Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB9759

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-11-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
06 / 2179 GEMWT K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd is handhavend op te treden ten aanzien van het gebruik van het gehele, ondeelbaar geachte, motorsportcircuit, ook al is gebruik van een deel van het circuit niet verboden (door het ontbreken van een verbodsbepaling). Beroep gegrond vanwege een te lange begunstigingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECTIFICATIE D.D. 28 NOVEMBER 2007 I.V.M. KENNELIJKE SCHRIJFFOUT IN HET DICTUM ONDER 2

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 2179 GEMWT K1

Inzake : Stichting Milieufederatie Limburg, Werkgroep Behoud de Peel en 13 anderen, gevestigd te Roermond, eisers,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray, gevestigd te Venray, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 14 november 2006,

kenmerk: circuit "De Peel".

Datum van behandeling ter zitting: 1 november 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 14 november 2006 heeft verweerder – voor zover thans van belang - een door de Stichting Milieufederatie Limburg, de Stichting Werkgroep Behoud de Peel, 12 bewoners uit Merselo ingediend bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 2 maart 2006, waarin verweerder afwijzend heeft beslist op een door voornoemde partijen ingediend handhavingsverzoek, gegrond verklaard waarbij verweerder heeft aangekondigd een handhavingsprocedure op te starten.

Tegen het besluit van 14 november 2006 hebben eisers bij schrijven van 21 december 2006, door de rechtbank ontvangen op 27 december 2006, beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de Stichting M.S.S. De Peel (en andere gebruikers van het circuit) en de Stichting S.M.C. (hierna: belanghebbenden) in de gelegenheid gesteld als partij aan de procedure deel te nemen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb overgelegde stukken zijn in afschrift aan eisers gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Belanghebbenden hebben de stukken ontvangen in de procedure met nummer 06/2178, waarin zij zelf beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 14 november 2006.

Het beroep is gevoegd behandeld met de procedures met nummer 06/2177 en 06/2178 ter zitting van de rechtbank op 1 november 2007, waar voor eisers zijn verschenen de heer A.M.J.G. Wuts en mevrouw Duijvesteijn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.L.G. Zanders.

Voor belanghebbenden zijn verschenen de heer R.P.J.G. Krebbekx en de heer H.H.M. Maessen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken wederom gesplitst in die zin dat in alle zaken afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Feiten

In 1978 is door de gemeente Venray een stuk bouwland van circa 3,8 ha aan de Bakelsedijk Noord, nabij bosgebied, verhuurd aan motorclub St. Janslust / Motorsport Stichting de Peel. Daarmee werd beoogd wildcrossen in de bossen en daarmee gepaard gaande vernielingen tegen te gaan. Geleidelijk aan is een ruimer perceel in gebruik genomen.

Op 22 juli 1987 heeft de gemeente Venray met motorclub St. Janslust en Motorsport Stichting de Peel een huurovereenkomst gesloten voor een uitgebreider gebied van circa 5,5 ha – welke overeenkomst blijkens de tekst werd geacht te zijn ingegaan op 1 januari 1986.

Bij brief van 19 januari 1990 heeft verweerder aan het bestuur van Motorsport Stichting de Peel toestemming gegeven om in het gebied een verharde baan aan te leggen.

Geleidelijk is een nog ruimer perceel in gebruik genomen, tot circa 7,7 ha. Daarvoor is op 7 maart 1995 de huurprijs vastgesteld. Tevens is toegestaan dat omliggende grond bij evenementen voor parkeren in gebruik kan worden genomen.

In de daarop volgende jaren is zonder vergunning bebouwing opgericht (onder andere tribunes en kantines) en heeft het gebied een intensiever gebruik gekregen.

In de loop der jaren is een vrij grootschalige evenementenlocatie ontstaan waarop onderscheidene circuits voor diverse takken van auto- en motorsport zijn aangelegd. Op het circuit vinden behalve recreatief gebruik, met regelmaat trainingen, wedstrijden en andere verwante evenementen plaats, welke door een of meer plaatselijke en regionale (motorsport)verenigingen worden georganiseerd.

In de loop van de jaren negentig is het karakter van het circuit veranderd. De nadruk is in plaats van voornamelijk motorcross, in belangrijke mate komen te liggen op autospeedway en stockcar met veelvuldig grootschalige evenementen. Dit is sinds de sluiting van het circuit in Baarlo in 1998 nog duidelijk toegenomen.

