Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5590

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-10-2014
Datum publicatie
20-10-2014
Zaaknummer
07/993001-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:6184, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij horecabedrijven. Daarbij heeft hij meerdere documenten valselijk opgemaakt. Hij heeft schuldeisers van gefailleerde bedrijven door middel van sterfhuisconstructies ernstig benadeeld. Door het manipuleren van verschillende nauw aan elkaar verwante rechtspersonen heeft hij kans gezien om met overheveling van vermogen van de ene naar de andere rechtspersoon en van activiteiten naar weer een andere rechtspersoon, telkens de aansprakelijkheid precies daar te leggen waar de schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, geen verhaal vonden. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 07/993001-11

Datum vonnis: 20 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.P. Pomper en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. C.P.S.M. de Kock, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 september 2009 samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de [stichting] en de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV terzake van het plegen van faillissementsfraude;

feit 2: in de periode van 22 mei 2007 tot en met 27 februari 2008 samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] CV terzake van het plegen van faillissementsfraude;

feit 3: in de periode van 13 augustus 2007 tot en met 3 september 2009 als bestuurder of als commissaris van de [stichting], [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV, samen met anderen, hoewel wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen heeft geweigerd deze inlichtingen te geven dan wel opzettelijk de verkeerde inlichtingen heeft gegeven;

feit 4: in de periode van 3 januari 2005 tot en met 27 februari 2008, samen met anderen, met betrekking tot verschillende documenten valsheid in geschrift heeft gepleegd, dan wel dat hij dit als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van [bedrijf 3] CV, [bedrijf 2] CV en [bedrijf 1] BV heeft gepleegd, dan wel dat hij als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van [bedrijf 3] CV, [bedrijf 2] CV en [bedrijf 1] BV verschillende valse documenten voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

dat de [stichting] en/of de besloten vennootschap

[bedrijf 1] B.V., welke in staat van faillissement is/zijn

verklaard, op één of meer tijdstippen in de periode 22 mei 2007 tot en met 3

september 2009 in de gemeente Zwolle, althans elders in Nederland, tezamen en

in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, ter bedrieglijke

verkorting van de rechten van haar schuldeisers:

A. lasten verdicht of heeft verdicht, baten niet verantwoord of niet heeft

verantwoord, enig goed aan de boedel onttrekt of heeft onttrokken; en/of

B. enig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

en/of

C. niet voldoet of heeft voldaan aan de op de [stichting]

en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. rustende

verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge

artikel l5i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het

bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers

in dat artikel bedoeld;

immers hebbende [stichting] en/of de besloten

vennootschap [bedrijf 1] 3.V. en/of haar mededader(s),

- de inventaris en/of goodwill toebehorende aan de [stichting]

overgedragen aan de commanditaire vennootschap

[bedrijf 3] C.V. en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1]

B.V. en/of [bedrijf 2] C.V., zonder dat (een deel

van) de waarde van deze inventaris en/of goodwill aan [stichting]

ten goede is gekomen, althans zonder dat dit in

de (beschikbare) administratie op juiste wijze is verwerkt;

- geen actie ondernomen om het ten tijde van de ontbinding van de

commanditaire vennootschap [bedrijf 3] C.V. aanwezige

kassaldo (tot een totaal van circa EUR 20.500) ten goede te laten komen aan

onder meer [stichting], althans deze bate niet

heeft verantwoord aan de curator (D-79);

- zonder een in de (beschikbare) administratie aanwezige rechtsgrond een

bedrag van EUR 1.640 overgemaakt of laten overmaken van de rekening van

[stichting] naar de privé-rekening van [betrokkene]

(D-100), althans dit bedrag niet heeft verwerkt in de administratie;

- zonder een in de (beschikbare) administratie aanwezige rechtsgrond dan wel

zonder vermelding in een kasboek, een bedrag van EUR 22.400, contant

opgenomen of laten opnemen vanaf de rekening van [stichting]

;

- op 18 januari en/of 21 januari en/of 29 januari en/of 5 februari en/of 8

februari 2008 in totaal EUR 19.480, althans enig bedrag, contant opgenomen

van rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [bedrijf 1] B.V., zonder

vermelding van een in de (beschikbare) administratie aanwezige rechtsgrond,

dan wel zonder vermelding in een kasboek;

- op 27 november 2007 en/of 8 januari 2008 (telkens) een bedrag van EUR 10.833 overgemaakt naar [bedrijf 4] vanaf de rekening van [bedrijf 1]

B.V. zonder een in de (beschikbare) administratie

aanwezige rechtsgrond;

- niet voldaan aan het opmaken en/of bijhouden van een kasboek binnen de

[stichting] en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1]

B.V.;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging (en) verdachte al dan

niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft

gegeven;

art. 341 j° 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

2.

dat de besloten vennootschap [bedrijf 1] en/of de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] C.V., welke in staat van faillissement is verklaard, op één of neer tijdstippen in de periode 22 mei 2007 tot en met 27 februari 2008 in de gemeente Zwolle, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere (n), althans alleen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers

A. lasten verdicht of heeft verdicht, baten niet verantwoord of niet heeft verantwoord, enig goed aan de boedel onttrekt of heeft onttrokken; en/of

B. niet voldoet of heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld;

immers hebbende de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] C.V. en/of

haar mededader(s),

- contante inkomsten van de locaties [locatie 1] en/of [locatie 2], niet in de boedel van [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] c.v. verantwoord en daarmee onttrokken aan de boedel (tot een totaal bedrag van EUR 90.330,95);

- niet voldaan aan het opmaken en/of bijhouden van een kasboek, binnen de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] C.V;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging (en) verdachte al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

art. 341 j0 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of neer tijdstippen in de periode van 13 augustus 2007 tot en met 3 september 2009, in de gemeente Zwolle, althans elders in Nederland, als (feitelijk) bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, te weten [stichting] en/of [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] C.V., wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), hetzij zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven, hetzij heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven,

immers hebbende verdachte de vragen van de curator in de (het)

faillissement(en) [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] C.V.

tot het verkrijgen van inzicht in de vermogensrechtelijke positie, niet

beantwoord en/of onvolledig beantwoord en/of onjuist beantwoord,

en/of hebbende verdachte de vragen van de curator in het faillissement van

[stichting] niet beantwoord en/of hierop opzettelijk

onjuiste antwoorden gegeven;

art 194 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstippen in de periode 3 januari 2005 tot en met 27

februari 2008, in de gemeente Zwolle, althans elders in Nederland, tezamen en

in vereniging met één of meer anderen), althans alleen, één of meer

geschrift(en), te weten

A. een oprichtingsakte d.d. 3 januari 2005 (D-36); en/of

B. een oprichtingsakte d.d. 25 september 2007 (D-35); en/of

C. één of meer factu(u)r(en) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1]

B.V. d.d. 1 juli 2007 en/of 31 juli 2007 en/of 31 augustus 2007

en/of 30 september 2007 (D-50-0l/D-50-05/D-50-09/D-50-13); en/of

D. één of meer creditfactu(u)r(en) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1]

B.V. d.d. 15 oktober 2007 (D-50-02/D-50-06/D-50-10/

D-50-l4) ; en/of

E. één of meer overeenkomst(en) tussen [bedrijf 3] C.V. en

[bedrijf 1] B.V. betreffende de levering van inventaris en/of

goodwill met als ondertekeningsdatum 8 juni 2007 en/of 15 juni 2007 en/of

23 juni 2007 (D22-01, D22-02, D22-03 & D22-05);

bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben

opgemaakt, althans heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om deze als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s),

sub A. in de op 3 januari 2005 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 3]

C.V., een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel

opgenomen die pas is afgegeven op 4 oktober 2005; en/of

sub B. in de op 25 september 2007 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 2]

C.V., een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel

opgenomen die pas is afgegeven op 28 september 2007; en/of

sub C. deze factu(u)r(en) gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5]

, te weten na 9 juli 2007 en/of op deze

factu(u)r(en) een BTW-nummer vermeld, te weten NE8182.49.390.B.O1, dat

pas op 19 juli 2007 was afgegeven; en/of

sub D. deze factu(u)r(en) gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5]

, te weten na 9 juli 2007;

sub E. deze overeenkomst(en) gedateerd na de datum van opheffing van [bedrijf 3]

C.V.;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

de commanditaire vennootschap(pen) [bedrijf 3] C.V. en/of

[bedrijf 2] C.V. en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1]

Nederland B.V., op één of meer tijdstippen in de periode 3 januari 2005 tot

en met 27 februari 2008, in de gemeente Zwolle, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, één of

meer geschrift (en), te weten

A. een oprichtingsakte d.d. 3 januari 2005 (D-36); en/of

B. een oprichtingsakte d.d. 25 september 2007 (D-35); en/of

C. één of meer factu(u)r(en) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1]

W.V. d.d. 1 juli 2007 en/of 31 juli 2007 en/of 31 augustus 2007

en/of 30 september 2007 (D-50-01/D-50-05/D-50-09/D-50-13) ; en/of

D. één of meer creditfactu(u)r(en) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1]

B.V. d.d. 15 oktober 2007 (D-50-02/D-50-06/D-50-10/

D-50-14)

E. één of meer overeenkomst(en) tussen [bedrijf 3] C.V. en

[bedrijf 1] B.V. betreffende de levering van inventaris en/of

goodwill met als ondertekeningsdatum 8 juni 2007 en/of 15 juni 2007 en/of

23 juni 2007 (D22-01, D22-02, D22-03 & D22-05);

bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben

opgemaakt, althans heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om deze als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers hebbende [bedrijf 3] C.V. en/of [bedrijf 2]

C.V. en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. en/of haar

mededader(s),

sub A. in de op 3 januari 2005 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 3]

C.V., een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel

opgenomen die pas is afgegeven op 4 oktober 2005;

sub B. in de op 25 september 2007 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 2]

C.V., een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel

opgenomen die pas is afgegeven op 28 september 2007;

sub C. deze factu(u)r(en) gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5]

