Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3503

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-09-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
08/910074-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een oud-medewerker van de politie Oost-Nederland moet 140 uur werken omdat hij zijn ambtsgeheim schond. De man zocht informatie over mensen in zijn omgeving op in politiesystemen en deelde die met familie en een kennis. Twee van de mensen over wie hij informatie deelde moet hij een schadevergoeding van 500 euro betalen. Vanwege de affaire werd hij door de politie al ontslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IR 2016/172, UDH:IR/13847 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/910074-15

Datum vonnis: 20 september 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats] aan de [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 september 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.C.C. Berendsen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2015 zijn geheimhoudingsplicht als politieambtenaar heeft geschonden door personen te raadplegen in de computersystemen van de politie en de aangetroffen gegevens over deze personen te delen met derden.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 31 augustus 2015 in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland, (telkens) een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten als (algemeen) opsporingsambtenaar (senior centralist bij de politie Eenheid Oost-Nederland), verplicht was te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft geschonden,door -zakelijke weergegeven-

- aan [getuige 1] mede te delen dat [slachtoffer 1] in de (politie)systemen staat en/of dat hij bij zijn vrouw weg is en/of dat hij een stalker is en/of dat hij drugs gebruikt, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- aan [getuige 2] en/of [getuige 3] mede te delen dat [slachtoffer 2] in de prostitutie zou hebben gewerkt/gezeten en/of dat [slachtoffer 2] slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en/of stalking, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- aan [getuige 2] en/of [getuige 4] mede te delen dat [slachtoffer 3] in de (politie)systemen staat, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- aan [getuige 2] mede te delen dat [slachtoffer 4] in de (politie)systemen staat en/of dat hij, [slachtoffer 4], drugsgebruiker is, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- aan [getuige 4] mede te delen dat [slachtoffer 5] in de (politie)systemen staat en/of 'losse handjes' heeft, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- aan [getuige 4] mede te delen dat [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] in de (politie)systemen staat, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- aan [getuige 2] mede te delen dat in het onderzoek naar de dood van [slachtoffer 9] - in de auto waarmee [slachtoffer 9] is verongelukt - een vloeistof is aangetroffen, althans woorden van gelijke aard of strekking.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat, behoudens het hierna onder 5.1 genoemde, het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte veroordeeld wordt tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen tot een bedrag van elk € 500,-- dienen te worden toegewezen en gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat

bewezen kan worden

  • -

    dat verdachte aan [getuige 1] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 1] in de politiesystemen voorkomt, dat hij bij zijn vrouw weg is, dat hij een stalker is en dat hij drugs gebruikt;

  • -

    dat verdachte aan [getuige 3] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 2] slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en stalking, maar dat hij moet worden vrijgesproken van het delen van die informatie met [getuige 2], alsmede van het onderdeel ‘prostitutie’;

  • -

    dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 3] in de politiesystemen staat, maar dat hij moet worden vrijgesproken van het delen van die informatie met [getuige 2];

  • -

    dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 5] in de politiesystemen staat en ‘losse handjes’ heeft;

  • -

    dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de politiesystemen staan, maar dat hij er van moet worden vrijgesproken dat hij dat over [slachtoffer 8] heeft meegedeeld.

Verder heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak ter zake het meedelen van informatie over [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] aan [getuige 2].

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet onomstotelijk is vast te stellen dat verdachte zijn ambtsgeheim heeft geschonden.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij als ambtenaar van de politie gedurende een periode van twintig maanden informatie uit het politiesysteem met betrekking tot negen personen heeft meegedeeld aan derden. De rechtbank zal per gedachtestreepje de tenlastegelegde gedragingen bespreken.

Met betrekking tot [slachtoffer 1]

De rechtbank acht op basis van de verklaring van verdachte zowel ter zitting als bij de politie, de uitdraai van de Facebookgesprekken tussen verdachte en [getuige 1], de verklaring van [getuige 1] als getuige en op basis van de inloggegevens van verdachte waaruit blijkt dat verdachte in de politiesystemen [slachtoffer 1] heeft bevraagd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [getuige 1] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 1] in de politiesystemen staat, dat hij bij zijn vrouw weg is en dat hij drugs gebruikt. Verdachte heeft niet alleen in eerste instantie uit zichzelf maar ook na daartoe strekkend verzoek van [getuige 1] in de politiesystemen [slachtoffer 1] bevraagd en hij heeft de in de politiesystemen voorkomende informatie over [slachtoffer 1] met [getuige 1] via Facebookgesprekken gedeeld.