In het Natuurbeleidsplan van 1990 – nader uitgewerkt in het Structuurschema Groene Ruimte van 1993 – was voor het eerst sprake van Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het beleid voor de EHS is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. Destijds was reeds 5,5 ha van het gebied in gebruik. Zowel het oorspronkelijke terrein als de uitbreiding die nadien heeft plaatsgevonden tot circa 7,7 ha is gelegen binnen de EHS.

Op 25 september 2001 heeft de Inspectie VROM Regio Zuid verweerder verzocht om handhaving ten aanzien van het gebruik van het circuit op grond van voorschriften inzake de ruimtelijke ordening alsook ten aanzien van de in strijd met de Woningwet opgerichte bebouwing. De Inspectie heeft toen tevens een handhavingsverzoek gericht aan de provincie, zijnde het bevoegde gezag op grond van de milieuwetgeving.

Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (GS) hebben op 18 december 2001 een aanschrijving verzonden, afgestemd op een beperking van het gebruik van het circuit tot maximaal 8 uur per week.

Als resultaat van een mediationtraject hebben de Provincie Limburg en de Stichting M.S.S. de Peel op 20 december 2002 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin de voorwaarden voor het opschorten van de dwangsombeschikking

18 december 2001 zijn vastgelegd. De dwangsombeschikking is vervolgens opgeschort tot 1 januari 2006 en later verlengd tot 1 juli 2006.

Door verweerder zijn vervolgens gedoogbeschikkingen afgegeven. Partijen beoogden het circuit per 1 januari 2006 te verplaatsen. Een locatie-onderzoek in Noord-Limburg heeft echter geen resultaat opgeleverd. In 2006 heeft een nieuw locatie-onderzoek, beperkt tot de gemeente Venray, plaatsgevonden. Dat heeft opgeleverd een locatie aan de andere zijde van de Bakelsedijk, gelegen buiten de EHS.

De Provinciaal Planologische Commissie (PCGP) heeft in beginsel met deze locatie ingestemd.

Tussen de Stichting M.S.S. de Peel, de heer Maessen (realisator), de gemeente Venray en de provincie Limburg is een samenwerkingsovereenkomst gesloten, die er op is gericht het circuit aan de andere zijde van de Bakelsedijk te realiseren per 1 juli 2009.

Bij schrijven van 30 december 2005 hebben eisers (met uitzondering van de heer [bezwaarde]) verweerder verzocht om - zakelijk weergegeven - handhavend op te treden tegen het illegale planologische gebruik van, en de zonder bouwvergunning aanwezige bebouwing op, het circuit “de Peel” aan de Bakelsedijk, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie H, nrs. 3197 en 3327.

Bij schrijven van 2 maart 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op dit verzoek waarbij verweerder heeft aangegeven dat rond juni 2006 een heroverweging zou plaatsvinden aan de hand van de alsdan bekende situatie.

Tegen het besluit van 2 maart 2006 hebben eisers (met uitzondering van de heer [bezwaarde]) bij schrijven van 28 maart 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

In het thans bestreden besluit van 14 november 2006 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder aangekondigd een handhavingsprocedure op te starten.

Tegen het besluit van 14 november 2006 hebben eisers bij schrijven van 21 december 2006 beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 april 2007 heeft verweerder Stichting M.S.S. de Peel, p/a de heer H. Maessen, een last onder dwangsom opgelegd voor de in strijd met het Oude Hoofdzakenplan 1945 en het bestemmingsplan Buitengebied geconstateerde overtredingen. Verweerder heeft Stichting M.S.S. de Peel gelast het in strijd met genoemde bestemmingsplannen plaatsvindende gebruik van de percelen ten behoeve van de motorsport uiterlijk 1 juni 2009 te beëindigen, de aangelegde verharde baan te verwijderen en alle ten behoeve van genoemde doeleinden op bedoelde percelen zonder bouwvergunning opgerichte bebouwing te verwijderen uiterlijk 1 september 2009, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150.000,-- als het gebruik niet tijdig wordt beëindigd, alsmede een dwangsom van € 150.000,-- als de bebouwing niet tijdig wordt verwijderd.

