Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ3589

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-12-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
10/600052-05, 10/600108-05, 10/600134-05, 10/600109-05, 10/600122-05, 10/600023-06, 10/600100-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Piranha-zaak (Samir A. e.a.). Aan een aantal verdachten is ten laste gelegd

(1) deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven als bedoeld in art. 140(a) Sr;

(2) voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven (art. 96, lid 2, Sr);

(3) werven voor de gewapende strijd (art. 205 Sr) en

(4, 5 en 6) voorhanden hebben van wapens en munitie met een terroristisch oogmerk dan wel met het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven.

Daarnaast is één verdachte beschuldigd van het overdragen van een vals identiteitsbewijs.

Inhoud vonnis:

(1) overwegingen omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie;

(2) 'dubbele' vervolging;

(3) gebruik van door de AIVD overgedragen informatie;

(4) betrouwbaarheid van de beschermde getuigen en gebruikmaking van hun verklaringen voor het bewijs;

(5) gebruik van een in Marokko afgelegde verklaring van een daar van terrorisme verdachte persoon;

(6) overwegingen omtrent de criminele (terroristische) organisatie;

(7) werven voor de gewapende strijd,

(8) voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven;

(9) vuurwapenbezit met een terroristisch oogmerk (etc.).

Ad (1): Gebruik van AIVD-informatie voor de start van het onderzoek niet onrechtmatig. Overgang van onderzoek naar georganiseerd verband naar onderzoek naar verdachte Samir A. op basis van (o.a.) CIE-informatie niet onrechtmatig; geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Ad (2): Gedeeltelijk sprake vervolging in strijd met de beginselen van een goede procesorde, nu één van de verdachten reeds eerder (in de Hofstadgroep) voor materieel een zelfde feit is veroordeeld. Overigens geen sprake van 'dubbele vervolging'.

Ad (3): AIVD-informatie wel gebruikt voor start en inrichting onderzoek. AIVD-ambtsberichten niet gebruikt voor het bewijs, nu toetsing onvoldoende mogelijk is gebleken. Wel gebruikmaking van de bij de AIVD-ambtsberichten 'meegeleverde' informatie: videotestament en afgeluisterde telefoongesprekken.

Ad (4): Door uitblijven van vervolgingsbeslissing m.b.t medeverdachten annex beschermde getuigen hebben zij het zwijgrecht en een (dubbel) verschoningsrecht. Mede hierdoor heeft geen goede toetsing van hun eigen rol kunnen plaatsvinden. Gebruik van hun verklaringen slechts voor zover deze worden onderbouwd door steunbewijs;

Ad (5): Gelet op overgelegde rapportages over wijze van verhoor in Marokko, in casus sprake van een weerlegbaar vertrouwensbeginsel. Door onmogelijkheid van toetsing van de rechtmatigheid van het verhoor wordt deze verklaring uitgesloten van het bewijs.

Ad (6): Geen sprake van een 'organisatie' als bedoeld in art. 140(a) Sr, nu niet kan worden gesproken van een duurzaam, gestructureerd samenwerkingsverband. Het (onderlinge) verband is daarvoor te los, de contacten zijn te divers en te weinig verbonden.

Ad (7): Uitleg van de strafbaarstelling van 'rekrutering'. Ook het werven voor een in Nederland plaats te vinden aanslag in het kader van de Jihad valt onder het bereik van art. 205 Sr.

Ad (8) Wel sprake van voorbereiding of bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr. De verdachten hebben het niet gelaten bij hun gevaarlijke ideeën; er waren reeds concrete (vervolg-) stappen gezet, uiteindelijk gericht op het verwezenlijken van die ideeën. Deze stappen, bestaande uit onder meer het rouleren van vuurwapens en munitie, het maken van een videotestament, het informeren naar persoonlijke gegevens van politici, gecombineerd met de inhoud van bepaalde telefoongesprekken, vormen - in onderlinge samenhang bezien - voldoende voor strafbaarheid ingevolge deze bepaling.

Ad (9) Gelet op het vorenstaande wordt het voorhanden hebben van de vuurwapens bewezen geacht te zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk, dan wel met het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven. Andere verklaringen zijn niet aannemelijk geworden.

Strafmotivering: (straffen oplopend tot maximaal 8 jaar gevangenisstraf) het betreft misdrijven die het hart van de democratische rechtsorde opleveren. Verwezenlijking van de misdrijven, die werden voorbereid, zou mogelijk vele doden en zware ontwrichting als gevolg hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 10/600052-05 en 10/600100-06 [Naam verdachte]

Parketnummers: 10/600108-05 en 10/600101-06 [Naam verdachte]

Parketnummers: 10/600134-05 en 10/600102-06 [Naam verdachte]

Parketnummers: 10/600109-05 en 10/600103-06 [Naam verdachte]

Parketnummers: 10/600122-05 en 10/600104-06 [Naam verdachte]

Parketnummers: 10/600023-06, 10/600093-06 en 10/600046-05 (TUL) [Naam verdachte]

Datum uitspraak: 1 december 2006

Tegenspraak

GECOMPRIMEERD VONNIS ONDERZOEK 'PIRANHA'

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, zitting houdende te Amsterdam, in gevoegde zaken tegen de verdachten:

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling, te Vught.

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling, te Vught.

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de terechtzitting uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling, te Vught.

Raadslieden mrs. V.L. Koppe, M. Pestman en B. Böhler, advocaten te Amsterdam.

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministraie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling, te Vught,

Raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Nieuwegein.

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

Raadsman mr. P.C. Tuinenburg, advocaat te Amsterdam.

[Naam verdachte],

[geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling, te Vught.

Raadslieden mr. Y. Özdemir, advocaat te Den Haag en mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16, 18, 20, 24, 25, 27, 30 en 31 oktober 2006 en 1, 3, 6, 8, 9, 10 en 17 november 2006.

TENLASTELEGGINGEN

TENLASTELEGGING [Naam verdachte]

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/600052-05 ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is aangepast. Van deze vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is een kopie, aangeduid als A1 tot en met A6, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/600100-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A7 tot en met A9, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

TENLASTELEGGING [Naam verdachte]

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/600108-05 ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is aangepast. Van deze vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is een kopie, aangeduid als B1 tot en met B6, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder de parketnummer 10/600101-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als B7 tot en met B9, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

TENLASTELEGGING [Naam verdachte]

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/600134-05. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als C1 tot en met C7, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/600102-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als C8 tot en met C9, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

TENLASTELEGGING [Naam verdachte]

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/600109-05 ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is aangepast. Van deze vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is een kopie, aangeduid als D1 tot en met D6, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder de parketnummer 10/600103-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A7 tot en met A9, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

TENLASTELEGGING [Naam verdachte]

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/600122-05 ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is aangepast. Van deze vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is een kopie, aangeduid als E1 tot en met E4, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder de parketnummer 10/600104-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als E5 tot en met E7, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

TENLASTELEGGING [Naam verdachte]

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/600023-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als F1 tot en met F6, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/600093-06. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als F7 tot en met F8, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EISEN OFFICIEREN VAN JUSTITIE

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE [Naam verdachte]

De officieren van justitie mr. Den Hartigh en mr. Van Dam hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600052-05 onder feit 1, onder A en B, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/600100-06 onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren, met aftrek van voorarrest.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE [Naam verdachte]

De officieren van justitie mr. Den Hartigh en mr. Van Dam hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder parketnummer 10/600101-06 onder feit 3 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600108-05 onder feit 1, onder A en B, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/600101-06 onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren met aftrek van voorarrest.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE [Naam verdachte]

De officieren van justitie mr. Den Hartigh en mr. Van Dam hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600134-05 onder feit 1, onder A en B, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/600102-06 onder feit 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaren, met aftrek van voorarrest;

- de gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak ter zake van de feiten onder voormelde parketnummers.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE [Naam verdachte]

De officieren van justitie mr. Den Hartigh en mr. Van Dam hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600109-05 onder feit 1, onder A en B, en feit 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/600103-06 onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren met aftrek van voorarrest.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE [Naam verdachte]

De officieren van justitie mr. Den Hartigh en mr. Van Dam hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder parketnummer 10/600104-06 onder feit 3 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600122-05 onder feit 1, onder A en B, en feit 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/600104-06 onder feit 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden waarvan zeven (7) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE [Naam verdachte]

De officieren van justitie mr. Den Hartigh en mr. Van Dam hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600023-06 onder feit 1, onder A en B en feit 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/600093-06 onder feit 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek van voorarrest;

- de gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak ter zake van de feiten onder parketnummer 10/600023-06.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING [NAAM VERDACHTE]

De officieren van justitie hebben voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de gevangenisstraf groot drie (3) maanden, het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf groot negen (9) maanden, die aan de verdachte is opgelegd bij vonnis d.d. 18 oktober 2005 door de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Ontvankelijkheid officieren van justitie.

In de zaken tegen de verdachten [verdachte] en [verdachte] is, bij monde van hun raadslieden, een beroep gedaan op de (partiële) niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie in de vervolging wegens - kort gezegd - schending van het ne bis in idem-beginsel van artikel 68, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dan wel schending van beginselen van een behoorlijke procesorde (onbehoorlijke vervolging). De rechtbank wijst er in dit verband op dat er in de eerdere vervolging van [verdachte] geen onherroepelijke uitspraak is, zodat artikel 68 Sr naar de letter van de bepaling (nog) niet van toepassing is. Hieronder, onder het kopje 'ne bis in idem', wordt op deze verweren gereageerd.

Verder is door de verdediging van [verdachte] [verdachte] en [verdachte] alsmede door de verdediging van [verdachte], steeds onder verwijzing naar artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), de niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie in de vervolging bepleit. De raadslieden hebben daartoe aangevoerd (i) dat er ernstige gebreken kleven aan de wijze, waarop het opsporingsonderzoek is gestart en is verricht, (ii) dat de rol van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) een (te) grote, sturende en tegelijkertijd oncontroleerbare rol heeft gespeeld in het onderzoek en (iii) dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu bepaalde personen wel en andere, vergelijkbare personen niet (verder) zijn vervolgd. Op deze verweren zal onder de kopjes 'de rechtmatigheid van de start van het onderzoek' en 'het verdere verloop van het onderzoek', 'de rol van de AIVD in het onderzoek' en 'het gelijkheidsbeginsel' worden gereageerd.

Ne bis in idem.

Door de verdediging van [verdachte] is als verweer gevoerd dat de verdachte voor de tweede maal wordt vervolgd voor feiten, waarvoor verdachte al eerder in de zogenoemde Hofstadzaak werd vervolgd.

Verdachte is immers bij vonnis van 10 maart 2006 door deze rechtbank veroordeeld voor - kort gezegd - deelneming aan een criminele respectievelijk terroristische organisatie en voor het op 22 juni 2005 voorhanden hebben van een machinepistool Agram 2000, patroonhouders, een geluiddemper en munitie.

Dat laatstgenoemd feit werd gepleegd met een terroristisch oogmerk werd niet bewezen geacht.

Thans is aan verdachte ten laste gelegd:

1.

Deelnemen aan een criminele organisatie, primair met terroristisch oogmerk (art 140a Sr), subsidiair deelnemen aan een criminele organisatie (art 140 Sr), in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 oktober 2005.

2.

Medeplegen van het voorbereiden/bevorderen van:

- het plegen van moord(en), doodslag(en) op politici en medewerkers van de AIVD, telkens te begaan met terroristisch oogmerk;

- het opzettelijk teweegbrengen van een of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de AIVD, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is, telkens te begaan met terroristisch oogmerk.

Alles gepleegd in of omstreeks de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005.

3.

Het werven van een aantal personen voor de gewapende strijd, zonder toestemming van de Koning, gepleegd in of omstreeks de periode van 10 augustus 2004 tot en met 22 juni 2005.

Bij de ten laste gelegde uitvoeringshandelingen, zoals omschreven in de uitwerkingen van feit 1 en feit 2, komt ook het bezit voor van een of meer vuurwapens, waarbij onder feit 2 het hierboven aangeduide machinepistool Agram 2000 met zoveel woorden wordt genoemd.

De raadslieden achten deze wijze van ten laste leggen thans in strijd met de goede procesorde, waarbij zij zich beroepen op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en concluderen tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijk verklaring van de officieren van justitie in de vervolging ter zake van de feiten 1 en 2, voor zover in de thans voorliggende tenlastelegging overlappingen voorkomen met de bij vonnis van 10 maart 2006 bewezen verklaarde feiten.

Naast het door de raadslieden veronderstelde probleem met de Agram 2000 doet zich in hun ogen ook een probleem voor met betrekking tot de rekrutering. Er is behalve een overlapping in tijd - van 10 augustus tot 10 november 2004 - eveneens sprake van een juridische overlap nu artikel 205 Sr in de Hofstadzaak is opgenomen als een van de oogmerken van de daar genoemde criminele organisatie. De vijf personen, die door verdachte zouden zijn geworven, [slachtoffer], [slachtoffer], [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer] zijn ook in de Hofstadzaak als rekruten opgevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende:

Bij beschikking van 21 juli 2006 heeft de rechtbank een beslissing gegeven op bezwaarschriften waarin (onder andere) een soortgelijk verweer werd gevoerd als thans naar voren is gebracht.

Die bezwaarschriften zijn toen afgewezen. De rechtbank heeft de mogelijkheid opengelaten dat bij de behandeling ter terechtzitting, wanneer het dossier volledig beschikbaar zou zijn, het verweer opnieuw zou worden gevoerd.

De rechtbank stelt voorop dat het vonnis van de rechtbank van 10 maart 2006 nog niet onherroepelijk is. Om die reden heeft de verdediging aangegeven geen beroep te doen op artikel 68 Sr, maar heeft aangevoerd dat de wijze van te laste leggen thans een schending van de behoorlijke procesorde oplevert, en mitsdien in strijd is met de beginselen van artikel 6 EVRM.

Zoals ook door de verdediging is erkend vangt de onder feit 1 ten laste gelegde periode aan op 11 november 2004 - exact één dag na de periode waarin verdachte is veroordeeld voor deelneming aan de Hofstadgroep. Geen enkele rechtsregel verbiedt derhalve de thans aan de orde zijnde vervolging. Hetzelfde geldt voor het tweede ten laste gelegde feit.

Centraal staat de vraag of er al alsdan toch sprake is van een elkaar geheel of ten dele overlappende vervolging.

In zijn algemeenheid geldt dat in voorkomende gevallen niet alleen de verboden gedraging als feit wordt gedagvaard, maar daarnaast tevens deelneming aan een criminele organisatie, die is gericht op het plegen van feiten zoals tevens afzonderlijk te laste gelegd. Veroordeling ter zake van het ene feit sluit veroordeling ter zake van overtreding van artikel 140/140a Sr niet uit. De motivering die daarvoor steeds wordt gegeven is dat het (mede)plegen van een feitelijke gedraging een andere rechtsnorm beoogt te beschermen, dan het zich verenigen tot een samenwerking die het plegen van misdrijven tot doel heeft. De rechtbank verwijst in dit verband eveneens naar het in het arrest van de Hoge Raad van 2 november 1999 (LJN: AA3838) geformuleerde zogenoemde 'Tjoelker-criterium': of de verweten gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat de thans aan de orde zijnde vervolging in strijd komt met beginselen van een goede procesorde. Daaraan kan een door de verdediging genoemd arrest van de Hoge Raad uit 1998 (DD 1998.176), dat een uitlevering betrof, en waarvan de achterliggende situatie zeer summier bleek in de vindplaats, onvoldoende veranderen.

Daar is nog het volgende aan toe te voegen. Als in dit onderzoek niet had kunnen blijken van meer feiten en omstandigheden dan dat verdachte op 22 juni 2005 met de Agram 2000 en toebehoren op weg naar Amsterdam is aangehouden, dan zou er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding kunnen bestaan om alsnog ten aanzien van dit vuurwapen tot een partiële niet-ontvankelijkheidverklaring te komen. Dit is evenwel niet het geval. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte deze Agram 2000 en 2 andere wapens tezamen met [getuige] vóór 22 juni 2005 heeft gekocht. Verdachte heeft met [getuige] in een bos in Amsterdam met dit machinepistool geoefend en verdachte heeft de Agram 2000 bij verschillende gelegenheden meegenomen naar België en weer terug.

Onder deze omstandigheden zal de conclusie moeten luiden dat verdachte met de thans voorliggende eerste twee feiten niet wordt vervolgd ter zake van hetzelfde wapenbezit als waarvoor verdachte op 10 maart 2006 is veroordeeld.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit ligt dit naar het oordeel van de rechtbank anders.

Aan de verdediging kan worden toegegeven - naast de gedeeltelijke overlapping in tijd - dat verdachte in de Hofstadzaak als deelnemingshandelingen onder meer zijn verweten:

- het als spreker of gespreksleider vervullen van een actieve en bepalende rol op bijeenkomsten waar wordt opgeruid of haat gezaaid;

- het mondeling verspreiden binnen of buiten de groep van de ideologie van de groep;

- het verspreiden en tonen van opruiende en/of haatzaaiende en/of bedreigende geschriften, documenten en geluidmateriaal.

Hiermede is naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk van de organisatie, waaraan de deelneming door verdachte in de Hofstadzaak bewezen is verklaard op een lijn te stellen met hetgeen de rechtbank verstaat onder de delictsomschrijving van artikel 205 Sr in de zaak Piranha.

Bij de verklaringen van [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft de rechtbank geconstateerd dat deze gestoeld zijn op hun ervaringen met de verdachte [verdachte] in 2004 en daar geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn bijgekomen.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank voor wat betreft de vervolging ter zake van rekrutering van [slachtoffer] en [slachtoffer] dan ook tot een niet-ontvankelijkheid wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Voor wat betreft de te last gelegde rekrutering van [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer] ligt dit naar het oordeel van de rechtbank anders. De contacten tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer] en [slachtoffer] anderzijds strekken zich uit tot juni 2005 en in zoverre is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden.

Hetzelfde geldt voor de verklaring van [slachtoffer]: deze is in tijd te dateren april-mei 2005 en daar is naar het oordeel van de rechtbank om die reden al geen sprake van een overlap in welke zin dan ook. Dat [slachtoffer] als getuige in de Hofstadzaak is gehoord, doet aan het voorgaande niet af.

Ook de verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat in casu sprake is van een dubbele vervolging. Bij [verdachte] is wel sprake van een onherroepelijke veroordeling. De verdediging heeft aangevoerd dat bij [verdachte] de verdenking van lidmaatschap van een terroristische organisatie en samenspanning tot moord is geseponeerd. Dit gegeven op zich leidt de rechtbank al tot de conclusie dat van dubbele vervolging geen sprake kan zijn.

Wel is [verdachte] op 10 maart 2006 door de Rechtbank Rotterdam veroordeeld voor het medeplegen van wapenbezit op 22 juni 2005. Hier gelden dezelfde overwegingen die de rechtbank ten aanzien van haar echtgenoot heeft genoteerd. Ook [verdachte] heeft meer bemoeienis met de Agram 2000 en toebehoren gehad dan op 22 juni 2005.

Ten slotte merkt de rechtbank het navolgende op.

Artikel 63 Sr geeft de aanwijzing om bij eventuele strafoplegging naar aanleiding van de thans ten laste gelegde feiten te handelen alsof er sprake was van gelijktijdige berechting, derhalve in aanmerking te nemen de veroordeling van 10 maart 2006 (ook al is dat vonnis nog niet onherroepelijk).

Aldus wordt de positie van de verdachten [verdachte] en [verdachte] waar nodig beschermd, op een wijze die past in de toepassing van de beginselen van artikel 6 EVRM.

In het onderhavige geval zal de rechtbank bij een eventuele veroordeling artikel 63 Sr toepassen.

Bij de manier waarop dit mogelijkerwijs zal worden uitgewerkt zullen als factoren kunnen meewegen: de hoogte van de op 10 maart 2006 opgelegde straf en de omstandigheid of en in hoeverre de feiten 2 en 3 zullen worden bewezen verklaard.

Het voorgaande moet er toe leiden dat het verweer zal worden verworpen en de officieren van justitie overigens ontvankelijk zullen worden verklaard in de vervolging.

De rechtmatigheid van de start van het onderzoek.

Door de verdediging van [verdachte], [verdachte] en [verdachte] is betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het opsporingsonderzoek zo fundamenteel gebrekkig is geweest dat wel moet worden gesteld dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van deze drie verdachten aan hun recht op een eerlijke behandeling van hun zaak is tekortgedaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in een zestal substantiële gebreken in het opsporingsonderzoek. De eerste twee daarvan zien op de start van het onderzoek Paling en de overgang van een door de verdediging zo genoemd 'Titel V-onderzoek' naar een 'Titel IVA-onderzoek'. De overige vier gebreken zien op de wijze waarop het opsporingsonderzoek is verricht, ná de aanhoudingen op 14 oktober 2005.