, te weten na 9 juli 2007, en/of op deze

factu(u)r(en) een BTW-nummer vermeld , te weten NE8182.49.390.B.01, dat

pas op 19 juli 2007 was afgegeven;

sub D. deze factu(u)r(en) gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5]

, te weten na 9 juli 2007;

sub E. deze overeenkomst(en) gedateerd na de datum van opheffing van [bedrijf 3]

C.V.;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan

niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft

gegeven;

art. 225 lid 1 j° 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

de commanditaire vennootschap(pen) [bedrijf 3] C.V. en/of

[bedrijf 2] CV. en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1]

Nederland B.V., op één of meer tijdstippen in de periode 3 januari 2005 tot

en met 27 februari 2008, in de gemeente Zwolle, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of neer andere(n), althans alleen,

opzettelijk voorhanden heeft gehad (een) vals(e) of vervalst(e),

A. oprichtingsakte d.d. 3 januari 2005 (D-36); en/of

B. oprichtingsakte d.d. 25 september 2007 (D-35); en/of

C. één of meer factu(u)r(en) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1]

3.V. d.d. 1 juli 2007 en/of 31 juli 2007 en/of 31 augustus 2007

en/of 30 september 2007 (D-50-01/D-50-05/D-50-09/D-50-13) ; en/of

D. één of meer creditfactu(u)r(en) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1]

B.V. d.d. 15 oktober 2007 (D-50-02/D-50-06/D-50-10/D-50-14)

E. overeenkomst(en) tussen [bedrijf 3] C.V. en

[bedrijf 1] B.V. betreffende de levering van inventaris en/of

goodwill met als ondertekeningsdatum 8 juni 2007 en/of 15 juni 2007 en/of

23 juni 2007 (D22-01, D22-02, D22-03 & D22-05)

zijnde (een) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,

terwijl [bedrijf 3] C.V. en/of [bedrijf 2] C.V.

en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. en/of haar

mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze

geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware die/deze (telkens) echt

en onvervalst,

immers hebbende [bedrijf 3] C.V. en/of [bedrijf 2]

C.V. en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. en/of haar

mededader(s),

sub A. in de op 3 januari 2005 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 3]

C.V., een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel

opgenomen die pas is afgegeven op 4 oktober 2005;

sub B. in de op 25 september 2007 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 2]

C.V., een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel

opgenomen die pas is afgegeven op 28 september 2007;

sub C. deze factu(u)r(en) gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5]

, te weten na 9 juli 2007 en/of op deze

factu(u)r(en) een BTW-nummer vermeld , te weten NE8182.49.390.B.01, dat

pas op 19 juli 2007 was afgegeven;

sub D. deze factu(u)r(en) gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5]

, te weten na 9 juli 2007;

sub E. deze overeenkomst(en) gedateerd na de datum van opheffing van [bedrijf 3]

C.V.;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan

niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft

gegeven;

art. 225 lid 2 jo 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de feiten 1, 2, 3 en 4 primair bewezen worden verklaard en dat aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de beslissing omtrent de bewezenverklaring. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is op grond van verschillende in het dossier opgenomen verklaringen en schriftelijke bescheiden van mening dat verdachte middellijk en/of onmiddellijk zeggenschap heeft gehad over de in de tenlastelegging onder de feiten 1 tot en met 4 genoemde rechtspersonen. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de [stichting] en aan [bedrijf 1] BV terzake van de onder

feit 1 ten laste gelegde faillissementsfraude. Daarnaast heeft hij feitelijk leiding gegeven aan [bedrijf 2] CV terzake van de onder feit 2 ten laste gelegde faillissementsfraude. Ook heeft hij geen dan wel onjuiste informatie verschaft aan de curator in het faillissement van de [stichting], [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV, zoals ten laste gelegd onder feit 3. Tot slot heeft hij de onder feit 4 genoemde oprichtingsaktes, facturen en overeenkomsten valselijk opgemaakt.

De feiten 1, 2, 3 en 4 primair zijn derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Zakelijk weergegeven heeft verdachte de volgende bewijsverweren naar voren gebracht.

Met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde heeft verdachte gesteld dat hij niet als bestuurder of anderszins als feitelijk leidinggevende bij [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] BV) betrokken is geweest. Die BV was van [betrokkene]. Verdachte heeft haar wel geholpen met de belastingproblemen en voor zijn hulp heeft hij ook facturen verstuurd. Van de [stichting] (hierna: de [stichting]) is verdachte wél feitelijk leidinggevende geweest, maar het verwijt dat inventaris en goodwill van die Stichting zijn overgedragen zonder dat de waarde aan de Stichting ten goede is gekomen, is niet juist. Weliswaar zijn geldbedragen aan de Stichting onttrokken, maar daarvoor bestond telkens een rechtmatige titel. De administratie van de Stichting is wel degelijk aan de curator overgedragen, dat betrof tien dozen.