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder – voor zover thans van belang – de door eisers tegen het besluit van 17 april 2007 ingediende bezwaren ten aanzien van de begunstigingstermijn gegrond verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. De begunstigingstermijn is daarbij vastgesteld op 1 december 2008 ten aanzien van het gebruik en tot 1 maart 2009 ten aanzien van het verwijderen van de verharding en de bebouwing.

De rechtbank dient thans, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te beoordelen of verweerder bevoegd was en in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom met een begunstigingstermijn tot 1 december 2008

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen, wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan - voor zover thans relevant - geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

Het onderhavige beroep is mede ingediend namens de heer [bezwaarde], wonende te [woonplaats] aan de [adres]. Blijkens de stukken is het bezwaarschrift niet mede namens de heer [bezwaarde] ingediend. De rechtbank is niet gebleken dat de heer [bezwaarde] ten aanzien van het niet indienen van bezwaar geen verwijt kan worden gemaakt. Derhalve dient te worden geoordeeld dat de heer [bezwaarde] niet-ontvankelijk is in zijn beroep.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure voortvloeit dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met een gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld. Tussen de gegrondverklaring van het bezwaarschrift en de bij besluit van 17 april 2007 opgelegde last onder dwangsom bestaat dan ook een onverbrekelijke samenhang. De besluiten van 14 november 2006 en 17 april 2007 dienen, naar ook blijkt uit de bewoordingen van deze besluiten, te worden opgevat als samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven beslissing op het door eiser ingediende bezwaarschrift. Het beroep wordt dan ook geacht zich te richten tegen beide beslissingen.

Nu het besluit van 17 april 2007 onderdeel uitmaakt van de bestreden beslissing op bezwaar, heeft verweerder ten onrechte de mogelijkheid van bezwaar opengesteld tegen het besluit van 17 april 2007.

Naar aanleiding van de vraag van de rechtbank of verweerder – gelet op het besluit van 3 oktober 2007 – het besluit van 17 april 2007 niet handhaaft, heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de begunstigingstermijn zoals verwoord in het besluit van 23 oktober 2007, de termijn is die verweerder bij nader inzien wil toepassen en dat hij dit nadere standpunt beschouwt als en besluit in de zin van artikel 6:18, tweede lid, van de Awb..

Hierin ziet de rechtbank aanleiding om het besluit van 23 oktober 2007 te lezen als een wijzigingsbesluit op het besluit van 17 april 2007. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:18, tweede lid, van de Awb, wordt het beroep van eisers geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 oktober 2007.

Het voorgaande brengt met zich mee dat ter beoordeling voorliggen de besluiten van 14 november 2006 en 17 april 2007, als gewijzigd bij besluit van 23 oktober 2007.

In het licht van hetgeen eisers in beroep naar voren hebben gebracht, spitst de beoordeling zich in de eerste plaats toe op de vraag of verweerder heeft mogen overgaan tot het opleggen van een last onder dwangsom met een begunstigingstermijn tot 1 december 2008.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:22 van de Awb bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts bestaat indien zij bij of krachtens de wet is toegekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning.

Op het perceel dat in 1978 door de gemeente is verhuurd ten behoeve van de motorsport, rust ingevolge het Hoofdzakenplan uit 1945 de bestemming ‘Bos’

Op gronden met de bestemming ‘Bos’ is uitsluitend bosbouw toegestaan, alsmede de bouw van hierbij benodigde woningen en dienstgebouwen.

Dit hoofdzakenplan bevat geen gebruiksvoorschriften en derhalve ook geen bepaling die met de bestemming strijdig gebruik verbiedt.

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of in die situatie artikel 352 van de Bouwverordening van toepassing is.

In artikel 352, eerste lid van de Bouwverordening is bepaald:

Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij vóór, hetzij na inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stbl. no 286 van 1962) geen voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaatsgevonden, is het verboden die bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit dat plan of die voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming is verwezenlijkt.

In 1968 heeft een herziening plaatsgevonden van het bestemmingsplan Buitengebied (incl. gebruiksvoorschriften). Bij KB van 6 februari 1974 (verzonden 28 februari 1974) is het gebruiksvoorschrift vernietigd.

In het kader van deze herziening zijn de voorschriften van een groot deel van de bestemmingen in het oude hoofdzakenplan herzien. De bestemmingen zijn echter niet gewijzigd en er heeft evenmin een wijziging van de voorschriften met betrekking tot de bestemming ‘bos’ plaatsgevonden.

