Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4271

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
08/993009-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als notaris meegewerkt aan een bedrieglijke bankbreuk en het opmaken van valsheden in authentieke akten. Uit alleen al het onder 1 bewezenverklaarde volgt dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een bedrag van € 427.932,65 aan de boedel van een BV heeft onttrokken.

Een notaris dient zich onkreukbaar op te stellen en ook als zodanig te handelen. Het in het algemeen in een notaris te stellen vertrouwen is door het handelen van verdachte ernstig aangetast, hetgeen de verdachte door de rechtbank zwaar wordt aangerekend.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/993009-13

Datum vonnis: 19 juni 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 mei 2015 en 5 juni 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. Bollen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mrs. J.W. Soeteman en H.M. Feenstra, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met [bedrijf 1] BV of andere (rechts) personen faillissementsfraude heeft gepleegd in het faillissement van [bedrijf 1] BV door een bedrag van € 427.932,65 aan de boedel te onttrekken;

feiten 2 tot en met 5: als notaris authentieke akten vals heeft opgemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] BV (voorheen tot 18 april 2011 genaamd [oude naam bedrijf 1] BV), in ieder geval de besloten vennootschap ingeschreven in het Handelsregister Kamer van Koophandel onder nummer [KvK-nummer 1] , op een of meer verschillende tijdstippen in de periode februari 2011 tot en met juni 2011, in de gemeente Berkelland en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen personen en/of met met een of meer andere rechtspersonen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 in staat van faillissement is/was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s), een of meer goederen, althans vermogensbestanddelen, te weten een bedrag van (ongeveer) Euro 427.932,65, althans een geldbedrag, zijnde een deel van de verkoopopbrengst van appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële

ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] van de verkopen/leveringen op 1 februari 2011, en/of een geldbedrag van

(ongeveer) Euro 119.000,- (zijnde een deel van eenaanneemsom inclusief BTW) en/of nogmaals een geldbedrag van Euro 119.000,- (zijnde een deel van een aaneemsom inclusief BTW) (telkens) aan de boedel had en/of heeft onttrokken, (telkens) hierin bestaande, dat die geldbedragen/dat geldbedrag, welk(e) geldbedragen/bedrag diende(n) te worden overgemaakt naar [oude naam bedrijf 1] BV en/of vanaf 18 april 2011 naar [bedrijf 2] BV), vanaf een of meer zogenaamde derdengeldenrekeningen van kantoor [notaris] waren of werden overgemaakt naar een of meer een of meer bankrekeningen van [bedrijf 3] BV, welke bedragen met rentedata van respectievelijk 3 februari 2011, 07 april 2011 en 17 juni 2011 werden bijgeschreven op een bankrekening van [bedrijf 3] BV, terwijl er geen sprake was van een kenbare tegenprestatie van [bedrijf 3] BV;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode februari 2011 tot en met juni 2011, te Neede, in de gemeente Berkelland en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met een of meer andere rechtspersonen, althans alleen, in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 1] BV (tot 18 april 2011 genaamd [oude naam bedrijf 1] BV), welk faillissement is gevolgd bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van genoemde

rechtspersoon, een of meer goederen, althans vermogensbestanddelen, te weten een geldbedrag van:

- (ongeveer) Euro 427.932,65, althans een geldbedrag, zijnde een deel van de verkoopopbrengst van de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] , van de verkopen/leveringen op 1 februari 2011 van [oude naam bedrijf 1] BV aan [bedrijf 5] BV;

en/of

-een geldbedrag van (ongeveer) Euro 119.000,- (zijnde een deel van een aanneemsom inclusief BTW);

en/of

(nogmaals) een geldbedrag van Euro 119.000,- (zijnde een deel van een aaneemsom inclusief BTW);

(telkens) aan de boedel van genoemde [bedrijf 1] BV (tot 18 april 2011 genaamd [oude naam bedrijf 1] BV) had en/of heeft onttrokken, hierin bestaande dat hij, verdachte, die geldbedragen/dat geldbedrag, welk(e) geldbedragen/bedrag diende(n) te worden overgemaakt naar [oude naam bedrijf 1] BV en/of vanaf 18 april 2011 naar Euro Project Ontwikkeling BV vanaf een of meer zogenaamde derdengeldenrekeningen van kantoor [notaris] heeft en/of had overgemaakt naar een of meer bankrekeningen van [bedrijf 3] BV, welke bedragen met rentedata van respectievelijk 3 februari 2011, 07 april 2011 en 17 juni 2011 werden bijgeschreven op een bankrekening van [bedrijf 3] BV, terwijl daarvoor geen sprake was van een kenbare tegenprestatie (van [bedrijf 3] BV);

2.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 10 september 2009, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering aandelen van de aandelen van de vennootschap [bedrijf 4] BV, waarbij verkoper was [bedrijf 4] Holding BV en waarbij koper was [medeverdachte 3] , zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld dat de koopsom van die aandelen Euro 20.000,- bedroeg, terwijl in werkelijkheid de koopsom (ongeveer) Euro 3.000,- bedroeg, althans een bedrag lager dan Euro 20.000,-;

3.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 1 februari 2011, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering van appartementsrecht, te weten de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] , waarbij verkoper was [oude naam bedrijf 1] BV en waarbij koper was [bedrijf 5] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat [bedrijf 6] BV in deze handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [oude naam bedrijf 1] , waarbij [medeverdachte 1] in deze handelde als schriftelijk gevolmachtigde

van [bedrijf 6] BV, terwijl [bedrijf 6] BV op 1 februari 2011 -sinds 24 januari 2011- geen bestuurder (meer) was van [oude naam bedrijf 1] BV, namelijk was in het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgenomen dat [bedrijf 6] BV per 24 januari 2011 als bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV uit functie was getreden en dat per 24 januari 2011 als bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV de [stichting 1] in functie was getreden;

4.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 31 januari 2011, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, inhoudende (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever ( [bedrijf 7] BV) had verklaard dat het recht van eerste van hypotheek en eerste pand was verleend tot een bedrag van Euro 422.750,- op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] , tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ( [bedrijf 3] BV) blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderden hoofde ook, en dat bij het verlijden van genoemde hypotheekakte aanwezig waren [medeverdachte 2] (zakelijk weergegeven) handelend als bestuur van [stichting 2] , welke stichting handelde als bestuur van [bedrijf 8] BV, welke vennootschap handelde als bestuur van [bedrijf 9] BV en welke vennootschap op haar beurt handelde als bestuur van de schuldenaar/hypotheekgever, [bedrijf 7] BV, en [medeverdachte 1] handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 6] BV, welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van de schuldeiser, [bedrijf 3] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde,

althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die authentieke akte inhoudelijk als bovenomschreven werd verleden, terwijl verdachte en/of partij(en) wist(en) (zakelijk weergegeven) dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht er geen reële geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan, immers was hem, verdachte, en/of partij (en) op 28 januari 2011 bekend dat genoemde appartementsrechten voor een bedrag van Euro 750.000,- (exclusief BTW) waren verkocht aan [naam 1] , van welke koop, verkoop en/of levering de (beoogde) passeerdatum van de akte 01 februari 2011 was/zou zijn.

5.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, en/of te Deurningen en/of elders in Nederland, op 30 september 2011, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering van een registergoed, waarbij verkoper was [bedrijf 10] BV en waarbij koper was [bedrijf 3] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld:

-dat het een perceel bouwterrein betrof, plaatselijk gelegen [adres 4] te [plaats 2] , kadastraal bekend als [gemeente] [sectie, nummer] , groot vijftien are en zestien centiare, terwijl het in werkelijkheid een perceel grond met daarop (deels) gesloopte opstallen betrof, en/of

-dat verkoper had verklaard dat wegens de levering van het verkochte omzetbelasting verschuldigd was, zulks terwijl in werkelijkheid verkoper dat niet heeft verklaard; en/of

-dat de koopprijs bedroeg Euro 530.000,- te vermeerderen met de verschuldigede omzet belasting ad Euro 100.700,-, terwijl in werkelijkheid geen omzetbelasting verschuldigd was.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de ten laste gelegde feiten bewezen te verklaren, behoudens de onder feit 1 primair ten laste gelegde onttrekkingen van twee geldbedragen van

€ 119.000,--, en verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, alsmede te bepalen dat verdachte wordt ontzet uit het recht tot het bekleden van het ambt van notaris.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, behoudens de daar genoemde bedragen van € 119.000,--, bewezen kan worden verklaard, nu er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat deze bedragen zijn onttrokken. Verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

De feiten 2, 3, 4 en 5 kunnen volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft zij daartoe gesteld dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen omdat het woord “terwijl” in de tenlastelegging “in de tijd dat” betekent. Ten aanzien van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging gesteld dat nu de vermeende onttrekkingen hebben plaatsgevonden vóórdat er een faillissement was, er niet is onttrokken “terwijl” de BV failliet was. Voorts is geen sprake van “bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers” en ook niet van “vooruitzicht van een faillissement”. Er is geen bewijs dat [bedrijf 1] BV door de overboeking van de in de tenlastelegging genoemde bedragen failliet is verklaard en als dat al zo is, dan was verdachte er niet mee bekend dat een faillissement aanstaande zou kunnen zijn. Daarnaast ontbreekt het ook voor medeplegen noodzakelijke (voorwaardelijk) opzet.