De optelling die aan feit 2 ten grondslag ligt is niet correct. Er zijn in november en december 2007 contante geldbedragen gebruikt om leveranciers te betalen en die betalingen zijn wegens tijdgebrek pas in januari van het jaar daarop in de boekhouding verwerkt.

Ook het verwijt dat verdachte geen of onjuiste inlichtingen zou hebben verstrekt aan de curatoren van de [stichting], [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV (feit 3) is niet terecht.

Met betrekking tot de onder feit 4 ten laste gelegde valsheden heeft verdachte gesteld dat hetgeen onder A en B staat vermeld juist is, maar dat hij er geen kwade bedoelingen mee heeft gehad. Ten aanzien van het onder C tenlastegelegde heeft hij verklaard dat hij bij de eerste factuur vergeten is om de juiste datum in te vullen. De andere drie onder C genoemde facturen zijn echter wel juist. Verdachte stelt niet geweten te hebben dat [bedrijf 5] failliet was verklaard. Nadat hij daar achter kwam zijn op de aangegeven data de creditfacturen onder D opgemaakt. Ten aanzien van de onder E genoemde overeenkomsten heeft verdachte gesteld dat hij na de opheffingsdatum van [bedrijf 3] CV nog inventaris tegen kwam op andere locaties. Hij heeft toen de data ingevuld van de daadwerkelijke overdracht van die inventaris.

Verdachte dient derhalve van alle aan hem ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

Feit 1

Algemeen

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

De [stichting] (hierna: de [stichting]) is opgericht in 1998 en op 13 augustus 2007 door de Rechtbank te Zwolle failliet verklaard. Als curator is benoemd mr. J.J.D. de Leur.

Verdachte [verdachte] is volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) van 6 augustus 2007 tot 13 augustus 2007 bestuurder geweest van de [stichting]. Verdachte heeft echter ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende de gehele ten laste gelegde periode feitelijk leidinggever is geweest van de [stichting].

[bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] BV) is opgericht op 23 december 2005 en op 27 februari 2008 door de Rechtbank te Zwolle failliet verklaard. Als curator is benoemd mr. S.J. de Vries.

Vanaf 23 maart 2007 was mevr. [betrokkene] enig aandeelhouder van [bedrijf 1] BV. Verdachte [verdachte] heeft geen formele zeggenschap gehad binnen deze BV. De rechtbank leidt uit de verklaring van [betrokkene], die op onderdelen ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen en op de rechtbank betrouwbaar overkomt, echter af dat verdachte vanaf het moment dat voornoemde [betrokkene] de aandelen van [bedrijf 1] BV overnam feitelijk degene is geweest die binnen die BV de gang van zaken bepaalde en dus als feitelijk leidinggevende beschouwd moet worden.

[bedrijf 2] CV is opgericht op opgericht op 1 oktober 2007 en gefailleerd op

27 februari 2008. Als curator is benoemd mr. S.J. de Vries.

[bedrijf 1] is van 1 oktober 2007 tot 27 februari 2008 beherend vennoot geweest van de CV. [bedrijf 4] is in diezelfde periode commanditair vennoot van de CV geweest.

De aandeelhouders/zaakvoerders van deze BVBA waren verdachte [verdachte] en zijn zoon

[medeverdachte]. Ook van [bedrijf 2] CV was verdachte [verdachte] dus de feitelijk leidinggevende.

Feit 1 onder A en B

Feit 1 onder A en B van de tenlastelegging is nader uitgewerkt in verschillende onderdelen die hierna besproken zullen worden.

- 1 ᵉ gedachtestreepje: de overdracht van inventaris van de Stichting aan [bedrijf 3] CV en/of [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] CV

Op 31 december 2004 had de [stichting] de inventaris van de bowlingbaan [locatie 1] aan de [adres] te [plaats] en de cocktailbar [locatie 2] aan de [adres] te [plaats] in eigendom. De [stichting] heeft deze inventaris met ingang van 1 januari 2005 ingebracht in [bedrijf 3] CV. Deze CV is opgericht op 1 januari 2005 en ontbonden op 1 juni 2007. Verdachte [verdachte] is gedurende deze periode middellijk en onmiddellijk de feitelijk leidinggevende binnen [bedrijf 3] CV geweest.

Met ingang van 1 juni 2007 heeft [bedrijf 1] BV alle activiteiten (de exploitatie van bowlingbaan [locatie 1] en van cocktailbar [locatie 2]) overgenomen van [bedrijf 3] CV.

Uit het dossier blijkt dat Van de Weerd Horecamakelaardij op 20 mei 2007 de waarde van de bedrijfsinventaris van cocktailbar [locatie 2] op € 100.000,-- heeft gewaardeerd. Van de Weerd Horecamakelaardij heeft op 18 januari 2008 de waarde van de inventaris van bowlingbaan [locatie 1] per juni 2007 gewaardeerd op € 150.000,--.

Op 8 juni 2007 heeft [bedrijf 3] CV de inventaris van zowel de bowlingbaan als de cocktailbar voor € 75.000,-- verkocht aan [bedrijf 1] BV.

