Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1680

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
ak_15_2832
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:343, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een internationale pakketdienst voert geen slijtersbedrijf uit zoals bedoeld in de DHW, zodat zij niet in strijd heeft gehandeld met de DHW; verweerder dan ook niet bevoegd handhavend op te treden; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2832

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Vereniging SlijtersUnie, te Eindhoven, eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.J. Houben, advocaat te Eindhoven,

en

de burgemeester van Deventer,

verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [pakketdienst] Nederland BV (hierna: [pakketdienst] ), te Hoofddorp, gemachtigde: mr. C.M. Saris, advocaat te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer (verder: het college) het door eiseres ingediende verzoek om handhavend op te treden tegen [pakketdienst] afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college met overname van het door de Algemene bezwaarschriftencommissie gegeven advies, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Op 5 februari 2016 heeft het college aan de rechtbank meegedeeld dat is gebleken dat het verkeerde bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist en dat in verband hiermee het besluit van 10 december 2015 wordt ingetrokken. Bij besluit van 11 februari 2016 heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Het beroep is op 1 april 2016 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.I. Duivenvoorde. Derde partij [pakketdienst] is verschenen bij gemachtigden mw. mr. C.M. Saris en mw.mr. L. van der Maden, advocaten te Amsterdam.

Overwegingen

1. De rechtbank merkt vooraf op dat het door eiseres ingediende beroep wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 11 februari 2016.

2. Door mevrouw [naam] te Bathmen, gemeente Deventer, is een fles Yeni Raki (sterke drank) besteld via Univum.com bij een in Duitsland gevestigd slijtersbedrijf. Deze bestelling is verzonden via [pakketdienst] en op 13 mei 2015 afgeleverd op het huisadres van mevrouw [naam] te Bathmen.

3. Eiseres stelt zich – samengevat – op het standpunt dat [pakketdienst] heeft gehandeld in strijd met artikel 19 van de Drank- en Horecawet (verder: DHW) omdat [pakketdienst] de genoemde bestelling heeft afgeleverd terwijl zij geen slijtersbedrijf uitoefent en ook niet in het bezit is van een daartoe vereiste vergunning.

4. Verweerder stelt zich – samengevat - op het standpunt dat [pakketdienst] niet de gelegenheid heeft geboden aan mevrouw [naam] om een fles sterke drank te bestellen. Deze gelegen-heid is geboden door het slijtersbedrijf Scheurich La Fleur (verder: het slijtersbedrijf) in samenwerking met webwinkel Univum.com. Uit het bestelformulier blijkt dat de webwinkel het slijtersbedrijf ervan op de hoogte heeft gesteld dat via haar website een keuze is gemaakt uit de productencatalogus van het slijtersbedrijf. Bestellingen worden geleverd door [pakketdienst] . [pakketdienst] overtreedt daarmee niet de DHW. In verband hiermee heeft verweerder het hand-havingsverzoek afgewezen.

5. De rechtbank dient eerst te beoordelen of eiseres als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan te merken en of verweerder haar bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

In haar uitspraak van 30 maart 2016, gepubliceerd onder nummer ECLI: NL:RBOVE: 2016:1078, heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de statuten eiseres in die procedure als belanghebbende in de zin van de Awb kan worden beschouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden in de onderhavige procedure anders te oordelen, zodat verweerder het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht.

6. Artikel 1 van de DHW verstaat onder slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfs-matig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatige verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.

Artikel 3 van de DHW bepaalt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Artikel 19, eerste lid, van de DHW bepaalt dat het verboden is, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf, gelegenheid te bieden voor het doen van bestellingen voor sterke drank en sterke drank op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren.

7. De rechtbank gaat er in deze uitspraak van uit dat het gewraakte pakketje een fles sterke drank bevatte.

8. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de feitelijke werkzaamheden van [pakketdienst] het vervoeren van pakketten betreft en dat de consument bij [pakketdienst] geen bestellingen doet. [pakketdienst] biedt zelf ook geen producten te koop aan en heeft geen zicht op de inhoud van de door haar vervoerde pakketten.

9. Uit de wet en uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de rechtbank onmisken-baar dat het door de wetgever beoogde slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een inrichting waar voorraad aanwezig is waaruit particulieren, indien gewenst na advies van de ter zake deskundige slijter, een keuze kunnen maken uit de van etiketten voorziene flessen, waarna uiteindelijk de sterke drank wordt verkocht (verstrekt).

10. Gelet op de hierboven geschetste feiten is er bij [pakketdienst] geen voor het publiek zichtbare van etiketten voorziene drankvoorraad aanwezig. De eventueel aanwezige flessen sterke drank bevinden zich in pakketten en zijn als zodanig voor de medewerkers van [pakketdienst] en vervoerders niet herkenbaar. Er is geen slijtlokaliteit waar particulieren drank kunnen uitzoeken, waar drank kan worden ge- of verkocht (verstrekt) en waar klanten zich kunnen laten voorlichten door een deskundige slijter.

De activiteiten van [pakketdienst] zijn dan ook niet te zien als vergunningplichtige activiteiten die worden ontplooid door het slijtersbedrijf als bedoeld door de wetgever. Gelet op de feitelijke werkzaamheid van [pakketdienst] , het (doen) vervoeren van pakketten, staat ook vast dat [pakketdienst] niet aangemerkt kan worden als een grossier, die optreedt als handelaar tussen enerzijds de fabrikant of importeur en anderzijds de detaillist.

11. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [pakketdienst] geen slijtersbedrijf uitoefent zoals bedoeld in de DHW. [pakketdienst] heeft verder geen gelegenheid geboden voor het doen van bestellingen voor sterke drank en sterke drank af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren, zodat [pakketdienst] evenmin heeft gehandeld in strijd met artikel 19, eerste lid van de DHW. Nu [pakketdienst] niet is te zien als overtreder, heeft verweerder terecht het primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat hij niet bevoegd is handhavend op te treden.

12. Gelet op het verhandelde ter zitting is de rechtbank voorts gebleken dat eiseres in feite bezwaar heeft tegen de werkwijze van het slijtersbedrijf, waarbij zij [pakketdienst] aansprakelijk acht voor het in overtreding “doen afleveren”. Zoals gezegd is [pakketdienst] een vervoerder die op bestel-ling pakketten bezorgt en geen kennis heeft van de te bezorgen pakketten. Hieruit volgt dat het “doen afleveren” geschiedt door het in Duitsland gevestigde slijtersbedrijf, zodat ook hierom [pakketdienst] niet aangemerkt kan worden als overtreder.

13. Nu op grond van het vorenstaande reeds tot een oordeel over het ingediende beroep kan worden gekomen, komt de rechtbank niet meer toe aan de vragen of het relativiteitsvereiste eiseres kan worden tegengeworpen en of het honoreren van het door eiseres ingediende verzoek het handelsverkeer tussen Nederland en Duitsland ernstig zou gaan belemmeren.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. J.H. Keuzenkamp en mr. D. Hardonk-Prins, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.