De eerste twee door de verdediging gesignaleerde gebreken komen er - zakelijk weergegeven - op neer dat er voor de start van het Titel V-onderzoek 'Paling' noch voor de latere overgang daarvan naar een Titel IVA-onderzoek 'Piranha' voldoende concrete feiten of omstandigheden waren om van een daartoe (steeds) benodigde verdenking te kunnen spreken.

Ingevolge artikel 132a Sv wordt onder 'opsporingsonderzoek' verstaan het onderzoek onder leiding van de officier van justitie naar aanleiding van een redelijk vermoeden (i) dat een strafbaar feit is begaan of (ii) dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd, als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

Deze bepaling formuleert aldus een tweetal nevengeschikte verdenkingen (i en ii), die ieder voor zich de (minimaal vereiste) aanleiding kunnen vormen om een opsporingsonderzoek te starten.

Het redelijke vermoeden als bedoeld in artikel 132a Sv moet voortvloeien uit feiten of omstandigheden, zie artikel 126o, eerste lid, Sv. Tijdens de parlementaire behandeling van (het voorstel van) de Wet BOB heeft de minister van Justitie daaromtrent het volgende opgemerkt: "Met de woorden «Indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit» wordt aangegeven dat er feiten of omstandigheden moeten zijn die aannemelijk maken dat de situatie als in het criterium beschreven zich voordoet. De gekozen omschrijving is vergelijkbaar met de terminologie van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Het moet gaan om een redelijk vermoeden, een vaag vermoeden is onvoldoende. De feiten of omstandigheden moeten voldoende zijn om te kunnen vermoeden dat sprake is van georganiseerde criminaliteit. Dat wil zeggen dat er een redelijk vermoeden moet zijn van (1) een georganiseerd verband, (2) het beramen of plegen en (3) misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren" (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 403, nr. 7, p. 12).

Uit het bovenstaande blijkt dat het redelijke vermoeden zelfstandige betekenis heeft omdat het een op aanwijsbare feiten of omstandigheden teruggaande objectiviteit eist. Een louter subjectief vermoeden of een te lichte mate van waarschijnlijkheid is onvoldoende.

Op 27 april 2005 is door [naam verbalisant], brigadier van het Korps landelijke politiediensten, het startproces-verbaal van het onderzoek Paling opgemaakt. In dit proces-verbaal wordt een opsomming gegeven van de feiten of omstandigheden, die tezamen de aanleiding hebben gevormd voor de start van dat onderzoek. Melding wordt gemaakt van een drietal ambtsberichten van de AIVD, van een proces-verbaal houdende een verklaring van een verdachte, genaamd [verdachte], en van een tweetal processen-verbaal van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) Utrecht.

Met betrekking tot de ambtsberichten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 september 2006 (LJN: AV4144) overwogen dat: "(...) moet worden geoordeeld dat zowel onder de vigeur van de WIV 1987 als onder die van de WIV 2002 in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het gebruik in het strafproces van door inlichtingen- en veiligheidsdiensten vergaard materiaal. (...) Geen rechtsregel verzet zich derhalve tegen het gebruik van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst verstrekte inlichtingen als startinformatie voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek" (R.O. 4.6).

Voor zover het de gebruikmaking van CIE-processen-verbaal betreft, was reeds op basis van eerdere jurisprudentie bekend dat deze gebruikt mogen worden als aanleiding voor het starten van een opsporingsonderzoek. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Hoge Raad van 11 juni 2002 (LJN: AE0045, niet gepubliceerd) en 18 november 2003 (LJN: AJ0517).

Tezamen met de in proces-verbaal gerelateerde verklaring van [naam verdachte] zijn er derhalve zes bruikbare bronnen voor de feiten of omstandigheden, waaruit het redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 132a Sv dient voort te vloeien. De inhoud van deze zes bronnen laat zich - kort samengevat - als volgt weergeven (blz. 1005-1030 van het procesdossier):

- Een groep onder leiding van [naam] ('de Syriër', alias [naam], alias [naam] rekruteert jonge radicale moslims. De groep is onder meer in Amsterdam bezig en onderhoudt contacten met een netwerk van jonge in Nederland geradicaliseerde en gerekruteerde moslims. De AIVD heeft vastgesteld dat de leden van deze groep in georganiseerd verband veelvuldig samenkomen. In oktober 2003 werd door de AIVD informatie verworven dat dit netwerk mogelijk betrokken was bij de voorbereidingen van een terroristische actie.

- Eén van de leden van het netwerk, [verdachte], zat sinds eind juni 2004 in hechtenis onder meer op verdenking van het voorbereiden van een terroristische aanslag.

- Leden van de groep hebben aangegeven bereid te zijn geweld toe te passen.

- Kernleden van de groep in Amsterdam hebben een groep jongeren in de leeftijd van zeventien tot dertig jaar om zich heen verzameld, die structureel bijeenkomt in besloten locaties op frequent wisselende adressen. In deze ruimten wordt onder meer gesproken over de gewelddadige jihad.

- [naam] wordt door de AIVD beschouwd als de leider van de groep extremistische moslims waarvan onder meer Mohammed B. deel uitmaakte. [naam] heeft de leden van zijn groep ook voorbereid op de deelname aan de gewelddadige jihad.

- [verdachte] zou zijn gehersenspoeld door [naam], zodat hij naar Tsjetsjenië wilde gaan voor het voeren van de gewapende strijd.

- [verdachte] heeft - na zijn vrijlating begin april 2005, de taken van de Syriër overgenomen. [verdachte] wil graag aandacht. Hij gaat een teken achterlaten dat de wereld zal weten. Als hij het niet met bommen doet, doet hij het wel met zwaarden. [verdachte] moet zijn taak van Allah vervullen. Hij wil als martelaar sterven. Het staat nu 1-0 voor de ongelovigen en [verdachte] gaat dat recht zetten.

De aldus verkregen informatie, bezien in onderlinge samenhang, leidt tot een redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv worden beraamd of gepleegd, die gelet op hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Dit laatste behoeft, indien het vermeende terroristische misdrijven betreft, geen verder betoog.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de start van het onderzoek Paling niet onrechtmatig was.

Overgang onderzoek Paling naar Piranha.

Vervolgens is de vraag aan de orde of voor deze overgang voldoende basis was. Anders gezegd, welke informatie heeft de nog wat 'abstracte' verdenking dat er in georganiseerd verband zeer ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd, geconcretiseerd tot de verdenking dat een aanwijsbaar strafbaar feit is begaan?

In het proces-verbaal, genummerd AHA03 (blz. 1053 e.v. procesdossier) wordt een overzicht gegeven van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de verdenking dat de strafbare feiten van de artikelen 96, tweede lid, en 140a alsmede 157, 289 en 289a, steeds in verbinding met 46 Sr zijn begaan. Overigens wordt [verdachte] tegelijkertijd daarbij als verdachte aangewezen.

Bij de totstandkoming van deze verdenking is een relevante factor het tijdverband tussen de aanhouding van [verdachte] en [verdachte] op 22 juni 2005, waarbij eerstgenoemde in het bezit was van een doorgeladen volautomatisch vuurwapen (Agram 2000), het op het verblijfadres van [verdachte] aantreffen van een gecodeerd briefje waarop, na ontcijfering, een viertal namen en adressen van Nederlandse politici bleken te staan, en een tweetal afgeluisterde telefoongesprekken tussen [naam] en [verdachte]. Hierin wordt onder meer gesproken over het feit dat de aarde erg warm is op dit moment, dat er een verhaal is dat nog niet in de krant staat, dat als [verdachte] dat verhaal aan [naam] zou vertellen, [naam] meteen neer zou vallen, dat er nog een soep op TV komt, dat de soep er aan komt en dat 'ze' nog aan het koken is.

Deze informatie, tegen de achtergrond van de informatie, geleid hebbend tot de start van en afkomstig uit het onderzoek Paling, is in onderlinge samenhang voldoende concreet en objectiveerbaar om tot het redelijke vermoeden te komen, dat een strafbaar feit is begaan, al dan niet in de betekenis dat strafbare feiten werden voorbereid en/of bevorderd als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr. Derhalve is de overgang van het onderzoek Paling naar het onderzoek Piranha - en daarmee de start van laatstgenoemd onderzoek - niet onrechtmatig.

Nu naar het oordeel van de rechtbank de start van het onderzoek Paling noch de start van het onderzoek Piranha onrechtmatig is, is geen sprake van niet-herstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De dienaangaande gevoerde verweren behoeven om die reden dan ook geen verdere bespreking.

Het verdere verloop van het onderzoek.

Door de verdediging van[verdachte], [verdachte] en [verdachte] is kritiek geuit op het (verdere) verloop van het opsporingsonderzoek, zoals dat heeft plaatsgevonden na de aanhouding van deze verdachten op 14 oktober 2005. Deze kritiek valt uiteen in vier onderdelen, te weten (i) de wijze van selectie van het digitale en fysieke beslag, (ii) het niet (willen) onderzoeken van de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige] en [getuige] en in het verlengde daarvan het opmaken van een vals proces-verbaal, (iii) het gebruik van in strijd met de artikelen 3 en 6 EVRM afgelegde verklaringen voor zowel de voortgang van het onderzoek als voor het bewijs (verklaring Mohamed R'ha bij de Marokkaanse politie), en (iv) het hergebruik van oud bewijs.

Nu de verdediging deze punten van kritiek in een verweer heeft verpakt, gericht op de toepassing van artikel 359a Sv, zal de rechtbank ook binnen dat kader reageren. Vooropgesteld zij, dat de rechtbank eerst de vraag zal beantwoorden of er sprake is van (een) vormverzuim(en) en zo ja, in hoeverre er sprake is van onherstelbaarheid daarvan.

Met betrekking tot het fysieke en digitale beslag is de rechtbank het met de verdediging eens dat indien slechts een (niet-willekeurige) selectie van materiaal in het onderzoek wordt betrokken, dit tot een resultaat kan leiden dat niet (geheel) conform de werkelijkheid is. Voor zover het betreft het digitale beslag, is geen selectie gemaakt, zodat het vorenstaande daar geen betrekking op heeft. Met betrekking tot het fysieke beslag, dat wel het resultaat van selectie is, hecht de rechtbank eraan op te merken dat niet de in beslag genomen voorwerpen zelf van rechtstreeks belang kunnen zijn voor het onderzoek in deze zaak, doch de bevindingen van de deskundige naar aanleiding van zijn onderzoek naar het beslag. Omtrent zijn bevindingen is deze deskundige, [deskundige], tijdens het onderzoek ter terechtzitting uitvoerig ondervraagd. Als resultaat van deze ondervraging heeft de deskundige zijn eerdere, in zijn rapportage 'Inhoud van de religieuze en ideologische documenten aangetroffen in het beslag van verdachten in het Piranha-onderzoek' neergelegde, conclusies op onderdelen genuanceerd of zelfs ingetrokken, waarbij hij juist rekening heeft gehouden met het feit dat hem in eerdere instantie een selectie van materiaal werd voorgehouden. Aldus heeft een wijze van herstel plaatsgevonden, die ertoe leidt dat niet (langer) kan worden gesproken van onregelmatigheden.

Met betrekking tot het niet (willen) onderzoeken van de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige] en [getuige] en, in het verlengde daarvan, het opmaken van een vals proces-verbaal gelden, althans tot op zekere hoogte, dezelfde argumenten. De verdachten [verdachte] en [verdachte] zijn, als getuige, beiden uitvoerig (respectievelijk twee volle dagen en één volle dag) ter terechtzitting gehoord, waarbij de ondervraging overwegend ten dienste stond aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van hen. Verder heeft één van de raadslieden, mr. Pestman, nadat hij zelf een audio-opname van een verhoor van [getuige] had beluisterd, de rechtbank opmerkzaam gemaakt van het feit dat op een verdergaande wijze dan gerelateerd delen uit de verhoren van haar man, [getuige], aan haar zijn voorgehouden. Ook de rechtbank heeft, na zelf dit verhoor te hebben beluisterd, dit geconstateerd.

Daarmee kan de verdediging zich niet (langer) met succes beroepen op het feit dat de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige] en [getuige] onvoldoende is onderzocht. In zoverre wordt het verweer verworpen. Overigens is daarmee zeker niet alles gezegd over de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige] en [getuige], noch over de vraag of en zo ja, in hoeverre hun beider verklaringen voor het bewijs zullen worden gebruikt. Die vraag wordt verderop in dit vonnis beantwoord.

Een volgend kritiekpunt van de verdediging betreft het gebruik van in strijd met de artikelen 3 en 6 EVRM afgelegde verklaringen voor zowel de voortgang van het onderzoek als voor het bewijs. Concreet betreft het de verklaringen die [getuige] heeft afgelegd tegenover de Marokkaanse politie. De omstandigheden waaronder deze verklaringen tot stand zijn gekomen zouden te kwalificeren zijn als foltering, althans als strijdig met artikel 3 EVRM; met het op enigerlei wijze gebruik maken van die verklaringen wordt dan een inbreuk gemaakt op het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een fair trial.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verweer uit van het volgende. Op 12 december 2005 is in het kader van het onderzoek Piranha een rechtshulpverzoek gericht aan de autoriteiten in Marokko. In dit rechtshulpverzoek worden de Marokkaanse autoriteiten gevraagd bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten met betrekking tot genoemde [getuige]. De aanleiding hiervoor, zo vermeldt het rechtshulpverzoek, wordt (mede) gevonden in een verklaring die deze [getuige] heeft afgelegd op 19 november 2005 tegenover de Marokkaanse politie, in het kader van een ander onderzoek dan het onderzoek in deze zaak. Het is deze verklaring waar de verdediging op doelt. Uit het voorgaande volgt, dat de door de verdediging gestelde foltering niet in het voorbereidend onderzoek in deze zaak heeft plaatsgevonden, zodat wat dat betreft artikel 359a Sv niet aan de orde komt. Voor zover het gaat over het gebruik van de verklaring van [getuige] van 19 november 2005 voor de voortgang van het onderzoek, oordeelt de rechtbank het volgende. Een opsporingsonderzoek dient (uiteindelijk) in dienst te staan van de materiële waarheidsvinding. Het is dan ook in beginsel niet onrechtmatig dat ambtenaren van politie, belast met dit onderzoek, trachten informatie die hen bereikt te verifiëren of falsificeren. Dit zou wellicht anders zijn indien reeds bij voorbaat duidelijk is dat dergelijke informatie het resultaat is van onrechtmatig handelen. Een aantal van de door [getuige] in zijn gewraakte verklaring genoemde feiten en omstandigheden bleek controleerbaar en, althans tot op zekere hoogte, niet in strijd met de werkelijkheid. Bovendien is in het kader van het onderzoek Piranha de getuige [getuige] opnieuw gehoord, waarbij de verdediging in ieder geval tot op zekere hoogte de eerder door hem afgelegde verklaring aan de orde heeft kunnen (doen) stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van een onrechtmatig gebruik van deze verklaring voor de voortgang van het onderzoek. Het wel of niet gebruiken voor het bewijs van de verklaring van [getuige] van 19 november 2005 komt verderop in dit vonnis aan de orde.

Ten slotte, voor zover het verdere verloop van het opsporingsonderzoek aan de orde is, heeft de verdediging verweer gevoerd tegen het hergebruik van oud bewijs. De rechtbank merkt in dat verband op dat in beginsel geen rechtsregel zich verzet tegen het opnieuw gebruiken van bewijsmateriaal, dat reeds in een eerder onderzoek en/of een eerdere zaak aan de orde is geweest. Dit zou pas anders zijn, indien dit 'hergebruik' materieel bezien zou neerkomen op het andermaal vervolgen voor hetzelfde feit en aldus schending van artikel 68 Sr, althans van de beginselen van een goede procesorde, zou opleveren. Voor zover de verdediging daar op doelt, is dit verweer hiervoor reeds besproken, onder het kopje 'ne bis in idem'.

Daar waar het betreft de gebruikmaking van resultaten van in eerdere, althans andere, opsporingsonderzoeken aangewende opsporingsbevoegdheden, biedt de wet zelf reeds de mogelijkheid van 'hergebruik'. Zie bijvoorbeeld de bepaling van artikel 126dd, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Ook laat het zich wel denken dat verklaringen van getuigen of verdachten een tweede of volgende maal worden gebruikt, wellicht niet primair om het bewijs van een ten laste gelegde feitelijke gedraging mee te onderbouwen, maar bijvoorbeeld wel om de intenties van een verdachte mee te verduidelijken (te denken ware aan oogmerk of voorbedachte raad). De rechtbank oordeelt dan ook dat 'hergebruik' van bewijsmateriaal, zoals door de verdediging aangevochten, in beginsel niet onrechtmatig is.

De rol van de AIVD in het onderzoek.

Door de raadslieden van welhaast alle verdachten in het onderzoek Piranha is de vermeende rol die de AIVD in het onderzoek heeft gespeeld, alsmede het feit dat de opsporing en het Openbaar Ministerie in een afhankelijke positie van de AIVD zijn gemanoeuvreerd, aan de orde gesteld. Verderop in dit vonnis zal aparte aandacht worden besteed aan de vraag of en zo ja, in hoeverre, de door de AIVD beschikbaar gestelde informatie een rol speelt voor het bewijs. Op deze plek wordt gereageerd op de stelling van de raadslieden van [verdachte], mrs. Özdemir en De Deugd, inhoudende dat met name door het optreden van de AIVD, maar ook door de Nationale Recherche, het opsporingsonderzoek tegen [verdachte] zodanig 'vervuild' is geraakt dat een goede en kritische toets van de bewijsmiddelen niet tot de mogelijkheden behoort. De AIVD heeft selectief informatie verschaft, zodat beoordeling van het totaalbeeld niet mogelijk is. Verder zou de AIVD het onderzoek Piranha een bepaalde richting in hebben gestuurd. Tenslotte zou de AIVD personen hebben geïnstrueerd. Deze aspecten bij elkaar leveren een schending van de goede procesorde op, hetgeen volgens de raadslieden zou dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie.

Wat er ook zij van de juistheid van het verweer, het kan niet via toepassing van artikel 359a Sv leiden tot de niet-ontvankelijkheid. Immers, de toepassing van artikel 359a Sv is allereerst beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis begrepen normschendingen bij de opsporing. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek. Een onderzoek door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vindt plaats buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het Openbaar Ministerie en valt buiten dat verband (HR 5 september 2006, LJN: AV4144, R.O. 4.7.1).

Voor zover de verdediging van [verdachte] bij verweer de rol van de Nationale Recherche heeft bekritiseerd, is daarop hierboven ('Het verdere verloop van het onderzoek') reeds gereageerd.

Het gelijkheidsbeginsel [verdachte].

Als laatste grond voor de niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie in hun vervolging van de verdachte [verdachte], is door haar raadslieden aangevoerd dat deze vervolging een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Uit het dossier komt onvoldoende naar voren wat het verschil is tussen enerzijds verdachte [verdachte], anderzijds een drietal overige in het dossier voorkomende (vrouwelijke) verdachten [verdachte, verdachte en verdachte]. Twee van deze drie dames zijn in het geheel niet als verdachte aangemerkt en ten aanzien van de derde dame is (nog) niet beslist of zij verder zal worden vervolgd, terwijl ten aanzien van hen uit het dossier vergelijkbare bezwaren naar voren zouden komen als ten aanzien van de verdachte [verdachte]. Door het Openbaar Ministerie zou onvoldoende duidelijk zijn gemaakt waarom de verdenking ten aanzien van de verdachte [verdachte] zodanig van aard en ernst is, dat een (verdere) vervolging geïndiceerd is.

Toetsing door de rechtbank van de vervolgingsbeslissing aan het gelijkheidsbeginsel kan voor de verdachte eigenlijk slechts succesvol zijn indien sprake is van zaken die zowel op het punt van de haalbaarheid als op dat van de opportuniteit geheel overeenstemmen. Door de verdediging van de verdachte [verdachte] is onvoldoende onderbouwd dat het hier om een dergelijk 'gelijk geval' gaat. Ambtshalve ziet de rechtbank geen gronden om schending van het gelijkheidsbeginsel aan te nemen. Om deze reden zal het in deze zaak gedane beroep op schending van dit beginsel niet kunnen slagen.

Het geheel overziend is de rechtbank van oordeel, dat de hierboven besproken punten die door de verdediging ten verwere zijn gevoerd niet leiden tot toepassing van artikel 359a Sv, zodat op die gronden géén redenen bestaan om de officieren van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De officieren van justitie zullen dan ook in hun vervolging worden ontvangen.