Voor het vestigen van de hypotheek bestond wel een kenbare tegenprestatie. [bedrijf 3] BV heeft een gedeelte van de verplichtingen overgenomen van [oude naam bedrijf 1] BV. Tot zekerheid daarvan in samenhang met het veiligstellen van het risico dat een verkoop door medeverdachte [medeverdachte 2] de winst zou doen verdwijnen, is de hypotheek gevestigd. Voor de twee overboekingen van € 119.000,-- was een geldige titel aanwezig; namelijk de aannemingsovereenkomst. Een en ander is ook keurig in de boeken verwerkt en de bedragen

zijn bij aannemer [naam 2] terecht gekomen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging gesteld dat de daar bedoelde afrekening een concept afrekening is. Er staat geen logo op, de koopsom van € 3.000,-- is niet overgemaakt op de bankrekening die erop staat, de passeerdatum is niet ingevuld en het dossiernummer komt niet overeen met het nummer op de akte van levering, terwijl dit wel overeenkomt met de declaratie. Dat het bedrag van € 3.000,-- die op het grootboekoverzicht van het [winkel] is vermeld verband houdt met deze transactie is een aanname. Er staat omschreven “ [notaris] ”, maar dat klopt niet want de betaling is niet via dit kantoor gegaan.

Er is geen bewijs dat verdachte op de hoogte was van de vermeende fraude rondom [bedrijf 11] BV, zodat het (voorwaardelijk) opzet ontbreekt. Niets wijst op de ongeloofwaardigheid van de stelling dat [medeverdachte 2] de koopsom van € 3.000,-- naar

€ 20.000,-- heeft verhoogd. Een boeking naar [naam 3] is niet vreemd, want die was accountant van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en een koopsom van € 20.000,-- lijkt een logische prijs en is niet irreëel voor een lege BV. Verdachte heeft [medeverdachte 3] daar over bevraagd en die ging akkoord. Door verdachte is geen gedragsregel overtreden, want er dreigde geen cliënt te worden benadeeld.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging gesteld dat er weliswaar een fout staat in de daar bedoelde akte, maar dat komt voort uit een vergissing. Er had moeten staan dat [medeverdachte 1] handelde als gevolmachtigde van de [bedrijf 12] . Gesteld dat in de volmacht is opgenomen dat [medeverdachte 1] als zodanig gevolmachtigd was, dan is er sprake van een evidente vergissing, maar dat is nu niet te controleren. Nu die mogelijkheid verdachte is ontnomen, kan hij zijn onschuld niet aantonen, zodat geen andere conclusie kan volgen dan dat de rechtbank verdachte dient vrij te spreken.

Ten aanzien van de onder feiten 3, 4 en 5 opgenomen aktes heeft de verdediging gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het valselijk opmaken. In valselijk opmaken zit “opzet” ingeblikt, dat ook met voorwaardelijk opzet kan worden bereikt. Er is geen bewijs waaruit zou zijn af te leiden dat “een aanmerkelijke kans is ontstaan”. Verdachte is zich nergens bewust van geweest, laat staan dat hij iets heeft aanvaard. Daarbij geldt bij feit 3 nog dat er geen motief noch voordeel aanwezig was.

Van de onder feit 4 opgenomen akte kan niet worden bewezen dat deze akte vals is. Ook als er geen lening tegenover stond, betekent dit niet dat de akte vals is. De akte geeft in totaal negen mogelijkheden die ten grondslag kunnen liggen voor de hypotheek. Het kan ook gaan om toekomstige leningen, (toekomstige) rekening-courant verhoudingen, (toekomstige) borgstellingen, “dan wel uit welken anderen hoofde ook”. Bovendien had [bedrijf 3] BV het grootste deel van alle verplichtingen van [oude naam bedrijf 1] BV overgenomen. De hypotheek strekte mede tot voldoening aan die verplichtingen, hetgeen blijkt uit het feit dat de vestiging van de hypotheek is gefactureerd aan [oude naam bedrijf 1] BV. Of bekend was dat de heer [naam 1] zou kopen is volgens de verdediging niet relevant, nu de hypotheek immers zou worden afgelost zodra [bedrijf 5] zou kopen.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging daarnaast gesteld dat het perceel terecht is aangemerkt als bouwgrond. De intentie van partijen en het geheel aan handelingen is daarbij relevant. Uit het Don Bosco arrest volgt dat als er wordt gesloopt om er bouwterrein van te maken, de vraag of er nog sloop- of na-sloopse-handelingen moeten worden verricht, niet relevant is. Het perceel mocht als bouwterrein worden aangemerkt en het is terecht met BTW geleverd. Daar komt bij dat het Hof van Justitie het begrip “bouwterrein” ruim uitlegt (arrest Woningstichting Maasdriel). Het gaat er om of het terrein daadwerkelijk bestemd is om te worden bebouwd.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

De rechtbank overweegt met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4, die alle samenhangen met zaakdossier 1 van het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, het volgende.

Uit het zaakdossier 1 leidt de rechtbank het volgende af.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft [oude naam bedrijf 1] BV op 13 juni 2002 opgericht. [oude naam bedrijf 1] BV ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw.

Vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 is medeverdachte [medeverdachte 1] (on)middellijk bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011 middellijk bestuurder, middels [bedrijf 6] BV).

De [stichting 3] is gedurende de periode van

18 september 2003 tot 31 december 2010 aandeelhouder van [oude naam bedrijf 1] BV geweest. Bestuurders van deze stichting waren medeverdachte [medeverdachte 1] , zijn vader [naam 4] en zijn zuster [naam 5] .

Op 31 december 2010 zijn de aandelen van [oude naam bedrijf 1] BV ondergebracht in [bedrijf 6] BV.

Vervolgens is op 24 januari 2011 [naam 6] , middels de [stichting 1] , bestuurder en enig aandeelhouder van [oude naam bedrijf 1] BV geworden.

De naam van [oude naam bedrijf 1] BV is daarna op 18 april 2011 in [bedrijf 1] BV gewijzigd.

[bedrijf 1] BV is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard.

[bedrijf 6] BV is opgericht op 7 december 2010. Medeverdachte [medeverdachte 1] is vanaf de datum van oprichting bestuurder van [bedrijf 6] BV.

De [stichting 3] , later genoemd [stichting 4] , was vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van [bedrijf 6] BV.

In januari 2011 zijn de navolgende nieuwe [groep] vennootschappen opgericht:

- [bedrijf 13] BV;

- [bedrijf 14] BV;

- [bedrijf 15] BV;

- [bedrijf 3] BV;

- [bedrijf 16] BV;

- [bedrijf 17] BV;

- [bedrijf 18] BV;

- [bedrijf 19] BV;

- [bedrijf 20] BV.

De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [bedrijf 6] BV.

Op 4 januari 2011 heeft [oude naam bedrijf 1] BV zeven van haar onderhanden projecten voor een bedrag van per saldo € 1.101.000,-- verkocht aan zeven nieuwe vennootschappen van de [groep] .

Vervolgens is in een overeenkomst tussen [oude naam bedrijf 1] BV, de zeven overnemende [groep] vennootschappen en [bedrijf 6] BV, gedateerd 10 januari 2011, geconstateerd dat in de overeenkomst van 4 januari 2011 geen rekening is gehouden met een aantal onderhanden werkposities. De koopprijzen van de overgedragen projecten zijn om die reden met een bedrag van € 2.505.500,-- verhoogd tot € 3.606.500,--.