In 1980 is het herzieningsplan Buitengebied vastgesteld waarin het motorsportterrein als zodanig is bestemd. Gedeputeerde Staten hebben hieraan bij besluit van 13 september 1983 goedkeuring onthouden. Derhalve is voor het oorspronkelijke deel van het circuit ter grootte van circa 3,8 ha de bestemming ‘bos’ op grond van het oude hoofdzakenplan van kracht gebleven.

De omliggende gronden hebben in het herzieningsplan Buitengebied 1980 de bestemming “Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden”gekregen.

Artikel 352 van de Bouwverordening is alleen toepasbaar nadat de in het uitbreidingsplan aangewezen bestemming is verwezenlijkt. Het betreffende terrein is nooit voor bosbouw in gebruik geweest, maar was oorspronkelijk bouw- en weiland.

Uit de jurisprudentie kan echter worden afgeleid dat met “verwezenlijkt” ook wordt bedoeld de situatie dat het terrein zonder ingrijpende voorzieningen de geschiktheid heeft om overeenkomstig de bestemming te worden gebruikt.

Het betreffende terrein was, naar de rechtbank uit de voorhanden gegevens afleidt, zonder ingrijpende voorzieningen geschikt om voor bosbouw te worden gebruikt. Dus kan gezegd worden dat de bestemming was verwezenlijkt.

Het herzieningsplan uit 1980 is een bestemmingsplan in de zin van de WRO.

Daargelaten of in 1968 reeds sprake was van een bestemmingsplan in de zin van de WRO, was in ieder geval sinds de inwerkingtreding van het herzieningsplan van 1980 artikel 352 van de Bouwverordening niet langer van toepassing. Dientengevolge gelden voor het oorspronkelijke circuit met een grootte van circa 3,8 ha geen gebruiksvoorschriften.

Het herzieningsplan kent gebruiksvoorschriften. Die hebben in juli 1985 rechtskracht gekregen.

In artikel 60, lid B, onder I, van het herzieningsplan van 1980 is bepaald dat, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik van gronden en opstallen mag worden voortgezet.

Wijziging van het met het plan strijdige gebruik van gronden en opstallen is niet toegestaan, indien door die wijziging van het gebruik de afwijking van het plan naar de aard wordt vergroot.

Gelet op het feit dat pas op 22 juli 1987 een huurovereenkomst is gesloten voor het uitgebreidere gebied van circa 5,5 ha - welke overeenkomst blijkens de tekst werd geacht te zijn ingegaan op 1 januari 1986 - moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat ten tijde van de inwerkingtreding van het herzieningsplan van 1980 nog slechts het oorspronkelijke gebied van circa 3,8 ha werd gebruikt ten behoeve van de motorsport.

In 2005 heeft andermaal een herziening van het bestemmingsplan plaatsgevonden waarbij het inmiddels tot circa 7,7 ha uitgebreide circuit positief is bestemd.

GS hebben hieraan echter goedkeuring onthouden vanwege ligging in de EHS. Aanvankelijk heeft de gemeente beroep ingesteld. Dit beroep is vervolgens ingetrokken omdat de verdere plannen zijn afgestemd op verplaatsing van het circuit.

Het gevolg is dat voor het oorspronkelijke deel van het circuit ter grootte van circa 3,8 ha, de bestemming ‘bos’ op grond van het oude hoofdzakenplan van kracht is gebleven, waarvoor – zoals hiervoor beschreven – geen gebruiksvoorschriften gelden. Tegen het gebruik van dit gedeelte van het circuit kan in beginsel dan ook niet handhavend worden opgetreden. Voorts is het gevolg dat voor het deel van het perceel dat valt onder de uitbreidingen van 3,8 naar 7,7 ha op grond van het herzieningsplan Buitengebied 1980 de bestemming ‘Agrarische doeleinden met hooglandschappelijke waarden’ is blijven gelden. Het gebruik als circuit is in strijd met de bepalingen van dat bestemmingsplan, zodat verweerder bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

Belanghebbenden hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat, als het gebruik van het circuit dient te worden beperkt tot het oorspronkelijke gedeelte van 3,8 ha, zonder gebouwen en andere bouwwerken, het circuit – gelet op de wijze waarop thans gebruik wordt gemaakt van het circuit – niet meer bruikbaar is.

