Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA2982

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
C/08/132973 / HA ZA 12-400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergissing van de bank bij derdenbeslag. Ongerechtvaardigde verrijking.

Door zowel een schuldeiser als door het Openbaar Ministerie is conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van gedaagden. Na opheffing van het beslag van de schuldeiser, heeft de bank de bankrekeningen vrijgegeven aan gedaagden. Enige tijd later ontdekt de bank dat zij abusievelijk is overgegaan tot vrijgave van de bankrekeningen, terwijl op de bankrekeningen nog een strafrechtelijk beslag rustte van het Openbaar Ministerie. Ten tijde van de vordering van het Openbaar Ministerie tot afdracht van de tegoeden op de bankrekeningen, waren de aan het Openbaar Ministerie in de verklaring van derdenbeslag opgegeven positieve saldi echter niet meer aanwezig. De bank heeft uit eigen middelen zorggedragen voor betaling aan het Openbaar Ministerie.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn gedaagden ongerechtvaardigd verrijkt. Met de betaling aan het Openbaar Ministerie heeft de Rabobank de vordering voldaan, die eigenlijk ten laste van het vermogen van gedaagden had moeten komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/132973 / HA ZA 12-400

datum vonnis: 15 mei 2013

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de coöperatieve vereniging,

COÖPERATIEVE RABOBANK CENTRAAL TWENTE U.A.,

gevestigd te Hengelo,

eiseres,

verder te noemen de Rabobank,

behandelend advocaat: mr. T.M.D. van den Beld te Utrecht,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

verder te noemen [gedaagde sub 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

DE ROTS B.V.,

gevestigd te [plaats],

verder te noemen De Rots,

gedaagden,

verder gezamenlijk te noemen [gedaagde sub 1 c.s.],

advocaat: mr. G.H. Hoekman te Almelo.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van de Rabobank;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1 c.s.];

- de conclusie van repliek van de Rabobank;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1 c.s.]

1.2 Thans zal vonnis worden gewezen.

2. De feiten

2.1 [Gedaagde sub 1] is de ex-echtgenote van de heer [X].

2.2 De heer [X] heeft tot 2007 als controller / administrateur bij Tyco Building Services Products B.V. (hierna: Tyco) stelselmatig bedragen verduisterd, tot in totaal

ruim € 1.500.000,00. De heer [X] heeft deze bedragen overgemaakt van Tyco naar rekeningen van De Rots. In 2007 is de heer [X] door de politie en het Openbaar Ministerie als verdachte aangemerkt.

2.3 Ten tijde van de verduistering door de heer [X], was [gedaagde sub 1] directeur en enig aandeelhouder van De Rots.

2.4 Het Openbaar Ministerie heeft eind november 2007 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank ten laste van de heer [X], [gedaagde sub 1] en De Rots. De Rabobank heeft een derdenverklaring afgegeven waarbij is vastgesteld dat op de rekeningen van [gedaagde sub 1 c.s.] het beslag doel heeft getroffen tot € 418.734,10.

2.5 Voorts heeft Tyco in december 2007 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank ten laste van de heer [X], [gedaagde sub 1] en De Rots.

2.6 In het voorjaar van 2008 heeft Tyco met de heer [X] en [gedaagde sub 1] een schikking getroffen. Tegen betaling van € 650.000,00 heeft Tyco finale kwijting verleend aan [gedaagde sub 1], de heer [X] en De Rots.

2.7 Het schikkingsbedrag van € 650.000,00 werd betaald door [Y B.V.], waarvan de vader van [gedaagde sub 1] directeur / grootaandeelhouder is.

2.8 Na ontvangst van de betaling, heeft Tyco de Rabobank in april 2008 medegedeeld dat het door haar gelegde conservatoir derdenbeslag kan worden opgeheven. De Rabobank heeft hierop de bankrekeningen van [gedaagde sub 1 c.s.] vrijgegeven.

2.9 Op 27 mei 2008 heeft De Rots van haar bankrekening een betaling verricht aan [Y B.V.] ter grootte van € 300.000,00.

2.10 Op 27 mei 2008 heeft [gedaagde sub 1] eveneens een betaling verricht van € 120.000,00 aan [Y B.V.] van haar bankrekening.

2.11 In de loop van 2009 ontdekte de Rabobank dat zij abusievelijk is overgegaan tot vrijgave van de bankrekeningen, terwijl op de bankrekeningen nog een strafrechtelijk beslag rustte van het Openbaar Ministerie.

2.12 Op 1 maart 2012 is het conservatoir derdenbeslag van het Openbaar Ministerie omgezet in een executoriaal strafrechtelijk beslag. Het Openbaar Ministerie heeft afdracht gevorderd van de gelden die blijkens de verklaring van derdenbeslag van de bank onder het conservatoir beslag vielen.

2.13 Door de vrijgave van de bankrekeningen bevonden deze gelden zich echter niet meer op de bankrekeningen. De Rabobank heeft op 26 maart 2012 uit eigen middelen zorggedragen voor betaling van € 435.051,89 aan het Openbaar Ministerie.