De inventarissen van de bowlingbaan en de cocktailbar hadden tezamen een getaxeerde waarde van € 250.000,-- en zijn dus ver onder de waarde door [bedrijf 3] CV verkocht aan [bedrijf 1] BV. De (op zich al te lage) opbrengst van de verkoop van de inventaris aan [bedrijf 1] BV is niet bij de [stichting] terecht gekomen, waardoor de schuldeisers in het faillissement van de [stichting] zijn benadeeld.

- 1 ᵉ gedachtestreepje: de overdracht van goodwill van de Stichting aan [bedrijf 3] CV en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] CV

Op 8 juni 2007 heeft de Stichting ingestemd met de verkoop van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] CV aan [bedrijf 1] BV. Op 15 juni 2007 heeft verdachte [verdachte], namens [bedrijf 3] CV, de bedrijfsactiviteiten aan [bedrijf 1] BV verkocht en daarbij een goodwill van € 205.500,-- bedongen. Deze bate inzake de verkochte goodwill, die in de afrekening tussen vennoten van [bedrijf 3] CV diende te worden opgenomen, is niet verantwoord aan de boedel van de Stichting, waardoor de schuldeisers in het faillissement van de [stichting] zijn benadeeld.

- 2 ᵉ gedachtestreepje: betreft het kassaldo ad € 20.500,-- dat ten tijde van de ontbinding van [bedrijf 3] CV aanwezig was en dat niet aan de [stichting] ten goede is gekomen

Bij de ontbinding van [bedrijf 3] CV op 1 juni 2007 blijkt niet van een verrekening. Op vragen van de Belastingdienst heeft [betrokkene] een document naar de Belastingdienst gestuurd waarin is vermeld dat op de overnamedatum een kassaldo ad

€ 20.500,-- in de centrale kas van [bedrijf 3] CV aanwezig was. Dat bedrag zou als persoonlijke lening aan [betrokkene] zijn verstrekt. Van deze lening is echter geen schriftelijke overeenkomst aangetroffen en [betrokkene] heeft bij de FIOD nader verklaard dat aan haar géén lening is verstrekt. Deze verklaring vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in het onderzoek van de FIOD naar de bankrekening van [betrokkene].

- 3 ᵉ gedachtestreepje: betreft een bedrag van € 1.640,-- dat zonder rechtsgrond is van de rekening van de [stichting] is overgemaakt naar de privé rekening van [betrokkene]

Uit het onderzoek van de FIOD is naar voren gekomen dat [betrokkene] op 29 juni 2007 op haar bankrekening, naast haar loon, onder de vermelding ‘overboeking saldo’ een bedrag van € 1.640,-- heeft ontvangen van de Stichting. Dit bedrag had moeten worden opgenomen in de vereffening tussen vennoten van [bedrijf 3] CV en is ten onrechte niet verantwoord aan de boedel van de [stichting].

- 4 ᵉ gedachtestreepje: betreft de contante opname van een bedrag van € 22.400,-- vanaf de rekening van de [stichting]

Uit rekeningafschriften van de bankrekening van de [stichting] bij de Postbank, later ING bank, blijkt dat op 30 en 31 mei 2007 respectievelijk bedragen ad € 12.000,-- en

€ 10.400,-- contant zijn opgenomen. De Stichting heeft geen kasadministratie verstrekt aan de curator. Derhalve kan niet worden nagegaan wat er met deze gelden is gebeurd.

- 5 ᵉ gedachtestreepje: betreft contante opname van in totaal € 19.480,-- vanaf een rekening van [bedrijf 1] BV

Uit afschriften van de bankrekening van [bedrijf 1] BV blijkt dat op 18 januari 2008 bedragen van € 5.000,-- en € 12.000,-- zijn opgenomen. In de weken erna is er nog een aantal kleinere bedragen opgenomen. Het totaal van de opnames bedraagt € 19.480,--.

Over de periode vanaf 1 oktober 2007 zijn geen boekhoudkundige verwerkingen van de kasadministratie aangetroffen, zodat niet kan worden nagegaan of en zo ja, op welke wijze deze opnames in de boekhouding zijn verantwoord.

- 6 ᵉ gedachtestreepje: betreft de overboeking van tweemaal een bedrag van € 10.833,-- van een rekening van [bedrijf 1] BV naar [bedrijf 4]

De activiteiten van [bedrijf 1] BV zijn per 1 oktober 2007 ondergebracht in [bedrijf 2] CV.

Uit het dossier blijkt dat op 27 november 2007 en 8 januari 2008 zijn twee bedragen van elk € 10.833,-- zijn overgemaakt van de bankrekening van [bedrijf 1] BV naar de rekening van [bedrijf 4], de commandite van [bedrijf 2] CV. Er zijn geen onderliggende stukken (facturen/overeenkomst) aangetroffen inzake de betreffende betalingen. [betrokkene] heeft over deze twee betalingen ad € 10.833,-- verklaard dat de bedragen door verdachte [verdachte] zijn betaald. De boekhouding van [bedrijf 1] BV is slechts bijgewerkt tot en met september 2007, zodat niet duidelijk is welke titel aan deze overboekingen ten grondslag ligt.