Het project [project] in Haaksbergen maakte geen deel uit van deze overeenkomst. In genoemde overeenkomst zijn de financieringen die met het [project] samenhingen derhalve niet opgenomen. Het [project] is niet overgedragen aan een nieuwe [groep] vennootschap, maar is achtergebleven in [oude naam bedrijf 1] BV. De verkoopopbrengst van dit project had dan ook bij [oude naam bedrijf 1] BV terecht moeten komen.

Op 21 december 2010 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimten aan de [adres 2 en 3] te [plaats 1] , namens [oude naam bedrijf 1] BV voor € 200.000,-- ex BTW geleverd aan

[naam 7] (een medewerker van medeverdachte [medeverdachte 1] ).

Deze appartementsrechten zijn vervolgens door voornoemde [naam 7] op 29 december 2010 verkocht aan [bedrijf 7] BV, vertegenwoordigd door medeverdachte [medeverdachte 2] , eveneens voor de prijs van € 200.000,-- ex BTW. Op dat moment is [medeverdachte 2] middels de [stichting 2] , [bedrijf 8] BV, [bedrijf 21] BV, middellijk bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 7] BV.

Op 31 januari 2011 is een akte ondertekend door medeverdachte [medeverdachte 2] , namens [bedrijf 7] BV als hypotheekgever, en medeverdachte [medeverdachte 1] , namens [bedrijf 3] BV, ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het onderpand [adres 2 en 3] te [plaats 1] . Het hypotheekbedrag bedroeg € 422.750,--.

Eveneens op 31 januari 2011 (15 minuten later) zijn de appartementsrechten door medeverdachte [medeverdachte 2] namens [bedrijf 7] BV verkocht aan [oude naam bedrijf 1] BV, vertegenwoordigd door [naam 6] (die op 24 januari 2011 de middellijk bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV was geworden), eveneens voor € 200.000,-- ex BTW.

Een dag later, op 1 februari 2011, heeft medeverdachte [medeverdachte 1] , in de akte van levering aangeduid als schriftelijk gevolmachtigde van [bedrijf 6] BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV, de appartementsrechten van [adres 2 en 3] te Haaksbergen verkocht en geleverd aan [naam 8] , namens [bedrijf 5] BV, voor de prijs van € 625.000,-- ex BTW. Eveneens op 1 februari 2011 heeft [bedrijf 5] de appartementsrechten voor de prijs van € 750.000,-- ex BTW doorverkocht aan [naam 1] .

Uit bankafschriften van [bedrijf 3] BV is gebleken dat [notaris] , het kantoor waar verdachte als notaris aan verbonden was, op 3 februari 2011 een bedrag van

€ 427.932,65 naar [bedrijf 3] BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘Spoedopdracht afl. comm. ruimte H bergen’.

De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van feit 1 het volgende.

Verdachte heeft alle akten met betrekking tot de hiervoor genoemde leverings- dan wel vestigingshandelingen aangaande vorenbedoelde appartementsrechten opgemaakt en deze akten zijn alle voor hem als notaris gepasseerd. Temeer nu deze handelingen in een zeer korte tijdspanne plaatsvonden (21 december 2010 tot en met 1 februari 2011) kan het niet anders zijn dat verdachte, zeker in zijn rol bij dit alles als notaris, wist dat de appartementsrechten toebehoorden aan [oude naam bedrijf 1] BV en dat de opbrengst van de verkoop aan die BV ten goede moest komen. Verdachte heeft meegewerkt aan een U-bochtconstructie, waarin de appartementsrechten binnen die korte tijdspanne beneden de prijs werden doorverkocht aan [bedrijf 7] BV, een BV van [medeverdachte 2] , en daarna weer werden terug verkocht aan [oude naam bedrijf 1] BV. Zodoende werden de appartementsrechten tijdelijk buiten de macht van [oude naam bedrijf 1] BV gebracht om het mogelijk te maken in die tussentijd een hypotheekrecht te vestigen ten gunste van [bedrijf 3] BV. Dat er een lening of andere verplichting tegenover deze hypotheek stond is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat [bedrijf 7] BV (een vennootschap die niet wordt bestuurd door of in bezit is van medeverdachte [medeverdachte 1] en op geen enkele wijze aantoonbaar verband houdt met de [groep] ) in het kader van de reorganisatie binnen de [groep] op enigerlei wijze iets aan [bedrijf 3] BV verschuldigd was. Bovendien had het voor de hand gelegen om indien dergelijke verplichtingen bestonden deze specifiek in de akte te vermelden.

Dat er geen toekomstige leningen en of andere verplichtingen tegenover konden komen te staan was voor verdachte duidelijk, aangezien hij op het moment van het vestigen van de hypotheek (31 januari 2011) wist dat de appartementsrechten aan [naam 1] waren verkocht (28 januari 2011) en dat de levering al op 1 februari 2011 zou plaatsvinden. Dat er in één dag nog een lening of andere verplichting van die omvang zou ontstaan is niet logisch en feiten en omstandigheden op grond waarvan dit op die korte termijn in de lijn der verwachtingen lag zijn gesteld noch gebleken. Een en ander leidt tot de conclusie dat de reden van het vestigen van het hypotheekrecht enkel en alleen kan zijn gelegen in het ten onrechte scheppen van een executoriale titel om de van [naam 1] , via [bedrijf 5] BV, verkregen koopsom, althans een groot deel daarvan, niet aan [oude naam bedrijf 1] BV maar aan [bedrijf 3] BV ten goede te laten komen, hetgeen verdachte ook heeft uitgevoerd door vervolgens op 3 februari 2011 een bedrag groot € 427.932,65 op de rekening van [bedrijf 3] BV over te boeken en aldus dit bedrag aan de verkopende partij [oude naam bedrijf 1] BV te onttrekken.

Verdachte heeft als notaris een onderzoeksplicht en dient toe te zien op een juiste financiële afwikkeling bij de levering van registergoederen en bij de vestiging en levering van beperkte rechten op die registergoederen en dient in de akte op te nemen de gegevens op die voor de rechtstoestand van belang zijn. Daarnaast dient hij erop toe te zien dat de koper het verkochte verkrijgt overeenkomstig de gemaakte afspraken en dat daarbij een juiste financiële afwikkeling plaatsvindt.

Temeer gezien zijn rol in dit geheel, waarbij alle leverings- en vestigingshandelingen met betrekking tot de onderhavige registergoederen voor hem passeren, mag hij daarbij niet afgaan op partijverklaringen en dient hij zelf onderzoek te doen. Aantoonbare onjuistheden in de akten dienen in dat verband in beginsel aan hem te worden toegerekend.

Verdachte heeft onder voren omschreven omstandigheden zijn medewerking verleend aan een opeenvolging van transacties, die gezamenlijk in onderlinge samenhang bezien, klaarblijkelijk als constructie moet worden aangemerkt. Daarbinnen heeft verdachte, zonder dat er een schuld of andere verplichting tegenover stond, een hypotheekrecht gevestigd op grond waarvan hij een deel van de opbrengst van de appartementsrechten, zijnde een betrekkelijk groot bedrag, aan een andere vennootschap dan de verkopende partij heeft doen toekomen.

Verdachte wist dat de [groep] groep in een reorganisatie verwikkeld was en had zich ervan moeten vergewissen dat de onderhavige appartementsrechten buiten de projectovername en verrekeningen vielen. Daar komt nog bij dat in dat verband geen enkele logische en aantoonbare relatie bestond tussen de [groep] groep en [bedrijf 7] BV, in die zin dat daaruit schulden of andere verplichtingen in die orde van grootte zouden voortvloeien.

Verdachte wist, althans, had zich moeten realiseren, dat [oude naam bedrijf 1] BV na de reorganisatie de achterblijvende vennootschap was, van waaruit diverse projecten waren overgeheveld naar de nieuwe vennootschappen en had zich bovendien, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting, waarin hij aangeeft dat de appartementsrechten in eerste instantie werden overgedragen uit angst voor beslaglegging, moeten realiseren dat [oude naam bedrijf 1] BV kwetsbaar was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich als notaris, door te handelen zoals hij deed, op zijn minst willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat de schuldeisers van [oude naam bedrijf 1] BV zouden worden benadeeld.

