Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4400

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
4376330 CV EXPL 15-7092
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Op een verlenging van de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2015 is het vanaf 1 januari 2015 gewijzigde artikel 7:653 BW van toepassing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Burgerlijk Wetboek Boek 7 667
Burgerlijk Wetboek Boek 7 680
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1782
RAR 2016/12
JAR 2015/270
AR-Updates.nl 2015-0914
XpertHR.nl 2015-414396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 4376330 CV EXPL 15-7092

Uitspraak : 15 september 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

De besloten vennootschap Premo Products & Schrijfwaren B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,

eisende partij in conventie en verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna ook wel te noemen: Premo,

gemachtigde: mr. R. Pril, advocaat te Enschede,

tegen

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie en eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna ook wel te noemen: [X]

gemachtigde: mr. F. Kolkman, advocaat te Almelo.

1 De procedure

1.1

Premo heeft bij dagvaarding van 24 augustus 2015 [X] opgeroepen in kort geding te verschijnen ter zitting van dinsdag 1 september 2015 om 09:30 uur.
Ter zitting verschenen de heren [K] en [O] namens Premo, vergezeld van mr. Pril, en [X] , bijgestaan door mr. Kolkman.

Beide partijen hebben hun respectievelijke standpunten mondeling weergegeven, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan van de hierna opgesomde feiten. Deze worden voorshands als vaststaand beschouwd omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend dan wel niet of onvoldoende zijn bestreden.

2.2

Partijen zijn op 31 maart 2014 een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd, te weten de tijd van een jaar, en aldus van rechtswege eindigend op 31 maart 2015.

2.3

In de arbeidsovereenkomst is geen tussentijdse opzegmogelijkheid opgenomen.

2.4

Op 31 maart 2014 schrijft Premo aan [X] het navolgende, voor zover hier van belang:

[… .] Zoals wij reeds in ons gesprek hebben toegelicht, is het in het licht van de ontwikkelingen binnen het bedrijf en uw rol daarbij opportuun dat wij in aanvulling op de met u gesloten arbeidsovereenkomst d.d. 31-03-2014 de bijgevoegde regeling overeenkomen.

De regeling zal onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de met u gesloten arbeidsovereenkomst.

Wij verzoeken u om de regeling te lezen en, ten blijke van uw akkoord met de inhoud daarvan, getekend aan ons retour te zenden.

1. Behoudens schriftelijke voorafgaande toestemming van werkgever is het werknemer gedurende een periode van 1 (één) jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ongeacht de reden van beëindiging, niet toegestaan om direct of indirect, voor eigen rekening of voor rekening van derden, werkzaam te zijn bij en/of belang te hebben in, verbonden te zijn aan en/of betrokken te zijn bij, dan wel in enige vorm op te treden als intermediair voor of zakelijke betrekkingen te hebben met (rechts)personen die klant en/of relatie zijn of zijn geweest van werkgever, daarin mede begrepen aan voornoemde (rechts)personen direct gelieerde (rechts-)personen.

2. De werknemer zal gedurende een periode van één (1) jaar na het eindigen van de

dienstbetrekking zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever geen activiteiten ondernemen binnen een straal van 50 kilometer vanaf Almelo, op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij op eigen naam, hetzij door middel van en/of in samenwerking met dan wel in dienstbetrekking bij andere natuurlijke of rechtspersonen, welke gelijk of gelijksoortig zijn aan de activiteiten van de werkgever en/of met de werkgever gelieerde ondernemingen, daaronder begrepen het drukkerij- en bedrukkings-bedrijf in de ruimste zin van het woord. Hieronder is begrepen het al dan niet op eigen naam verwerven of bezitten van aandelen in gelijke of gelijksoortige ondernemingen als die van werkgever en/of met dewerkgever gelieerde ondernemingen, anders dan ter beurze officieel genoteerde fondsen.