Feit 1 onder C

Naast voorgaande gedachtestreepjes bevat de tenlastelegging onder feit 1 onder C ook het verwijt dat door de [stichting] en door [bedrijf 1] BV niet is voldaan aan de verplichting tot het voeren van een administratie (met name het opmaken en bijhouden van een kasboek) en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers van die vennootschappen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Tijdens de afwikkeling van het faillissement van de [stichting] heeft curator De Leur een onderzoek ingesteld in de uitgeleverde administratieve bescheiden. De curator heeft vastgesteld dat naast de bankafschriften van 2005 en 2006 ook de jaarrekeningen van 2005 en 2006 ontbraken. Daarnaast is er geen kasboek uitgeleverd. De curator heeft vastgesteld dat de wel uitgeleverde administratie onvolledig en ondoorzichtig is. Ondanks meerdere verzoeken heeft verdachte [verdachte] niet de juiste inlichtingen gegeven.

Tijdens de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV heeft curator De Vries tweemaal aan [betrokkene] verzocht om de complete administratie, incl. bankafschriften van de door de ondernemingen aangehouden bankrekeningen en een overzicht van de crediteurenvordering met de adresgegevens van de crediteuren. Curator De Vries heeft in zijn aangifte verklaard dat mevr. [betrokkene] tegen hem heeft gezegd dat de administratie van [bedrijf 1] BV niet op orde was en dat wat er aan administratie voorhanden was in vier verhuisdozen zat die bij haar konden worden afgehaald. De curator heeft vastgesteld dat deze administratie niet volledig was. Er is geen kasboek uitgeleverd. Mevr. [betrokkene] heeft verder geen antwoord gegeven op de vragen omtrent de administratie. Van verdachte [verdachte] heeft de curator niets vernomen.

Uit het dossier blijkt voorts dat op 3 september 2009 tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] en [betrokkene] aan de [adres] te [plaats] in een schuur behorende bij die woning meerdere ordners met diverse administratieve bescheiden, waaronder kasstukken die betrekking hebben op bankopnames en contante betalingen aan schuldeisers van [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV. Deze bescheiden maken deel uit van de administratie en zijn, nu deze bij de doorzoeking werden aangetroffen in dit perceel, niet uitgeleverd aan de curator.

5.2.2

Feit 2

Feit 2 onder A

Dit onderdeel van de tenlastelegging betreft het verwijt dat contante inkomsten van de locaties van [locatie 1] en [locatie 2] ad € 90.330,95 niet verantwoord zijn in de boedel van [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 1 juni 2007 tot 30 september 2007 drie kasadministraties zijn bijgehouden, te weten de centrale kas, de kas [locatie 1] en de kas [locatie 2]. In deze periode is een kasboek per exploitatie per dag bijgehouden en de overtollige gelden zijn telkens afgestort in de centrale kas. Vanuit die centrale kas werden inkoop- en kostenfacturen betaald en één of enkele keren per week werden overtollige gelden gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] BV. De gegevens die vermeld staan in de kasadministratie van bowlingbaan [locatie 1] en cocktailbar [locatie 2] sluiten aan met de gegevens die staan vermeld in de kasadministratie van de centrale kas van [bedrijf 1] BV. Met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2007 zijn echter geen boekhoudkundige verwerkingen van de centrale kasadministratie aangetroffen.

De FIOD heeft een overzicht gemaakt van de administratieve kasbescheiden die tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] op 3 september 2009 in beslag zijn genomen. In dit overzicht, dat ziet op de periode 1 oktober 2007 tot 27 februari 2008 komt naar voren dat het kassaldo van de centrale kas vanaf oktober 2007 stelselmatig oploopt tot een bedrag van € 90.330,95 op 17 januari 2008, terwijl de afstortingen op de bankrekening van [bedrijf 1] BV in die periode sterk afnemen (zowel in aantal als in omvang). Dit terwijl met name december één van de drukste maanden van het jaar is.

Het verweer van verdachte dat de € 90.330,95 in november en december 2007 gebruikt is om leveranciers contant te betalen en dat dit pas later in de administratie is verwerkt verwerpt de rechtbank, nu dit niet zijn bevestiging vindt in de aangetroffen administratie.

Feit 2 onder B

Dit onderdeel betreft het verwijt dat [bedrijf 2] CV niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren van een administratie (met name het opmaken en bijhouden van een kasboek) en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers van die vennootschappen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hiervoor onder ‘feit 1 onder C’ weergegeven overwegingen.

5.2.3

Feit 3

Feit 3 van de tenlastelegging ziet op het verwijt dat verdachte [verdachte] als feitelijk bestuurder van de [stichting], [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] CV vragen van de curatoren in de faillissementen van deze rechtspersonen niet (volledig) en/of onjuist heeft beantwoord.

Het bewijs dat verdachte vragen van de curatoren niet (volledig) en/of onjuist zou hebben beantwoord bestaat telkens enkel uit de aangifte van de respectievelijke curatoren. Daarmee wordt niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum van art. 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

5.2.4

Feit 4

Feit 4 van de tenlastelegging ziet op een aantal onder A tot en met E genoemde stukken, die valselijk opgemaakt zijn.