Met betrekking tot [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat zij van [getuige 3] te horen had gekregen dat [getuige 3] van haar stiefvader [verdachte] informatie had gekregen uit de politiesystemen en dat [getuige 3] haar had verteld dat zij ([slachtoffer 2]) een melding had gedaan over haar ex-partner met betrekking tot stalking. [getuige 3] wist verder te vertellen dat [slachtoffer 2] door haar ex-partner was aangevallen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij daarover met niemand anders dan haar huidige vriend heeft gesproken, maar dat die informatie wel bij de politie bekend was. [getuige 3] heeft bevestigd dat zij informatie van [verdachte] heeft verkregen over stalking en huiselijk geweld betreffende [slachtoffer 2] en dat zij deze informatie gedeeld heeft met [slachtoffer 2]. Zowel uit de verklaring van verdachte bij de politie als uit de inloggegevens blijkt dat verdachte [slachtoffer 2] heeft opgevraagd in de politiesystemen.

Daar waar verdachte heeft verklaard dat hij enkel heeft gezegd dat [slachtoffer 2] een moeilijke periode heeft gehad, is de rechtbank op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 3] en de bevraging van [slachtoffer 2] in de politiesystemen door verdachte, in samenhang met de mutatie uit de politiesystemen betreffende de door [slachtoffer 2] gemaakte melding van stalking en huiselijk geweld, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte deze informatie heeft verstrekt aan zijn stiefdochter [getuige 3]. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze informatie heeft gedeeld met [getuige 2] en zal hem daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel ‘prostitutie’. Niet gebleken is dat in de politiesystemen staat dat [slachtoffer 2] in de prostitutie zou hebben gewerkt. Van schending van het ambtsgeheim is ter zake dit onderdeel dan ook niet gebleken.

Met betrekking tot [slachtoffer 3]

De rechtbank acht op basis van de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 3] in de systemen heeft nagetrokken en dat hij aan zijn echtgenote [getuige 4] heeft verteld dat [slachtoffer 3] in de politiesystemen voorkwam, alsmede op basis van de verklaring van [getuige 4] en op basis van de inloggegevens van verdachte waaruit blijkt dat verdachte in de politiesystemen [slachtoffer 3] heeft bevraagd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 3] in de politiesystemen staat.

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het delen van informatie over [slachtoffer 3] met [getuige 2], nu de verklaring van [getuige 2] onvoldoende concreet is op dit punt.

Met betrekking tot [slachtoffer 4]

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het delen van informatie over [slachtoffer 4] met [getuige 2]. Uit de inloggegevens van verdachte zoals voorkomend in het dossier blijkt niet dat [slachtoffer 4] door verdachte in de politiesystemen is bevraagd, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

Met betrekking tot [slachtoffer 5]

De rechtbank acht op basis van de verklaring van verdachte en de inloggegevens van verdachte waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer 5] in de politiesystemen heeft bevraagd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 5] in de politiesystemen voorkomt. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 5], nadat zijn echtgenote hem had verteld dat deze persoon bij haar in de instelling waar zij werkt kwam wonen, op eigen initiatief heeft bevraagd in de politiesystemen en dat hij [getuige 4] heeft verteld dat hij van zijn collega’s heeft gehoord dat [slachtoffer 5] “losse handjes” heeft.

Met betrekking tot [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]

De rechtbank acht op basis van de verklaring van verdachte en de inloggegevens van verdachte waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de politiesystemen heeft bevraagd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de politiesystemen staan.

De rechtbank acht, nu uit het dossier niet volgt dat verdachte [slachtoffer 8] heeft bevraagd in de politiesystemen, niet bewezen dat verdachte aan [getuige 4] heeft meegedeeld dat [slachtoffer 8] in de politiesystemen staat, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot [slachtoffer 9]

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het delen van informatie over [slachtoffer 9] met [getuige 2].

Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij gegevens over [slachtoffer 9] heeft bevraagd in de politiesystemen, kan niet bewezen worden dat verdachte de informatie in de tenlastegelegde periode heeft bevraagd en gedeeld, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van

1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2015 als ambtenaar van politie informatie over een zestal personen heeft opgevraagd in de politiesystemen en dit heeft meegedeeld aan derden. Verdachte heeft hiermee zijn ambtsgeheim geschonden.