3. Bij overtreding van één der bepalingen sub 1 en/of 2 zal werknemer jegens en ten gunste van de werkgever een onmiddellijk opeisbare boete verbeuren van € 1.000,-- per overtreding, vermeerderd met € 500,-- voor iedere dag waarop een overtreding eventueel voortduurt, onverminderd de overige rechten van de werkgever krachtens de wet of de onderhavige overeenkomst, zoals het recht van de werkgever om nakoming van de overtreden bepalingen danwel een verbod te vorderen en/of volledige schadevergoeding, alsmede om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan indien die alsdan nog mocht bestaan. Het bepaalde in dit artikel is een wettelijk toegestane afwijking van artikel 7:650 lid 3 en 5 BW.

2.5

Het beding is door [X] op 31 maart 2014 voor akkoord getekend.

2.6

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 27 februari 2015 onder dezelfde voorwaarden verlengd tot 31 december 2015.

2.7

Bij brief van 29 juni 2015 heeft [X] de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2015.

2.8

Bij brief van 2 juli 2015 heeft de gemachtigde van Premo zich gewend tot [X] , met de navolgende inhoud, voor zover hier van belang:

[… .] U bent op 1 april 2014 bij cliënte in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst is zonder enige inhoudelijke wijziging voortgezet per 31 maart en duurt voort tot 31 december 2015. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is geen tussentijdse opzegmogelijkheid opgenomen en de overeenkomst kan dus ook niet tussentijds worden opgezegd.

Desondanks heeft u in een brief van 29 juni jl. de overeenkomst opgezegd en wel tegen 1 augustus 2015. Met de opzegging komt er per 1 augustus aanstaande daadwerkelijk een einde aan de arbeidsovereenkomst. Cliënte accepteert uw voorstel om per 17 juli te stoppen en dan het werk over te dragen. Echter, omdat de arbeidsovereenkomst niet de mogelijkheid van tussentijdse opzegging kent, bent u mijn cliënte een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De overeenkomst zou eerst per 31 december zijn geëindigd en derhalve bent u een

vergoeding verschuldigd gelijk aan een bedrag van vijf bruto maandsalarissen (dat is de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2015), te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De totaal verschuldigde vergoeding komt daarmee op € 8.147,52. Cliënte maakt uitdrukkelijk aanspraak op dat bedrag en voorzover u nog toekomende loonbestanddelen nog niet zijn betaald, verrekent cliënte die met deze vordering. Het aldus resterende deel dient u aan cliënte te voldoen. [… .]

Cliënte heeft u bij voorgehouden dat zij u [ … .] aan dat concurrentiebeding zouden houden, omdat u - zo gaf u aan-- voornemens bent te vertrekken naar een van grotere concurrenten van cliënte [… .].

Cliënte heeft u omstandig uitgelegd waarom zij meent u onverkort aan het beding te moeten houden en u toonde daarvoor begrip. Het bedrijf waar het hier om gaat is de Button Boss Groep te Enschede. Let wel; voor aan dit bedrijf gelieerde ondernemingen, zoals er verschillende zijn, geldt het beding ook volledig.

3 geschil

in conventie en in reconventie

3.1

Premo vordert [X]

primair:

1). te gelasten alle door haar verrichte werkzaamheden voor Button Boss Group, dan wel een van de daaraan gelieerde (werk)maatschappijen, te staken binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis en deze werkzaamheden gestaakt te houden tot 1 augustus 2016;

2). te veroordelen tot nakoming van het contractueel overeengekomen concurrentiebeding, bestaande uit het aanhangsel bij de arbeidsovereenkomst van 31 maart 2014 en tussen partijen genoegzaam bekend, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, vermeerderd met € 500,00 per dag of deel van een dag dat de overtreding voortduurt;

3). te veroordelen tot betaling aan Premo van een voorschot op de reeds verbeurde contractuele boetes ten bedrage van € 6.000,00, dan wel een door de kantonrechter in redelijkheid te betalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente;

4). te veroordelen tot betaling aan Premo van een vergoeding van € 8.109,72 dan wel een bij wege van voorschot door de kantonrechter in redelijkheid te bepalen vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2015;

subsidiair:

[X] te verplichten tot geheimhouding van alle bijzonderheden van haar gewezen functie en het bedrijf van Premo betreffende of daarmee verband houdende waaronder in ieder geval (maar welke niet beperkt worden tot) worden verstaan gegevens omtrent werkwijze, producten, klanten en klantgegevens, in- en verkoopprijzen en leveranciers, en wel op straffe van een zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van € 2.500,00 voor iedere overtreding in strijd met deze geheimhoudingsverplichting verricht, onverminderd het recht van Premo om in de plaats van de alsdan verschuldigde dwangsommen volledige schadevergoeding te vorderen.

primair en subsidiair:

[X] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

Premo legt aan haar vordering de hiervoor opgenomen vaststaande feiten ten grondslag en stelt voorts dat [X] thans haar werkzaamheden voor de Button Boss Group, hierna ook te noemen Button Boss, verricht, althans dat zij daarvan uitgaat. Button Boss, althans de hieronder ressorterende ondernemingen/werkmaatschappijen, levert net als Premo relatiegeschenken aan de tussenhandel. Hiermee worden aanzienlijke omzetten behaald en de activiteiten van Button Boss zijn dan ook in hoge mate, gelijksoortig en direct concurrerend aan de activiteiten van Premo. [X] handelt door in dienst te treden bij Button Boss in strijd met het contractueel overeengekomen concurrentiebeding. De door [X] bij Premo verworven kennis en kunde kan Button Boss een aantal grote voordelen verschaffen en tegelijkertijd Premo schade berokkenen. [X] heeft weet van de frequentie waarin (met name) grote klanten bestellingen bij Premo plaatsen, om welke producten het daarbij gaat en tegen welke prijs de bestellingen worden geplaatst. Die wetenschap is voor Button Boss van groot belang, omdat mede op basis daarvan men de prijspolitiek, dat wil zeggen hoogte van kortingen naar beneden bijstellen, kan bepalen. Daarnaast stond [X] in direct contact met leveranciers welke zij bij naam kent en de contactpersonen. Tevens weet [X] , voor een belangrijk deel, welke nieuwe producten Premo het volgende jaar gaat voeren. [X] heeft daarnaast kennis van programmatuur en machinerieën waarmee Premo werkt/produceert/veredelt.

De tussen partijen bestaande hebbende arbeidsovereenkomst kent niet de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Desondanks heeft [X] de arbeidsovereenkomst tussentijds opgezegd. Premo vordert een vergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd (cf. art. 766 lid 4 BW jo. art. 7:680 lid 1 BW). Premo maakt aanspraak op een bedrag van € 8.109,52 (5 x 2.501,80 x 1,08).

Premo stelt dat op basis van de uitlatingen van [X] er van moet worden uitgegaan dat [X] op 1 augustus 2015 feitelijk bij Button Boss is begonnen en dat zij, berekend tot en met 14 augustus 2015, al tien werkdagen bezig is. Daarmee heeft zij in totaal € 6.000,00 aan contractuele boetes verbeurd.

Voor het geval ter zake het concurrentiebeding (een onderdeel van) de vordering moet worden afgewezen, dan heeft Premo recht en belang op het opleggen van een (afdwingbare) geheimhouding.

3.2

[X] concludeert tot afwijzing van de vordering van Premo en vordert voor het geval de kantonrechter mocht oordelen dat [X] gebonden is aan het concurrentiebeding, dit beding primair te schorsen en subsidiair aan [X] voor de duur dat Premo [X] aan het concurrentiebeding houdt een vergoeding toe te kennen ter hoogte van het laatstgenoten salaris.