De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met natuurlijke- en rechtspersonen vorenbedoeld bedrag van

€ 427.932,65 in het zicht van het faillissement van die vennootschap aan de boedel van [oude naam bedrijf 1] BV heeft onttrokken.

De rechtbank overweegt daarbij nog dat het woord “terwijl” in de tenlastelegging, waar de raadsman van verdachte op duidt, niet aan bewezenverklaring in de weg staat, aangezien dit woord niet de betekenis toekomt die de raadsman daaraan verbindt. Gebruik van dit woord houdt verband met het bestanddeel van het delict dat sprake moet zijn van een faillissement van de dader van het gronddelict, waarbij het niet uitmaakt of dit al dan niet wordt uitgesproken in de tijdspanne waarbinnen de onttrekking plaatsvindt. In die zin dient hieraan een kwalificatieve betekenis te worden toegekend. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het vorenstaande in verband met feit 3 het volgende.

Verdachte heeft in de akte van levering van 1 februari 2011 betreffende de onderhavige appartementsrechten ( [adres 2 en 3] ) vermeld dat die rechten werden verkocht door [bedrijf 6] BV en dat namens die vennootschap optrad [bedrijf 6] BV als zelfstandig bevoegd bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV, waarbij [medeverdachte 1] in deze handelde als schriftelijk gevolmachtigde van [bedrijf 6] BV.

Verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat dit niet juist is omdat [bedrijf 6] BV sinds 24 januari 2011 geen bestuurder meer was van [oude naam bedrijf 1] BV. De aandelen zijn op 24 januari 2011 overgedragen aan de [stichting 1] , met als bestuurder [naam 6] , die - zakelijk weergegeven - heeft verklaard in deze als stroman van [medeverdachte 2] te zijn opgetreden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er een koper voor de appartementsrechten was, genaamd [naam 1] , dat de verkoop via [bedrijf 5] BV zou gaan en dat de koopovereenkomst die aan deze levering ten grondslag lag tot stand was gekomen toen [medeverdachte 1] nog middellijk bestuurder was van [oude naam bedrijf 1] BV. Verdachte heeft daarbij toegegeven dat er een belang was bij de verkopende partij om de koper niet af te schrikken door de bestuurswisseling.

De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat de reden om de oude bestuursstructuur in de akte van levering op te nemen is gelegen in de omstandigheid om de koper de vertrouwde contractpartij voor te spiegelen, de stroman buiten zicht te houden en de verkoop, het ging om een betrekkelijk groot bedrag van € 625.000,--, door te laten gaan om zodoende die inkomsten veilig te stellen.

Door hierin mee te gaan en de akte op te stellen alsof de oude vennootschapsstructuur nog in stand was gebleven heeft verdachte als notaris opzettelijk een valse leveringsakte opgemaakt.

Verdachte heeft gesteld dat het een vergissing was en dat hij de volmacht van [naam 6] waarin deze [medeverdachte 1] machtigt om deze transactie namens de [stichting 1] te doen plaatsvinden voorhanden had.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het ongeloofwaardig is dat het hier zou gaan om een vergissing die voor de verkopende partij, die gezien het groot aantal door verdachte in deze opgestelde akten een belangrijke klant van verdachte moet zijn geweest, toevallig goed uitkomt. Daarbij speelt voor wat betreft de overtuiging van de rechtbank ook mee dat deze akte een onderdeel uitmaakt van een samenstel van door verdachte opgestelde akten die verband houdt met de hiervoor omschreven constructie, bedoeld om de opbrengst van de appartementsrechten van [oude naam bedrijf 1] BV voor medeverdachte [medeverdachte 1] veilig te stellen en deze vervolgens aan zijn vennootschap, [bedrijf 3] BV, ten goede te laten komen.

De rechtbank hecht in dit verband dan ook geen doorslaggevende betekenis aan de door verdachte bedoelde volmacht, aangezien ook al zou zo’n volmacht bestaan, dit het vorenstaande niet anders maakt. De rechtbank komt tot de conclusie dat er een aantoonbaar belang was de koper de oude vennootschapsstructuur voor te spiegelen en in dat verband kan de conclusie van de verdediging dat het bestaan van zo’n volmacht bewijst dat er sprake is van een vergissing niet als logische gevolgtrekking worden aanvaard.

De rechtbank concludeert dat verdachte als notaris opzettelijk de authentieke akte valselijk heeft opgemaakt.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het vorenstaande in verband met feit 4 het volgende.

Verdachte heeft op 31 januari 2011 de hypotheekakte opgesteld waarin [bedrijf 7] BV het recht van eerste hypotheek op de onderhavige appartementsrechten ( [adres 2 en 3] ) vestigt ten gunste van [bedrijf 3] BV. In die akte is opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser [bedrijf 3] BV van de schuldenaar [bedrijf 7] BV te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke andere hoofde dan ook.

De rechtbank heeft hiervoor (feit 1) reeds overwogen dat er op het moment van vestigen van deze hypotheek geen leningen of andere verplichtingen tegenover stonden, dat er gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de appartementsrechten aan een derde zouden worden geleverd geen toekomstige leningen of andere financiële verplichtingen in de lijn der verwachting konden liggen en dat de reden van het vestigen van het hypotheekrecht enkel en alleen kan zijn gelegen in het ten onrechte scheppen van een executoriale titel. In de akte is dus in strijd met de waarheid opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden of andere verplichtingen. Gezien de wetenschap en positie waarin verdachte verkeerde toen hij deze akte passeerde en zijn handelwijze daarna, in de zin van uitbetaling aan een ander dan de verkopende partij, kan het niet anders zijn dan dat verdachte dit opzettelijk op deze wijze, in strijd met de waarheid, in de akte heeft opgenomen. De rechtbank concludeert dat verdachte als notaris opzettelijk de authentieke akte valselijk heeft opgemaakt.

5.2.2

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft op 10 september 2009 in een akte van levering van aandelen van de vennootschap [bedrijf 4] BV, waarbij verkoper was [bedrijf 4] Holding BV

- rechtsgeldig vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] - en waarbij koper was [medeverdachte 3] , opgenomen dat de koopsom van die aandelen € 20.000,-- bedroeg.

Op een afrekening van [notaris] van 7 september 2009, gericht aan [medeverdachte 3] betreffende de aankoop van aandelen [bedrijf 4] BV, staat echter een koopsom vermeld van € 3.000,-- alsmede een aantekening met pen “betaald contant 10-09-09”. Volgens verdachte, notaris bij [notaris] , betrof deze afrekening slechts een concept.

De rechtbank overweegt echter dat de afrekening is gevonden in de administratie van het zogenaamde [winkel] van [medeverdachte 3] . De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de afrekening anders te beschouwen dan als daadwerkelijke factuur aan [medeverdachte 3] .

Bovendien is een kopie van het paspoort van [medeverdachte 3] aangetroffen met daarop met de pen geschreven “€ 3.000,--“ en heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij zijn handschrift op de eerder genoemde afrekening met de tekst “betaald contant 10-09-‘09” herkent en dat hij

€ 3.000,-- heeft betaald voor [bedrijf 4] BV.

De rechtbank heeft op grond van deze feiten en omstandigheden de overtuiging bekomen dat in werkelijkheid de koopsom van de aandelen € 3.000,-- bedroeg.

Door desondanks een koopsom van € 20.000,-- in de akte te vermelden, heeft verdachte willens en wetens een valse opgave in een authentieke akte gedaan, met het oogmerk om die akte als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken. Een notariële akte dient immers bij uitstek tot bewijs van de daarin vermelde afspraken tussen partijen.

Voor een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en) bij het opnemen van genoemde valsheid in de notariële akte, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde voor zover dat een samenwerking met (een) ander(en) betreft.

5.2.3

Ten aanzien van feit 5

Op 30 september 2011 om 14.45 uur is door verdachte als notaris een authentieke akte van levering opgemaakt ter zake van ‘het perceel grond met daarop gestichte opstallen’ aan de [adres 4] te [plaats 2] door [getuige 4] aan [bedrijf 10] BV. De koopprijs bedroeg € 500.000,--, zonder verschuldigdheid van omzetbelasting.