Niet ter discussie staat dat verdachte alle genoemde stukken heeft ondertekend c.q. heeft gedateerd. Wel wordt voor een aantal stukken bestreden dat die valselijk zijn opgemaakt c.q. dat verdachte het oogmerk van misleiding heeft gehad. De rechtbank overweegt met betrekking tot de verschillende onderdelen van feit 4 het volgende.

- A: de oprichtingsakte van [bedrijf 3] CV

De datum van ondertekening van deze akte is 3 januari 2005. In de akte wordt echter een nummer van de KvK genoemd dat niet eerder dan 4 oktober 2005, de datum van inschrijving in het handelsregister van de KvK, bekend is geworden. Verdachte heeft de geantedateerde akte – na een verzoek daartoe – kort na 13 februari 2006 naar de Belastingdienst gestuurd. Verdachte stelt geen oogmerk tot misleiding te hebben gehad. De rechtbank leidt echter uit het dossier af dat verdachte tot begin oktober 2005 zelf niet handelde alsof de CV reeds bestond. Er is begin 2005 geen fiscaal nummer aangevraagd voor de CV en de CV heeft zich begin 2005 ook niet als startende ondernemer bij de Belastingdienst gemeld. Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte zelf de oprichtingsakte doelbewust geantedateerd heeft om deze vervolgens als echt en onvervalst naar de Belastingdienst te sturen.

- B: de oprichtingsakte van [bedrijf 2] CV

De datum van ondertekening van deze akte is 25 september 2007. In de akte wordt echter een nummer van de KvK genoemd dat op 28 september 2007, de datum van inschrijving in het handelsregister van de KvK, bekend is geworden. Verdachte heeft de geantedateerde akte op 2 oktober 2007 ter registratie naar de Belastingdienst gestuurd.

Anders dan in het geval van de oprichtingsakte van [bedrijf 3] CV is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte ten aanzien van deze antedatering het oogmerk tot misleiding heeft gehad. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.

- C: vier facturen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] BV en

- D: vier creditfacturen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] BV

De vier onder C genoemde facturen zijn achtereenvolgens gedateerd op 1 juli 2007, 31 juli 2007, 31 augustus 2007 en 30 september 2007. Op de factuur d.d. 1 juli 2007 is een BTW nummer vermeld staat dat pas op 19 juli 2007 is afgegeven en de andere drie facturen zijn gedateerd zijn na het faillissement van [bedrijf 5] op 9 juli 2007.

De vier facturen zijn opgenomen in de administratie van [bedrijf 1] BV en hebben betrekking op uitvoeringswerkzaamheden, administratieve ondersteuning en managementopleiding in de maanden juni, juli, augustus en september 2007. De facturen zijn per kas voldaan.

De onder D genoemde creditfacturen zijn alle gedateerd na het faillissement van [bedrijf 5] op 9 juli 2007. Deze creditfacturen zijn opgenomen in de administratie van [bedrijf 1] BV. Op de facturen staat vermeld dat het totaal van de betreffende factuur verrekend zou zijn met de debet factuur van de desbetreffende maand.

Verdachte heeft verklaard dat hij vergeten is om bij de eerste onder C genoemde factuur de juiste datum in te vullen. De andere drie facturen zijn volgens verdachte wel juist. Hij heeft gesteld dat hij niet wist dat [bedrijf 5] failliet was verklaard. Verdachte zou daar pas achter in oktober 2007 achter gekomen zijn. Hij is toen naar Tongeren in België gereden en heeft daar gepraat met de curator, de heer Gerards. Vervolgens zou hij de onder D genoemde creditfacturen hebben opgemaakt, om de situatie weer terug te draaien.

De rechtbank stelt deze verklaring om de volgende redenen als ongeloofwaardig terzijde.

In de eerste plaats stond verdachte van 16 november 2006 tot de datum van faillissement op 9 juli 2007 geregistreerd als zaakvoerder/aandeelhouder van [bedrijf 5] en het ligt voor de hand dat verdachte in verband met de faillissementsaanvraag en de faillietverklaring is opgeroepen. Daarnaast zijn de debetfacturen per kas aan verdachte uitbetaald, terwijl op de creditfacturen staat dat deze met de debetfacturen over de betreffende maanden zijn verrekend. Uit het dossier blijkt echter niet dat de contant door verdachte ontvangen bedragen weer zijn terugbetaald aan [bedrijf 1] BV.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder C en D genoemde facturen valselijk heeft opgemaakt.

- E: vier overeenkomsten tussen [bedrijf 3] CV en [bedrijf 1] BV

Deze vier overeenkomsten tussen [bedrijf 3] CV en [bedrijf 1] BV betreffen de levering van inventaris en goodwill door de CV aan de BV. De facturen zijn valselijk opgemaakt omdat ze zijn gedateerd na 1 juni 2007, zijnde de datum van ontbinding van [bedrijf 3] CV. Deze overeenkomsten zijn door verdachte en/of [betrokkene] aan de Belastingdienst verstrekt.