2.14 Op de tussen de Rabobank en [gedaagde sub 1 c.s.] gesloten overeenkomsten betreffende de bankrekeningen, zijn de Algemene voorwaarden voor betaalrekeningen van de Rabobankorganisatie 1997 van toepassing.

3. Het geschil

3.1 De Rabobank vordert dat [gedaagde sub 1 c.s.], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 435.051,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012, met veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] in de proceskosten en de nakosten.

3.2 De Rabobank voert hiertoe aan dat zij vanwege het strafrechtelijk beslag niet tot vrijgave van de bankrekeningen van [gedaagde sub 1 c.s.] had mogen overgaan. Ondanks herhaalde verzoeken van de Rabobank aan [gedaagde sub 1 c.s.] om mee te werken aan terugbetaling, heeft [gedaagde sub 1 c.s.] hier nimmer gehoor aan gegeven. Toen in 2012 het Openbaar Ministerie de toegewezen ontnemingsvordering ten gelde wilde maken, heeft de Rabobank het gevorderde bedrag aan het Openbaar Ministerie betaald. De Rabobank stelt zich op het standpunt dat hierdoor sprake is van ongerechtvaardige verrijking van [gedaagde sub 1 c.s.], nu een schuld van haar is voldaan. Voorts stelt de Rabobank zich op het standpunt zij door betaling van een schuld van [gedaagde sub 1 c.s.] onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde sub 1 c.s.]

Bij dagvaarding beriep de Rabobank zich – primair – op artikel 33 van haar Algemene Voorwaarden voor rekening-courant 2004. Dit artikel zag op onregelmatigheden bij de uitvoering van de overeenkomst. Inmiddels is gebleken dat de Algemene voorwaarden voor betaalrekeningen van de Rabobankorganisatie 1997 van toepassing zijn op de relatie tussen de Rabobank en [gedaagde sub 1 c.s.]. In deze oudere versie van de algemene voorwaarden is artikel 33 of een vergelijkbaar artikel niet opgenomen. De Rabobank stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een zorgplicht volgt voor de klant jegens de bank, op grond waarvan [gedaagde sub 1 c.s.] tot terugbetaling dient over te gaan.

3.3 [Gedaagde sub 1 c.s.] voert gemotiveerd verweer. [Gedaagde sub 1 c.s.] stelt dat zij niet op de hoogte was van het strafrechtelijk beslag op de bankrekeningen. Na het bereiken van een schikking met Tyco was er voor haar dan ook geen reden om niet tot betaling aan [Y B.V.] over te gaan.

Voorts stelt [gedaagde sub 1 c.s.] zich op het standpunt dat geen sprake is van een vordering van het Openbaar Ministerie op [gedaagde sub 1] of De Rots. De ontnemingsvordering is immers toegewezen ten aanzien van de heer [X]. De vrijgegeven bankrekeningen behoorden niet toe aan de heer [X], zodat het beslag van het Openbaar Ministerie op de bankrekeningen van [gedaagde sub 1 c.s.] geen doel kon treffen.

[Gedaagde sub 1 c.s.] betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. [Gedaagde sub 1 c.s.] is immers niet verrijkt, omdat zij louter heeft beschikt over gelden die al van haar waren. Tevens stelt [gedaagde sub 1 c.s.] zich op het standpunt dat de Rabobank door haar vergissing en betaling aan het Openbaar Ministerie haar eigen aansprakelijkheid heeft gecreëerd, die zij thans niet kan doorschuiven naar [gedaagde sub 1 c.s.] Hierbij voert [gedaagde sub 1 c.s.] aan dat geenszins vaststaat dat zij gehouden was tot betaling van enig bedrag aan het Openbaar Ministerie.

[Gedaagde sub 1 c.s.] stelt verder dat de Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Op de Rabobank rustte een zorgplicht en in dat kader had zij [gedaagde sub 1 c.s.] op de hoogte moeten brengen van het strafrechtelijk beslag ten tijde van de onderhandelingen met [Y B.V.]

4. De beoordeling

4.1 De Rabobank stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.] Ten aanzien van deze primaire grondslag van de vordering van de Rabobank overweegt de rechtbank als volgt.

4.2 Op grond van artikel 6:212 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht diens schade te vergoeden tot het bedrag van die verrijking, voor zover dit redelijk is.

4.3 Voor een succesvol beroep van de Rabobank op artikel 6:212 BW dient de rechtbank in de eerste plaats te beoordelen of sprake is van een verrijking aan de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.]

4.4 Tussen partijen is niet in geschil dat het Openbaar Ministerie na een voor haar geslaagde strafrechtelijke procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot executie is overgegaan. Evenmin is in geschil dat het Openbaar Ministerie conservatoir derdenbeslag heeft gelegd op de tegoeden van [gedaagde sub 1 c.s.] bij de Rabobank en dat dit conservatoir derdenbeslag is omgezet in executoriaal derdenbeslag nadat de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie is toegewezen.