Gebruik van materiaal afkomstig van de AIVD.

Zonder uitzondering is door alle raadslieden verweer gevoerd tegen het gebruik van materiaal, afkomstig van de AIVD. Het betreft dan zowel ambtsberichten als de daarbij gevoegde stukken zoals (de uitwerkingen van) opgenomen telefoongesprekken en de videoboodschap van [verdachte]. De gevoerde verweren - hoewel allen met als gemeenschappelijk kenmerk de kritiek jegens het AIVD-materiaal - zijn wel tot op zekere hoogte verschillend van strekking. Aangevoerd wordt dat de AIVD te selectief is geweest met het verstrekken van informatie, dat het Openbaar Ministerie (dientengevolge) in een van de AIVD te afhankelijke positie is gekomen, dat de AIVD-informatie niet toetsbaar en derhalve onbetrouwbaar is en dat de AIVD-informatie uit de context is gehaald en derhalve onbetrouwbaar is. De conclusie die steeds aan de verweren wordt verbonden is wel dezelfde: het materiaal, afkomstig van de AIVD dient te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank zal - ter beantwoording van deze verweren - eerst enkele algemene opmerkingen maken omtrent (de gebruikmaking voor het bewijs van) AIVD-informatie. Daarna zal op de afzonderlijke verweren worden gereageerd.

De kaders waarbinnen de beoordeling dient plaats te vinden in hoeverre en op welke wijze van de AIVD afkomstig materiaal in een strafprocedure mag worden gebruikt, zijn door de Hoge Raad aangegeven in zijn eerder genoemd arrest van 5 september 2006 (LJN: AV4144). Dat betekent, vertaald naar de situatie zoals die thans aan de orde is, dat onder de vigeur van de WIV 2002 - het is hierboven reeds opgemerkt - in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het gebruik in het strafproces van door de AIVD vergaard materiaal. Het feit dat in de WIV 2002 niet is voorzien in een rechterlijke toetsing vooraf of achteraf van het optreden van die diensten, doet daaraan niet af. De ingevolge de artikelen 73 en volgende van de WIV 2002 fungerende Commissie van Toezicht heeft, als resultaat van het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 78 van die wet, een toezichtsrapport opgesteld (Toezichtsrapport inzake het onderzoek van de Commissie van Toezicht naar de door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten in de periode van januari 2004 tot oktober 2005, CTIVD nr. 9a, 31 mei 2006). Het eindoordeel van deze commissie is dat de ambtsberichten die door de AIVD zijn verzonden in de periode van januari 2004 tot oktober 2005 in overeenstemming met de wet op behoorlijke en zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

De periode, waarbinnen de ambtsberichten die betrekking hebben op het onderzoek Piranha zijn verzonden, loopt van november 2004 tot en met oktober 2005, derhalve binnen de onderzochte periode. Dit gegeven, gecombineerd met de parlementaire controle op de werkzaamheden van de AIVD, biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende compensatie voor het ontbreken van een rechtstreekse rechterlijke toetsing.

Hierboven werd reeds geoordeeld dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst verstrekte inlichtingen als startinformatie voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat zich in beginsel evenmin enige rechtsregel verzet tegen het gebruik van door de AIVD vergaard materiaal tot het bewijs in een strafzaak. Wel zal de rechtbank van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid moeten beoordelen of dit materiaal, gelet op de veelal beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken. Immers, zoals in bovengenoemd arrest van 5 september 2006 uiteengezet, mogen onder omstandigheden de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek niet tot het bewijs worden gebruikt. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in de bijzondere gevallen dat:

(a) doelbewust met het oog op het buiten toepassing blijven van strafvorderlijke waarborgen geen opsporingsbevoegdheden worden aangewend teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie, of

(b) het optreden van de betrokken dienst een schending van de aan een verdachte toekomende fundamentele rechten heeft opgeleverd die van dien aard is dat daardoor geen sprake meer is van een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Nog los van het feit dat namens geen van de verdachten in de zaak Piranha het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is ingenomen dat zich een situatie als hierboven onder (a) of (b) voordoet, oordeelt de rechtbank dat uit enerzijds het verhoor bij de rechter-commissaris van getuige mr. [getuige], plaatsvervangend hoofd van de AIVD, anderzijds uit bovengenoemd toezichtsrapport van 31 mei 2006, voldoende blijkt dat zich niet zo een situatie voordoet.

Dan blijft de mogelijkheid bestaan dat in verband met de beperkte mogelijkheden tot toetsing van de betrouwbaarheid van het door de AIVD overgedragen materiaal de verdedigingsrechten in die mate zijn beperkt dat het gebruik tot het bewijs van dat materiaal niet verenigbaar is met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende vereiste van een eerlijk proces. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in de zaak Piranha is namens de (meeste) verdachten een onderbouwd beroep gedaan op de onbetrouwbaarheid van het door de AIVD verzamelde materiaal, zodat dit naar het oordeel van de verdediging niet tot het bewijs kan dienen. De rechtbank dient derhalve de gegrondheid van die stelling te onderzoeken.

De AIVD heeft drie categorieën van informatie overgedragen: (i) een hoeveelheid ambtsberichten, (ii) een tweetal opgenomen telefoongesprekken en (iii) een videoboodschap. Met betrekking tot de videoboodschap heeft [verdachte] ter terechtzitting verklaard dat hij deze beelden heeft gemaakt, en dat hij de persoon is, die te horen en te zien is. Hoewel niet bekend is op welke wijze de AIVD deze videobeelden in handen heeft gekregen, en de rechtmatigheid van de verkrijging derhalve niet kan worden getoetst, oordeelt de rechtbank dat geen reden aanwezig is om de videoboodschap uit te sluiten van het bewijs.

Met betrekking tot de opgenomen telefoongesprekken wordt zowel door de verdediging van [verdachte] als door die van [verdachte], [verdachte] en [verdachte] aangevoerd dat deze niet tot het bewijs mogen dienen, nu de inhoud van de gesprekken - door ze uit de context te halen - wordt gedenatureerd. Met betrekking tot het gesprek tussen [verdachte] en haar zus [zus] op 20 juni 2005 (het 'apothekersgesprek') is aangevoerd dat niet het gehele gesprek zou zijn weergegeven; stukken zouden zijn weggelaten.

Het laatste verweer vindt zijn weerlegging in het ambtsbericht van de AIVD van 18 oktober 2006, waarin mr. [getuige] (voornoemd), bericht dat binnen het gesprek niet is geselecteerd; het telefoongesprek is integraal, zonder enige beperking aan het Openbaar Ministerie verstrekt. Ook de (vrijwel) letterlijke uitwerking van het gesprek in de stukken (bladzijden 8331-8352 van het procesdossier) doet niet de indruk ontstaan dat delen van het gesprek zijn weggelaten.

Met betrekking tot het aangevoerde denatureren, merkt de rechtbank allereerst op dat het voor een completer beeld van de gevoerde (tele)communicatie wellicht van nut zou zijn geweest, om ook over andere opgenomen, niet verstrekte telefoongesprekken te kunnen beschikken. Een daartoe strekkend verzoek dat via de officieren van justitie gedurende het onderzoek ter terechtzitting (alsnog) is gedaan, is door de AIVD - met een beroep op de WIV 2002 - inhoudelijk onbeantwoord gebleven. Dat neemt niet weg dat de inhoud van de gewraakte gesprekken controleerbaar is, voldoende duidelijk is en tot op zekere hoogte voor zich spreekt. De rechtbank zal niet meer, maar ook niet minder betekenis hechten aan het in die gesprekken gezegde, maar zal de gesprekken niet uitsluiten voor het bewijs.

Voor zover het de van de AIVD afkomstige ambtsberichten betreft, geldt het volgende. Door de raadslieden van alle verdachten is, uitdrukkelijk en gemotiveerd, verweer gevoerd tegen het gebruik voor het bewijs van de ambtsberichten. In zijn algemeenheid is de inhoud van de berichten betwist; in concreto is het onvoldoende mogelijk gebleken om de inhoud zelf alsmede de betrouwbaarheid daarvan te toetsen, aldus de verdediging.

De rechtbank oordeelt daarover als volgt. Gedurende het voorbereidend onderzoek in de zaak Piranha, zijn zowel het plaatsvervangend hoofd van de AIVD, mr. [getuige], als de landelijke terreurofficier van justitie, mr. [getuige], als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Beiden hebben weliswaar vrij uitvoerig verklaard over de werkwijze van de AIVD en de verstrekking van informatie, doch dit was in algemene termen. Daar waar het de inhoud of de wijze van verkrijging van de berichten betrof, aan de hand waarvan de toetsing van de betrouwbaarheid wellicht had kunnen plaatsvinden, hebben beide getuigen zich vrijwel steeds op hun geheimhoudingsplicht beroepen. Voor een andere wijze van toetsing van de inhoud van de ambtsberichten bestonden (nog) geen mogelijkheden. Hoewel de Wet van 28 september 2006, Stb. 460 (Wet afgeschermde getuigen) per 1 november 2006 - dat is gedurende het onderzoek ter terechtzitting - in werking is getreden, heeft geen van de procespartijen het opportuun geacht het verzoek of de vordering te doen om het plaatsvervangend hoofd AIVD dan wel de landelijke terreurofficier van justitie langs de weg van de artikelen 226m e.v. Sv te doen horen. Nog los van de vraag of de rechtbank de eigen bevoegdheid heeft om te bepalen dat een verhoor langs die weg dient plaats te vinden, is de rechtbank van oordeel dat haar in zo'n geval een terughoudende opstelling past. Andere wegen om de betrouwbaarheid van de door de AIVD overgedragen ambtsberichten te onderzoeken heeft de rechtbank niet gevonden.

Dientengevolge heeft toetsing van (de betrouwbaarheid van) de inhoud van de ambtsberichten niet of nauwelijks plaats gevonden, althans onvoldoende om het gebruik van die ambtsberichten voor het bewijs in overeenstemming te achten met de eisen die worden gesteld aan een eerlijk proces zoals deze voortvloeien uit artikel 6 EVRM.

Het geheel overziend oordeelt de rechtbank dat het gebruik voor het bewijs van de AIVD-ambtsberichten zou betekenen dat niet langer een eerlijk proces kan worden gegarandeerd. Mitsdien zullen de AIVD-ambtsberichten worden uitgesloten van gebruikmaking voor het bewijs.

De bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige].

Op 14 oktober 2005 zijn [getuige] en zijn echtgenote [getuige] aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van - kort gezegd - wapenbezit en deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie. Tijdens zijn tweede verhoor op 15 oktober 2005 door de Nationale Recherche heeft [getuige] aangegeven dat hij dingen niet wil vertellen omdat hij te bang is om wat te zeggen en vervolgens - in hetzelfde verhoor - dat hij graag zou willen verklaren en hoopt dat de Nationale Recherche kan garanderen dat hem buiten niets gebeurt.

Eind november/begin december 2005 zijn [getuige] en [getuige] in een getuigen beschermingsprogramma gekomen. [getuige] is naar eigen verklaring ter zitting met ingang van die dag uit de voorlopige hechtenis geschorst.

Een voor de verdediging en de rechtbank lastige procesrechtelijke positie, nu hierover niets wettelijk is geregeld en het gaat om getuigen, die tegelijkertijd (mede)verdachten zijn en ten aanzien van wie nog geen vervolgingsbeslissing is genomen. Aan hen komt derhalve een zwijgrecht alsmede een (dubbel) verschoningsrecht toe.

De officieren van justitie hebben verklaard dat aan [getuige] en [getuige] geen enkele toezegging over hun verdere vervolging is gedaan en een vervolgingsbeslissing eerst na afloop van dit proces zal worden genomen. De rechtbank neemt aan en zulks is ook wel gebleken dat [getuige] en [getuige] als getuigen in dit onderzoek hun volledige medewerking moesten geven.

De verdediging heeft in een vroeg stadium van het opsporingsonderzoek vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van deze getuigen en aangegeven dat de verklaringen van [getuige] en [getuige] innerlijk en op belangrijke onderdelen met elkaar strijdig zijn. De verdediging is van oordeel dat de weigering een beslissing te nemen over de verdere vervolging van [getuige] en [getuige] de waarheidsvinding op onacceptabele wijze heeft gefrustreerd.

De rechtbank is met betrekking tot dit standpunt van oordeel dat deze procesrechtelijke positie van beide getuigen van invloed kan zijn op het ondervragingsrecht en de waarheidsvinding.

De rechtbank heeft hieromtrent het navolgende overwogen.

De verdediging is in ruime mate in de gelegenheid is gesteld diverse getuigen à decharge te horen. De rechtbank wijst in dit verband naar de verhoren bij de rechter-commissaris van [getuige], [getuige], [getuige] en [getuige] en het horen ter zitting van de getuigen [getuige] en [getuige].

Gelet op het vorenstaande en gelet op de ruime gelegenheid die de verdachten en hun raadslieden is geboden ter zitting de getuigen te ondervragen en de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van hun verklaringen aan de kaak te stellen, is naar het oordeel van de rechtbank een mogelijke frustratie van het ondervragingsrecht voldoende gecompenseerd.

Over een mogelijke frustratie van de waarheidsvinding en de betrouwbaarheid van de getuige [getuige] merkt de rechtbank het navolgende op. Gelet op de verklaringen van [getuige] ter zitting alsmede op de talrijke andere verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris, die zich in het dossier bevinden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verklaringen van [getuige], voor zover die betrekking hebben op de omstandigheid dat hij en zijn echtgenote uit angst voor [verdachte] en [verdachte] en in mindere mate [verdachte] hebben gehandeld en door hen tot diverse handelingen zijn gedwongen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank heeft hierbij onder meer acht geslagen op de verklaring van [getuige], dat hij en zijn echtgenote gedwongen werden hun banen op te zeggen, dat deels door het gedwongen ontslag van zijn echtgenote ter zake van verduistering wordt weersproken, en op de deels tegenstrijdige verklaringen, die [getuige] geeft over het geld van de beweerde gedwongen verkoop van de inboedel, wat zich al moeilijk laat rijmen met de daarop volgende (westerse) aankopen bij Wehkamp door zijn echtgenote, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft moeten bevestigen.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaringen van [getuige], [getuige] en [getuige], die allen verklaren dat [getuige] al geruime tijd in hun kringen verkeerde en zoals [getuige] heeft verklaard net zo jihadistisch-salafistisch was als [verdachte] en hij zelf. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen te twijfelen. Hun verklaringen worden deels bevestigd door de verklaring ter zitting van de filmmaakster [getuige] en de foto uit april 2004 - ter zitting door de verdediging overgelegd - van [getuige] en [getuige] op een bijeenkomst in Eindhoven met de Syriër.

De rechtbank deelt het oordeel van de verdediging dat in dit opzicht bij [getuige] sprake is van "een vlucht naar voren" en dat [getuige] (en in zijn voetspoor [getuige]) zijn rol in het geheel heeft getracht te bagatelliseren. De rechtbank onderkent dat [getuige] hier ook een duidelijk belang bij kan hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen hierbij problemen bij de waarheidsvinding ontstaan in die zin dat bij het bagatelliseren van de eigen rol, de rol van anderen - bewust of onbewust - groter wordt gemaakt.

Naast de in de vorige alinea geschetste aspecten verwijst de rechtbank daarbij onder meer naar het gegeven dat [getuige] desgevraagd ter zitting geen verklaring kon of wilde geven voor de bij hem in beslag genomen handschoen waarop schotresten zijn aangetroffen, terwijl hij wel zeer uitvoerig heeft verklaard, dat [verdachte] bij hem thuis een handschoen vroeg alvorens een wapen te demonteren.

Ook hebben [getuige] en [getuige] geen antwoord gegeven op de vraag hoe het mogelijk is geweest dat hun auto op 29 juni 2005 bij de grensovergang Nederland/België is gesignaleerd en op dezelfde dag nog in België met waarschijnlijk aan hen toebehorende mobiele telefoons is gebeld.

Op deze datum waren [verdachte] en [verdachte] immers al aangehouden en was het weekend België afgelopen.

Het vorenstaande leidt niet tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige] niet tot het bewijs gebruikt kunnen worden. De rechtbank is wel van oordeel dat met de verklaringen van [getuige] buitengewoon behoedzaam moet worden omgesprongen en dat deze alleen tot het bewijs kunnen dienen, voor zover deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Een mogelijke frustratie van de waarheidsvinding is in de ogen van de rechtbank hiermede voldoende gecompenseerd.

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de verhoren van [getuige] door de Nationale Recherche eveneens is geprobeerd, en dan op opzettelijke wijze, de waarheidsvinding te frustreren. Op verzoek van de rechter-commissaris is op 12 april 2005 een aanvullend proces-verbaal opgemaakt omtrent het voorhouden van delen uit de verklaring van [getuige] aan [getuige].

Met betrekking tot het vijfde verhoor van [getuige] van 21 oktober 2005 heeft de rechtbank de geluidsband van dit verhoor integraal beluisterd en geconcludeerd dat op onjuiste wijze is gerelateerd wat uit de verklaringen van [getuige] aan [getuige] is voorgehouden.

Waar [getuige] in dit verhoor in eerste instantie verklaart dat het verhuizen naar België een manier was om aan hun schulden te ontkomen en dat zij zich eerst in België hadden georiënteerd en dat zij het wel prettig vond om het huis te delen met [verdachte] en [verdachte], omdat zij elk hun eigen kamer hadden en [verdachte] en [verdachte] alles voor hen betaalden, is te constateren dat zij haar verklaring wijzigt na het voorhouden van een verklaring van [getuige].

Voorgehouden zijn gedeelten van zijn verklaring, waarin hij aangeeft min of meer gedwongen te zijn naar België uit te wijken en hij voor alle kosten moest opdraaien. Daarna heeft een van de verbalisanten [getuige] onder meer het navolgende voorgehouden:

"Ik zie dat er nog wat anders is. Jullie wilden helemaal niet naar België. [verdachte] en [verdachte] wilden naar België. Of heb ik het nu mis. Schud je nu nee? Kijk je man verklaart het ....."

Ook met betrekking tot de inhoud van de lezingen van [verdachte] in de moskee is sprake van een bijstelling - zij het in minder mate - in de verklaring van [getuige]. Herinnert zij zich eerst niets extreems in de lezingen, na het voorhouden van de verklaring van [getuige] verklaart zij dat zij de lezingen van [verdachte] over politiek, stemmen en werken extreem vond.

In beide gevallen is - naar het oordeel van de rechtbank - sprake van ontijdig voorhouden en een zekere ongewenste sturing. De conclusie dat zulks is gebeurd om opzettelijk de waarheidsvinding te frustreren, voert naar het oordeel van de rechtbank te ver. Niet uitgesloten kan worden dat juist de tweede versie de werkelijkheid meer benadert, immers verklaringen dienen beoordeeld te worden in een bredere context, zoals ook door de verdediging een aantal malen is betoogd.

In het vorenstaande en in de zeer onzorgvuldige wijze waarop de plaatsgevonden hebbende verslaglegging van het voorhouden van verhoren van [getuige] heeft plaatsgevonden op uitdrukkelijk verzoek van de rechter-commissaris, heeft de rechtbank aanleiding gezien de verklaringen van [getuige] op deze twee punten verder van het bewijs uit te sluiten.

Ook bij [getuige] is - in het voetspoor van echtgenoot [getuige] - naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vlucht naar voren. Ook haar verklaringen zullen eveneens alleen tot het bewijs kunnen dienen, voor zover steunbewijs voorhanden is.

Welke consequenties de uit het vorenstaande voortvloeiende - zeer beperkte - gebruikmaking van de verklaringen van [getuige] en [getuige] voor het bewijzen van het ten laste gelegde 'rekruteren' (artikel 205 Sr) moet hebben, wordt hieronder behandeld.

Het vorenstaande heeft eveneens als consequentie, dat de verklaring van [getuige] over de door [verdachte] uitgeprinte en met cirkels en strepen bewerkte lijst met namen en adressen van politici, die hij van [verdachte] niet mocht bekijken en aan [verdachte] moest geven, niet voor het bewijs zal worden gebruikt, nu daarvoor in het dossier geen steunbewijs voorhanden is.

Bruikbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige].

In het dossier bevindt zich een verhoor van [getuige] van 19 november 2005 door de gerechtelijke politie te Casablanca, Marokko. Eerder in dit vonnis is vastgesteld, dat deze verklaring in een andere zaak is afgelegd waardoor het gebruik maken van de verklaring van [getuige] bij de voortgang van het onderzoek niet leidt tot toepassing van artikel 359a Sv.