[X] betwist dat zij gehouden is aan enig non-concurrentiebeding. Het met Premo aangegane concurrentie beding, waarop Premo doelt, is slechts overeengekomen voor de eerste arbeidsovereenkomst. In de tweede arbeidsovereenkomst wordt met geen woord gerept over een non-concurrentiebeding en er is geen aanvullende regeling overeengekomen. Daarbij komt dat op grond van de nieuwe wetgeving, welke per 1 januari 2015 in werking is getreden, in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd geen non-concurrentiebeding mag worden opgenomen, tenzij de werkgever een schriftelijke motivering heeft opgenomen waarin staat waarom het beding noodzakelijk is. Dat is hier niet gebeurd.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat er een non-concurrentiebeding van toepassing is op de arbeidsverhouding van partijen, is [X] van mening dat het beding onredelijk bezwarend is in verhouding tot het belang van Premo bij handhaving van een dergelijk beding. De klanten van Premo en Button Boss zijn relatiegeschenkenhandelaren. Wie dat zijn is [X] niet bekend. Evenmin weet [X] wie de leveranciers van Premo zijn. Zij is niet op de hoogte van prijsafspraken. Voor [X] was enkel van belang welk logo er in welke kleuren, in welke aantallen op hoeveel producten moet worden aangebracht. [X] verwerkt bij Premo ongeveer 30 orders per dag. Premo heeft vele duizenden promotieartikelen. [X] bekleedt bij Premo geen commerciële functie en had zeer sporadisch contact met klanten.

Reden voor [X] om elders te solliciteren is gelegen in het feit dat Premo geen duidelijkheid wilde geven over een vast contract en dat zij het creatieve deel van haar opleiding bij Premo niet kon gebruiken, wat bij Button Boss wel het geval is.

[X] stelt dat zij bij Button Boss, alwaar zij nog geen werkzaamheden heeft verricht, er financieel € 400,00 per maand op vooruit gaat. Voorts is zij woonachtig in Enschede en kan zij op haar fiets naar het werk bij Button Boss.

[X] stelt dat zij de arbeidsovereenkomst van 27 februari 2015 op grond van de redelijkheid en billijkheid tussentijds heeft kunnen opzeggen. In dat kader verwijst [X] naar de starre en voortdurende onduidelijke houding van Premo. Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat zij niet tussentijds had kunnen opzeggen is [X] van mening dat de vordering niet spoedeisend is. Daarnaast heeft Premo op 6 juli 2015 een vervangster voor [X] aangetrokken, zodat Premo absoluut geen hinder of schade heeft ondervonden van het feit dat zij de arbeidsovereenkomst tussentijds heeft opgezegd. Zij concludeert tot afwijzing van de gevorderde opzegvergoeding.

[X] concludeert, gelet op de zeer agressieve houding van Premo, tot afwijzing van de vordering tot geheimhouding.

4 De beoordeling

4.1

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen dan aanleiding is, indien op grond van de thans gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat in een bodemprocedure de beslissing gelijkluidend zal zijn.

4.2

Tussen partijen is in confesso dat de hiervoor onder 2.4 opgenomen bepalingen, waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen, onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de op 31 maart 2014 aangegane arbeidsovereenkomst. Partijen verschillen van mening of dit concurrentiebeding eveneens van toepassing is op de op 27 februari 2015 tussen partijen gesloten overeenkomst die met ingang van 1 april 2015 van kracht is.

4.3

De kantonrechter is vooralsnog van oordeel dat de overeenkomst die partijen zijn aangegaan ingaande 1 april 2015 aangemerkt dient te worden als een nieuwe arbeidsovereenkomst waarop het vanaf 1 januari 2015 gewijzigde artikel 7:653 BW van toepassing is. Hiertoe wordt overwogen dat weliswaar in de overeenkomst die partijen op 27 februari 2015 hebben gesloten is vermeld dat de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden is verlengd, maar dat betekent niet dat geen sprake is van een nieuwe overeenkomst. Immers, partijen zijn met elkaar in gesprek gegaan waarbij zij overeengekomen zijn de bestaande arbeidsovereenkomst vanaf 1 april 2015 voort te zetten voor de duur van negen maanden. Er is sprake van een nieuw aanbod en aanvaarding daarvan, derhalve van een nieuwe overeenkomst. Bovendien is artikel 7:653 BW gewijzigd om de positie van de werknemer met een tijdelijk contract te verbeteren. Indien de opvatting van Premo zou worden gevolgd, zou op deze wijze gedurende enige tijd na 1 januari 2015 een verschil kunnen ontstaan tussen werknemers die een tijdelijk contract aangeboden krijgen zonder dat hiervoor een rechtvaardiging valt aan te wijzen.

