051,-.

2.7 Bij brief van 5 maart 2007 heeft [eiseres] medegedeeld dat indien uit een brief van [gedaagde] van 5 maart 2007 moet worden opgemaakt dat [gedaagde] de order wenst te annuleren, [gedaagde] de annuleringskosten ad € 3.315,30 is verschuldigd.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.108,69, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.315,30 vanaf 5 december 2008, en proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde] heeft de koopovereenkomst geannuleerd, waardoor [eiseres] schade heeft geleden. De schade bestaat onder andere uit winstderving, personeelskosten, huisvestingskosten en advertentie- en reclamekosten.

3.2 Vanwege de annulering is [gedaagde] op grond van artikel 12 lid 1 van de

CBW-voorwaarden een schadevergoeding aan [eiseres] verschuldigd van € 3.315,30, zijnde 30% van de gewijzigde orderprijs van € 11.051,-.

3.3 [eiseres] maakt aanspraak op een bedrag van € 343,39 aan wettelijke rente tot 24 november 2007.

3.4 [eiseres] vordert voorts vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 450,-.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [gedaagde] heeft de koopovereenkomst reeds op 15 januari 2007 ontbonden, omdat [eiseres] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten. [gedaagde] heeft [eiseres] herhaaldelijk verzocht om een gewijzigde orderspecificatie. Desondanks heeft [eiseres] ruim een jaar lang nagelaten de orderwijziging te bevestigen.

4.2 Voor het geval dat de koopovereenkomst niet is ontbonden, dient het door [eiseres] ingeroepen annuleringsbeding als onredelijk bezwarend te worden aangemerkt op grond van artikel 6:237 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).

4.3 Indien dat beding niet onredelijk bezwarend is, dient de schadevergoeding op grond van artikel 6:94 BW te worden gematigd tot een bedrag van nihil, omdat [eiseres] geen annuleringskosten heeft gemaakt.

4.4 Betwist wordt dat [eiseres] de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.

5 De beoordeling

5.1 Partijen verschillen van mening over de vraag of de koopovereenkomst is ontbonden dan wel geannuleerd. Beide rechtsfiguren hebben beëindiging van een overeenkomst tot gevolg. Ontbinding is een bevoegdheid op grond van artikel 6:265 BW terwijl annulering een contractueel gegeven bevoegdheid is. Toepassing van het één sluit toepassing van de andere bevoegdheid uit.

5.2 Omdat volgens de stellingen van [gedaagde] de ontbinding is voorafgegaan aan de beweerde annulering, zoals verwoord door [eiseres], zal allereerst worden beoordeeld of de koopovereenkomst tussen partijen is ontbonden.

Op grond van 6:265 BW bestaat de bevoegdheid tot ontbinding indien er sprake is van een tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, en, voor het geval dat nakoming nog mogelijk is, de tekortschietende partij in verzuim is.

5.3 Daargelaten de vraag of [eiseres] is tekortgeschoten in enigerlei verbintenis, kan het verweer van [gedaagde] dat de koopovereenkomst op 15 januari 2007 is ontbonden, niet slagen. [gedaagde] heeft namelijk onvoldoende gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat [eiseres] overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:82 BW in verzuim is geraakt, zodat reeds daarom van ontbinding geen sprake kan zijn.

5.4 Het voorgaande betekent dat thans de vraag beoordeeld dient te worden of [eiseres] recht heeft op vergoeding van de annuleringskosten, welke [eiseres] heeft gestoeld op artikel 12 van de CBW-voorwaarden. Vooropgesteld zij dat [eiseres] dit annuleringsbeding heeft ingeroepen tegenover een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, waardoor het beding valt onder het toepassingsbereik van artikel 6:237 aanhef en onder i BW. Ingevolge dit artikel wordt een beding dat de consument verplicht tot het betalen van een geldsom indien de overeenkomst anders dan door wanprestatie van de koper wordt beëindigd, vermoed onredelijk bezwarend te zijn, behoudens voor zover het een redelijke vergoeding voor door de verkoper geleden verlies of gederfde winst betreft.

Uit de formulering “behoudens…winst” vloeit voort dat [eiseres] feiten en/of omstandigheden dient te stellen met betrekking tot de redelijkheid van de door haar gevorderde vergoeding.

Geoordeeld wordt dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om tot dit tegenbewijs te worden toegelaten. Tegen de achtergrond van het feit dat de badkamer pas in augustus 2007 zou worden afgeleverd, valt - zonder nadere onderbouwing die ontbreekt - niet in te zien dat [eiseres] begin 2007 ter zake al “personeelskosten, huisvestingskosten, advertentie- en reclamekosten, dekkingsbijdrage showroomsanitair” heeft gemaakt. Derhalve is niet komen vast te staan dat het door [eiseres] gevorderde percentage van 30% van de koopsom een redelijke vergoeding voor door de annulering geleden verlies of gederfde winst is, zodat artikel 12 van de CBW-voorwaarden onredelijk bezwarend wordt geacht.

[gedaagde] heeft evenwel nagelaten aan zijn stelling dat het beding onredelijk bezwarend is een rechtsvordering tot vernietiging te verbinden. Gelet op het feit dat er sprake is van een consumententransactie is de Europese Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten van toepassing - (artikel 3 lid 1 van de richtlijn en de bijlage bij die richtlijn onder 1 sub e) -, waaruit een verplichting tot richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht voortvloeit. Nu in de geschetste omstandigheden het annuleringsbeding oneerlijk is in de daaraan door de richtlijn toegekende betekenis zal de rechtbank genoemd beding ambtshalve buiten toepassing laten omdat de betrokken consumentenbeschermingsbepalingen anders onvoldoende effectief zoude zijn en de arresten van het Hof van Justitie ambtshalve toetsing in bepaalde gevallen noodzakelijk acht, waarbij de rechtbank ervan uit is gegaan dat [gedaagde], gelet op zijn processuele opstelling, zich hier niet tegen zou hebben verzet; vgl. HvJ EG 26 oktober 2006, RvdW 2006, 1102 (Mostaza Claro) en recent HvJ EG 4 juni 2009 C-243/08 (Pannon GSM).

Daarmee is de grondslag aan de vordering van [eiseres] komen te ontvallen, zodat de vordering zal worden afgewezen.

5.6 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter,

wijst af de vordering van [eiseres];

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 400,- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann.

Uitgesproken in het openbaar.

669/670