De rechtbank is daarbij ook van oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden. Hij heeft in één geval de informatie per Facebookbericht verstuurd en daarbij in het laatste bericht zelfs vermeld “en je weet dit niet van mij!”. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de bevraagde en verstrekte informatie over de personen met wie zijn gezinsleden omgang hadden. Verdachte heeft tijdens zijn werk in de politiesystemen vertrouwelijke informatie over personen met wie zijn gezinsleden in privé of zakelijk omgang hadden, bevraagd en vervolgens die informatie in de beslotenheid van zijn woning meegedeeld, soms met de mededeling “je weet dit niet van mij”. Daarmee heeft verdachte opzettelijk zijn ambtsgeheim geschonden.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2015 in Nederland telkens een geheim waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt als algemeen opsporingsambtenaar (senior centralist bij de politie Eenheid Oost-Nederland), verplicht was te bewaren, telkens opzettelijk heeft geschonden, door

- aan [getuige 1] mede te delen dat [slachtoffer 1] in de (politie)systemen staat en dat hij bij zijn vrouw weg is en dat hij een stalker is en dat hij drugs gebruikt en

- aan [getuige 3] mede te delen dat [slachtoffer 2] slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en stalking en

- aan [getuige 4] mede te delen dat [slachtoffer 3] in de (politie)systemen staat en

- aan [getuige 4] mede te delen dat [slachtoffer 5] in de (politie)systemen staat en ‘losse handjes’ heeft en

- aan [getuige 4] mede te delen dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de (politie)systemen staan.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 272 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim door vertrouwelijke politie-informatie door te geven aan zijn gezinsleden en aan een kennis. Dit is een zeer ernstig feit.

De politie beschikt over vertrouwelijke informatie over personen om haar publieke taak te kunnen uitvoeren. Verdachte diende als politieambtenaar uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift vertrouwelijk en integer met deze informatie om te gaan. Van verdachte, in zijn positie als politieambtenaar, mocht en moest worden verwacht dat hij integer en onkreukbaar handelt. Het ongeoorloofd verstrekken van gegevens uit een politieregister ziet de rechtbank als een feit dat niet alleen het belang van de rechtstreeks betrokkene raakt, maar ook schadelijk is voor het vertrouwen in de integriteit van de politie in het algemeen. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen dan ook zwaar aan.

Voor het bewezenverklaarde feit zijn geen landelijke oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank heeft zich bij de strafoplegging daarom georiënteerd op uitspraken van rechterlijke colleges in vergelijkbare zaken. Voor het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank een forse straf op zijn plaats.

Vanwege de ernst van het misdrijf acht de rechtbank het niet passend om te volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon zoals door de verdediging bepleit. Een voorwaardelijke gevangenisstraf als door de officier van justitie gevorderd acht de rechtbank niet geboden. Gezien de reeds ingetreden gevolgen van het gebeuren voor het persoonlijk en beroepsmatig leven van verdachte - als gevolg van het plegen van onderhavige feit is verdachte zijn baan kwijt geraakt -, gezien de hulpverlening die verdachte inmiddels vrijwillig in gang heeft gezet en gelet op hetgeen over de persoon van verdachte door de reclassering is beschreven in haar rapport van 3 juni 2016, acht de rechtbank de kans op recidive voldoende ingeperkt.

Alles afwegend acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis, op te leggen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], en [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], hebben zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partijen vorderen ieder veroordeling van de verdachte tot betaling van € 5.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het ontstaan van de schade. De schade bestaat uit immateriële schade. Ook hebben de benadeelde partijen gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden gematigd tot een bedrag van € 500,-- en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De verdediging heeft de vorderingen betwist en aangevoerd dat de vorderingen niet zijn onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de benadeelde partijen in hun vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan deze slachtoffers.

De rechtbank acht het daarom redelijk en billijk dat aan de benadeelde partijen een bedrag van € 500,-- wordt toegekend.

Het door [slachtoffer 2] gevorderde zal daarom tot een bedrag van € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 februari 2015, zijnde het moment waarop [slachtoffer 2] een klachtenformulier heeft ingediend, worden toegewezen.

Het door [slachtoffer 1] gevorderde zal daarom eveneens tot een bedrag van € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 maart 2015, zijnde het moment waarop [slachtoffer 1] is gehoord bij de politie, worden toegewezen.