Een volgende vraag, die de rechtbank dient te beantwoorden is of deze verklaring kan dienen tot het bewijs. De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat in het internationale rechtsverkeer het vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is en in het geval van [getuige] onvoldoende aannemelijk is dat zijn verklaring in strijd met verdragsrechtelijk gegarandeerde mensenrechten tot stand is gekomen.

Gelet op de via Interpol van de Marokkaanse autoriteiten verkregen informatie is [getuige] naar het oordeel van de rechtbank te bestempelen als een terreurverdachte.

De verdediging heeft aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat met name bij zogenaamde terreurverdachten op grote schaal foltering en mishandeling plaatsvinden onder aanhaling van een rapport van de UN Committee against Torture van februari 2004 en een rapport van Amnesty International van juni 2004. Beide rapporten doen verslag van onderzoeken in Marokko.

De rechtbank heeft hieromtrent het navolgende overwogen.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van [getuige] voldoende aanwijzingen zijn zich terughoudend op te stellen ten aanzien van de Marokkaanse strafrechtsgang. Dit impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een weerlegbaar vertrouwensbeginsel, dat ruimte biedt en moet bieden voor nader onderzoek.

[getuige] is gehoord in het kader van het onderzoek Piranha. Het resultaat van de rogatoire reis naar Marokko is geweest dat de verdediging het verhoor niet heeft mogen bijwonen (en de officieren van justitie zich om die reden hebben teruggetrokken) en dat de rechter-commissaris een aantal zogenoemde rechtmatigheidsvragen niet heeft mogen stellen omdat deze in strijd zouden zijn met de openbare orde en andere fundamentele belangen.

Vastgesteld dient dan ook te worden dat het hiervoor genoemde nader onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden. Deze gang van zaken is voor de rechter-commissaris aanleiding geweest haar - kritische - bevindingen neer te leggen in een proces-verbaal.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van [getuige] - voor zover niet verifieerbaar - van het bewijs uitgesloten wordt. Het behoeft geen verdere bespreking dat daarmede van de (belastende) verklaring van [getuige] over [verdachte] tegen de achtergrond van het ten lastgelegde niets redengevends over blijft.

De terroristische organisatie. De strafbaarstelling van artikel 140a Sr.

Met de strafbaarstelling van de terroristische organisatie in artikel 140a Sr is uitvoering gegeven aan het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie inzake terrorismebestrijding d.d. 13 juni 2002.

Artikel 2 van dit kaderbesluit geeft een definitie van het begrip 'terroristische groep': een sinds enige tijd bestaande, gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die in overleg treden om terroristische misdrijven te plegen. Met gestructureerde vereniging wordt gedoeld op een vereniging die niet toevallig tot stand is gekomen met het oog op een onverwijld te plegen strafbaar feit en waarbij niet noodzakelijkerwijs sprake is van formeel afgebakende taken van de leden, noch van continuïteit in de samenstelling of een ontwikkelde structuur.

Bij de implementatie van dit kaderbesluit is ervoor gekozen deelneming aan een terroristische organisatie in artikel 140a Sr strafbaar te stellen. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet Terroristische misdrijven zijn de bestanddelen van artikel 140a Sr voor het grootste gedeelte ontleend aan artikel 140 Sr en dienen deze op dezelfde wijze te worden uitgelegd.

De rechtbank heeft hieromtrent het navolgende overwogen.

Deze rechtbank heeft - in een eerder vonnis - de Hofstadgroep als een terroristische groepering aangemerkt op grond van een aantal overwegingen. In de eerste plaats waren de leden van de Hofstadgroep min of meer regelmatige bezoekers van geregelde bijeenkomsten op een vaste plek (de woning van [naam]) waarbij soms een leraar aanwezig was, [naam] ook wel genoemd [naam] dan wel [naam] of 'de Syriër' (verder te noemen [naam]). De aanwezigen kwamen niet zo maar bijeen, maar werden geschoold door [naam]. of een gevorderde leerling aan de hand van scholingsteksten en met gebruik van een laptop.

Daarnaast werden binnen de groep - naast een zekere druk op elkaar om zich te houden aan Islamitische leefregels - geschriften uitgewisseld, waarin - kort gezegd - de democratie verworpen werd en de gewapende strijd - de jihad - en het martelaarschap verheerlijkt.

Voorts bleek - aldus de rechtbank - van een bijzondere loyaliteit tussen de leden van de groep door een financiële bijdrage te geven aan familie van leden en heeft [naam] een envelop met daarin zijn geestelijke nalatenschap aan de groep gegeven om over een mogelijke publicatie van die open brief aan het Nederlandse volk te beslissen.

De rechtbank zag de radicaalextremistische geloofsovertuiging en een daarop gestoelde haat tegen de democratische rechtsorde en andersdenkenden en de rechtvaardiging voor het gebruik van geweld als ideologisch bindmiddel binnen de Hofstadgroep.

In zijn algemeenheid kan deze rechtbank de aldus genoemde criteria voor het bestaan van een terroristische organisatie onderschrijven en zal derhalve aan de hand van deze criteria de vraag dienen te beantwoorden of in de te last gelegde periode tussen de verdachten en/of anderen sprake is geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.

De rechtbank heeft hieromtrent het navolgende overwogen.

Gebleken is dat zowel [verdachte] als [verdachte] huiskamerbijeenkomsten met [naam] hebben bijgewoond. Huiskamerbijeenkomsten waarin een strikte uitleg van het begrip Tawheed (de eenheid van God) centraal stond. Voor de rechtbank staat vast dat [verdachte] en [verdachte] hetzelfde radicaal extremistisch gedachtegoed delen en hebben uitgedragen.

De rechtbank verwijst in dit verband naar een citaat uit de verklaring van [verdachte] als getuige op een openbare zitting van 21 december 2005 in de Hofstadzaak. Deze verklaring is hem in de onderhavige zaak wederom voorgehouden. Op 21 december 2005 is hem door de rechtbank gevraagd wat hem bond met de anderen uit de Hofstadgroep. Zijn antwoord was: "De Tawheed." en "Wij verwerpen jullie, jullie systeem, wij haten jullie." en "De islam is ook politiek." en "De jihad is voor mij iets moois."

De rechtbank constateert dat in het bij [verdachte] gevonden videotestament evenzeer dit radicale gedachtegoed alsmede een rechtvaardiging voor het gebruik van geweld is te bezien en te beluisteren.

Daarnaast is [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een van de beheerders van de website 'Leeuwen van Tawhied', een website die aan te merken is als beledigend, opruiend en bedreigend.

Vast staat eveneens dat [verdachte] - gelet op de getuigenverklaringen van [getuige], [getuige] en in mindere mate [getuige] - een zelfde geweldverheerlijkende geloofsovertuiging aanhing en predikte.

Daarnaast is in de contacten tussen [verdachte] en [naam] gebleken van hun beider bemoeienis om voor [verdachte] een goede advocaat te regelen, toen deze op 22 juni 2005 is aangehouden.

Waar bij [verdachte] en [verdachte] - zoals de rechtbank in het vonnis in de Hofstadzaak het verwoord heeft - een ideologisch bindmiddel voorhanden is en zij dit ook hebben verspreid en uitgedragen, ligt dit bij de overige verdachten naar het oordeel van de rechtbank anders.

Op de computers van de andere verdachten is - met uitzondering van [verdachte] en [verdachte] - een grote hoeveelheid geschriften en beeldmateriaal aangetroffen, die door de deskundige [deskundige] zijn aangeduid als jihadistisch-salafistische literatuur. Een beweging, die - aldus de deskundige [deskundige] - redeneert vanuit het tawheed-principe en waarbij de jihad een doel op zich is geworden. Niets en niemand mogen in de weg staan van een totale toepassing van de tawheed. Wie zich daaraan niet onderwerpt is een ongelovige en moet zich bekeren dan wel vervolgd worden.

Het voorhanden hebben van grote hoeveelheden jihadistisch-salafistisch materiaal valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de vrijheden van godsdienst en meningsuiting.

Dit wordt anders als dit gedachtegoed wordt gebruikt om mensen te beledigen en te bedreigen of op te ruien tot geweld of andere strafbare feiten. Niet is kunnen blijken dat de overige verdachten - [verdachte] en [verdachte] dus uitgezonderd - hun gedachtegoed hebben verspreid dan wel anderszins activiteiten hebben verricht om de jihad te rechtvaardigen en tot jihad op te roepen. De deskundige [deskundige] heeft ter zitting zijn conclusies - gebaseerd op het digitale beslag bij verdachten - daarover ook moeten bijstellen. Ook van onderlinge uitwisseling is niet kunnen blijken.

De rechtbank is van oordeel dat het weekend België - een weekend waarin de Islam zou worden bestudeerd - te weinig aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat het uitdragen van radicaal-extremistisch gedachtegoed aldaar is geschied. Wel staat vast dat daar over de jihad is gesproken, zoals [getuige] en [verdachte] verklaren.

Bij [verdachte] kan nog worden vast gesteld dat hij een directe familierelatie met [naam] - de partner van zijn schoonmoeder - heeft en het voert niet ver om aan te nemen dat hij ook lezingen van zijn schoonvader heeft bijgewoond. Ter zitting heeft [verdachte] dit - zij het in een andere context - ook bevestigd. Hieraan kan en wil de rechtbank geen verdere conclusie verbinden. Er zijn wel contacten vastgesteld tussen [verdachte] en [verdachte] en er is sprake van een gemeenschappelijke reis naar België met [getuige], [getuige], [verdachte] en [verdachte]. Niet is gebleken van contacten tussen [verdachte] en [verdachte].

Voor [verdachte] geldt dat zij in het huwelijk is getreden met [verdachte]. Ter zitting heeft zij desgevraagd verklaard dat echtgenoten bondgenoten zijn. Bij de rechtbank roept dit de vraag op of dit bondgenootschap zich uitstrekt tot het ideeëngoed van haar echtgenoot en de daarop gebaseerde handelingen. De rechtbank zal hier in een later stadium op terugkomen. Hier volstaat de constatering dat niet is kunnen blijken dat [verdachte] op basis van haar geloof, in haar lezingen in de moskee dan wel anderszins uitlatingen heeft gedaan die strafbaar kunnen zijn.

Daarnaast is alleen gebleken van contacten tussen [verdachte], [getuige] en [getuige] en niet van contacten met [verdachte] of een van de overige verdachten.

Volgens het Openbaar Ministerie behoeven aan de structuur van de (terroristische) organisatie geen hoge eisen te worden gesteld. De officieren zijn van oordeel dat in het onderhavige onderzoek de minimaal benodigde structuur voldoende uit de verf is gekomen. Kort gezegd komt die structuur tot uiting doordat verdachten elkaar in die periode in wisselende samenstellingen hebben ontmoet en - deels op afgeschermde wijze - contact met elkaar hadden. Alle verdachten zijn op een of meer momenten in het bezit geweest van een drietal vuurwapens. Er heeft een schietoefening in een bos in Amsterdam plaatsgevonden en een gemeenschappelijke reis naar België.

In de ten laste gelegde periode heeft [verdachte] tot begin april 2005 vast gezeten en is [verdachte] op 22 juni 2005 aangehouden. In die periode is niet gebleken van contacten tussen [verdachte] en [verdachte] anders dan de verklaringen van [getuige] en [getuige], dat beiden bij hen thuis kwamen en elkaar daar incidenteel hebben getroffen.

Als er anderszins sprake zou zijn van een georganiseerd samenwerkingsverband - de rechtbank heeft hiervoor reeds geconstateerd dat geen sprake was van gemeenschappelijke, gestructureerde geloofsuitdragende activiteiten, dan zouden [verdachte] en [verdachte] - mede gelet op hun oude contacten met de leden van de Hofstadgroep - als kernleden zijn aan te merken.

De rechtbank heeft onvoldoende aanwijzingen dat de verdachten binnen de groep met [verdachte] en [verdachte] als harde kern vanuit hun geloofsovertuiging in een gestructureerd samenwerkingsverband dat terroristische misdrijven beoogt, hebben geopereerd. Daarvoor zijn de diverse ontmoetingen, contacten alsmede de door het Openbaar Ministerie beschreven handelingen eenvoudig weg te weinig, te divers en te weinig verbonden.

Het voert naar het oordeel van de rechtbank te ver om, zonder gemeenschappelijk doel zoals bijvoorbeeld het verspreiden van de jihadistisch-salafistische leer en op grond van qua samenstelling sterk wisselende ontmoetingen de groep verdachten en/of anderen aan te merken als een organisatie, in de zin van artikel 140(a) Sr.

Naar het oordeel van de rechtbank grijpen de officieren van justitie ten onrechte terug op de definitie van een terroristische groep als genoemd in artikel 2 van het Europese kaderbesluit en miskennen de officieren hiermee dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van het kaderbesluit ervoor gekozen heeft niet slechts de terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr strafbaar te stellen, maar daarnaast een groot aantal artikelen heeft ingevoerd die bestaande gedragingen - indien gepleegd met een terroristisch oogmerk - eveneens strafbaar stellen.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een duurzaam, gestructureerd samenwerkingsverband, kunnen de bestanddelen oogmerk en deelneming buiten bespreking worden gelaten, zowel in de zin van artikel 140a Sr als in de zin van de subsidiair ten laste gelegde criminele organisatie. De verdachten zullen daarvoor worden vrijgesproken.

Het zou naar het oordeel van de rechtbank wel een miskenning van de feiten zijn om niet met het Openbaar Ministerie vast te stellen, dat verdachten in de te last gelegde periode met allerlei zaken zijn bezig geweest, die uitgelegd kunnen worden als een aandeel hebben in, ondersteunend zijn aan dan wel een rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk misdrijven te plegen. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de activiteiten veeleer onder de werking van artikel 96 Sr en de rechtbank zal hier in een apart hoofdstuk nader op terug komen.

Werven voor de gewapende strijd. De strafbaarstelling van artikel 205 Sr.

Door de raadslieden van de verdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] is aangevoerd, dat het ten laste gelegde artikel 205 Sr - kort gezegd - werven voor de gewapende strijd, niet kan worden bewezen. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat de officieren van justitie uitgaan van een onjuiste uitleg van de reikwijdte en strekking van deze strafbaarstelling. De raadslieden hebben deze stelling, zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd:

Door de per 10 augustus 2004 doorgevoerde aanpassing van het artikel 205 Sr wordt zeker gesteld dat werving ook strafbaar is indien het georganiseerd verband van de gewapende strijd niet valt aan te tonen. Daarnaast heeft de wetgever het woord 'aanwerven' vervangen door 'werven', waaruit men kan afleiden dat de regering het onwenselijk achtte dat de strafbaarheid van rekrutering afhankelijk was van het succes van de wervingsactie. Voor het overige veranderde de inhoud van het bestaande artikel 205 Sr niet.

Deze constatering is van belang omdat het beschermde rechtsgoed van artikel 205 Sr, namelijk de betrekking met vreemde mogendheden, door de wetswijziging niet is veranderd. Artikel 205 Sr, aldus de raadslieden, beoogt dus thans, net als vóór de wetswijziging, in eerste instantie een strafrechtelijke aanpak van rekruteurs die in Nederland mensen werven voor de gewapende strijd die elders in de wereld plaatsvindt. Een uitbreiding van de wet in die zin dat artikel 205 Sr toepasbaar is op het werven voor aanslagen in het binnenland was niet de bedoeling van de wetgever. Een dergelijke aanpassing zou ook overbodig zijn, want uitlokken tot het plegen van moord of brandstichting, alsmede poging tot uitlokking is reeds strafbaar. De raadslieden merken daarbij op dat dit bovenstaande niet betekent dat de gewapende strijd uitsluitend in het buitenland en niet ook deels in Nederland kan plaatsvinden, maar dan zou Nederland wél het toneel moeten zijn van een 'gewapende strijd'. Daarnaast zou het begrip 'aanslag' een andere, veel ruimere, betekenis hebben dan de term 'gewapende strijd'.

De raadslieden hebben bovendien bezwaar tegen de interpretatie van het begrip 'werven' zoals die door het Openbaar Ministerie wordt gegeven. Het is, aldus de raadslieden, niet juist dat werven onder meer betekent het beïnvloeden en ideologisch rijp maken. De in de tenlastelegging genoemde activiteiten zijn niet te kwalificeren als strafbare wervingshandelingen zoals bedoeld in artikel 205 Sr.

Bij de beoordeling van de door de raadslieden gevoerde verweren heeft de rechtbank acht geslagen op de nota naar aanleiding van het nader verslag van 23 september 2003, waarbij de minister van Justitie tijdens de behandeling van het wetsvoorstel met betrekking tot de wijziging van artikel 205 Sr als volgt heeft gereageerd (Tweede Kamer, 2003-2004, 28 463, nr. 10):

"De onderhavige aanvulling van artikel 205 Sr heeft vooral waarde voor rekruteringshandelingen waarbij het groepsverband niet duidelijk herkenbaar en bewijsbaar zal zijn; beoogd wordt om ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen welke betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd.

De voorgestelde wijziging van het begrip 'aanwerven' in 'werven' beoogt aan de strafbaar gestelde handelingen een minder formele betekenis te geven. Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd. Of het werven tot een bepaald resultaat heeft geleid, zal voor de strafbaarheid niet meer relevant zijn. Het voorgestelde delict zal voltooid zijn wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard. Van 'werven' kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer mensen vis-à-vis, te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden, worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep. Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, 'werven' in de zin van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht opleveren.

Het voorstel om de delictsomschrijving van het misdrijf van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht aan te vullen met het begrip 'gewapende strijd', vindt zijn achtergrond in de wens om het werven ten behoeve van een jihad binnen het bereik van deze strafbepaling te brengen. Het bestanddeel dat in dat geval voor de vervulling van de delictsomschrijving van artikel 205 Sr bewezen dient te worden, betreft 'gewapende strijd'. Omdat een jihad te omschrijven is als islamitische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof, de koran en de soenna, staat vermeld, valt jihad binnen het begrip 'gewapende strijd'. Immers, de verwezenlijking van een wereld volgens een bepaald model door het ontplooien van geweldsactiviteiten kan niet anders dan (ook) met ingrijpend geweld worden gerealiseerd. 'Gewapend' is de 'strijd' als bedoeld in het voorgestelde artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht, wanneer de (uiteindelijk beoogde) toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpende geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerrillasituatie. In relatie tot de geweldstoepassing wijkt het begrip 'gewapende strijd' dan ook niet af van 'krijgsdienst'.

Benadrukt wordt nogmaals dat het voor de toepasselijkheid van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht niet doorslaggevend is of er sprake is van een jihad volgens een bepaalde omschrijving. Het aanknopingspunt vormt de 'gewapende strijd'. De (geo)politieke, religieuze en/of ideologische achtergrond van de 'gewapende strijd', waarvoor geworven wordt, doet niet ter zake. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid is slechts van belang dat vastgesteld wordt dat sprake is van het 'werven' voor een 'strijd' die zich kenmerkt door toepassing van ernstig geweld als voornaamste methode om ongeacht welk (geo)politiek, religieus en/of ideologisch doel te bereiken.

Het belangrijkste aanknopingspunt voor de toepasselijkheid van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht is dat geworven wordt (...), hetzij voor de gewapende strijd, waarover hierboven reeds het een en ander is opgemerkt. Het bewijs zal moeten worden geleverd dat werving ten behoeve van een dergelijke 'strijd' geschiedt en ter onderbouwing daarvan kan uiteraard informatie over een bepaalde religieuze of ideologische context behulpzaam zijn. Daarbij is niet van belang welke overtuiging in het geding is, maar het strijdvaardige karakter ervan. Niet vereist is dat de (voorgenomen) gewapende strijd zich in het buitenland afspeelt".

Het bovenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat ook het werven - in de betekenis van trachten te overreden, ook indien zulks geschiedt door middel van het geestelijk rijp maken - van mensen ten behoeve van het plegen van een aanslag onder omstandigheden valt binnen de grenzen van de delictsomschrijving van artikel 205 Sr. De omstandigheden kunnen gevonden worden in het doel van de aanslag dan wel het kader waarbinnen deze plaats dient te vinden. Het in het kader van de jihad plegen van een aanslag met een terroristisch oogmerk kan aldus gebracht worden binnen de reikwijdte van deze strafbepaling. De rechtbank zal dan ook de op deze onderdelen gevoerde verweren verwerpen.

Met betrekking tot de individuele verdachten, oordeelt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van de verdachte [verdachte]:

Aan de verdachte [verdachte] is, kort gezegd, ten laste gelegd het werven voor de gewapende strijd van [getuige] en [verdachte] door hen al dan niet door middel van lessen en lezingen te trachten te overtuigen van het met geweld bestrijden van de ongelovigen en het voeren van de gewelddadige jihad en aan hen een of meer vuurwapen(s) te tonen.