4.4

Het voorgaande betekent dat op de arbeidsovereenkomst die tussen partijen vanaf 1 april 2015 heeft gegolden, geen rechtsgeldig concurrentiebeding van toepassing is nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:653 lid 2 BW. Dit laat evenwel onverlet dat [X] op en na 1 augustus 2015 gebonden is aan het concurrentiebeding, namelijk het beding zoals dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft gegolden van 1 april 2014 tot 1 april 2015. De werkingsduur van dit concurrentiebeding zal eerst op 1 april 2016 zijn verstreken. Dit betekent dat vervolgens de vraag beantwoord dient te worden of [X] onredelijk wordt benadeeld ten opzichte van de belangen Premo bij handhaving van het concurrentiebeding. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.5

[X] is voornemens haar werkzaamheden te beginnen bij Button Boss, een directe concurrent van Premo. [X] kan zich financieel in niet onaanzienlijke mate verbeteren. Dit geldt niet alleen waar het betreft een substantiële verhoging van haar salaris (€ 400,00 per maand), maar ook de omstandigheid dat zij geen kosten meer zal hebben voor het woon-werkverkeer. Voorts staat vast dat de werkzaamheden bij Button Boss beter aansluiten bij de door [X] gevolgde opleiding grafische vormgeving en dat zij het creatieve deel van haar opleiding in de praktijk kan brengen, in tegenstelling tot het DTP-werk bij Premo.
Het belang van Premo is eveneens duidelijk: de bescherming van haar bedrijfsdebiet.
Vooralsnog laat de kantonrechter de belangen van [X] prevaleren boven die van Premo. Onweersproken is door [X] gesteld dat bij Premo de (verkoop-)taken strikt zijn gescheiden en dat zij een niet-commerciële functie heeft vervuld waarbij zij slechts af en toe contact heeft gehad met de klant over het specifiek door [X] te verrichten drukwerk. Van klantcontacten in de eigenlijke zin van het woord is derhalve geen sprake. Premo acht de (mogelijke) bekendheid van [X] met haar prijzen bezwarend, doch desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer Kemerink aangegeven dat de prijzen sterk fluctueren en afhankelijk zijn van de omvang van de afname van de goederen en hoe deze bij Premo worden aangeleverd (bijvoorbeeld in containers). Met grote klanten worden speciale prijsafspraken gemaakt en Premo heeft in dat kader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [X] wetenschap heeft van die prijsafspraken. [X] zou tevens voor een belangrijk deel kennis hebben van de nieuwe producten die Premo gaat voeren voor het volgende jaar. Premo heeft niet aangegeven om welke specifieke producten het gaat. Had zij dit in de procedure wel gedaan, ware hierover wellicht een afspraak met [X] te maken.
Het vorenstaande betekent dat de kantonrechter de door [X] gevorderde schorsing van het concurrentie zal toewijzen en wel ingang van de datum van dit vonnis.

4.6

Premo stelt dat [X] voor een bedrag van € 6.000,00 aan contractuele boetes heeft verbeurd, aangezien zij er vanuit gaat dat [X] daadwerkelijk bij Button Boss in dienst is getreden en daadwerkelijk werkzaamheden voor Button Boss is gaan verrichten.
erkent het voornemen om Bij Button Boss in dienst te treden, doch stelt dat zij hieraan nog geen gevolg c.q. uitvoering heeft gegeven omdat zij de uitslag van de onderhavige procedure eerst wenst af te wachten. Nu Premo ter staving van haar aanname dat [X] ingaande 1 augustus 2015 in dienst zou zijn getreden bij Button Boss niets heeft aangevoerd, dient, gelet op de betwisting van [X] , vooralsnog aangenomen te worden

dat [X] nog geen werkzaamheden voor Button Boss heeft verricht. De vordering ter zake de contractuele boetes zal dan ook worden afgewezen.