Op 30 september 2011 om 21.00 uur is door verdachte als notaris wederom een authentieke akte van levering opgemaakt ter zake van ‘een perceel bouwterrein’ aan de [adres 4] te [plaats 2] door [bedrijf 10] BV aan [bedrijf 3] BV, vertegenwoordigd door [bedrijf 6] BV, vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] , die een volmacht heeft afgegeven. De koopprijs bedroeg € 530.000,--, te vermeerderen met € 100.700,-- aan omzetbelasting.

Beide akten hebben betrekking op hetzelfde perceel.

[getuige 3] , medewerker van [bedrijf 22] , heeft verklaard dat de sloop van de opstallen op het onderhavige perceel grond op 22 september 2011 was begonnen, en is stilgelegd op 4 november 2011. Bij [bedrijf 22] zijn ter zake van de sloop twee dagrapporten met urenregistratie aangetroffen. Volgens deze dagrapporten zijn de sloopwerkzaamheden aangevangen op 26 september 2011 en voortijdig gestopt op 4 november 2011.

[bedrijf 22] heeft verklaard dat er rond 30 september nog veel sloopwerk moest gebeuren.

Overwegingen van de rechtbank

Valsheid opgave bouwterrein

Wat er zij van de fiscale duiding van de toestand van het perceel aan de [adres 4] te [plaats 2] ten tijde van de levering op 30 september 2011, de rechtbank heeft op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden de overtuiging bekomen dat verdachte in de door hem opgemaakte notariële akte van levering van het betreffende perceel valselijk heeft vermeld dat het een perceel bouwterrein betrof, terwijl zich daarop feitelijk nog opstallen bevonden.

De rechtbank overweegt dat weliswaar fiscaal-juridisch in beginsel geen regel is overtreden door het betreffende perceel als bouwterrein aan te merken ondanks daarop aanwezige opstallen, maar dat neemt niet weg dat een notariële leveringsakte met het oog op mogelijke goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke implicaties blijk moet geven van de toestand van het geleverde zoals dit feitelijk is. Dit verdraagt zich niet met aanpassingen in de omschrijving van deze feitelijke toestand met het oog op beoogde fiscaalrechtelijk gevolgen. Een notaris behoort zich er uit hoofde van zijn ambt zo goed mogelijk van te vergewissen wat de feitelijke toestand behelst van het onderwerp van een akte tot levering. In beginsel kan raadpleging van de openbare registers daartoe volstaan. Wanneer de notaris echter op een en dezelfde dag wordt ingeschakeld voor het opmaken van een leveringsakte met betrekking tot hetzelfde goed, doch dat goed volgens partijen – waarbij een van de partijen zowel partij was bij de eerste levering als bij de tweede – andere feitelijke eigenschappen heeft, gaat het met het oog op goederen- en verbintenisrechtelijke implicaties niet aan zich uitsluitend te verlaten op de partijverklaringen.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank weliswaar niet in nauwe, bewuste en volledige samenwerking met een ander of met een rechtspersoon gehandeld – van welke beschuldiging de rechtbank verdachte dan ook zal vrijspreken –, doch is naar het oordeel van de rechtbank bewust instrumenteel geweest teneinde een door (een van de) partijen beoogd fiscaal voordeel te bewerkstelligen.

Opgave met betrekking tot de omzetbelasting

De rechtbank overweegt dat nu uit het dossier niet blijkt van enige valse weergave van de in de notariële leveringsakte opgenomen partijverklaringen met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting, dan wel enige valsheid van de zijde van de notaris met betrekking tot de verschuldigdheid zelf, het onder feit 5 ten laste gelegde voor zover dit feit enige opgave betreft met betrekking tot (de verklaring van de verkoper omtrent) de verschuldigdheid van omzetbelasting, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal dan ook in zoverre worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend kan worden bewezen het onder feit 5 ten laste gelegde dat verdachte een authentieke akte van levering valselijk heeft opgemaakt door daarin te vermelden dat het geleverde een perceel bouwterrein betrof terwijl het in werkelijkheid een perceel grond met daarop (deels gesloopte) opstallen betrof.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] BV (voorheen tot 18 april 2011 genaamd [oude naam bedrijf 1] BV), in ieder geval de besloten vennootschap ingeschreven in het Handelsregister Kamer van Koophandel onder nummer [KvK-nummer 1] , in de periode februari 2011 tot en met juni 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen personen en/of met een andere rechtspersoon,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, een goed, te weten een bedrag van Euro 427.932,65, zijnde een deel van de verkoopopbrengst van appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële

ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] van de verkopen en leveringen op 1 februari 2011aan de boedel had onttrokken, hierin bestaande, dat dat geldbedrag, welk geldbedrag diende te worden overgemaakt naar [oude naam bedrijf 1] BV (of vanaf 18 april 2011 naar Euro Project Ontwikkeling BV), vanaf een zogenaamde derdengeldenrekeningen van kantoor [notaris] werd overgemaakt naar een bankrekening van [bedrijf 3] BV, welke bedrag met rentedata van respectievelijk 3 februari 2011werd bijgeschreven op een bankrekening van [bedrijf 3] BV, terwijl er geen sprake was van een kenbare tegenprestatie van [bedrijf 3] BV;

2.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 10 september 2009, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering aandelen van de aandelen van de vennootschap [bedrijf 4] BV, waarbij verkoper was [bedrijf 4] Holding BV en waarbij koper was [medeverdachte 3] , zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld dat de koopsom van die aandelen Euro 20.000,- bedroeg, terwijl in werkelijkheid de koopsom Euro 3.000,- bedroeg;

3.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 1 februari 2011, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering van appartementsrecht, te weten de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] , waarbij verkoper was [oude naam bedrijf 1] BV en waarbij koper was [bedrijf 5] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat [bedrijf 6] BV in deze handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [oude naam bedrijf 1] , waarbij [medeverdachte 1] in deze handelde als schriftelijk gevolmachtigde

van [bedrijf 6] BV, terwijl [bedrijf 6] BV op 1 februari 2011 -sinds 24 januari 2011- geen bestuurder (meer) was van [oude naam bedrijf 1] BV, namelijk was in het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgenomen dat [bedrijf 6] BV per 24 januari 2011 als bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV uit functie was getreden en dat per 24 januari 2011 als bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV de [stichting 1] in functie was getreden;

4.

hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 31 januari 2011, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, inhoudende (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever [bedrijf 7] BV had verklaard dat het recht van eerste hypotheek en eerste pand was verleend tot een bedrag van Euro 422.750,- op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 2] te [plaats 1] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres 3] te [plaats 1] , tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser [bedrijf 3] BV blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook, en dat bij het verlijden van genoemde hypotheekakte aanwezig waren [medeverdachte 2] (zakelijk weergegeven) handelend als bestuur van [stichting 2] , welke stichting handelde als bestuur van [bedrijf 8] BV, welke vennootschap handelde als bestuur van [bedrijf 9] BV en welke vennootschap op haar beurt handelde als bestuur van de schuldenaar/hypotheekgever, [bedrijf 7] BV, en [medeverdachte 1] handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 6] BV, welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van de schuldeiser, [bedrijf 3] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die authentieke akte inhoudelijk als bovenomschreven werd verleden, terwijl verdachte wist dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht geen geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan;

5.

hij in Nederland, op 30 september 2011, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering van een registergoed, waarbij verkoper was [bedrijf 10] BV en waarbij koper was [bedrijf 3] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld:

-dat het een perceel bouwterrein betrof, plaatselijk gelegen [adres 4] te [plaats 2] , kadastraal bekend als [gemeente] [sectie, nummer] , groot vijftien are en zestien centiare, terwijl het in werkelijkheid een perceel grond met daarop deels gesloopte opstallen betrof.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47 juncto 341 ahf onder aan, sub 1 en artikel 226 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon;

ten aanzien van feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5:

telkens het misdrijf: valsheid in geschrift, gepleegd in authentieke akten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Uit alleen al het onder 1 bewezenverklaarde volgt dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een bedrag van € 427.932,65 aan de boedel van [oude naam bedrijf 1] BV heeft onttrokken. Volgens die oriëntatiepunten hoort bij dit nadeelbedrag een gevangenisstraf in de orde van grootte van achttien maanden. Daar komt nog bij dat verdachte zich in de rol van notaris schuldig heeft gemaakt van valsheid in geschrift in meerdere authentieke akten, waardoor medeverdachten door een onjuiste weergave derden konden misleiden en benadelen.

