Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:1857

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
3281930 CV EXPL 14-5849
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenleasezaak. Geschil over zogeheten ‘waiver’. Het belang bij de contractant om de ontwikkelingen in de rechtspraak over de aansprakelijkheid van Dexia af te wachten, weegt zwaarder dan haar belang om een einde te maken aan de onzekerheid waarin zij zegt te verkeren. Volgt afwijzing van de vordering tot verklaring voor recht dat Dexia het (schade)dossier kan sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Locatie Zwolle

Zaaknr. : 3281930 CV EXPL 14-5849

Datum : 7 april 2015

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

verder te noemen Dexia,

gemachtigde USG Legal Professionals,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde],

gemachtigde mr. G. van Dijk.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken en uit die stukken blijkt het procesverloop:

  • -

    dagvaarding van 16 juli 2014

  • -

    conclusie van antwoord

  • -

    conclusie van repliek

  • -

    conclusie van dupliek.

Geschil

Dexia vordert de verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers 13003791, 74104106 en 76086173 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Dexia, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Beoordeling

1.1.

Het volgende staat vast.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn in de periode 1998-2000 drie effectenleaseovereenkomsten gesloten, genummerd 76086173 (WinstVer10Dubbelaar geheten), 13003791 (Legio I.B. Plan geheten) en 74104106 (WinstVerDriedubbelaar geheten).

Deze overeenkomsten zijn afgewikkeld. [gedaagde] hield bij twee van de drie overeenkomsten een restschuld over nadat de effecten door Dexia waren verkocht.

1.2.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia aan [gedaagde] meegedeeld te zullen overgaan tot betaling aan hem van € 5.081,18 schadevergoeding. Die betaling heeft op of omstreeks 18 januari 2012 plaatsgevonden.

De berekening van deze schadevergoeding heeft plaatsgevonden aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaven, met name het zogeheten hofmodel van het Amsterdamse gerechtshof. Bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding is Dexia ervan uitgegaan dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten voor [gedaagde] destijds geen onaanvaardbaar zware financiële last vormde als bedoeld in de jurisprudentie, zodat geen (gedeeltelijke) vergoeding aan [gedaagde] van de door hem destijds betaalde inleg heeft plaatsgevonden. Uitsluitend een gedeelte van zijn restschuld is vergoed.

1.3.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft [gedaagde] aan Dexia laten weten zich alle rechten jegens Dexia voor te behouden.

De verjaring van de (pretense) vordering van [gedaagde] op Dexia is tijdig gestuit.

1.4.

Bij brief van 18 maart 2014 heeft Dexia aan [gedaagde] verzocht haar te berichten dat zij aan al haar verplichtingen jegens hem heeft voldaan (een zogeheten waiver), óf haar te berichten, en met stukken te onderbouwen, dat hij aanspraak maakt op (een hoger bedrag aan) schadevergoeding indien de verplichtingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten naar zijn mening een onaanvaardbaar zware financiële last vormden. Bij gebreke van een tijdige reactie zal een procedure volgen, aldus deze brief.

2.1.

Dexia wenst dat aan haar geschil met [gedaagde] nu definitief een einde komt. Zij wil zekerheid over haar rechtspositie ten opzichte van [gedaagde] en niet tot in lengte van dagen te wachten of hij nog een schadeclaim bij haar zal indienen. Die mogelijkheid bestaat, aldus Dexia, indien [gedaagde] van mening is dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last vormde, maar hij heeft haar dat (nog?) niet gemeld.

2.2.

[gedaagde] voert aan er belang bij te hebben de (verdere) ontwikkelingen in de rechtspraak af te wachten wat betreft de aansprakelijkheid van Dexia in relatie tot de effectenleaseovereenkomsten, mogelijk ook op grond van een tekortkoming aan de kant van Dexia, alvorens eventueel zijn kaarten op tafel te leggen. Het gaat bijvoorbeeld om de stelling dat Dexia de effecten niet daadwerkelijk heeft gekocht, dat het geleende bedrag niet volledig is benut voor de aankoop van de effecten, dat Dexia een opslag heeft toegepast bij de aankoop van de effecten, en dat Dexia niet heeft gewaarschuwd voor de specifieke risico’s verbonden aan de effectenleasecontracten.

Ook stelt [gedaagde] dat hij nog een vordering op Dexia heeft vanwege buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente die niet (volledig) zijn begrepen in het door Dexia aan hem in januari 2012 betaalde bedrag.

3.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter stelt voorop dat een schuldenaar, wiens schuldeiser stelt een vordering op hem te hebben maar die (nog) geen nakoming verlangt en desgevraagd evenmin afstand van zijn vordering doet, er belang bij kan hebben aan deze voor hem onzekere situatie een einde te maken. Een verklaring voor recht is een daartoe geëigend middel (vgl. HR 22 januari 1993, NJ 1994, 734 en HR 15 oktober 1993, NJ 1994, 8).