Gelet daarop en mede op hetgeen dienaangaande overigens uit de gedingstukken blijkt, dient het circuit naar het oordeel van de rechtbank te worden gezien als een onsplitsbaar geheel. Om die reden is verweerder bevoegd handhavend op te treden tegen het gehele gebruik van de desbetreffende percelen als circuit.

Voor een andersluidend standpunt, zoals verwoord door verweerder, vindt de rechtbank geen steun in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State van 18 januari 2006 (200501523/1).

Midden jaren negentig is aanzienlijke bebouwing opgericht (waaronder tribunes en 3 kantines) zonder dat daarvoor bouwvergunning is aangevraagd.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat hier van uit, dat verweerder tevens bevoegd is om ten aanzien van deze bouwwerken handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.

Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Legalisatie van het gebruik van het circuit op de huidige locatie en van de zonder bouwvergunning opgerichte gebouwen en andere bouwwerken is – gelet op de ligging binnen de EHS – niet mogelijk. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Anders dan belanghebbenden is de rechtbank van oordeel dat ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder zou dienen af te zien van handhaving. De door belanghebbenden genoemde vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2006, waarmee de realisering van een nieuw circuit op een andere locatie wordt beoogd, kan niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt reeds omdat die overeenkomst niet strekt tot beëindiging van de met de planologische regelgeving strijdige activiteiten binnen een concrete en korte termijn. Evenmin is de rechtbank gebleken dat handhavend optreden door verweerder anderszins zodanig onevenredig moet worden geacht dat verweerder om die reden van handhaving zou dienen af te zien. De ligging van het circuit binnen de EHS is een gegeven. Zoals eerder overwogen is het beleid voor de EHS gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. Beëindiging van de activiteiten op het circuit zal een positieve invloed hebben op die kenmerken en waarden. In het verleden is reeds geruime tijd gedoogd en belanghebbenden wisten al heel lang dat aan het gebruik van het circuit een einde zou moeten worden gemaakt. Thans staat nog geenszins vast wanneer het nieuwe circuit in gebruik genomen zal kunnen worden. Onder deze omstandigheden kan aan de door belanghebbenden genoemde belangen geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het enkele feit dat (sommigen van) belanghebbenden financieel nadeel lijden door sluiting van het circuit voordat een nieuw circuit in gebruik kan worden genomen, levert geen onevenredigheid als voormeld op. Voor zover sprake is van een schending van de contractuele afspraken in de vaststellingsovereenkomst, staat het belanghebbenden vrij de contracts-partij(en) langs de civielrechtelijke weg aan te spreken.

De rechtbank zal thans overgaan tot beoordeling van de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot handhaving.

Last onder dwangsom of bestuursdwang

Ten aanzien van de grief van eisers dat verweerder voor aanzegging van bestuursdwang in plaats van het opleggen van een last onder dwangsom had moeten kiezen, wordt het volgende overwogen.

Vooropgesteld dient te worden dat de wet aan het bestuursorgaan een discretionaire vrijheid laat om te kiezen voor bestuursdwang of voor een last onder dwangsom. De keuze van het bestuursorgaan voor de last onder dwangsom behoeft in beginsel geen afzonderlijke motivering, met dien verstande dat ingevolge artikel 5:32, derde lid, van de Awb niet wordt gekozen voor het opleggen van een last onder dwangsom indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Dit laatste is hier niet het geval nu niet valt in te zien dat de belangen die worden beschermd door het voorschrift dat het verboden is de in het bestemmingsplan begrepen gronden (en opstallen) in strijd met de bestemming te gebruiken alsmede de bepaling dat het is verboden te bouwen zonder of in afwijking van de bouwvergunning, in dit geval aan de oplegging van een dwangsom in de weg staan. Evenmin is sprake van een urgente situatie of van onomkeerbare gevolgen die tot toepassing van bestuursdwang nopen.