De notaris heeft een bijzondere positie in het maatschappelijk verkeer. Van een notaris wordt onafhankelijkheid en onpartijdigheid verwacht. Daartoe heeft de notaris een geheimhoudingsplicht die wordt geschraagd door een wettelijk erkend verschoningsrecht, ter waarborging van zijn positie en het in hem gestelde vertrouwen. Dat noopt de notaris tot een zorgvuldige uitoefening van zijn ambt, waarbij hij diensten weigert die in strijd zijn met het recht of de openbare orde, of de handelingen die een ongeoorloofd doel of gevolg hebben. De notaris dient in zijn ambt de rechtszekerheid, hij is bij uitstek een functionaris bij wie betrouwbaarheid hoog in het vaandel moet staan. Dat geldt - uit de aard der zaak - ook voor het gebruik van de derdengeldrekening waar de notaris over beschikt en die ziet op gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden ‘als zodanig’ onder zich neemt.

Dit alles heeft de verdachte met voeten getreden. Ook heeft hij het in hem gestelde vertrouwen beschaamd en zijn positie als professionele geheimhouder misbruikt door actief mee te werken aan een bedrieglijke bankbreuk en het opmaken van valsheden in authentieke akten.

Een notaris dient zich onkreukbaar op te stellen en ook als zodanig te handelen. Het in het algemeen in een notaris te stellen vertrouwen is door het handelen van verdachte ernstig aangetast, hetgeen de verdachte door de rechtbank zwaar wordt aangerekend.

Redelijke termijn

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het de rechtbank als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Verdachte is op 9 januari 2013 voor het eerst als verdachte gehoord en de uitspraak in deze zaak vindt plaats op 19 juni 2015. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de vervolging van verdachte ongeveer twee jaren en vijf maanden in beslag heeft genomen. Mede gelet op de complexiteit van deze zaak is de redelijke termijn dan niet geschonden. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank komt tot de volgende conclusie.

Aan verdachte dient een gevangenisstraf van aanzienlijke duur te worden opgelegd, die gelet op het voren overwogene omtrent de bijzonder positie die verdachte in zijn rol als notaris bij de strafbare feiten heeft ingenomen, hoger dient te zijn dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden in de persoonlijke sfeer, waaronder de omstandigheid dat verdachte niet langer notaris is. Dat alles afwegend brengt met zich dat de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.

De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte niet in de gelegenheid zal komen het notarisambt opnieuw te bekleden en zal het door de officier van justitie gevorderde verbod om dit ambt uit te oefenen niet opleggen.

Nu bewezenverklaring van de feiten 2 tot en met 5 impliceert dat de rechtbank valsheid in authentieke geschriften aanneemt, zal de rechtbank op de voet van artikel 356 van het Wetboek van Strafvordering bij de uitspraak aanwijzen waarin de valsheid bestaat.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


feit 1 primair: het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon;


ten aanzien van feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 telkens het misdrijf: valsheid in geschrift, gepleegd in authentieke akten;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren;

bijkomende beslissingen

- wijst aan dat de valsheid van de in feit 2 bedoelde authentieke akte hierin bestaat dat daarin is opgenomen: “De koopsom voor de aandelen bedraagt twintigduizend euro

(€ 20.000,00)”, terwijl de koopsom in werkelijkheid drieduizend euro (€ 3.000,--) bedraagt;

  • -

    wijst aan dat de valsheid van de in feit 3 bedoelde authentieke akte hierin bestaat dat daarin is opgenomen: “de heer [medeverdachte 1] (…) te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de (…) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 6] B.V. (…) te dezen handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van de (…) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [oude naam bedrijf 1] B .V. (…)”, terwijl [bedrijf 6] BV op het moment waarop deze akte is gepasseerd geen bestuurder (meer) was van [oude naam bedrijf 1] BV;

  • -

    wijst aan dat de valsheid van de in feit 4 bedoelde authentieke akte hierin bestaat dat daarin is opgenomen dat het hypotheekrecht was verleend “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook (…)”, terwijl tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht geen geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan;

  • -

    wijst aan dat de valsheid van de in feit 5 bedoelde authentieke akte hierin bestaat dat daarin is opgenomen: dat de levering “een perceel bouwterrein” betreft, terwijl het in werkelijkheid een perceel grond met daarop (deels) gesloopte opstallen betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. H. Stam en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015.

Buiten staat

Mr. M. Aksu is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie FIOD/ECD met nummer 47791. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1 en feit 3 en feit 4

1.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2015 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Omstreeks 2001 ben ik notaris geworden. Desgevraagd zeg ik u dat ik ten tijde van de ten laste gelegde feiten notaris was. Het is juist dat ik mij bezig heb gehouden met het opmaken de notariële aktes die in de tenlastelegging zijn vermeld.

[oude naam bedrijf 1] BV was overgenomen door [naam 6] . Er werd veel waarde aan gehecht om de overeenkomst in stand te houden om de koper niet af te schrikken. Die informatie moest dan ook bij mij blijven en viel onder mijn geheimhoudingsplicht. [naam 6] heeft volmacht gegeven aan [medeverdachte 1] om als gemachtigde van [oude naam bedrijf 1] BV de aktes te passeren. Er werd veel waarde aan gehecht om de levering vanuit [oude naam bedrijf 1] BV te doen. De transactie had tussen [naam 1] en [medeverdachte 1] plaatsgevonden en dat nu [naam 6] er bij zou kunnen komen, zou dat de uitvoering van de overeenkomst kunnen schaden.

Desgevraagd zeg ik u dat hetgeen in de akte vermeld onder feit 3, staat, niet juist is.

2.

Een geschrift zijnde een vonnis (AG-02) van de rechtbank Rotterdam d.d. 20 december 2011 waaruit blijkt: dat [bedrijf 1] BV op 20 december 2011 in staat van faillissement is verklaard.

3.

Een geschrift (D-079) zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 1] BV d.d. 10 mei 2012 waaruit blijkt dat:

- dat [bedrijf 1] BV op 13 juni 2002 door verdachte [medeverdachte 1] is opgericht onder de naam [oude naam bedrijf 1] BV. [oude naam bedrijf 1] BV ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw.

- Verdachte [medeverdachte 1] is vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 (on)middellijk bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011 middellijk bestuurder, middels [bedrijf 6] BV).

- De aandeelhouder van [oude naam bedrijf 1] BV was gedurende de periode 18 september 2003 tot 31 december 2010 de [stichting 3] . Bestuurders van deze stichting waren verdachte [medeverdachte 1] , zijn vader [naam 4] en zijn zuster [naam 5] .

- Op 31 december 2010 zijn de aandelen van [oude naam bedrijf 1] BV ondergebracht in [bedrijf 6] BV.

- De laatste statutenwijziging vond plaats op 18 april 2011 en betrof de naamswijziging van [oude naam bedrijf 1] BV in [bedrijf 1] BV.

- [naam 6] is vanaf 24 januari 2011, middels [stichting 1] , bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV, later genoemd [bedrijf 1] BV.

- [bedrijf 1] BV is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard.

4.

Een geschrift (D-072) zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 1] BV d.d. 8 mei 2012 waaruit blijkt dat:

- [bedrijf 6] BV is opgericht op 7 december 2010.

- De [stichting 3] , later genoemd [stichting 4] , is vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van [bedrijf 6] BV en wordt bestuurd door verdachte [medeverdachte 1] , zijn vader [naam 4] en zijn zuster [naam 5] .

- Vervolgens werden in januari 2010 de navolgende rechtspersonen opgericht:

- [bedrijf 13] BV

- [bedrijf 14] BV

- [bedrijf 15] BV

- [bedrijf 3] BV

- [bedrijf 16] BV

- [bedrijf 17] BV

- [bedrijf 18] BV

- [bedrijf 19] BV

- [bedrijf 20] BV.

De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [bedrijf 6] BV.

- Verdachte [medeverdachte 1] is sinds 7 december 2010 bestuurder van [bedrijf 6] BV.

5.