Voor zover het betreft de vermeende werving van [getuige] merkt de rechtbank op dat ter onderbouwing daarvan eigenlijk slechts de verklaringen van [getuige] voorhanden zijn. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent het gebruik ten behoeve van het bewijs van die verklaringen, acht de rechtbank niet bewezen dat [verdachte] [getuige] heeft geworven.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het werven van [verdachte] dat uit het verhandelde ter terechtzitting noch uit de stukken van het strafdossier is komen vast te staan dat de verdachte door middel van lessen of lezingen aan [verdachte] heeft getracht hem te overtuigen van het bestrijden van ongelovigen met geweld of het voeren van de geweldadige jihad. De verdachte dient ook hiervan te worden vrijgesproken.

Nu van het werven van een of meer andere, onbekend gebleven personen, niets is gebleken zal de rechtbank de verdachte [verdachte] derhalve vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde

feit 3.

Ten aanzien van de verdachte [verdachte]:

Aan de verdachte [verdachte] is, kort gezegd, ten laste gelegd het werven voor de gewapende strijd van [getuige], [verdachte] en [getuige] door mondeling, al dan niet door middel van lessen en lezingen en via een website en email en geschriften, hen te trachten te overtuigen van het met geweld bestrijden van de ongelovigen en het voeren van de gewelddadige jihad alsmede cd's en afbeeldingen te verstrekken en te tonen van onthoofdingen, aanslagen, zelfmoordcommando's en over het maken van een zelfmoordgordel en aan [getuige] te vragen deel te nemen aan een zelfmoordaanslag op een Nederlandse veiligheidsdienst.

Hetgeen hierboven, met betrekking tot de verdachte [verdachte], is overwogen omtrent het vermeende werven van [getuige] en [verdachte], geldt evenzeer waar het de verdachte [verdachte] betreft. De verdachte dient daarvan dan ook te worden vrijgesproken.

Ook waar het gaat over het werven van [getuige] zal de rechtbank de verdachte vrijspreken, nu met betrekking tot diens verklaringen is overwogen die - althans voor zover het de redengevende delen betreft - niet voor het bewijs te gebruiken.

Nu van het werven van een of meer andere, onbekend gebleven personen, niets is gebleken zal de rechtbank de verdachte [verdachte] derhalve vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde feit 3.

Ten aanzien van de verdachte [verdachte]:

Voor wat betreft de vermeende rekrutering van [getuige] en [getuige] zijn, zoals hierboven reeds geoordeeld, de officieren van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verder zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de hem ten laste gelegde werving van [getuige] en [getuige], vanwege de reeds genoemde redenen zoals verwoord bij de verdachten [verdachte] en [verdachte]. Ook hier verwijst de rechtbank naar overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige] en [getuige].

Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte [getuige] heeft geworven voor de gewapende strijd. De rechtbank baseert dit oordeel op (i) de verklaringen van getuige [getuige] (bladzijden 9546 tot en met 9581 van het procesdossier) en (ii) de verklaring ter terechtzitting van de verdachte [verdachte] zelf, dat hij ook wel [naam] heet. Uit de combinatie van deze verklaringen met die van [getuige] (bladzijden 9371 tot en met 9429) en [getuige] (bladzijden 9452 tot en met 9505) oordeelt de rechtbank dat [verdachte], via MSN, [getuige] heeft getracht (aan) te werven voor de jihad en aldus heeft geworven in de zin van artikel 205 Sr.

Van het werven van een of meer andere, onbekend gebleven personen is niets gebleken. Daarvan zal de rechtbank de verdachte [verdachte] vrijspreken.

Voorbereiden of bevorderen; artikel 96, tweede lid, Sr.

Doel en strekking van de bepaling.

Met de inwerkingtreding op 10 augustus 2004 van de Wet Terroristische misdrijven is ook de strafbaarstelling van samenspanning tot misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, in het Wetboek van Strafrecht verschenen. In verscheidene, per die datum opgenomen, strafbepalingen die deze samenspanning strafbaar stellen, wordt steeds, in een tweede lid, artikel 96, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge dit artikel is - kort gezegd - dezelfde (maximale) straf als op samenspanning toepasselijk op hem die met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of te bevorderen, (een) bepaalde gedraging(en) verricht. Deze gedragingen worden onder ten 1º tot en met ten 5º omschreven.

Ten tijde van de parlementaire behandeling van het voorstel van Wet Terroristische misdrijven is relatief veel aandacht uitgegaan naar de strafbaarstelling van samenspanning; veel minder naar de strafbaarstelling van het voorbereiden of bevorderen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. De rechtbank gaat er echter vanuit, dat een aantal van de door de minister van Justitie gehanteerde argumenten, die hij naast aan samenspanning ook wel relateert aan artikel 96, mutatis mutandis van toepassing zijn op het bepaalde in artikel 96, tweede lid, Sr. Immers, in de toelichting bij de tweede nota van wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 463, nr. 8, blz. 5) geeft de minister van Justitie de volgende uitleg:

"In de strafbaarstelling van samenspanning is, in artikel 96 Sr, ook een aantal andere strafbaarstellingen opgenomen. Het gaat daarbij deels om gedragingen die ook onder artikel 46a Sr of artikel 46 Sr kunnen worden gerubriceerd. Te denken valt dan vooral aan de onderdelen onder ten 1º en ten 3º, waarin is omschreven - kort gezegd - het een ander trachten te bewegen om het misdrijf te plegen alsmede het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan de betrokkene weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf".

Even daarvoor in dezelfde toelichting merkt de minister op (blz. 5):

"Tegelijkertijd kan evenwel niet bij voorbaat worden uitgesloten dat de rechter in voorkomende gevallen onvoldoende bewijs aanwezig zal achten om voor het deelnemen aan een terroristische groep te kunnen veroordelen, terwijl wel kan worden vastgesteld dat twee of meer personen overeengekomen zijn om terroristische misdrijven te plegen. Te denken valt aan netwerkachtige structuren waarbij onvoldoende organisatorische substantie kan worden aangetoond. Ook de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr) behoeft in die gevallen niet altijd toereikend te zijn, nu daarin vereist wordt dat de dader opzettelijk voorwerpen (etc.) kennelijk bestemd tot het begaan van het misdrijf voorhanden heeft (etc.). De strafbaarstelling van samenspanning tot terroristische misdrijven kan dan soelaas bieden".

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever aldus, naast de strafbaarstelling van samenspanning tot terroristische misdrijven, ook enkele (andere) handelingen ter voorbereiding of bevordering van dergelijke misdrijven strafbaar gesteld, alsmede de voorbereiding of bevordering van zulke samenspanning. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de opmerking van de minister van Justitie in de nota naar aanleiding van het nader verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, blz. 19), later letterlijk door hem herhaald in de memorie van antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, C, blz. 10):

"In gevallen waarin getracht wordt om een ander te bewegen een misdrijf te begaan (een terroristische aanslag dan wel samenspanning daartoe) ligt tenlastelegging van artikel 96, tweede lid, Sr respectievelijk artikel 46a Sr in combinatie met deze misdrijven veel meer voor de hand".

Overigens gaat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of sprake is van strafbare voorbereidings- of bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr ervan uit dat aan die bepaling een zelfstandige betekenis toekomt en het bestaan van 'samenspanning' als bedoeld in het eerste lid van dat artikel voor de toepassing van het tweede lid geen constitutieve voorwaarde is. De rechtbank had dit reeds eerder overwogen, in een andere zaak, in haar uitspraak van 14 februari 2006 (LJN: AV1652). Daarnaast wijst de rechtbank - ter adstructie van haar oordeel - naar hetgeen de minister van Justitie daaromtrent heeft overwogen in de nota naar aanleiding van het verslag (Eerste Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, E, blz. 3), op de vraag in welk geval een verschil in bedoeling tussen de samenspanners aan strafbaarheid in de weg staat:

"Dat is het geval indien dit verschil dusdanig is dat niet meer van een overeengekomen misdrijf kan worden gesproken. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het karakter van dat misdrijf nog volstrekt niet vast staat, en kan variëren van een bomaanslag tot een ontvoering. Overigens wijs ik erop dat in die situatie nog wel strafbaarheid kan ontstaan uit hoofde van andere strafbaarstellingen, zoals het - van overeenkomstige toepassing verklaarde - artikel 96, tweede lid, Sr".

Het geheel van vorenstaande argumenten brengt de rechtbank tot het oordeel, dat in het geval er sprake is van personen, die tezamen en in vereniging, althans ieder voor zich, terroristische intenties hebben en het niet daarbij laten, maar concrete stappen zetten in de richting van de verwezenlijking van die intenties, ook zonder dat zij daartoe (concrete) onderlinge afspraken hebben gemaakt of (een) overeenkomst(en) hebben gesloten, dit binnen de reikwijdte van artikel 96, tweede lid, Sr kan vallen. Dat geldt ook, of wellicht zelfs juist, indien (nog) geen sprake is van een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Voorwaarde is uiteraard wel dat de hiervoor bedoelde 'concrete stappen' binnen de grenzen van de in artikel 96, tweede lid, onder de ten 1º tot en met ten 5º genoemde gedragingen te brengen zijn.

De Piranha-verdachten.

Zoals de rechtbank eerder in dit vonnis heeft overwogen zijn de diverse ontmoetingen, contacten en handelingen van de verdachten in de zaak Piranha te weinig, te divers en te weinig verbonden geweest om deze groep verdachten aan te merken als een terroristische organisatie.

Hoe kijkt de rechtbank dan tegen deze groep verdachten aan? Het zou naar het oordeel van de rechtbank van naïviteit getuigen om aan te nemen dat het hier gaat om een groep individuen, die elkaar toevalligerwijs hebben ontmoet in de ten laste gelegde periode.

Voor de rechtbank staat in elk geval vast dat alle verdachten in het Piranhaonderzoek niet alleen een meer dan gewone belangstelling voor het jihadistisch-salafistische gedachtegoed hebben, maar gevaarlijk dicht bij en onder omstandigheden ook over, de grens hebben gezeten dit gedachtegoed uit te dragen dan wel, in het verlengde daarvan, te handelen op een wijze die door de wet - in het kader van de terrorismebestrijding - strafbaar is gesteld. De rechtbank baseert dat oordeel vooral op het digitale beslag en de diverse ontmoetingen onderling maar ook op de overige gedingstukken. Elk van de verdachten heeft zich - om de woorden van [verdachte] hiervoor te gebruiken - gevaarlijk dicht in de omgeving van een groep personen bewogen, bezig met gevaarlijke, verboden gedragingen.

Maar daar is bij een aantal van de zes gedagvaarde verdachten niet bij gebleven. [verdachte] heeft op 24 en 25 juni 2005 telefoongesprekken met [naam], waarin hij - verkort weergegeven - verklaart dat er nog een soep aan het koken is, bij het bekend worden waarvan men achterover zal vallen. In een reactie hierop verklaart [naam] dat hij nog niets op tv heeft gezien. In het licht van deze gesprekken en het gegeven dat [verdachte] al enkele jaren terroristische idealen en doelen nastreeft is de betekenis, die [verdachte] hieraan gegeven heeft - namelijk het van huis weglopen van [verdachte] en het daarop volgende huwelijk met [verdachte] - volstrekt ongeloofwaardig.

Hier kan niet anders dan sprake zijn van een op handen zijnde terroristische aanslag of daarmee gelijk te stellen daad van terroristische aard.

Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank nog eens onderstreept door het bij [verdachte] gevonden videotestament. Hierin wordt gerefereerd aan het plegen van misdrijven die erop gericht zijn de bevolking vrees aan te jagen en de Nederlandse rechtsorde te vernietigen.

De rechtbank neemt aan dat deze videoboodschap tot stand is gekomen na 1 oktober 2005. Op de in beslag genomen camera staan immers - voor het videotestament - afbeeldingen van het op 1 oktober 2005 gehouden besnijdenisfeest van de zoon van [verdachte].

Deze videoboodschap is - naar het oordeel van de rechtbank - niet anders op te vatten dan een openbaarmaking aan ouders en naasten en aan het Nederlandse volk, nadat [verdachte] het martelaarschap heeft bereikt door een terroristische aanslag, zoals een explosie met vele doden (te denken is in de eerste plaats aan het AIVD-gebouw) dan wel door een andere, vergelijkbare, daad zoals een moord op één of meer bekende politieke figuren. Dergelijke daden zijn te beschouwen als terroristische bedreigingen van de Nederlandse democratische instellingen. Los daarvan is alleen de videoboodschap van een dergelijke inhoud, dat alleen al die boodschap toereikend is om de kijker de terreur te laten voelen.

Reeds meermalen is in rechterlijke uitspraken, waarbij hij overigens is vrijgesproken, geoordeeld dat [verdachte] al enkele jaren terroristische idealen en doelen nastreeft. Verdachte heeft ook in deze zaak ten overstaan van de rechter-commissaris op 25 september 2006 verklaard dat hij inderdaad gelooft dat er aanslagen mogen worden gepleegd en mensen vermoord. Hij baseert zich daarbij op de Koran. Hij voegt daaraan toe dat hij dat niet zal doen omdat hij een Nederlands paspoort heeft en daarom een verdrag heeft met de Nederlandse staat.

Dat de verdachte [verdachte] al sinds enkele jaren belangstelling heeft voor de AIVD en het gebouw waarin deze dienst is gehuisvest, blijkt uit materiaal van juni 2004 (gevoegd bij de processtukken), waaruit blijkt dat hij afstanden heeft uitgepast in de naaste omgeving van het AIVD-gebouw, en beschikte over een getekend kaartje van de wegen, leidend naar dit gebouw. Ook in de huidige pleegperiode heeft deze verdachte zich meermalen over de AIVD uitgelaten als de grote vijand. De rechtbank wijst in dit verband op de aangetroffen uitleg aan de afkorting AIVD = Anti Islamitische Veiligheidsdienst.

Onder de verdachten hebben drie vuurwapens gecirculeerd. De rechtbank komt daar verderop in dit vonnis meer uitgebreid op terug. Hier volstaat de rechtbank met de vaststelling dat [verdachte], samen met [getuige], deze wapens in Amsterdam heeft gekocht, alsmede dat [verdachte] en [verdachte] deze wapens diverse malen heen en weer naar België hebben vervoerd. Met één van deze wapens, een Agram 2000, zijn [verdachte] en [verdachte] op 22 juni 2005 in Amsterdam aangehouden. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] deze Agram 2000 in een bos in Amsterdam aanwezig heeft gehad en daarmee heeft proef geschoten, in gezelschap van [getuige], die ook een of meer schoten daarmee heeft gelost, zoals door [getuige] wordt verklaard en bevestigd door [getuige].

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de overige twee wapens in België zijn geweest. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [verdachte], dat [getuige] na de aanhouding van [verdachte] en [verdachte] in paniek bij hem aan de deur kwam en vertelde dat hij wapens had. De rechtbank gaat ervan uit dat ook [verdachte] en [verdachte] in België de wapens hebben gezien. Vervolgens zijn de wapens, aldus [verdachte], door [getuige] en [getuige] mee terug naar Nederland genomen, waar ze uiteindelijk ruim één jaar later in de kelderbox van [verdachte] zijn gevonden.

De rechtbank gaat er vanuit dat [verdachte] op enig moment de drie wapens in het huis van [getuige] gezien heeft en daarbij de CZ (babyuzi) gedemonteerd heeft. De rechtbank neemt evenzeer aan dat ditzelfde wapen als achtergrond bij het videotestament te zien is.

Daarnaast heeft [verdachte] de Agram 2000 op de kamer van [verdachte] in Den Haag gezien en in handen gehad en heeft [verdachte] - naar eigen zeggen - op enig moment, in Den Haag of België, een zak/tas wapens gezien.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat alle verdachten - [getuige] en [getuige] incluis - op enig moment wapens hebben gezien of anderszins daarbij betrokken zijn geweest.

Na het weekend België en de aanhouding van [verdachte] en [verdachte] moet het voor een ieder van de verdachten duidelijk zijn geweest dat er wapens in de groep circuleerden en dat sommige verdachten bezig waren met het voorbereiden van gevaarlijke, verboden of zelfs terroristische gedragingen. Voor [verdachte] heeft dit naar het oordeel van de rechtbank zeker gegolden, nu hij in een telefoongesprek met [naam] ('de Syriër') op 8 november 2004 refereert aan de moord op Theo van Gogh en daarbij opmerkt dat [naam] daar dus van af wist.

Toch hebben [verdachte] en [verdachte] na dit weekend nog contact met [verdachte] en vindt op 24 augustus 2005 nog een ontmoeting plaats op het Stellenboschplein in Den Haag met [verdachte] en [naam].

Op 9 oktober 2005 komt er een AIVD-bericht dat - kort samengevat - [verdachte] wil beschikken over Kalashnikov's en andere wapens en dat hij op 10 oktober gebeld zal worden door een persoon met de codenaam: Ik ben de man van Barcelona (etc.). Vast staat dat toen een infiltratietraject is ingezet, dat uiteindelijk geen resultaat heeft gehad.

Wel is gebleken dat [verdachte] een telefoongesprek met de infiltrant heeft gehad en dat er een afspraak is gemaakt voor 12 oktober 2005 te Woerden. [verdachte] heeft ter zitting verklaard, dat hij een telefoontje uit Spanje verwachtte over de aanschaf van mobiele telefoons. Dit acht de rechtbank onaannemelijk en acht het op zijn minst opmerkelijk dat één dag voor de geplande afspraak, 's avonds een ontmoeting plaatsvindt tussen [verdachte], [naam], [naam] en wederom [verdachte].

[verdachte] is in het zogenoemde apothekersgesprek met haar zus op 20 juni 2005 duidelijk aan het vissen naar namen en adressen van bekende politici, waarbij ook duidelijk gerefereerd wordt aan Hirsi Ali. Dit gesprek kan alleen in het nadeel van verdachte [verdachte] worden uitgelegd. In een verklaring in oktober 2006 bij de rechter-commissaris heeft een andere zus van [verdachte] verklaard wat [getuige] en [verdachte] daarin dienden te zeggen op instructie van de AIVD. Als men uitgaat van de juistheid van dit laatste, dan laat dat onverlet dat verdachte in dat gesprek uit eigen beweging op een zeer indringende wijze navraag doet naar een zwarte vrouw, die wel Hirsi Ali moet zijn, en over wie verdachte vol afkeer praat, en van wie zij dingen wil weten die niet normaal door de apotheek worden geleverd.

Ook de dwingende manier waarop verdachte vraagt naar andere politici, onder wie Van Aartsen, zijn van een grote vasthoudendheid en niet te passen binnen de instructies die de AIVD aan [getuige] had gegeven.

Ook kan niet geloofwaardig worden geacht de bewering van verdachte dat dit geenszins serieus was bedoeld.

Tussen de papieren van [verdachte] in Den Haag is een gecodeerd briefje gevonden met, naar gebleken is, een viertal namen en adressen van politici. Op de laptop - die naar het oordeel van de rechtbank aan [verdachte] toebehoort - wordt een geschrift gevonden, waarin (samengevat) beschreven wordt hoe men met een zelfgemaakte bom in een vrachtwagen tegen het gebouw van de AIVD kan rijden en, naar de rechtbank verstaat, aldus in het paradijs komt.

Dat het hierboven genoemde codebriefje, waarop de namen en/of adressen van de kamerleden Weisglas, (Van der) Vlies, Marijnissen en Dittrich voorkomen, in het bezit is geweest van [verdachte] en [verdachte] leidt de rechtbank bovendien af uit de verklaring van de bewoonster [getuige], bij wie [verdachte] en [verdachte], net terug uit Brussel, zeer kort voor het aantreffen van dat briefje hadden verbleven, terwijl er niemand anders in de woning was geweest aan wie het briefje kan worden toegeschreven. [getuige] had het briefje nooit eerder gezien, ook niet de dag tevoren op de plaats waar het was aangetroffen, welke plaats zij op die dag tevoren nog had schoongemaakt. Zij trof het briefje aan op 22 juni 2005, dezelfde dag dat zij samen met [verdachte] en [verdachte] in de auto naar Amsterdam vertrokken, waar zij werden aangehouden met bij zich een schietklaar automatisch machinepistool met geluiddemper en een voorraad patronen.