4.5 Naar het oordeel van de rechtbank is het voorts niet relevant of [gedaagde sub 1 c.s.] op de hoogte was van het conservatoir derdenbeslag. Immers laat het al dan niet bestaan van deze wetenschap onverlet dat het Openbaar Ministerie, na toewijzing van haar ontnemingsvordering, tot uitwinning van het door haar gelegde beslag zou zijn overgegaan, zoals ook is gebeurd.

In dat kader is evenmin relevant dat de strafzaak en de ontnemingszaak was gericht tegen de heer [X] en niet tegen [gedaagde sub 1 c.s.] Het Openbaar Ministerie heeft de positieve banksaldi van [gedaagde sub 1 c.s.] aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel en is het gelegde beslag gaan uitwinnen, nadat zij daartoe een toewijzend vonnis van de rechtbank heeft gekregen.

Voor zover sprake zou zijn van een onjuiste betekening van het conservatoir beslag of van een onterechte beslaglegging door het Openbaar Ministerie, kan [gedaagde sub 1 c.s.] dit de Rabobank niet tegenwerpen. De Rabobank is immers niet verantwoordelijk voor de beslaglegging en de betekening daarvan.

4.6 Voor de rechtbank staat vast dat het Openbaar Ministerie de tegoeden van [gedaagde sub 1 c.s.] had aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel en dat het Openbaar Ministerie na toewijzing van haar ontnemingsvordering deze tegoeden zou afnemen.

4.7 Door de vergissing van de Rabobank kon [gedaagde sub 1 c.s.] echter vrij beschikken over haar positieve saldi op haar bankrekeningen. Toen vervolgens het Openbaar Ministerie haar beslag wilde uitwinnen heeft de Rabobank de vordering van het Openbaar Ministerie betaald. Als de Rabobank haar vergissing niet had gemaakt, had [gedaagde sub 1 c.s.] niet vrijelijk over haar tegoeden kunnen beschikken en was dit vermogen afgenomen door het Openbaar Ministerie. Met de betaling aan het Openbaar Ministerie heeft de Rabobank de vordering voldaan, die eigenlijk ten laste van het vermogen van [gedaagde sub 1 c.s.] had moeten komen. Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde sub 1 c.s.] dan ook verrijkt door de betaling van de Rabobank aan het Openbaar Ministerie.

4.8 Als onbetwist staat vast dat de verrijking van [gedaagde sub 1 c.s.] ongerechtvaardigd is en dat de Rabobank door haar betaling aan het Openbaar Ministerie is verarmd.

4.9 De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van een voldoende verband tussen de verrijking van [gedaagde sub 1 c.s.] en de verarming van de Rabobank. De Rabobank heeft immers de vordering van het Openbaar Ministerie voldaan, die anders ten laste van het vermogen van [gedaagde sub 1 c.s.] zou zijn gekomen.

4.10 Ten aanzien van de door [gedaagde sub 1 c.s.] gestelde tekortkoming van de Rabobank met betrekking tot de op de Rabobank rustende zorgplicht, overweegt de rechtbank als volgt. Door de vergissing van de Rabobank de bankrekeningen vrij te geven, ondanks het strafrechtelijk derdenbeslag, heeft de Rabobank onjuist gehandeld ten aanzien van het Openbaar Ministerie als beslaglegger. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze vergissing niet is aan te merken als een schending van de zorgplicht jegens [gedaagde sub 1 c.s.] Ook de betaling van de Rabobank aan het Openbaar Ministerie kan niet als zodanig worden aangemerkt. Voorts heeft [gedaagde sub 1 c.s.] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een schending van de zorgplicht van de Rabobank.

4.11 Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde sub 1 c.s.] ten koste van de Rabobank, op grond waarvan [gedaagde sub 1 c.s.] gehouden is tot vergoeding van de schade van de Rabobank tot het bedrag waarvoor [gedaagde sub 1 c.s.] is verrijkt. De verrijking stelt de rechtbank gelijk aan de kosten die door de Rabobank zijn gedragen en die anders ten laste van het vermogen van [gedaagde sub 1 c.s.] waren gekomen. De rechtbank zal [gedaagde sub 1 c.s.] dan ook veroordelen tot betaling van een bedrag van € 435.051,89.

4.12 Nu de primaire grondslag van de vordering van de Rabobank slaagt, zal de rechtbank de overige aangevoerde gronden buiten beschouwing laten.

4.13 De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

26 maart 2012. Als onbetwist staat vast dat dit de datum is waarop de Rabobank de vordering van het Openbaar Ministerie heeft voldaan en dientengevolge haar schade

is ontstaan.

4.14 [Gedaagde sub 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan salaris van de advocaat van de Rabobank worden begroot

op 2 punten x tarief VII à € 2.580,00.

5. De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de Rabobank van een bedrag van € 435.051,89 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Rabobank worden begroot op € 5.160,00 aan salaris van de advocaat en € 3.721,64 aan verschotten.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Bosch, Lorist en Alers en is op 15 mei 2013

in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.