In het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt of zullen maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 140 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2015;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 4.500,-- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2015;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 4.500,-- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2015401643. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 augustus 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

lk ben werkzaam bij het DROC, OC Hengelo, de meldkamer. Daar werk ik al sinds 2001.

lk ben in 1984 bij de politie gekomen.

Met betrekking tot [slachtoffer 1]

2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb een kennis van mij, [getuige 1], informatie uit de politiesystemen gegeven. Die informatie ging over [slachtoffer 1].

3.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een lijst bevragingen diversen, onder meer inhoudende:

[bevraging systeem]

4.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ken [getuige 1].

Ik heb tegen uw collega's verklaard dat ik geen informatie met [getuige 1] gedeeld heb.

Dit klopt niet. lk kan mij het volgende herinneren m.b.t. berichten op facebook. U

laat mij een aantal berichten uit Facebook zien. lk verklaar dat dit de berichten zijn die ik gezonden heb.

Ongeveer 1,5 à 2 jaar geleden kreeg ik via facebook een verzoek een van [getuige 1] om informatie over een bepaald persoon waar zij op dat moment contact mee had.

lk heb tijdens mijn dienst de gegevens van [slachtoffer 1] in de politiesystemen nagevraagd.

Ik weet dat ik deze informatie nooit aan [getuige 1] had moeten mededelen.

Als jullie mij vertellen dat in een door mij geraadpleegde mutatie over [slachtoffer 1] staat dat hij mogelijk drugs gebruikt is dit waarschijnlijk door mij gebruikt om [getuige 1] van deze informatie te voorzien.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 20 april 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik ken [verdachte]. Ik heb hem een hele tijd niet gesproken. Totdat ik bij [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1], verb.) kwam. Dat was vorig jaar, 1e paasdag. Toen benaderde [verdachte] mij weer.

lk heb daar ook screenshots van.

(opm. verb.: getuige leest vanaf haar telefoon enkele facebook berichten van [verdachte] en haarzelf voor).

6.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een schermafdruk van een gesprek via Facebook Messenger tussen [verdachte] (aan linkerzijde) en [getuige 1] (aan rechterzijde), inhoudende:

Hoe heet hij eigenlijk?

[slachtoffer 1]

en achternaam?

[slachtoffer 1]

woont in [woonplaats]?

Ja, in [woonplaats]

(…)

je kent zijn achtergrond?????

Wat dan

(…) maar sinds februari pas

van zijn vrouw weg,

dat weet je?

Ja weet ik hoe weet jij dat

omdat hij in het systeem staat

vandaar…hij is een stalker

(…)

en je weet dat hij drugs gebruikt

(…)

en dit weet je niet van

mij!!!!!!!!!!!!!

Met betrekking tot [slachtoffer 2]

7.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ongeveer 1,5 à 2 jaar terug heb ik [slachtoffer 2] opgevraagd in de politiesystemen.

Ik heb later tegen mijn stiefdochter [getuige 2] of mijn vrouw [getuige 4] gezegd dat [slachtoffer 2] een moeilijke periode had gehad.

Ik besef me dat ik mij schuldig heb gemaakt aan een strafbaar feit door deze informatie met [getuige 2] of [getuige 4] te delen. Destijds was ik mij hier niet van bewust.

8.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een lijst bevragingen diversen, onder meer inhoudende:

[bevraging systeem]

9.

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] van 10 maart 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik kreeg vorig jaar te horen van [getuige 3] dat ik een melding heb gedaan bij de politie Enschede over mijn ex-partner. [getuige 3] is de stiefdochter van [verdachte]. [verdachte] is een politiefunctionaris. Zij vertelt dus dat ik een melding had gemaakt over mijn ex-partner met betrekking tot stalking. Zij wist te vertellen dat ik door hem was aangevallen en zo. Ik heb daar met niemand over gesproken. Alleen mijn huidige vriend weet ervan. Ik heb de melding in 2013 gedaan.

[getuige 3] vertelde mij dat zij deze informatie van [verdachte] had gekregen. [verdachte] had deze informatie opgezocht in het politiesysteem. Hij had deze informatie aan haar verteld.

10.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] van 2 september 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik heb informatie van [verdachte] gekregen, welke ik verteld heb aan [slachtoffer 2].

Vraag: Heeft hij het ook over stalking gehad?

Ja ook. Stalking, huiselijk geweld. Haar ex sloeg [slachtoffer 2] regelmatig. Dat vertelde hij ook.