Hieraan kan worden toegevoegd de verklaring van 10 november 2005 van [getuige], een medegedetineerde van [verdachte], inhoudende dat [verdachte] aan [getuige] heeft verklaard dat hij was aangehouden in Amsterdam met twee vrouwen, dat hij een machinegeweer bij zich had, dat hij op weg was naar Hirsi Ali, Wilders en nog iemand (van wie [getuige] de naam was vergeten); hij wilde die mensen doden. Zij waren beledigend. Hij ([verdachte]) zou dan in het Paradijs komen. Alle Nederlanders moesten dood. Hij wilde aanslagen plegen in Faluja (Irak) tegen sjiieten en Amerikanen. Hij vond de aanslag in Londen prachtig en Osama Bin Laden een heilige. Hij lachte om zoveel doden.

Dat al deze zaken in verband kunnen worden gebracht met te plegen terroristische daden leidt de rechtbank af uit het feit dat [verdachte] zich eveneens zeer heeft beziggehouden met het verkondigen van het ware geloof en veel aandacht heeft gegeven aan wat te doen met ongelovigen. Hij heeft zelfs mensen zover geïndoctrineerd, dat zij zich door verdachten (overigens op eigen verzoek) hebben laten hersenspoelen.

Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat de aanschaf van het machinepistool (waarmee achthonderd patronen per minuut kunnen worden verschoten) alleen maar bestemd zou zijn om de ex-man van echtgenote [verdachte] van het lijf te houden.

De rechtbank heeft reeds eerder overwogen dat [verdachte] als een van de beheerders van de website 'Leeuwen van Tawhied' is aan te merken. Op deze website zijn beelden te zien van diverse politici, zoals Donner en Hirsi Ali en waarbij op de achtergrond gezongen wordt: "De groep van ongeloof heeft zich om ons heen verzameld om ons aan te vallen, maar dat kunnen zij niet ... de eer en overwinning zijn aan ons." Op de website wordt eveneens een afbeelding vertoond van Geert Wilders met de bijbehorende tekst: "We hebben onze zwaarden al geslepen, hond". Verder is bij [verdachte] nog aangetroffen een dodenlijst van [naam] met ondertiteling: 'Dood aan de leiders van het ongeloof', met beelden van Theo van Gogh op straat en een tekst met als inhoud: Naam: Geert Wilders, beroep: taghoet > zonde: spotten met Islam> straf: onthoofding> beloning: Insha Allah (het paradijs) met afbeeldingen van Wilders en Hirsi Ali.

De rechtbank leidt uit het (hierboven deels weergegeven) materiaal af dat [verdachte] de bereidheid had tot het begaan van terroristische daden jegens ongelovigen, de AIVD, politici en dergelijke.

Op de computers van [verdachte] en [verdachte] zijn instructiefilms over het maken van explosieven respectievelijk explosievengordels aangetroffen. Voor de rechtbank staat vast dat [verdachte], minst genomen aan [verdachte], heeft verteld dat hij hier mee bezig is geweest.

Daarnaast zijn bij doorzoekingen in de woningen bij [verdachte] gasmaskers en bivakmutsen aangetroffen en bij [verdachte] gasmaskers.

Dit alles overziende wettigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat binnen de groep verdachten plannen zijn gemaakt en - vervolgens - ter verwezenlijking van die plannen gedragingen zijn verricht die, kort gezegd, binnen de delictsomschrijving van artikel 96, tweede lid, Sr vallen.

Overigens zijn de zes verdachten niet steeds, maar ook niet allemaal, bezig geweest met gedragingen die te beschouwen zijn als een terroristisch misdrijf voorbereidende of bevorderende handelingen, en die daarmee gebracht kunnen worden onder de ten 1º tot en met ten 5º van het tweede lid van artikel 96 Sr genoemde gedragingen.

Met betrekking tot [verdachte] overweegt de rechtbank het volgende. Ook na het zien van de wapens zijn er nog contacten tussen hem, [verdachte] en [verdachte]. Dit baart de rechtbank weliswaar zorgen maar ook bij hem is verder niet gebleken van enig handelen dat in termen van strafbare voorbereiding of bevordering valt. Het feit dat [verdachte] twee keer gepind heeft op de terugweg van België, merkt de rechtbank niet aan als een ter zake relevante financiële ondersteuning.

Dit leidt ertoe dat [verdachte] hiervan vrijgesproken dient te worden.

Voor de overige verdachten ligt dit naar het oordeel van de rechtbank anders. Bij hen kan wel worden geconstateerd dat zij door hun handelen, alleen of in vereniging met anderen, één of meer misdrijven met een terroristisch oogmerk hebben voorbereid of bevorderd. De misdrijven waar deze voorbereiding of bevordering op was gericht, betreffen de strafbare feiten van de artikelen 157 (teweegbrengen van een ontploffing) en/of 176b (samenspanning tot het plegen van bepaald genoemde misdrijven met een terroristisch oogmerk) en/of 289a (moord met een terroristisch oogmerk), Sr.

Het bovenstaande overziend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachten [verdachte], [verdachte], [verdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan het voorbereiden of bevorderen van één of meer misdrijven met een terroristisch oogmerk. De precieze bewezenverklaring van concrete gedragingen die aan deze verdachten in dat verband worden verweten, heeft de rechtbank elders in dit vonnis opgenomen ('bewezenverklaringen').

Medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, al dan niet met een terroristisch oogmerk.

Op verschillende momenten in het onderzoek Piranha is sprake van (een) vuurwapen(s) en munitie. Drie vuurwapens zijn aangetroffen, te weten twee automatische machinepistolen (een Agram 2000 en een CZ, model 61, ('babyuzi') en een revolver van het merk Smith & Wesson. De Agram 2000 is aangetroffen en in beslag genomen bij de aanhouding van [verdachte] en [verdachte] op 22 juni 2005. Beiden zijn door de rechtbank bij vonnissen van respectievelijk 10 maart 2006 en 18 oktober 2005 veroordeeld voor (het medeplegen van) het voorhanden hebben van dat vuurwapen. De CZ en de Smith & Wesson zijn aangetroffen op 28 augustus 2006, in een afgesloten ruimte in een kelderberging, behorend bij de woningen [adres].

Aan de verdachten [verdachte] en [verdachte] is het voorhanden hebben van de CZ en de Smith & Wesson ten laste gelegd; aan de overige verdachten ook het voorhanden hebben van de Agram 2000.

In het requisitoir van de officieren van justitie speelt, naast een aantal feitelijke, met de vuurwapens verrichte handelingen, ook het meer passieve niet-distantiëren een rol bij het concluderen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van vuurwapenbezit. De rechtbank hecht eraan eerst enkele opmerkingen van meer algemene aard te maken over het verweten niet-distantiëren als vorm van medeplegen. Daarna zal meer concreet worden ingegaan op de feitelijke, met de vuurwapens verrichte, handelingen alsmede de rol die de individuele verdachten daarbij hebben gespeeld.

Niet-distantiëren als vorm van medeplegen.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr worden als daders van een strafbaar feit gestraft zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen. Voor medeplegen in de zin van die bepaling dient sprake te zijn van (bewuste) nauwe en volledige samenwerking. Een gezamenlijke uitvoering kan bij uitstek op een dergelijke samenwerking wijzen. Voor uitvoering dient sprake te zijn van uitvoeringshandelingen, hetgeen bij 'voorhanden hebben' in de betekenis van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) - indien een derde fysiek voorhanden heeft - moeilijk voorstelbaar is. Nu de gezamenlijke uitvoering niet, althans minder duidelijk is, zal voor de vereiste nauwe en volledige samenwerking derhalve nader bewijs benodigd zijn. Het betreft dan een soort passief medeplegen, waarbij vooral de aanwezigheid ter plekke een rol speelt, en niet zozeer een (actieve) bijdrage bij het eigenlijke plegen. Op zich kan een aanwezige als medepleger worden beschouwd, indien en voor zover bewezen is dat gesproken kan worden van een voldoende bewuste, nauwe en volledige samenwerking. De enkele aanwezigheid is daartoe niet voldoende; er dient bijvoorbeeld sprake te zijn van een gemeenschappelijk plan of van een rechtsplicht tot handelen (ingrijpen) die opzettelijk niet wordt nagekomen. In het verlengde daarvan is denkbaar dat ook het niet-benutten van een mogelijkheid tot distantie een rol speelt. Echter, voordat het zich niet, althans niet tijdig, distantiëren van de gedragingen van anderen leidt tot de conclusie dat een (bewuste) nauwe en volledige samenwerking aan de orde is, dient nog wel een enkele vraag te worden beantwoord. Allereerst de vraag wanneer iemand, in casu één of meer van de verdachten, voor een nalaten (niet-ingrijpen) strafrechtelijk aansprakelijk is en of (en zo ja, in hoeverre) er een rechtsplicht bestaat zich te distantiëren. Vervolgens resteert de vraag naar de feitelijke mogelijkheid van distantie (HR 26 oktober 2004, NJ 2004, 682, met name ook de annotatie van PMe).

Toegespitst op de verdachten in het onderzoek Piranha oordeelt de rechtbank daaromtrent als volgt. Zowel [getuige] als [verdachte] hebben verklaard dat de CZ (babyuzi, ook wel genaamd 'Scorpion') en de Smith & Wesson in de periode van 22 tot en met 25 juni 2005 in Brussel zijn geweest. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [verdachte], dat [getuige] - kort na de arrestatie van [verdachte] - bij hem aan de deur kwam om te zeggen dat hij wapens had, die hij kwijt wilde. De rechtbank gaat er vanuit, dat deze verklaringen in die zin juist zijn, dat de twee wapens in die periode in Brussel zijn geweest en op 25 juni 2005 weer mee terug naar Den Haag zijn genomen.

In Brussel hebben [verdachte], [verdachte] en [verdachte] zich, na het zien van deze wapens, niet meteen gedistantieerd doch zijn nog enige tijd in België gebleven. [verdachte] heeft zelfs, na terugkomst uit Brussel in Den Haag, [getuige] en diens vrouw [getuige] nog een nacht in zijn woning laten verblijven - wetende dat de wapens daarbij aanwezig waren. Deze wapens zijn later, op 28 augustus 2006, in een afgesloten kelderruimte, behorend bij (onder meer) de woning van [verdachte], aangetroffen. In de woning van [verdachte] bevond zich een sleutel van het slot waarmee deze kelderruimte was afgesloten.

Het verwijt dat [verdachte] en [verdachte] met betrekking tot de twee wapens kan worden gemaakt gaat derhalve niet verder dan dat zij deze wapens hebben gezien in Brussel en zich vervolgens niet, althans niet tijdig, hebben gedistantieerd. De wapens waren niet door (één van) hen meegenomen; niet is aangetoond dat zij de wapens hebben vastgehad of op enige andere wijze feitelijke beschikkingsmacht over die wapens hebben gehad. Er is dan ook geen sprake van medeplegen van het voorhanden hebben in de zin van artikel 26 van de WWM. Hoezeer de omstandigheden van deze België-reis de rechtbank zorgen baren, het niet-ingrijpen is op zich niet strafbaar. Ook bestond er geen daadwerkelijke rechtsplicht voor de verdachten [verdachte] en [verdachte] zich te distantiëren. Van enige concrete (feitelijke) invulling van het bestanddeel 'voorhanden hebben' is met betrekking tot [verdachte] en [verdachte] niet gebleken.

[verdachte] en [verdachte] zullen dan ook worden vrijgesproken van het voorhanden hebben, al dan niet met een terroristisch oogmerk, van de CZ (babyuzi) en de Smith & Wesson.

Voor zover deze twee verdachten ook worden beschuldigd van het voorhanden hebben van de Agram 2000, oordeelt de rechtbank als volgt. Het procesdossier noch het onderzoek ter terechtzitting bevat aanknopingspunten waarmee deze beschuldiging in de richting van [verdachte] kan worden onderbouwd. Bij afwezigheid van bewijs dient de verdachte [verdachte] voor dat feit te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de verdachte [verdachte] is de situatie wezenlijk anders. Hij heeft één of enkele dagen voor de aanhouding van [verdachte] op 22 juni 2005 verbleven in de woning, waar ook [verdachte] verbleef. In die woning is [verdachte], zonder dat [verdachte] daarbij aanwezig was, gestuit op de Agram 2000 en heeft deze vastgehad, naar zijn zeggen om te kijken en te voelen of het een echt wapen betrof. Ook de bij de Agram 2000 behorende munitie heeft [verdachte] gezien en, althans voor zover het één kogelpatroon betreft, vastgehad. Op deze kogel is het DNA van [verdachte] aangetroffen. De verklaring van [verdachte] volgend heeft hij zich vervolgens, binnen de grenzen van het redelijke, zo snel mogelijk gedistantieerd. Voor beantwoording van de vraag of het voorgaande oplevert het medeplegen van het voorhanden hebben van dit vuurwapen, overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat de verdachte [verdachte] op enig moment, zij het kort, de (theoretische) beschikkingsmacht heeft gehad over het bewuste vuurwapen en de bijbehorende munitie. Echter, concrete aanwijzingen dat [verdachte] hiervoor andere redenen had dan de door hem aangedragen reden, te weten kijken en voelen of het een echt wapen betrof, heeft de rechtbank niet aangetroffen. Ook het verhaal dat hij zich vervolgens heeft gedistantieerd door vrij snel na deze handeling de woning te verlaten, vindt geen weerlegging in het beschikbare bewijsmateriaal. Verder gaat de rechtbank er vanuit dat het wapen, nu dat op 22 juni 2005 in het bezit van verdachte [verdachte] is aangetroffen en in beslag is genomen en deze ook heeft verklaard dat het zijn wapen betrof, niet aan [verdachte] toebehoort of heeft toebehoord. Van enige wetenschap van het bestaan van het wapen en de munitie of van de aanwezigheid daarvan in de betreffende woning, tot aan het moment waarop [verdachte] het zag liggen en heeft opgepakt, is niet gebleken, evenmin als van de toestemming van [verdachte] of de wens van [verdachte] om over het wapen te mogen beschikken. Al met al oordeelt de rechtbank deze handelwijze onvoldoende om te spreken van medeplegen van voorhanden hebben van de Agram 2000 en de bijbehorende munitie. Ook van dit feit dient de verdachte [verdachte] te worden vrijgesproken.

Overige overwegingen omtrent het vuurwapenbezit.

Zoals hierboven reeds overwogen, komen in het procesdossier alsmede tijdens het onderzoek ter terechtzitting op verschillende momenten (ten minste) drie vuurwapens naar voren: de Agram 2000, de CZ (de babyuzi) en de Smith & Wesson. Uit de onderliggende dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting concludeert de rechtbank, dat dit drietal wapens op enig moment door de verdachten [verdachte] en [getuige] tezamen is aangeschaft. De rechtbank grondt dit oordeel op het samenstel van de door [verdachte] ter terechtzitting afgelegde verklaring en de verklaringen van [getuige].

De rechtbank gaat er vanuit dat de CZ en de Smith & Wesson zich telkens in combinatie met in ieder geval elkaar hebben bevonden, dat deze twee wapens ook in de woning in Brussel zijn geweest en dat zij uiteindelijk zijn terechtgekomen in de woning van de verdachte [verdachte], aan de [adres], om vervolgens verborgen te worden achter het luik van de ruimte in de (gezamenlijke) kelderberging, onder meer behorend bij die woning.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat ten aanzien van de verdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] gesteld kan worden dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, te weten het machinepistool CZ en de revolver Smith & Wesson. Ten aanzien van [verdachte] wordt ook (het medeplegen van) het voorhanden hebben van de Agram 2000 wettig en overtuigend bewezen geacht. De rechtbank overweegt hieromtrent ten aanzien van iedere verdachte afzonderlijk als volgt.

Met betrekking tot de verdachte [verdachte] geldt het volgende. De getuige [getuige] heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting van 20 oktober 2006 verklaard dat hij [verdachte] bij hem thuis met wapens heeft gezien. Wapens die door de verdachte [verdachte] naar de woning van [getuige] waren gebracht. In dat verband heeft [getuige] wel gesproken over een tas met daarin drie vuurwapens: een zilverkleurig wapen, een babyuzi en een revolver. De rechtbank begrijpt dat hier bedoeld worden de Agram 2000, de CZ en de Smith & Wesson. [getuige] heeft hieromtrent verder verklaard dat [verdachte] bij hem thuis een babyuzi in zijn handen heeft gehad en dat [verdachte] aan [verdachte] vertelde hoe hij het wapen moest schoonhouden en onderhouden.

Bij [getuige] thuis werden, op diens aanwijzen, naar aanleiding van zijn verhoor van 18 oktober 2005, handschoenen veiliggesteld en in beslag genomen. Handschoenen waarover [getuige] had verklaard dat [getuige] deze droeg ten tijde van het demonteren van de babyuzi.

Deze verklaring van [getuige] wordt ondersteund door de uitkomst van het NFI-rapport van 23 maart 2006, waaruit blijkt dat de betreffende handschoenen DNA-materiaal van [verdachte] bevatten.

Op 7 oktober 2005 werd door de AIVD in een ambtsbericht gemeld dat deze dienst de beschikking had over een video-opname van een testament van [verdachte]. De CD-rom die deze opname bevat, is aan het dossier toegevoegd. Op deze video-opname, welke opname ter terechtzitting is getoond, is [verdachte] te zien terwijl hij een als een afscheidsboodschap te duiden rede voert. Achter hem in beeld staat een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De verbalisant [verbalisant] heeft op 23 januari 2006 gerelateerd dat hij dit wapen heeft herkend als een vuurwapen gelijkend op een machinepistool van het merk CZ, type Vz-61 Scorpion, dan wel een replica van zo'n type wapen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] zowel de Agram 2000 als de Smith & Wesson als ook de CZ (babyuzi) voorhanden heeft gehad.

Met betrekking tot de verdachte [verdachte] oordeelt de rechtbank als volgt. Ter terechtzitting op 31 oktober 2006 heeft de verdachte [verdachte] verklaard dat [getuige], toen zij naar de woning in Brussel gingen, wapens in een tas had meegenomen en dat [getuige] deze wapens ook weer mee heeft teruggenomen uit België.

[verdachte] verklaarde voorts dat [getuige] de wapens had laten zien en deze eveneens bij zich had tijdens het heen en weer rijden. [verdachte] had op de terugreis naar Nederland gezien dat [getuige] de wapens bij zich had.

Na terugkeer in Den Haag zijn, zo verklaarde [verdachte] vervolgens, [getuige] en zijn vrouw [getuige] bij [verdachte] blijven overnachten. In een gesprek met [getuige] die avond/nacht heeft [verdachte] hem verteld dat hij de wapens weg moest werken.

Deze verklaring van de verdachte [verdachte]f wordt op onderdelen ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] ter terechtzitting op 20 oktober 2006. [getuige] verklaart hier weliswaar dat hij handelde in opdracht van [verdachte], maar de gemeenschappelijke deler in de verklaringen zijn de wapens. Vuurwapens waarvan de rechtbank, zoals hierboven uiteengezet, heeft geoordeeld dat dit de CZ en de Smith & Wesson moeten zijn geweest.

[getuige] heeft voorts verklaard dat [verdachte] als laatste de wapens heeft gehad. Deze verklaring is niet onaannemelijk, nu deze vuurwapens (de CZ en de Smith & Wesson) op 28 augustus 2006 bij werkzaamheden achter een luik van een ruimte in het portiek van de woning [adres] - de woning van de verdachte [verdachte] - zijn aangetroffen.

Voor zover het de verdachte [verdachte] betreft, oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor met betrekking tot [verdachte] vermeld, heeft [getuige] ter terechtzitting verklaard dat de verdachte [verdachte] bij hem thuis is geweest met een tas waarin drie wapens zaten. Het ging hier kennelijk, gelet op hetgeen de getuige [getuige] op 18 oktober 2005 tijdens zijn tiende politieverhoor verklaarde, om de Agram 2000, de CZ en de Smith & Wesson.

Daarnaast heeft de verdachte [verdachte] ter terechtzitting op 30 oktober 2006 verklaard dat hij samen met [getuige] in Amsterdam van een man drie vuurwapens heeft gekocht, waarvan er in ieder geval één op dat moment is geleverd (de Agram 2000), die zowel hij als [getuige] daar hebben uitgeprobeerd. De man zou hen ook de overige twee wapens leveren en voor de drie wapens tezamen, zo verklaarde [verdachte], is € 500,= aan de man betaald. De twee andere wapens zouden op een later tijdstip geleverd worden.

De rechtbank acht het, gelet op al hetgeen haar is gepresenteerd zowel in het onderliggend procesdossier als op het onderzoek ter terechtzitting, zeer aannemelijk dat door [verdachte] en [getuige] drie vuurwapens, de Agram 2000, de CZ en de Smith & Wesson, aldaar zijn gekocht.