Een proces-verbaal van aangifte (AG-01) d.d. 1 mei 2012, voor zover inhoudende de verklaring van de aangever (curator) W.H.J.M. Haafkes, zakelijk weergegeven inhoudende:

In het zicht van het faillissement van bovengenoemde vennootschap zijn er vermoedelijk

onroerende zaken aan de boedel onttrokken althans is hiervoor geen reële koopprijs

betaald . Ook is vermoedelijk niet voldaan aan de op de bestuurder rustende verplichting

voor het voeren van een administratie zoals genoemd in art 2:10 BW dan wel 3:15 i BW.

Bovendien is door de bestuurder niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om

administratie aan de curator over te leggen dan wel tevoorschijn te brengen. Voorts zijn er

vermoedelijk onjuiste inlichtingen verstrekt aan de curator c.q . zijn er geen inlichtingen

verstrekt op door de curator gestelde vragen.

6.

Een akte (D-509) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 21 december 2010 opgemaakt door notaris [verdachte] waaruit blijkt dat:

De appartementsrechten m.b.t. de commerciële ruimten [adres 2 en 3] te [plaats 1] worden door verdachte [medeverdachte 1] , namens [oude naam bedrijf 1] BV, o.g.v. een koopovereenkomst d.d. 15 juni 2010 geleverd aan [naam 7] (een medewerker van verdachte [medeverdachte 1] ) voor de prijs van € 200.000,-- ex BTW.

7.

Een akte (D-510) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 29 december 2010 opgemaakt door notaris [verdachte] waaruit blijkt dat:

De appartementsrechten m.b.t. de commerciële ruimten [adres 2 en 3] te [plaats 1] worden door [naam 7] verkocht aan medeverdachte [medeverdachte 2] namens [bedrijf 7] BV, eveneens voor de prijs van € 200.000,-- ex BTW.

8.

Een akte (D-511) zijnde een hypotheekakte d.d. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] waaruit blijkt dat:

op deze datum wordt de akte ondertekend door medeverdachte [medeverdachte 2] , namens [bedrijf 7] BV als hypotheekgever en verdachte [medeverdachte 1] , namens [bedrijf 3] BV ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het onderpand [adres 2 en 3] te [plaats 1] . Het hypotheekbedrag is € 422.750,--.

9.

Een akte (D-512) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] waaruit blijkt dat: De appartementsrechten m.b.t. de commerciële ruimten [adres 2 en 3] te [plaats 1] eveneens op 31 januari 2011 (15 minuten later) door medeverdachte [medeverdachte 2] namens [bedrijf 7] BV worden verkocht aan [oude naam bedrijf 1] BV, vertegenwoordigd door [naam 6] voor

€ 200.000,-- ex BTW.

10.

Een akte (D-321) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 1 februari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] waaruit blijkt dat:

verdachte [medeverdachte 1] als schriftelijk gevolmachtigde van [bedrijf 6] BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [oude naam bedrijf 1] BV de appartementsrechten van [adres 2 en 3] te [plaats 1] op 1 februari 2011 aan [naam 8] , namens [bedrijf 5] BV, verkoopt voor de prijs van € 625.000,-- ex BTW.

11.

Een akte (D-320) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 1 februari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] waaruit blijkt dat:

[naam 8] de appartementsrechten van [adres 2 en 3] te [plaats 1] op 1 februari 2011 doorverkoopt aan [naam 1] voor de prijs van € 750.000,-- ex BTW.

12.

Een geschrift (D-531) zijnde een bankafschrift van de Rabobank ten name van [bedrijf 3] BV blijkt dat [notaris] 3 februari 2011 een bedrag van € 427.932,65 naar [bedrijf 3] BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘Spoedopdracht afl. comm. ruimte H’bergen.

13.

Een geschrift (D-546) zijnde een bankafschrift van de Rabobank ten name van

[bedrijf 3] BV blijkt dat [notaris] op 7 april 2011 een bedrag van

€ 119.000,-- naar [bedrijf 3] BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘bouwtermijn’.

14.

Een geschrift (D-547) zijnde een bankafschrift van de Rabobank ten name van

[bedrijf 3] BV blijkt dat [notaris] op 17 juni 2011 een bedrag van

€ 119.000,-- naar [bedrijf 3] BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘doorbetaling [naam 1] deb. 2039 / fact. 201110’.

15.

Een geschrift (D-475) zijnde een overzicht journaalpost d.d.28-09-2012 waaruit blijkt dat

de op de bankrekening van [bedrijf 3] BV gestorte gelden zijn verwerkt als opbrengst van de verkoop van de aandelen [oude naam bedrijf 1] BV, met de omschrijving ‘Verkoop resultaat [oude naam bedrijf 1] BV’ (totaal € 646.933,--, nl. € 119.000,-- + € 100.000,-- + € 427.933,--).

16.

Een geschrift (D-410) zijnde de geconsolideerde cijfers van [bedrijf 6] BV op gemaakt door [naam 3] accountants en adviseurs blijkt dat:

over de periode 7 december 2010 tot en met 31 maart 2011 € 140.905,-- als resultaat van de verkoop van deelneming [oude naam bedrijf 1] BV is vermeld.

Dit is het saldo van € 646.933,-- (opbrengsten via [bedrijf 3] BV) en € 506.028,-- (inbrengwaarde [oude naam bedrijf 1] BV, dit blijkt uit geschrift (D-373) zijnde beschrijving van inbreng op gesteld door verdachte op 31 december 2010.

Feit 2

17.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 oktober 2012 (V-007-03 ), voor zover inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] , zakelijk weergegeven inhoudende:

Vraag verbalisanten: Wij tonen gehoorde een uittreksel KvK nummer [KvK-nummer 2] van

[bedrijf 4] BV. Wanneer, van wie en met welke reden hebt u [bedrijf 4] B V

gekocht?

Antwoord gehoorde:

"Ik zie in de stukken, dat ik [bedrijf 4] op 18 september 2009 heb gekocht . Ik heb

deze gekocht van [medeverdachte 2] . Mijn vrouw en ik wilden toen een winkel beginnen. Dit is de

B.V. voor Het [winkel] die door ons voor € 3.500,-- is gekocht van [medeverdachte 2] . Dit is

door ons volgens mij contant betaald aan [medeverdachte 2] .

Vraag verbalisanten : Wij tonen gehoorde, van [bedrijf 4] BV, de akte van

oprichting d.d. 26-06-2009 en de akte van levering aandelen d.d. 10-09-2009. Uit de

aktes komt naar voren dat u de BV koopt van de oprichter, [bedrijf 4] Holding BV ,

rechtsgeldig vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] . Is dit juist en hoe zijn de onderhandelingen verlopen met betrekking tot uw aankoop?

Antwoord gehoorde:

' [medeverdachte 2] had in die tijd ineens een andere notaris. Hij was eerst bij een notaris in Almelo

en die naam lees ik in deze akte. Dat is de heer [naam 10] . Ik zie, dat dit bij een notaris is

te Neede. Ik wist, dat ik er een eindje voor moest rijden.

Ik heb daar alleen met [medeverdachte 2] over gesproken. Er zijn verder geen afspraken over

gemaakt, behalve over de prijs.

Vraag verbalisanten: In de akte van levering wordt aangegeven dat de koopsom voor de

aandelen € 20.000,-- bedraagt en dat de koper heeft verklaard gemelde koopsom te hebben voldaan door betaling aan [naam 3] Accountant . Gevraagd wordt op welke wijze

gehoorde deze koopsom heeft voldaan. (Zie tevens D-347, pagina 14 )

Antwoord gehoorde:

"Daar heb je de vier keer € 5.000,-- die via [bedrijf 11] aan [naam 3] zijn betaald ,

waarvan u mij eerder stukken heeft getoond. Ik vind het vreemd, dat kennelijk € 20.000,--

is betaald aan [naam 3] , terwijl ik de B.V. niet van [naam 3] heb gekocht.