11.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een mutatie rapport van 22 februari 2013 te 09.41 uur, onder meer inhoudende:

Toelichting

[slachtoffer 2] komt op West en geeft aan dat zij veel last heeft van haar ex. Zij heeft 1,5 jaar een relatie met hem gehad en heeft eigenlijk al een beetje bij haar ingewoond. (…)

[slachtoffer 2] geeft aan dat hij zeer agressief en onvoorspelbaar gedrag kan vertonen.

Heeft haar in de laatste maand van de relatie tijdens een ruzie door het huis gesmeten en in haar gezicht geslagen, heeft daar destijds geen aangifte van durven doen maar heeft alsnog een maand later in januari 2013 de relatie verbroken.

Nu laat hij haar al een maand niet meer met rust, via sms, voice mail, mail en ook op haar werk valt hij haar lastig. Geeft eerst aan dat hij haar terug wil en dat hij van haar houd, gaat zij hier niet op in worden alle berichten grimmiger.

(…)

Betrokkene: [slachtoffer 2], [slachtoffer 2]

Met betrekking tot [slachtoffer 3]

12.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Desgevraagd zeg ik u dat ik over [slachtoffer 3] in algemene zin iets heb gezegd.

Met algemeen bedoel ik bijvoorbeeld dat hij bij de politie in de systemen voor komt.

13.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer 3] in de systemen nagetrokken.

Mijn stiefdochter [getuige 2] had namelijk een relatie met [slachtoffer 3]. Ik herkende de naam [slachtoffer 3] op dat moment al.

Ik deed de bevragingen op eigen initiatief.

Ik weet dat ik ook [getuige 4], mijn vrouw, verteld heb dat ik niet blij was met de relatie van [getuige 2] met [slachtoffer 3] omdat hij bij ons in de systemen voorkwam.

14.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een lijst bevragingen diversen, onder meer inhoudende:

[bevraging systeem]

15.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 2 september 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vraag: Kun je ons wat vertellen over het feit dat [verdachte] vermoedelijk informatie verstrekte aan jou of aan derden?

Het klinkt mij niet onbekend in de oren.

Vraag: Je noemde net de naam [slachtoffer 3]. Wat weet je hier van?

Dat het niet goed is. [slachtoffer 3] heeft een verleden.

Vraag: Dat heeft hij verteld?

Ja.

Met betrekking tot [slachtoffer 5]. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

16.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Mijn vrouw [getuige 4] werkt als [functie] bij de instelling Aveleijn in Almelo. Zij werkt op de locatie "[locatie]". Deze afdeling heeft te maken met de sociaal minderen van onze samenleving. De cliënten hebben een geschiedenis van misbruik, huiselijk geweld, drugs, alcohol en meer van dit soort dingen. Ik heb wel eens de namen van deze cliënten nagetrokken in de politiesystemen. Ik weet dat ik onder meer [slachtoffer 6] heb nagetrokken in de politiesystemen. Als u mij de naam [slachtoffer 5] noemt, kan ik verklaren dat [getuige 4] mij ooit verteld heeft dat deze persoon bij hen kwam wonen in de instelling. lk heb daarna op eigen initiatief de naam [slachtoffer 5] nagetrokken in de systemen. Ik heb haar medegedeeld dat ik van collega's gehoord had dat hij naar vrouwen toe “losse handjes” had.

Ik weet dat ik een strafbaar feit pleegde toen ik de gegevens van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] aan [getuige 4] verstrekt heb. lk had dit nooit mogen doen.

17.

Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden inspecteur van politie, van 5 oktober 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij de afdeling Forensisch Digitaal Onderzoek (FDO) van de Landelijke Eenheid van de politie, werd op 23 maart 2015 en 20 juli 2015 een "aanvraag login gegevens" uit de politiebestanden op naam van [verdachte] (inlognaam [inlognaam]) opgevraagd. Uit de door de afdeling FDO verstrekte "login" gegevens, is gebleken dat [verdachte] de navolgende namen in de politie systemen heeft opgevraagd.

De navolgende namen van cliënten van Aveleijn zijn door verdachte [verdachte] in de politiesystemen opgevraagd:

Datum bevraging Naam

12-01-2015 [slachtoffer 6]

15-02-2014 [slachtoffer 5]

15-02-2014 [slachtoffer 7]

18.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een lijst bevragingen cliënten Aveleijn, inhoudende:

4101

[bevraging systeem]

4201

[bevraging systeem]

4102

[bevraging systeem]