In hun verklaringen spreken [getuige] en [getuige] over wapenbezit van [verdachte] en [verdachte] in België. Het zou daarbij gaan om alle drie de wapens. Deze verklaringen worden in die zin ondersteund, dat deze wapens in de loop van de tijd aangetroffen en in beslag genomen zijn, en dat door [verdachte] over de aankoop van deze wapens is gesproken.

Ten aanzien van de verdachte [verdachte] overweegt de rechtbank tenslotte dan ook als volgt. Als gezegd, hebben zowel [getuige] als [getuige] verklaard dat in de woning in Brussel op de kamer die in gebruik was bij [verdachte] en [verdachte], wapens aanwezig waren. [getuige] spreekt over drie vuurwapens, te weten de Agram 2000, de babyuzi en de revolver (blz. 12917); [getuige] spreekt over de Agram 2000 (bijvoorbeeld in haar vierde en vijfde verklaring) en over de revolver (blz. 12934). Bovendien verklaren beiden over de aanwezigheid van munitie, te weten een grote hoeveelheid kogelpatronen. Het gaat daarbij om kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, geschikt voor de babyuzi en niet voor de twee andere wapens. De verklaringen van [getuige] en [getuige], nu deze - zoals hierboven reeds overwogen - tot op zekere hoogte worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, brengen de rechtbank tot het oordeel dat (het medeplegen van) het voorhanden hebben door [verdachte] van zowel de babyuzi als de Smith & Wesson wettig en overtuigend bewezen is, voor zover het betreft de periode voorafgaand aan haar aanhouding op 22 juni 2005.

Gelet op hetgeen is verklaard door zowel de verdachte [verdachte] als de door getuige [getuige], acht de rechtbank het aannemelijk dat de CZ en de Smith & Wesson vanuit Brussel naar de woning van de verdachte [verdachte] aan de [adres] zijn vervoerd en dat deze vuurwapens, enige tijd later, zijn verborgen achter het luik van de ruimte in het gezamenlijke deel van de kelderberging, tezamen met de tas met andere spullen uit Brussel. In deze laatste tas zaten de persoonlijke bescheiden van de verdachte [verdachte], alsook een verscheurd munitiedoosje en een haar, die na onderzoek door het NFI bleek te matchen met het DNA van [verdachte].

Deze omstandigheden maken een mogelijk (medeplegen van) voorhanden hebben van de genoemde vuurwapens door de verdachte [verdachte] in een periode, gelegen na 22 juni 2005 echter onvoldoende aannemelijk.

Terroristisch oogmerk.

Het verweten voorhanden hebben van (een) vuurwapen(s) is steeds ten laste gelegd met de uitbreiding, dat dit voorhanden hebben zou zijn gepleegd, 'terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken'. Met betrekking tot dit oogmerk, overweegt de rechtbank het volgende. Van het voorhanden hebben van (een) vuurwapen(s) of munitie met een terroristisch oogmerk is, met betrekking tot de verdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] onvoldoende gebleken. Immers, daartoe zou bewezen dienen te worden dat door deze verdachten met het voorhanden hebben op zich reeds werd beoogd om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, etc. (artikel 83a Sr). Bewijs dat die richting op wijst ontbreekt, althans voor zover het [verdachte], [verdachte] en [verdachte] betreft.

Anders is dit voor [verdachte]. De door hem vervaardigde videoboodschap kan toch bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan een instrument waarmee ten minste een deel van de bevolking van Nederland ernstige vrees wordt aangejaagd. Gelet op de inhoud van de boodschap, gaat de rechtbank uit van beoogde openbaarmaking, op enig moment. Aldus wordt het aanjagen van genoemde vrees door [verdachte] beoogd. Het in beeld gebrachte vuurwapen - de rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat dit de CZ betreft - maakt een substantieel deel uit van de aankleding van de boodschap en de dreiging die daarvan uitgaat. Het is juist de combinatie van de inhoud van de boodschap en de wijze waarop deze wordt gebracht, inclusief de traditionele kledij en het zichtbare vuurwapen, waardoor de boodschap als zo dreigend kan worden ervaren. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat in geval van [verdachte] het voorhanden hebben van de CZ is begaan met een terroristisch oogmerk.

Voor wat betreft het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie door [verdachte] en [verdachte], alsmede het medeplegen van het voorhanden hebben van de Smith & Wesson door [verdachte], acht de rechtbank dit wel begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Voor de daartoe geldende motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen reeds is opgemerkt over het tweede feit op de dagvaardingen: de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr. Nu ter zake van deze verdachten bewezen is dat zij dat feit hebben begaan door, onder meer, de betreffende vuurwapens en munitie voorhanden te hebben, is daarmee in dat verband reeds de 'terroristische intentie' gemotiveerd. Ter zake van de hier aan de orde zijnde feiten - het voorhanden hebben zoals strafbaar gesteld in de WWM - gelden dezelfde argumenten.

Met betrekking tot de verdachte [verdachte] merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank gaat ervan uit dat deze verdachte wist wat beoogd werd met het wapenbezit. [verdachte] heeft zelf verklaard, kort na zijn arrestatie, dat hij weliswaar geen lid is van een terroristische organisatie, maar wel mensen kent die daartoe behoren. Ook heeft hij verklaard dicht bij een groep te zitten die fout bezig is. Daarnaast heeft [verdachte] met 'de Syriër' gesproken over de moord op Van Gogh en de broeders die naar aanleiding daarvan zijn opgepakt. Tussen (een aantal van) de verdachten in het onderzoek Piranha werd ook wel gesproken over de gewelddadige jihad. [verdachte] heeft zelf bij de rechter-commissaris verklaard dat ook wel extreem gesproken werd. Het circuleren van verscheidene, zeer gevaarlijke, vuurwapens tussen een aantal van de verdachten in de zaak Piranha, ook in het bijzijn van C[verdachte], kan niet anders dan (uiteindelijk) ter voorbereiding en/of bevordering van het plegen van een of meer misdrijven met een terroristisch oogmerk zijn geschied, zoals hierboven gemotiveerd ter zake van het tweede ten laste gelegde feit. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte], gelet op het vorenstaande, zo hij niet zelf misdrijven als bedoeld in artikel 83 Sr aan het voorbereiden en/of bevorderen was, in ieder geval heeft geweten dat dit aan de orde was. Aldus heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van in totaal drie vuurwapens en munitie, terwijl deze feiten zijn begaan met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.

Bewijsmotivering.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaringen.

De bewezenverklaringen per individuele verdachte zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

STRAFBAARHEID FEITEN [VERDACHTE]

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600052-05:

Feit 2.

Medeplegen van, met het oogmerk om voor te bereiden en te bevorderen dat,

- moord en doodslag met een terroristisch oogmerk worden begaan;

- opzettelijk een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk,

door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid te brengen of onder zich te hebben.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600100-06:

Feit 1.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

Feiten 2 en 3 telkens.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID FEITEN [VERDACHTE]

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600108-05:

Feit 2.

Medeplegen van, met het oogmerk om voor te bereiden en te bevorderen dat,

- moord en doodslag met een terroristisch oogmerk worden begaan;

- opzettelijk een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk,

door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid te brengen of onder zich te hebben.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600101-06:

Feiten 1 en 2 telkens.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID FEITEN [VERDACHTE]

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600134-05:

Feit 2.

Medeplegen van, met het oogmerk om voor te bereiden en te bevorderen dat,

- moord en doodslag met een terroristisch oogmerk worden begaan;

- opzettelijk een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk,

door

- een ander te trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid te brengen of onder zich te hebben;

Feit 3.

Zonder toestemming van de Koning, iemand voor de gewapende strijd werven.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600102-06:

Feiten 1 en 2, telkens:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID FEIT [VERDACHTE]

Het bewezen feit, onder parketnummer 10/600122-05, levert op:

2.

Een reisdocument op grond van valse gegevens doen verstrekken.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID FEITEN [VERDACHTE]

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600023-06:

2.

Medeplegen van, met het oogmerk om voor te bereiden en te bevorderen dat,

- moord en doodslag met een terroristisch oogmerk worden begaan;

- opzettelijk een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk,

door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid te brengen of onder zich te hebben.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 10/600093-06:

Feiten 1 en 2 telkens.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd .

Strafbaarheid verdachten.

De verdachten [verdachte], [verdachte], [verdachte], [verdachte] en [verdachte] zijn strafbaar.

Strafmotiveringen.

De straffen die aan de verdachten worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

STRAFMOTIVERING [verdachte]

De verdachte heeft zich, in ieder geval tezamen met zijn medeverdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven. De verdachte en zijn medeverdachten hebben in de bewezen verklaarde periode het voornemen gehad om aanslagen te plegen op zowel politici als op het gebouw van AIVD te Leidschendam.

Zoals in dit vonnis al eerder is overwogen ligt aan de strafbaarstelling van de in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven gedragingen ten grondslag de samenleving vroegtijdig te beschermen tegen personen, die tezamen en in vereniging, althans ieder voor zich, terroristische intenties hebben en het daarbij niet laten, maar concrete stappen zetten in de verwezenlijking van die intenties.

Van de verdachte kan worden gezegd dat hij verder is gegaan op het pad van terroristische idealen en doelen.

De misdrijven waarop verdachte het oog heeft, zijn erop gericht de Nederlandse democratie in haar hart te raken en de Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen, door het beramen van aanslagen op Nederlandse politici en het beramen van bomaanslagen op gebouwen, in het bijzonder het AIVD-gebouw. Aanslagen die talloze personen het leven kunnen kosten.

De wijze waarop verdachte zijn terroristische idealen wil vormgeven, getuigt van haat tegen andersdenkenden, wier leven voor verdachte kennelijk geen waarde heeft.

Hoewel de rechtbank zich realiseert dat het bij deze verdachten gaat om - kort samengevat - voorbereidingshandelingen, waarvan niet duidelijk is tot hoever de doelen benaderd werden, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat concrete acties op korte termijn te verwachten waren.

De rechtbank beschouwt [verdachte], gelet op zowel het onderliggende procesdossier als op het onderzoek ter terechtzitting, als een centrale figuur binnen de groep van deze verdachten, die zich bezighield met voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven.

Hoewel sommige handelingen naar het oordeel van de rechtbank amateuristisch aandoen, staat daar tegenover dat onder deze verdachten een aantal zeer gewelddadige, gevaarlijke en professionele vuurwapens voorhanden waren, waarmee in zeer korte tijd een groot aantal slachtoffers kunnen worden gemaakt.

De verdachte heeft zich aldus tevens schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een drietal vuurwapens, te weten twee machinepistolen en een revolver, telkens met de bij die vuurwapens behorende munitie.

Op deze feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 oktober 2006 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte is op 20 juni 2003 echter wel met het Openbaar Ministerie een taakstraf overeengekomen ter zake van overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie. Daarnaast is het de rechtbank ambtshalve bekend dat de verdachte op 6 april 2005, onder parketnummer 10/030075-05 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van overtreding van de artikelen 13 en 26 van de Wet wapens en munitie, welk vonnis ten aanzien van dit deel inmiddels onherroepelijk is.

In het geheel van al hetgeen de rechtbank in dit vonnis heeft overwogen, ziet zij aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officieren van justitie werd geëist.

STRAFMOTIVERING [verdachte]

De verdachte heeft zich, in ieder geval tezamen met zijn medeverdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven. De verdachte en zijn medeverdachten hebben in de bewezen verklaarde periode het voornemen gehad om aanslagen te plegen op zowel politici als op het gebouw van de AIVD te Leidschendam.

Door de verdachte en/of zijn medeverdachten zijn ten behoeve van deze terroristische misdrijven een groot aantal voorbereidings- en bevorderingshandelingen verricht.

Hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van [verdachte] heeft overwogen, geldt evenzeer voor de verdachte [verdachte]. Ook hij is - naar het oordeel van de rechtbank - als een centrale figuur aan te merken.

Dat [verdachte] eveneens nietsontziend is in de verwezenlijking van zijn terroristische idealen blijkt eveneens uit het feit dat hij [getuige] - naar het oordeel van de rechtbank - ideologisch heeft rijp gemaakt voor en bewogen tot het voeren van de gewelddadige jihad.

Ook bij [verdachte] kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Zou er geen sprake zijn geweest van toepassing van artikel 63 Sr, dan zou de rechtbank eenzelfde straf als bij [verdachte] hebben opgelegd.

Blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 juni 2006 is de verdachte veroordeeld ter zake van een vermogensmisdrijf.

In het geheel van al hetgeen de rechtbank in dit vonnis heeft overwogen, ziet zij aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officieren van justitie werd geëist.

STRAFMOTIVERING [verdachte]

De verdachte heeft zich, in ieder geval tezamen met zijn medeverdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven. De verdachte en zijn medeverdachten hebben in de bewezen verklaarde periode het voornemen gehad om aanslagen te plegen op zowel politici als op het gebouw van de AIVD te Leidschendam.

Door de verdachte en/of zijn medeverdachten zijn ten behoeve van deze terroristische misdrijven voorbereidings- en bevorderingshandelingen verricht.

Ook bij [verdachte] gelden dezelfde overwegingen als bij [verdachte] en [verdachte], zij het dat de rechtbank hem een minder grote rol toedicht.

Wel kan van [verdachte] worden gezegd dat hij sterk ideologisch gedreven was en duidelijke bemoeienis heeft gehad met een aantal vuurwapens.

Op deze feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 oktober 2006 is de verdachte eerder veroordeeld ter zake van voornamelijk vermogensmisdrijven, laatstelijk ter zake van een straatroof op 29 juni 1995.

In het geheel van al hetgeen de rechtbank in dit vonnis heeft overwogen, ziet zij aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officieren van justitie werd geëist.

STRAFMOTIVERING [verdachte]

De verdachte heeft zich, in ieder geval tezamen met haar medeverdachten [verdachte], [verdachte] en [verdachte] schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven. De verdachte en zijn medeverdachten hebben in de bewezen verklaarde periode het voornemen gehad om aanslagen te plegen op zowel politici als op het gebouw van AIVD te Leidschendam.

Door de verdachte en/of haar medeverdachten zijn ten behoeve van deze terroristische misdrijven een groot aantal voorbereidings- en bevorderingshandelingen verricht.

Ook aan [verdachte] wordt door de rechtbank een minder grote rol toebedacht.

[verdachte] vertoont eveneens een sterke ideologische gedrevenheid, op grond waarvan zij huwde met [verdachte] en zijn pad geruime tijd heeft gevolgd.

De rechtbank rekent haar het trachten te verkrijgen van persoonlijke gegevens van politici zwaar aan, evenals haar betrokkenheid bij een aantal wapens.

Bij de bepaling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf, houdt de rechtbank, gelet op artikel 63 Sr, rekening met de eerdere veroordeling van de verdachte, door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 18 oktober 2005.

Op deze feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Zou er geen sprake zijn geweest van toepassing van artikel 63 Sr, dan zou de rechtbank zijn gekomen tot een gevangenisstraf die langer zou duren.

Blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 6 oktober 2006 is de verdachte door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 18 oktober 2005 veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie.

In het geheel van al hetgeen de rechtbank in dit vonnis heeft overwogen, ziet zij aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officieren van justitie werd geëist.

STRAFMOTIVERING [verdachte]

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op basis van valse gegevens aanvragen van een identiteitskaart. De verdachte is met [verdachte] naar het gemeentehuis gegaan, alwaar hij met een pasfoto van deze [verdachte] een identiteitskaart heeft aangevraagd en verstrekt heeft gekregen. Dit is een ernstig feit. De verdachte heeft hiermee het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in het bijzonder in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen geschonden. Bovendien heeft de verdachte - al dan niet bewust - hiermee mogelijke terroristische gedragingen gefaciliteerd.

Op dit feit dient te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf van beperkte duur.

Blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 oktober 2006 is de verdachte niet eerder veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Nu de rechtbank komt tot de bewezenverklaring van voormeld feit en tot de vrijspraak van de overige aan de verdachte ten laste gelegde feiten, zal zij aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen zoals die in dergelijke gevallen gebruikelijk is.

Alles afwegend worden na te noemen straffen ten aanzien van de verdachten [verdachte], [verdachte], [verdachte], [verdachte] en [verdachte] passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN [VERDACHTE]

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, onder parketnummer 10/600052-05, als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder de nummers 2 tot en met 4 verbeurd te verklaren en de in beslag genomen goederen als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder de nummers 5 tot en met 21 te onttrekken aan het verkeer.

De hieronder genoemde in beslag genomen goederen zullen verbeurd worden verklaard.

VM194.1.3.3.1 2 1.00 STK Handschoen Kl:zwart

-

linkerhandschoen

VM194.1.3.4.1 3 1.00 STK Handschoen Kl:zwart

-

rechterhandschoen

VM194.1.3.5.3 4 1.00 STK Papier

-

diverse bescheiden voorzien van Arabische teksten

VM194.1.3.5.4 5 1.00 STK Papier

-

blauwe map inhoudende printjes in het Arabisch

VM194.1.3.5.5 5a 9.00 STK Cd-Rom

-

9 x cd-rom / dvd

VM194.1.3.5.6 6 1.00 STK Walkman

CREATIVE

MP-3 speler

VM194.1.3.5.8 7 4.00 STK Cd-Rom

-

cd roms, 1 MS office / nr. 1 t/m 3

VM194.1.3.5.9 8 1.00 STK GSM zaktelefoon Kl:grijs

NOKIA

voorzien van een sim-kaart

VM194.1.3.5.11 9 8.00 STK Cd-Rom

-

rood mapje met cd-roms / nr 1 t/m 4 en 7 + 8

VM194.1.3.5.13 10 1.00 STK Dataschijf

-

USB-geheugen stick

VM194.1.3.5.19 11 1.00 STK Kast

-

computerkast

VM194.1.3.7.2 12 1.00 STK Videocamera

-

digitaal

VM194.1.3.7.7 13 16.00 STK Compactdisc

-

nr. 4

VM194.1.4.2.2 14 1.00 STK Tas Kl:groen

-

met gasmasker

VM194.1.4.2.5 15 1.00 STK Tas Kl:groen

-

met gasmasker

VM194.1.4.2.10 16 1.00 STK Mes

-

met houder

VM194.1.4.2.14 17 1.00 STK Zak

-

met bivakmutsen

VM194.1.4.2.15 18 2.00 STK Muts Kl:zwart

-

pet en muts

VM194.1.4.3.1 19 1.00 STK GSM zaktelefoon Kl:blauwgrijs

ALCATEL

FOU.AZZOS86.17 20 1.00 STK GSM zaktelefoon

NOKIA

met simkaart + simkaart achter batterij

KVI10.2 21 3.00 STK Cd-Rom

-

nr. 1 en 2

De bewezen feiten zijn met betrekking tot en met behulp van voornoemde voorwerpen begaan en voorbereid.

De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kunnen dienen tot het begaan en de voorbereiding van soortgelijke feiten.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN [VERDACHTE]

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, onder parketnummer 10/600108-05, als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder de nummers 1 tot en met 8 te onttrekken aan het verkeer en het in beslag genomen goed als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder nummer 9 verbeurd te verklaren.

De hieronder genoemde in beslag genomen goederen zullen verbeurd worden verklaard.

Z72048 B 9 1.00 STK Laptop

PACKETT BELL

MW257.A.5.0.0.0.1

MW257.A1.300.001 1 1.00 STK Gasmasker

-

Z72048 B 2 10.00 STK Compactdisc

-

in papierenhoes, nr 8. MW257.A2.1.1.1.004 Kast

Z72048 B 3 13.00 STK Compactdisc

-

zwarte hoes, nr 4,10,11. MW257.A2.1.1.1.005 kast

Z72048 B 4 16.00 STK Boek

-

16 boeken. MW257.A2.1.1.9.001 Kast

Z72048 B 5 1.00 STK Fototoestel

MW257.A2.1.1.300.1.2

+ SD kaart, 2 opladers, usd stick, dig. USB-stick

Z72048 B 6 1.00 STK Telefoontoestel

ERICSSON

MW257.A2.2.1.5.001.3

Z72048 B 7 7.00 STK Compactdisc

MW257.A2.2.1.4.001.1

diversen, nr. 11.12, 11.16, 11.17, 11.18, 5.3 en 9

Z72048 B 8 1.00 STK Telefoontoestel

NOKIA

MW257.A2.0.0.5.001

De bewezen feiten zijn met betrekking tot en met behulp van voornoemde voorwerpen begaan en voorbereid.

De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kunnen dienen tot het begaan en de voorbereiding van soortgelijke feiten.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN [VERDACHTE]

De officieren van justitie hebben gevorderd de in beslag genomen goederen, onder parketnummer 10/600134-05, als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder de nummers 1 en 2 te onttrekken aan het verkeer.