Ik heb deze akte inderdaad getekend. Ik kan mij niet indenken, dat ik destijds bij die

notaris heb verklaard, dat ik € 20.000 heb betaald aan [naam 3] . Ik heb namelijk € 3.500,--

betaald aan [medeverdachte 2] voor [bedrijf 4] BV. "

Vraag verbalisanten: Wij tonen gehoorde een afrekening van [notaris]

gericht aan [medeverdachte 3] betreffende de aankoop aandelen [bedrijf 4] BV. Op de

afrekening staat een koopsom van € 3.000,-- alsmede een aantekening met pen

"betaald contant 10-09-09". Tevens tonen wij een kopie paspoort van gehoorde met o.a.

de penaantekening € 3.000,--. Gevraagd wordt waar deze afrekening betrekking op heeft

en hoe dit is te rijmen met de koopsom van € 20.000,-- zoals vermeld in de akte van levering

Antwoord gehoorde:

"Dit is de € 3.000,-- die ik voor [bedrijf 4] BV. heb betaald. Dit was exclusief de

kosten, dus totaal € 3.500,--.

18.

Een akte, te weten een akte van levering van aandelen (D 429a) opgemaakt door notaris [verdachte] op 10 september 2009 waaruit blijkt dat: dat de koopsom voor de levering van aandelen van de vennootschap [bedrijf 4] BV € 20.000,-- bedraagt.

19.

Een geschrift, te weten een afrekening van notariskantoor [notaris] gedateerd september 2009 gericht aan de [medeverdachte 3] ten bedrage van € 3456,96 (incluis BTW) waarop “handgeschreven staat: “betaald contant 10-09-09”.

20.

Een geschrift, te weten paspoort (D 437) op naam van [medeverdachte 3] waarop handgeschreven staat: “ [adres 5] [plaats 3] € 3000,--“.

21.

Een geschrift, (D 503) te weten een afschrift van grootboek mutaties van de firma Het [winkel] waaruit blijkt dat onder de post rekeningcourant € 3000,-- euro is geboekt afkomstig van [notaris] in september 2009.

Feit 5

22.

Een proces-verbaal van verhoor (G-57-01) d.d. 14 november 2011, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] , zakelijk weergegeven inhoudende;

Ik ben via [medeverdachte 2] in contact gekomen met [medeverdachte 1] en van het een komt het ander.

Noot: Aan gehoorde wordt een samenvatting voorgehouden uit D-370 betreffende diverse e-mail contacten tussen onder meer [getuige 1] en [medeverdachte 1] en [naam 7] . Uit D-370 valt op te maken dat [getuige 1] vanaf het begin alle door hem gemaakte stappen door mailt aan [medeverdachte 1] e/o [naam 7] , namelijk:

14 januari 2011 [getuige 1] zoekt telefonisch contact met [medeverdachte 1] ;

15 februari 2011 om 10:00:59 uur [getuige 1] zoekt telefonisch contact met [medeverdachte 1]

;

15 februari 2011 om 19:19:39 uur [getuige 1] mailt aan [emailadres] de bevestiging aan [naam 11] van de koop van de [adres 4] te [plaats 2] voor een koopsom van E 300.000,--.

Vraag: Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord:

"Ik had op 15 februari 2011 een mondeling overeenkomst wat betreft de koop van het

pand [adres 4] te [plaats 2] . Het feit dat ik telefonisch en vervolgens per e-mail

[medeverdachte 1] van de overeenkomst op de hoogte stel komt omdat het een samen werking is en

het belangrijk was dat [medeverdachte 1] wist dat de koop rond was" .

Het pand is gesloopt door [bedrijf 22] en de kosten zijn volgens [getuige 1] betaald door [medeverdachte 1] ( [bedrijf 6] BV/ [bedrijf 3] BV).

23.

Een proces-verbaal van verhoor (G-021-01) d.d. 13 september 2012, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2] , zakelijk weergegeven inhoudende;

Wanneer heeft u de opdracht gekregen tot de sloop van het pand gelegen op het perceel

[adres 4] te [plaats 1] ?

Antwoord:

"De opdracht was van 20-06-2011. Opdrachtgever is [getuige 1] voor het bedrijf [bedrijf 23]

B.V. [getuige 1] heeft in een eerder stadium telefonisch contact opgenomen met

mijn medewerker [getuige 3] .

Vanaf welke datum is de sloop van het pand [adres 4] te [plaats 2] aangevangen?

De sloop van het pand zelf is aangevangen op 22 september 2011". De eerste vrijgave

voor het asbest is op 26 augustus 2011 geweest. De sloop is op 4 november 2011

stilgelegd.

24.

Een proces-verbaal van verhoor (G-023-01) d.d. 13 september 2012, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 3] , zakelijk weergegeven inhoudende;

Vraag: Wanneer heeft u voor het eerst contact gehad met [getuige 1] ?

Antwoord: Op maandag 28 februari 2011 om 13.00 op de locatie.

Vraag: Vanaf welke datum is de sloop van het pand [adres 4] te [plaats 2] aangevangen?

Antwoord: "De sloop van het pand zelf is aangevangen op 22 september 2011. De sloop is op vrijdag 4 november 2011 stilgelegd".

25.

Een akte zijnde een akte van levering (D-061) van een registergoed zijnde een perceel bouwterrein gelegen aan de [adres 4] te [plaats 2] opgemaakt op 30 september 2011 door notaris [verdachte] .

26.

Een geschrift zijnde dagrapportlurenregistratie (D-256) d.d. 3-10 t/m 7-10 2011 ter zake van de opstal gelegen aan de [adres 4] te [plaats 2] . Volgens deze rapporten zijn de sloopwerkzaamheden aangevangen op 26 september 2011 en voortijdig gestopt op

4 november 2011.

27.

Een geschrift zijnde een koopcontract (D-192) tussen [naam 11] / [medeverdachte 3] en [getuige 1] ter zake [adres 4] [plaats 2] : een fotokopie van een (concept) koopcontract.

28.

Een geschrift zijnde een koopcontract (D-058) tussen [bedrijf 23] BV / [getuige 1] en [getuige 4] (aangetroffen op het adres van [bedrijf 14] BV).

29.

Een geschrift zijnde kladaantekeningen d.d. 29 maart 2011 (D-284) waarop de constructie inzake de te nemen tussenstappen en het samenspannen van daarbij behorende partijen zijn geschetst. Al deze stappen zijn ook conform deze schets uitgevoerd. (Op het zakelijk adres van [bedrijf 3] BV aangetroffen).

30.

Een geschrift zijnde kladaantekeningen( D-272) waarop constructie inzake de bedragen staat vermeld. Al deze stappen zijn ook conform schets uitgevoerd

31.

Een proces-verbaal van verhoor (G-028-01) d.d. 3 oktober 2012, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 4] , zakelijk weergegeven inhoudende;

Eind van zomer 2011 is er opnieuw contact geweest met [medeverdachte 1] over de

aankoop door [medeverdachte 1] van het pand. Ik heb het pand toen aangeboden voor

prijs € 525.000,--. Dat vond [medeverdachte 1] te veel. De uiteindelijke deal is voor

€ 500.000,-- overeengekomen. Ik heb het pand [adres 4] te [plaats 2] aan [medeverdachte 1]

verkocht voor € 500.000,--. Ik heb het pand [adres 4] te [plaats 2] zonder omzetbelasting, maar wel met overdrachtsbelasting aan [medeverdachte 1] verkocht. Ik ben voor de verkoop niet naar de notaris geweest, maar ik heb een machtiging afgegeven. De machtiging is volgens mij per mail gegaan. [medeverdachte 1] heeft de verkoop allemaal via notaris [verdachte] geregeld. Daar heb ik mij niet mee bemoeid.

32.

Een proces-verbaal van verhoor (G-031-01) d.d. 22 oktober 2012, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 5] , zakelijk weergegeven inhoudende;

U vraagt mij of er onroerend goed transacties in [bedrijf 10] B.V.

hebben plaatsgevonden. Ik weet daar niets van af. Daarvan is mij niets bekend. Als er

iets van geweest is dan moet het bij de notaris geweest zijn. De aan en verkoop van een

pand [adres 4] te [plaats 2] zegt mij niets. Dan weten jullie meer dan ik. Serieus ik

weet niets van deze transactie, echt waar niet. Ik heb wel eens een machtiging aan de notaris afgegeven. Ik heb wel eens een machtiging afgegeven aan [medeverdachte 2] , aan [naam 12] , aan de notarissen [verdachte] en [naam 13] .

Mij is helemaal niets bekend van de transacties inzake de [adres 4] te [plaats 2] . Dit zegt mij helemaal niets. Ik krijg hier een heel raar gevoel van. Ik denk dat ik gebruikt ben als katvanger in de onroerend goed transactie [adres 4] te [plaats 2] .