Verdachte heeft verklaard dat hij na de opheffingsdatum van [bedrijf 3] CV nog inventaris tegen kwam op andere locaties. Hij heeft toen de data ingevuld waarop deze inventaris daadwerkelijk aan [bedrijf 1] BV is overgedragen.

De rechtbank is met betrekking tot deze overeenkomsten van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte in dit verband het oogmerk van misleiding heeft gehad. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel vrijspreken.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

dat de [stichting] en de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV, welke in staat van faillissement zijn verklaard, in de periode 22 mei 2007 tot en met 3 september 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers:

A. baten niet heeft verantwoord, enig goed aan de boedel heeft onttrokken en

B. enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en

C. niet heeft voldaan aan de op de [stichting] en de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel l5i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld;

immers hebbende [stichting] en/of de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV en/of haar mededaders,

- de inventaris en goodwill toebehorende aan de [stichting] overgedragen aan de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV, zonder dat de waarde van deze inventaris en goodwill aan [stichting] ten goede is gekomen;

- geen actie ondernomen om het ten tijde van de ontbinding van de commanditaire vennootschap [bedrijf 3] CV aanwezige kassaldo (tot een totaal van circa EUR 20.500) ten goede te laten komen aan onder meer [stichting];

- zonder een in de beschikbare administratie aanwezige rechtsgrond een bedrag van EUR 1.640 overgemaakt of laten overmaken van de rekening van [stichting] naar de privérekening van [betrokkene];

- zonder vermelding in een kasboek, een bedrag van EUR 22.400 contant opgenomen of laten opnemen vanaf de rekening van [stichting];

- op 18 januari en 21 januari en 29 januari en 5 februari en 8 februari 2008 in totaal EUR 19.480, contant opgenomen van rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [bedrijf 1] BV, zonder vermelding in een kasboek;

- op 27 november 2007 en 8 januari 2008 telkens een bedrag van EUR 10.833 overgemaakt naar [bedrijf 4] vanaf de rekening van [bedrijf 1] BV zonder een in de beschikbare administratie aanwezige rechtsgrond;

- niet voldaan aan het opmaken en bijhouden van een kasboek binnen de [stichting] en de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV;

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft

gegeven;

2.

dat de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] CV, welke in staat van faillissement is verklaard, in de periode 22 mei 2007 tot en met 27 februari 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers

A. enig goed aan de boedel heeft onttrokken; en

B. niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld;

immers hebbende de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] CV en haar mededaders,

- contante inkomsten van de locaties [locatie 1] en/of [locatie 2] niet in de boedel van [bedrijf 2] CV verantwoord en daarmee onttrokken aan de boedel (tot een totaal bedrag van EUR 90.330,95);

- niet voldaan aan het opmaken en bijhouden van een kasboek, binnen de commanditaire vennootschap [bedrijf 2] CV;

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft

gegeven;

4.

hij in de periode 3 januari 2005 tot en met 27 februari 2008 in Nederland, geschriften, te weten

A. een oprichtingsakte d.d. 3 januari 2005; en

C. facturen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] BV d.d. 1 juli 2007 en 31 juli 2007 en 31 augustus 2007 en 30 september 2007; en

D. creditfacturen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] BV d.d.

15 oktober;

bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers hebbende verdachte,

sub A. in de op 3 januari 2005 ondertekende oprichtingsakte van [bedrijf 3] CV, een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel opgenomen die pas is afgegeven op 4 oktober 2005; en

sub C. deze facturen gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5], te weten na 9 juli 2007 en/of een BTW-nummer vermeld, te weten [BTW-nummer], dat

pas op 19 juli 2007 was afgegeven; en

sub D. deze facturen gedateerd na de datum van faillissement van [bedrijf 5], te weten na 9 juli 2007.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1, feit 2 en feit 4 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 341 en 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 2

het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij horecabedrijven. Daarbij heeft hij meerdere documenten valselijk opgemaakt. Hij heeft schuldeisers van gefailleerde bedrijven door middel van sterfhuisconstructies ernstig benadeeld. Door het manipuleren van verschillende nauw aan elkaar verwante rechtspersonen heeft hij kans gezien om met overheveling van vermogen van de ene naar de andere rechtspersoon en van activiteiten naar weer een andere rechtspersoon, telkens de aansprakelijkheid precies daar te leggen waar de schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, geen verhaal vonden. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De rechtbank gaat bij de strafbepaling uit dat het financieel nadeel ongeveer € 400.000,-- bedraagt. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze geven bij een benadelingsbedrag van

€ 250.000,-- tot € 500.000,-- een gevangenisstraf aan van 12 tot 18 maanden.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feiten met justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank – anders dan de officier van justitie – op een aantal onderdelen van de tenlastelegging tot een vrijspraak komt.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 47 en 51 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, feit 2 en feit 4 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    feit 1 en feit 2

het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1, feit 2 en feit 4 primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Stam, voorzitter, mr. Lemain en mr. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2014.