Begunstigingstermijn

Eisers hebben voorts aangevoerd dat de door verweerder gehanteerde begunstigingstermijn te lang is, dat deze termijn is gekoppeld aan de ingebruikname van een nieuw circuit terwijl die ingebruikname afhankelijk is van een aantal nog onzekere factoren en dat bij het vaststellen van die begunstigingstermijn geen rekening is gehouden met de overlast voor omwonenden ten gevolge van de activiteiten op het circuit

Eisers hebben in dat verband ook nog aangegeven de kans zeer klein te achten dat voor 1 juli 2009 een circuit op een andere locatie zal worden gerealiseerd. Zij vrezen dat verweerder, als het nieuwe circuit niet per 1 juli 2009 in gebruik kan worden genomen, verweerder niet daadwerkelijk handhavend zal optreden.

Nu verweerder de begunstigingstermijn inmiddels heeft verkort tot 1 december 2008, begrijpt de rechtbank deze beroepsgrond van eisers aldus dat zij vrezen dat verweerder niet daadwerkelijk handhavend zal optreden als per de datum van beëindiging van het gebruik van het huidige circuit niet kan worden overgegaan tot gebruik van een circuit op de nieuwe locatie.

De bedoeling van de dwangsom is het ongedaan maken van een overtreding danwel een verdere overtreding te voorkomen. Dit impliceert dat de last gericht moet zijn op beëindiging van de overtreding.

Ingevolge artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb, wordt in de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. In de Memorie van Toelichting is vermeld dat die termijn door het bestuursorgaan zo kort mogelijk moet worden gesteld.

De door verweerder gestelde begunstigingstermijn bedraagt ook thans nog meer dan één jaar. Deze termijn is mede ingegeven door het financiële belang dat belanghebbenden hebben bij het kunnen laten doorgaan van de evenementen in 2008.

De rechtbank is van oordeel dat de in dit geval gehanteerde termijn van ruim één jaar niet geacht kan worden te zijn gericht op een beëindiging van de overtreding. Een zo lange begunstigingstermijn hoeft niet altijd op bezwaren te stuiten, mits de lengte van die termijn wordt gerechtvaardigd door de in het geding zijnde belangen. In het onderhavige geval kan het financiële belang van de gebruikers van het circuit niet worden aangemerkt als een belang dat zo’n lange begunstigingstermijn kan rechtvaardigen, teminder nu het hele circuit is gelegen binnen de EHS. Zoals eerder overwogen, is het beleid voor de EHS gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. Het op korte termijn stopzetten van het gebruik van het circuit behoeft onder die omstandigheden geen afzonderlijke rechtvaardiging.

De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe.

Verweerder heeft in het besluit van 23 oktober 2007 overwogen dat uit het MER-rapport is gebleken dat een kortstondige voortzetting van de activiteiten geen milieuschade tot gevolg zal hebben, maar, onder de gestelde voorwaarden, zelfs een lichte verbetering met zich mee zal brengen. Voorts zou uit het MER-rapport blijken dat er in het desbetreffende gebied wel milieuwaarden aanwezig zijn, maar dat deze niet dusdanig bijzonder zijn dat deze een onmiddellijk stopzetten van de litigieuze activiteiten rechtvaardigen.

Met betrekking tot verweerders stelling dat onder voorwaarden sprake is van een lichte verbetering, overweegt de rechtbank dat verweerder daartoe kennelijk een vergelijking maakt tussen de bestaande situatie en de situatie waarin het gebruik onder voorwaarden wordt voortgezet. Verweerder verliest daarbij echter uit het oog dat de situatie bij beëindiging van het gebruik nog beter zal zijn.

Het beroep dient om die reden gegrond te worden verklaard.

De rechtbank merkt daarbij uitdrukkelijk op dat uit het voorgaande niet zonder meer volgt welke begunstigingstermijn moet worden gesteld, maar wel dat deze niet zo lang mag zijn dat activiteiten in het nieuwe seizoen toch nog mogelijk worden gemaakt. Mede met het oog daarop zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen vier weken een nieuw besluit neemt.

Van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

1. verklaart de heer [bezwaarde] niet-ontvankelijk in zijn beroep;

2. verklaart het beroep van de overige eisers tegen de besluiten van 14 november 2006 en van 17 april 2007, als gewijzigd bij besluit van 23 oktober 2007, gegrond (na rectificatie d.d. 28 november 2007) en vernietigt die besluiten;

3. bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

4. bepaalt voorts, dat de gemeente Venray aan eisers het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 281,00 volledig vergoedt;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout, E.B.A. Ferwerda (voorzitter) en J.M.H. Rijken-Lie, in tegenwoordigheid van C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 22 november 2007.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.