Het hieronder genoemde in beslag genomen goed zal verbeurd worden verklaard.

NEF-F-1-1 1 1.00 STK Foto

-

pasfoto's in notitieboekje

De bewezen feiten zijn met behulp van dit voorwerp begaan en voorbereid.

Het hieronder genoemde in beslag genomen goed zal worden onttrokken aan het verkeer.

NEF-F-2 2 1.00 STK Identiteitsbewijs

-

o.n.v. [verdachte]

De bewezen feiten zijn met betrekking tot en met behulp van voornoemd voorwerp begaan en voorbereid.

Het voorwerp behoort toe aan de verdachte, is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en het kan dienen tot het begaan en de voorbereiding van soortgelijke feiten.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN [VERDACHTE]

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen goed, onder parketnummer 10/600109-05, als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder nummer 1 verbeurd te verklaren en het in beslag genomen goed als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder nummer 2 te onttrekken aan het verkeer.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen zoals hieronder vermeld zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

BS027.K.A.5 1 1.00 STK Computer

-

VAIO

BS027.N.1 2 2.00 STK Cd-Rom

-

nr. 1

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN [VERDACHTE]

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, onder parketnummer 10/600122-05, als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder de nummers 1, 2 en 3 te onttrekken aan het verkeer.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen zoals hieronder vermeld zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Z72048 C 1 1.00 STK Papier

-

Flyer met code AR128.02

Z72048 C 2 1.00 STK Boek

-

Code AR128.12

Z72048 C 3 2.00 STK Boek

-

Code AR128.14

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN [VERDACHTE]

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, onder parketnummer 10/600093-06, als vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen onder de nummers 1 tot en met 7 te onttrekken aan het verkeer.

De hieronder genoemde in beslag genomen goederen zullen verbeurd worden verklaard.

MNL05-18-13 E 1 1.00 STK Slot

MOON discusslot

MNL05-18-13 E 2 1.00 STK Sleutel

-

passend op slot ibn op 5/9/06 tijdens doorzoeking

MNL05-18-13 E 7 1.00 STK Tas

-

met persoonlijke bescheiden. (AHA57,P.13021)

De bewezen feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan en voorbereid.

De hieronder genoemde in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

MNL05-18-13 E 3 1.00 STK vuurwapen

CZ 61Scorpion

automatisch vuurwapen, CZ model 61 Scorpion

MNL05-18-13 E 4 1.00 STK Revolver

SMITH & WESSON

MNL05-18-13 E 5 320.00 STK Munitie

SELLIER BELLOT

MNL05-18-13 E 6 5.00 STK Munitie

ONBEKEND

De bewezen feiten zijn met betrekking tot en met behulp van voornoemde voorwerpen begaan en voorbereid.

De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en het kunnen dienen tot het begaan en de voorbereiding van soortgelijke feiten.

VORDERING TENUITVOERLEGGING [VERDACHTE]

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 18 oktober 2005 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van het voorhanden hebben van een machinepistool, munitie en een geluiddemper veroordeeld - voor zover van belang - tot een gevangenisstraf van negen (9) maanden, waarvan een gedeelte groot drie (3) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee (2) jaar.

De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op

1 november 2005.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf, groot drie (3) maanden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN [verdachte]

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 83, 83a, 96, 157 (oud), 176b, 288a (oud) en 289a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN [verdachte]

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 83, 83a, 96, 157 (oud), 176b, 288a (oud) en 289a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN [VERDACHTE]

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 83, 83a, 96, 157 (oud), 176b, 205, 288a (oud) en 289a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN [VERDACHTE]

Gelet is op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN [VERDACHTE]

Gelet is op de artikelen 14g, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 83, 83a, 96, 157 (oud), 176b, 288a (oud) en 289a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSINGEN

BESLISSING [VERDACHTE]

De rechtbank:

- verklaart de officieren van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600052-05 onder 1, onder A en B, en 3 ten laste gelegde feiten van heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/600052-05 onder 2 ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 10/600100-06 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd:

VM194.1.3.3.1 2 1.00 STK Handschoen Kl:zwart

-

linkerhandschoen

VM194.1.3.4.1 3 1.00 STK Handschoen Kl:zwart

-

rechterhandschoen

VM194.1.3.5.3 4 1.00 STK Papier

-

diverse bescheiden voorzien van Arabische teksten

VM194.1.3.5.4 5 1.00 STK Papier

-

blauwe map inhoudende printjes in het Arabisch

VM194.1.3.5.5 5a 9.00 STK Cd-Rom

-

9 x cd-rom / dvd

VM194.1.3.5.6 6 1.00 STK Walkman

CREATIVE

MP-3 speler

VM194.1.3.5.8 7 4.00 STK Cd-Rom

-

cd roms, 1 MS office / nr. 1 t/m 3

VM194.1.3.5.9 8 1.00 STK GSM zaktelefoon Kl:grijs

NOKIA

voorzien van een sim-kaart

VM194.1.3.5.11 9 8.00 STK Cd-Rom

-

rood mapje met cd-roms / nr 1 t/m 4 en 7 + 8

VM194.1.3.5.13 10 1.00 STK Dataschijf

-

USB-geheugen stick

VM194.1.3.5.19 11 1.00 STK Kast

-

computerkast

VM194.1.3.7.2 12 1.00 STK Videocamera

-

digitaal

VM194.1.3.7.7 13 16.00 STK Compactdisc

-

nr. 4

VM194.1.4.2.2 14 1.00 STK Tas Kl:groen

-

met gasmasker

VM194.1.4.2.5 15 1.00 STK Tas Kl:groen

-

met gasmasker

VM194.1.4.2.10 16 1.00 STK Mes

-

met houder

VM194.1.4.2.14 17 1.00 STK Zak

-

met bivakmutsen

VM194.1.4.2.15 18 2.00 STK Muts Kl:zwart

-

pet en muts

VM194.1.4.3.1 19 1.00 STK GSM zaktelefoon Kl:blauwgrijs

ALCATEL

FOU.AZZOS86.17 20 1.00 STK GSM zaktelefoon

NOKIA

met simkaart + simkaart achter batterij

KVI10.2 21 3.00 STK Cd-Rom

-

nr. 1 en 2

BESLISSING [verdachte]

De rechtbank:

- verklaart de officieren van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600108-05 onder 1, onder A en B, en 3 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 10/600101-06 onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/600108-05 onder 2 ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 10/600101-06 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (vier) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd:

Z72048 B 9 1.00 STK Laptop

PACKETT BELL

MW257.A.5.0.0.0.1

MW257.A1.300.001 1 1.00 STK Gasmasker

-

Z72048 B 2 10.00 STK Compactdisc

-

in papierenhoes, nr 8. MW257.A2.1.1.1.004 Kast

Z72048 B 3 13.00 STK Compactdisc

-

zwarte hoes, nr 4,10,11. MW257.A2.1.1.1.005 kast

Z72048 B 4 16.00 STK Boek

-

16 boeken. MW257.A2.1.1.9.001 Kast

Z72048 B 5 1.00 STK Fototoestel

MW257.A2.1.1.300.1.2

+ SD kaart, 2 opladers, usd stick, dig. USB-stick

Z72048 B 6 1.00 STK Telefoontoestel

ERICSSON

MW257.A2.2.1.5.001.3

Z72048 B 7 7.00 STK Compactdisc

MW257.A2.2.1.4.001.1

diversen, nr. 11.12, 11.16, 11.17, 11.18, 5.3 en 9

Z72048 B 8 1.00 STK Telefoontoestel

NOKIA

MW257.A2.0.0.5.001

BESLISSING [VERDACHTE]

De rechtbank:

- verklaart de officieren van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/600134-05 onder feit 3 ten laste gelegde, voor zover het betreft het werven voor de gewapende strijd van [getuige] en [getuige];

- verklaart de officieren van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600134-05 onder 1, onder A en B, ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600134-05 onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 10/600102-06 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (vier) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd respectievelijk onttrokken aan het verkeer:

NEF-F-1-1 1 1.00 STK Foto

-

pasfoto's in notitieboekje

NEF-F-2 2 1.00 STK Identiteitsbewijs

-

o.n.v. [verdachte]

BESLISSING [VERDACHTE]

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600109-05 onder 1, onder A en B, en 2 ten laste gelegde feiten, alsmede de onder parketnummer 10/600103-06 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten met heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

BS027.K.A.5 1 1.00 STK Computer

-

VAIO

BS027.N.1 2 2.00 STK Cd-Rom

-

nr. 1

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

BESLISSING [VERDACHTE]

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600122-05 onder 1, onder A en B, ten laste gelegde feiten, alsmede de onder parketnummer 10/600104-06 onder 1 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/600122-05 onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit ;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

Z72048 C 1 1.00 STK Papier

-

Flyer met code AR128.02

Z72048 C 2 1.00 STK Boek

-

Code AR128.12

Z72048 C 3 2.00 STK Boek

-

Code AR128.14

BESLISSING [VERDACHTE]

De rechtbank:

- verklaart de officieren van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/600023-06 onder 1, onder A en B, ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/600023-06 onder 2 ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 10/600093-06 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd:

MNL05-18-13 E 1 1.00 STK Slot

MOON discusslot

MNL05-18-13 E 2 1.00 STK Sleutel

-

passend op slot ibn op 5/9/06 tijdens doorzoeking

MNL05-18-13 E 7 1.00 STK Tas

-

met persoonlijke bescheiden. (AHA57,P.13021)

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

MNL05-18-13 E 3 1.00 STK vuurwapen

CZ 61Scorpion

automatisch vuurwapen, CZ model 61 Scorpion

MNL05-18-13 E 4 1.00 STK Revolver

SMITH & WESSON

MNL05-18-13 E 5 320.00 STK Munitie

SELLIER BELLOT

MNL05-18-13 E 6 5.00 STK Munitie

ONBEKEND

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 18 oktober 2005 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voor-waardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Koning, voorzitter,

en mrs. Kalk en Mul, rechters,

in tegenwoordigheid van Koolmees en Meulendijk, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2006.

BIJLAGE BEWEZENVERKLARINGEN

BEWEZENVERKLARING [VERDACHTE]

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/600052-05 onder feit 2, alsmede het onder parketnummer 10/600100-06 onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/600052-05:

2.

hij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te te 's-Gravenhage en Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om

- één of meer moord(en) en/of doodslag(en), zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland en één of meer medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en

- het opzettelijk teweegbrengen van één of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst te Leidschendam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen:

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven en

- plannen voor de uitvoering van één of meer van die misdrijven, welke bestemd waren om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers hebben verdachte en zijn mededaders (meermalen):

- (automatische) vuurwapens in hun bezit gehad te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een CZ, type Vz-61 Scorpion en een revolver en

- voormelde (automatische) vuurwapens vervoerd ondermeer naar België

- gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en

- bivakmutsen in zijn bezit gehad en

- computers en CD-roms en USB-sticks/MP3-spelers voorhanden gehad met daarop bestanden, bevattende diverse handboeken en instructies voor het maken en gebruiken van wapens en explosieven waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandbediening en giffen en instructies met betrekking tot militaire training en gevechtstechnieken en overlevingstechnieken en de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten Bouwstenen van naties.doc ondermeer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad", in een map/folder genaamd: i3dad: 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an_booad.doc, The Mujahideen poisons handbook en The Mujahideen explosives handbook, veiligheid.doc) en

- op meerdere momenten afgeschermde bijeenkomsten gehouden en overleg gevoerd en

- op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en e-mail ondermeer via speciaal daarvoor aangemaakte e-mail accounts en via de telefoon en

- een briefje gemaakt en voorhanden gehad met daarop gecodeerd de namen en adressen van politici te weten van de heren Weisglas, (Van der) Vlies, Marijnissen en Dittrich en

- een afscheidsboodschap een zogenaamd zelfmoordtestament opgenomen/gemaakt en in het bezit gehad met als kennelijke doel deze boodschap openbaar te (laten) maken na de uitvoering van voornoemde misdrijven, ondermeer inhoudende een filmopname van [verdachte] met op de achtergrond een op een automatisch vuurwapen gelijkend voorwerp, waarbij [verdachte] ondermeer de volgende Arabische teksten uitspreekt: "Ik verricht deze daad uit vrees voor de straf van God de verhevene" en "Wij moeten ons vandaag voorbereiden om te sterven" en "Toen ik deze daad verrichtte, deed ik dat en had de overtuiging dat ik de juiste "Manhaj" volgde" en "mijn boodschap aan de regering: Het is de boodschap van onze profeet () Toen hij zei: "ik heb jullie de slachting gebracht". Sheikh Osama Bin laden, moge Allah hem behoeden, heeft jullie regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. Sheikh de Moejahid Ayman Al Zawahiri heeft jullie ook regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. En onze geliefde sheikh Aboe Moesaab Al Zarqawi heeft jullie wel eens gewaarschuwd maar jullie hebben steeds onrecht aangericht, jullie kruisvaarders, die Bush steunden toen hij zijn bekende woord heef uitgesproken: "Laat de kruistochten beginnen". Ik zeg jullie dat er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is tot jullie de moslims met rust laten en de weg van de vrede kiezen." en "Ten aanzien van het Nederlandse volk () Jullie worden als strijders beschouwd omdat jullie deze regering hebben gekozen. Jullie vermogens en bloed zijn voor ons geoorloofd. Wij zullen hier jullie bloed verspillen zoals jullie het bloed van de moslimse burgers in Irak hebben verspild." en "Wij hebben Allah en zijn gezant trouw gezworen om dood te gaan. Wij zullen jullie, voor zeker, de afschuwelijkheden van de holocaust laten vergeten" en waarbij aan het einde van deze opname een tweede stem roept: "De martelaar heeft gezegevierd en de helden hebben gezegevierd."

Parketnummer 10/600100-06:

1.

hij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te 's Gravenhage en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 322 patronen, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht;

2.

hij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te 's-Gravenhage en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

3.

hij in de periode van april 2005 tot en met 22 juni 2005 te

's Gravenhage en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Agram 2000, kaliber 9 mm, en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III onder 1, te weten een aantal patronen in twee patroonhouders en munitie van categorie III, te weten 40 patronen, kaliber 9 mm, en een geluidsdemper gelet op artikel 3 WWM, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor ter bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING [VERDACHTE]

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/600108-05 onder feit 2, alsmede het onder parketnummer 10/600101-06 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/600108-05:

2.

hij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te te 's-Gravenhage en Amsterdam en Brussel, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om

- moord(en) en/of doodslag(en), zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op politici uit Nederland en één of meer medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en

- het opzettelijk teweegbrengen van één of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst te Leidschendam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten is, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en te bevorderen:

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven en

- plannen voor de uitvoering van één of meer van die misdrijven, welke bestemd waren om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers hebben verdachte en zijn mededaders (meermalen):

- (automatische) vuurwapens in hun bezit gehad te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een CZ, type Vz-61 Scorpion en een revolver en

- één of meer van voormelde (automatische) vuurwapens vervoerd ondermeer naar België en

- gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en

- bivakmutsen in hun/zijn bezit gehad en

- computers en CD-roms en USB-sticks/MP3-spelers voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende diverse handboeken en/of instructies voor het maken en gebruiken van wapens en explosieven waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandbediening en giffen en instructies met betrekking tot militaire training en gevechtstechnieken en overlevingstechnieken en de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten Bouwstenen van naties.doc ondermeer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad", in een map/folder genaamd: i3dad: 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an_booad.doc, The Mujahideen poisons handbook en The Mujahideen explosives handbook, veiligheid.doc en

- op momenten afgeschermde bijeenkomsten gehouden en overleg gevoerd en

- op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en e-mail ondermeer via één of meer speciaal daarvoor aangemaakte e-mail accounts en via de telefoon en

- een briefje gemaakt en/of voorhanden gehad met daarop gecodeerd de namen en adressen van politici te weten van de heren Weisglas, (Van der) Vlies, Marijnissen en Dittrich

Parketnummer 10/600101-06:

1.

hij in de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005 te 's Gravenhage en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 322 patronen, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

2.

hij in de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005 te 's Gravenhage en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING [VERDACHTE]

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/600134-05 onder feit 2 en feit 3, almede het onder parketnummer 10/600102 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/600134-05:

2.

hij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te te 's-Gravenhage en Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en Brussel, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om

- moord(en) en/of doodslag(en), zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland en één of meer medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en

- het opzettelijk teweegbrengen van één of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst te Leidschendam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten is, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en te bevorderen:

- anderen heeft getracht te bewegen om één of meer van die misdrijven te plegen, te doen plegen of mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven en

- plannen voor de uitvoering van één of meer van die misdrijven, welke bestemd waren om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers hebben verdachte en zijn mededaders (meermalen):

- (automatische) vuurwapens in hun bezit gehad te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een CZ, type Vz-61 Scorpion en een revolver en

- voormelde (automatische) vuurwapens vervoerd ondermeer naar België en

- met een vuurwapen in het openbaar/in een bos geschoten, kennelijk ter oefening van het gebruik ervan en/of

- gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en

- bivakmutsen in hun/zijn bezit gehad en

- computers en CD-roms en USB-sticks/MP3-spelers voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende diverse handboeken en instructies voor het maken en gebruiken van wapens en explosieven waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandbediening en giffen en instructies met betrekking tot militaire training en gevechtstechnieken en overlevingstechnieken en de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten Bouwstenen van naties.doc ondermeer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad", in een map/folder genaamd: i3dad: 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an_booad.doc, The Mujahideen poisons handbook en The Mujahideen explosives handbook, veiligheid.doc en

- op meerdere momenten afgeschermde bijeenkomsten gehouden en overleg gevoerd en

- op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en e-mail ondermeer via één of meer speciaal daarvoor aangemaakte e-mail accounts en via de telefoon en

- een briefje gemaakt en voorhanden gehad met daarop gecodeerd de namen en adressen van politici te weten van de heren Weisglas, (Van der) Vlies, Marijnissen en Dittrich

3.

hij in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 22 juni 2005 te Amsterdam en Den Haag, zonder toestemming van de Koning [getuige] heeft geworven voor de gewapende strijd, door

- mondeling al dan niet door middel van het geven van lessen en lezingen en via MSN en email en geschriften die personen te trachten te overtuigen van en aan te sporen tot het bestrijden van de ongelovigen met geweld en het voeren van de gewelddadige Jihad en

- films en cd's en afbeeldingen te verstrekken en te tonen van onthoofdingen en aanslagen en de oorlogen in Irak en Bosnie en de gevangenis Abu Ghraib en over het maken van een zelfmoordgordel

Parketnummer 10/600102-06:

1.

hij in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 juni 2005 te 's-Gravenhage en Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 322 patronen, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

2.

hij in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 juni 2005 te 's Gravenhage en Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING [VERDACHTE]

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/600122-05 onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/600122-05:

2.

hij op 03 januari 2005 te Amsterdam een reisdocument, te weten een Nederlandse identiteitskaart (nummer IC9669055), ten name van [verdachte], heeft doen verstrekken op grond van valse gegevens, immers heeft verdachte een aanvraagformulier ten behoeve van de verkrijging van deze identiteitskaart ingevuld en ondertekend en daarbij een pasfoto verstrekt met daarop afgebeeld een andere persoon dan hem zelf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING [VERDACHTE]

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/600023-06 ten laste gelegde feit 2 alsmede het onder parketnummer 10/600093-06 ten laste gelegde feit 2 heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/600023-06:

2.

zij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te te 's-Gravenhage en Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en Brussel, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om

- moord(en) en/of doodslag(en), zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op politici uit Nederland en één of meer medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en

- het opzettelijk teweegbrengen van één of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst te Leidschendam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten is, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en te bevorderen:

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven en

- plannen voor de uitvoering van één of meer van die misdrijven, welke bestemd waren om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers hebben verdachte en haar mededaders (meermalen):

- (automatische) vuurwapens in hun bezit gehad te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, en een revolver en

- voormelde (automatische) vuurwapens vervoerd ondermeer naar België en

- met een vuurwapen in het openbaar/in een bos geschoten, kennelijk ter oefening van het gebruik ervan en

- een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn van ondermeer de heren Remkes en Van Aartsen en mevrouw Hirsi Ali gesprek tussen [verdachte] en haar zus [zus verdachte] en

- een briefje gemaakt en/of voorhanden gehad met daarop gecodeerd de namen en adressen van politici te weten van de heren Weisglas, (Van der) Vlies, Marijnissen en Dittrich

Parketnummer 10/600093-06:

1.

zij in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 juni 2005 te 's-Gravenhage en Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 322 patronen, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

2.

zij in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 juni 2005 te 's-Gravenhage en te Brussel, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.