3.2.

Daar staat tegenover dat die schuldeiser er belang bij kan hebben nog geen rechtsvordering tegen de schuldenaar in te stellen, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar nog geen verhaal biedt, de schuldeiser de aan de rechtsvordering verbonden kosten nog niet kan dragen of zijn kans op succes nog niet goed kan inschatten. Denkbaar is dat de schuldeiser, zoals hier het geval is, de uitkomst van een andere rechtszaak wil afwachten teneinde zijn kans op succes in een procedure beter te kunnen beoordelen.

Door middel van de stuiting van de verjaringstermijn kan de schuldeiser in zo’n geval de schuldenaar duidelijk maken dat hij zijn vorderingsrecht niet prijsgeeft, waarmee de schuldenaar vervolgens rekening kan houden.

3.3.

Met haar vordering tracht Dexia het door de wetgever in het leven geroepen systeem van verjaring en stuiting van verjaring te doorbreken, en [gedaagde] te verplichten nú zijn kruit te verschieten op straffe van toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht. Zij vergt van [gedaagde] dat hij in deze procedure zijn stellingen formuleert, hoewel [gedaagde] die stellingen (mede) wil laten afhangen van nog te verwachten rechterlijke uitspraken. Indien [gedaagde] gehouden is nu zijn kaarten op tafel te leggen, dan bestaat in zijn visie de mogelijkheid dat hij achteraf beschouwd troefkaarten niet heeft kunnen uitspelen die hij, gegeven de uitkomst van de nog lopende rechtszaken, alsnog in handen heeft gekregen. Ook noopt de vordering van Dexia hem ertoe kosten te maken terwijl hij nog niet weet of dat wel zinvol is.

3.4.

Het belang dat Dexia aanvoert is, dat zij aan de onzekere situatie waarin zij verkeert een einde wil maken. Zij wil dat omdat zij uitsluitend nog bestaat in verband met de afwikkeling van schadeclaims als de onderhavige, terwijl aan haar bestaan substantiële kosten zijn verbonden.

3.5.

De kantonrechter overweegt in dit verband het volgende. Het is Dexia zelf die de effectenleaseovereenkomsten in velerlei vormen aan de man heeft gebracht om daarmee financieel gewin te behalen. Dat die overeenkomsten vervolgens tot veel geschillen en procedures hebben geleid en tot onzekerheid over (de omvang van) haar verplichting tot schadevergoeding, kan zij slechts zichzelf verwijten. Zij biedt weerstand tegen haar aansprakelijkstelling en dat heeft tot veel, en regelmatig complexe, gerechtelijke procedures geleid. Het bieden van die weerstand is haar uiteraard toegestaan, maar haar stelling dat zij nu zekerheid wenst omdat haar kostbare bestaan nog slechts verband houdt met die geschillen, weegt niet op tegen het hiervoor (r.o. 3.3.) geschetste belang van [gedaagde], jegens wie Dexia, ook in haar eigen visie, onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] dient te worden gegund dat hij afwacht of de verplichting van Dexia tot schadevergoeding, hetzij op grond van onrechtmatige daad, hetzij op grond van een toerekenbare tekortkoming, misschien verder strekt dan het bedrag dat Dexia aan hem heeft uitgekeerd.

3.6.

Niet staat vast dat [gedaagde] tegen beter weten in afwacht. Het met de effectenleaseovereenkomsten samenhangende aansprakelijkheidsvraagstuk is nog niet uitgekristalliseerd. De kantonrechter stelt vast dat er nog diverse procedures lopen waarin dit vraagstuk speelt, waaronder de door Dexia in een appèl aan de orde gestelde vraag of het hiervoor genoemde Amsterdamse hofmodel telkens en onverkort kan worden toegepast. Recent heeft de Hoge Raad nog een uitspraak gedaan op een ander onderdeel van het vraagstuk: HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:41. Eveneens recent, op 20 januari 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld (ECLI:NL:GHAMS:2015: 105). Met andere woorden: Dexia zal nog wel enige tijd in de benen moeten blijven in verband met de afwikkeling van de geschillen.

3.7.

Omdat [gedaagde] dient te worden gegund dat hij de verdere ontwikkelingen in de rechtspraak afwacht, kan thans niet worden vastgesteld dat Dexia jegens hem aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Dit betekent dat de vordering van Dexia dient te worden afgewezen. Zij dient in de proceskosten te worden veroordeeld. Die kosten bedragen € 400,00 wegens salaris gemachtigde (2 punten à € 200,00).

De beslissing

De kantonrechter:

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt Dexia in de proceskosten tot op heden aan de kant van [gedaagde] begroot op € 400,00;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 7 april 2015.