4.7

Vast staat dat in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen beding is opgenomen voor tussentijdse opzegging en dat [X] desondanks de bestaande arbeidsovereenkomst tussentijds heeft opgezegd per 1 augustus 2015. [X] heeft hiermee in strijd gehandeld met artikel 7:667 lid 3 BW. [X] is hierdoor schadeplichtig geworden als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW. Premo vordert de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:680 lid 1 BW.

4.8

[X] is van mening dat eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat zij op goede gronden de arbeidsverhouding tussentijds heeft kunnen opzeggen.

De kantonrechter deelt deze opvatting niet. Bij een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging gaat het om een dwingende wetsbepaling die (mede) geschreven zijn ter bescherming van de werknemer. Een beslissing waarbij een dergelijke bepaling buiten toepassing wordt gelaten, dan wel dat de gefixeerde schadevergoeding verder gematigd wordt dan de minimum grens van artikel 7:680 lid 5 BW, omdat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dient aan zware (motiverings-)eisen te voldoen (zie HR 30 juni 1995, JAR 1995/152). Het wettelijk stelsel is immers gefundeerd op het automatisme van de verschuldigdheid van de schadeloosstelling en op het forfaitair karakter van dat bedrag. Vlgs. A-G Koopmans in zijn conclusie van voormeld arrest zal de rechter alleen bij wijze van deugdelijk gemotiveerde uitzondering een billijkheidsgrond hanteren die met dat automatisme en met dat forfaitair karakter op gespannen voet staat. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt aan de in deze geponeerde stelling van [X] , de starre en voortdurende onduidelijke houding van Premo en het feit dat Premo op zeer korte termijn een vervangster heeft weten aan te trekken, onvoldoende gewicht toe om het hiervoor in de wet genoemde automatisme bij onregelmatige opzegging te doorbreken. Een en ander neemt niet weg dat de kantonrechter, met het oog op de omstandigheden van het geval, ex artikel 7:680 lid 5 BW de gefixeerde schadevergoeding zal vaststellen op het in geld vastgestelde loon voor drie maanden, zijnde een bedrag van € 4.865,83, waarbij de kantonrechter [X] zal toestaan dit bedrag in 12 maandelijkse termijnen te voldoen.

4.9

Het in dat kader door [X] betwiste spoedeisend belang van de (geld)vordering staat naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate vast, waarbij de kantonrechter bij het afwegen van de belangen van partijen het restitutierisico onder ogen heeft gezien.

4.10

De subsidiaire vordering van Premo, ten einde [X] te verplichten tot geheimhouding, zal worden afgewezen. De aard van een kort gedingprocedure brengt met zich mee dat in een dergelijke procedure geen rechten en verplichtingen ten principale tussen partijen kunnen worden vastgesteld. Het vonnis in kort geding bevat -in beginsel- slechts voorlopige oordelen en beslissingen, waaraan partijen niet in een bodemprocedure gebonden zijn. Een en ander heeft tot gevolg dat Premo niet kan worden ontvangen in haar in de dagvaarding geformuleerde subsidiaire vordering, althans dat deze vordering zal worden afgewezen.

4.11

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna te melden.

5 Rechtdoende

in conventie:

5.1

Veroordeelt [X] om bij wege van voorschot op de gefixeerde schade vergoeding aan Premo te betalen een bedrag van € 4.865,83, vermeerderd met de wettelijke hierover vanaf 24 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.2

Staat [X] toe het hiervoor onder 5.1 genoemde bedrag te voldoen in 12 gelijke maandelijkse termijnen.

in reconventie:

5.3

Schorst het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding met ingang van heden.

in conventie en in reconventie:

5.4

Compenseert de proceskosten tussen partijen, des dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5.5

Verklaart dit vonnis tot hier uitvoerbaar bij voorraad.

5.6

Wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.