Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4112

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
3536273 CV EXPL 14-8524
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 27 oktober 2015 te 09.30 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Locatie Zwolle

Zaaknr. : 3536273 CV EXPL 14-8524

Datum : 12 mei 2015

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

verder te noemen Dexia,

gemachtigde USG Legal Professionals,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde],

gemachtigde mr. G. van Dijk.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken en uit die stukken blijkt het procesverloop:

  • -

    dagvaarding van 10 oktober 2014

  • -

    conclusie van antwoord

  • -

    conclusie van repliek

  • -

    conclusie van dupliek.

Geschil

Dexia vordert de verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Dexia, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Beoordeling

1.1.

Het volgende staat vast.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn in de periode 1995-2000 de volgende vier effectenleaseovereenkomsten gesloten:

nummer datum naam eindsaldo

[nummer 1] 30-01-1995 Spaarleasen [eindsaldo 1]

[nummer 2] 07-04-1995 Legio-Jubileumplan [eindsaldo 2]

[nummer 3] 25-09-1997 Feestplan [eindsaldo 3]

[nummer 4] 17-10-2000 Legio Feestplan [eindsaldo 4].

1.2.

Bij brief, ontvangen door Dexia op 17 april 2007, heeft de echtgenote van [gedaagde] de vernietiging van de overeenkomsten genummerd [nummer 3] en [nummer 4] ingeroepen vanwege haar (vermeende) ontbrekende toestemming (artikel 1:89 BW).

1.3.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft [gedaagde] aan Dexia laten weten zich alle rechten jegens Dexia voor te behouden.

1.4.

Bij brief van 20 augustus 2014 heeft Dexia aan [gedaagde] verzocht haar te berichten dat zij aan al haar verplichtingen jegens hem heeft voldaan (een zogeheten waiver). Bij gebreke van een tijdige reactie zal een procedure volgen, aldus deze brief. In de brief staat ook, dat [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding vanwege het door hem per saldo genoten voordeel.

2.1.

Dexia wenst dat aan haar geschil met [gedaagde] nu definitief een einde komt. Zij wenst zekerheid over haar rechtspositie ten opzichte van [gedaagde] en niet tot in lengte van dagen te wachten of hij nog een claim bij haar zal indienen.

Het op artikel 1:89 BW rustende beroep op vernietiging was reeds verjaard en daarom tardief. [gedaagde] heeft nagelaten een op die vernietiging gebaseerde, reconventionele vordering in te stellen. In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] artikel 128 lid 5 Rv. niet in acht genomen.

2.2.

[gedaagde] stelt dat zijn echtgenote tijdig de vernietiging heeft ingeroepen. Verder voert [gedaagde] aan dat aan de Hoge Raad in het arrest van het Hof Amsterdam d.d. 20 januari 2015 (ECLI:NL: GHAMS:2015:105) de volgende prejudiciële vragen zijn gesteld:

- strekt de stuitende werking op de voet van art. 3:316 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uit tot de verjaring van de buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW?;

en bij een bevestigend antwoord op die vraag:

- leidt alsdan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?

Het antwoord op deze vragen is met name van belang voor het leasecontract dat op 17 oktober 2000 is afgesloten. Op 13 maart 2003 is door Stichting Eegalease namelijk een collectieve procedure gestart, gericht op artikel 1:89 BW, welke procedure heeft geleid tot het, inmiddels onherroepelijke, vonnis van 25 augustus 2004. Binnen de termijn van drie jaren gerekend vanaf de datum van dit vonnis, heeft de echtgenote van [gedaagde] door middel van de brief de overeenkomst vernietigd.

3.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Het aan artikel 128 lid 5 Rv. ontleende, processuele bezwaar van Dexia wordt verworpen. De conclusie van antwoord bevat een in algemene termijnen vervat bewijsaanbod, in die zin dat [gedaagde] heeft gesteld dat zijn verweer kan worden bewezen door het doen horen van getuigen, te weten zijn echtgenote en [gedaagde] zelf. Ook heeft [gedaagde] stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt.

Voor zover Dexia zich (ook) op artikel 128 lid 3 Rv. heeft willen beroepen volgt de kantonrechter haar niet in haar verweer. Uit dit artikellid volgt niet, dat [gedaagde] op straffe van verval van het recht daartoe álle principale verweren in de conclusie van antwoord moet vermelden. Deze conclusie dient wel principaal verweer te bevatten, maar als dat het geval is, kan bij dupliek ander/meer principaal verweer worden gevoerd. Dat is in casu het geval.

Geen rechtsregel verplicht [gedaagde], anders dan Dexia stelt, een reconventionele vordering in te stellen.

3.2.

Het gaat, wat het standpunt van [gedaagde] betreft, in deze zaak uitsluitend om de vraag of de vernietigingsbrief van zijn echtgenote effect heeft gesorteerd. Om die vraag correct te kunnen beantwoorden dient het antwoord van de Hoge Raad op de aan hem door het Hof Amsterdam voorgelegde prejudiciële vragen te worden afgewacht. De kantonrechter zal de zaak daarom in afwachting van dat antwoord naar de hierna genoemde rolzitting verwijzen. Alsdan mag Dexia zich eerst uitlaten, zodat zij tevens in staat is te reageren, voor zover nodig, op het bij dupliek gestelde. Vervolgens mag [gedaagde] reageren, waarna opnieuw vonnis zal worden gewezen.

3.3.

Indien het antwoord van de Hoge Raad langer op zich laat wachten, zal uiteraard desgevraagd uitstel worden verleend. Komt het antwoord eerder, dan kan Dexia verzoeken de zaak bij vervroeging op de rol te doen plaatsen.

De beslissing

De kantonrechter:

1. verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 27 oktober 2015 te 09.30 uur voor uitlating partijen, eerst door Dexia en op een latere rolzitting door [gedaagde];

2. houdt elke andere beslissing aan.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 12 mei 2015.