Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1979

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
C-08-138253 - KG ZA 13-133
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag of gedaagden onrechtmatig handelen door misbruik van identiteitsverschil te maken dan wel aanleiding bestaat om het leerstuk van vereenzelviging toepasselijk te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

C/08/138253 / KG ZA 13-1334 juni 2013

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/138253 / KG ZA 13-133

Vonnis in kort geding van 4 juni 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ULTIMUM B.V.,

gevestigd te Almere,

eiseres,

advocaat mr. P.P. Bergers te Barendrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROUTZ B.V.,

gevestigd te Diemen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SSC PLUS HOLDING B.V.,

gevestigd te Diemen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SSC PLUS B.V.,

gevestigd te Diemen,

gedaagden,

advocaat mr. S.J. Beedie te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Ultimum en Routz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties 1 tot en met 23 van Ultimum

  • -

    de producties 1 tot en met 8 van Routz c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Ultimum

  • -

    de pleitnota van Routz.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Ultimum drijft een onderneming die onder andere ICT-personeel detacheert bij haar opdrachtgevers. Een deel van de medewerkers die zij detacheert zijn bij haar in dienst. Indien door opdrachtgevers gevraagd personeel niet bij haarzelf in dienst is, betrekt Ultimum van derden personeel. In het kader daarvan heeft zij met derden (‘leveranciers’) raamovereenkomsten ter zake inlening van personeel gesloten.

2.2.

Ook met Routz heeft Ultimum een raamovereenkomst gesloten. Routz (ook handelende onder de naam “Routz professional network services” en onder de naam “Routz network management & support) is een vennootschap die deel uitmaakt van de Routz-groep. De aandelen in Routz worden gehouden door SSC Plus Holding (ook handelende onder de naam “Routz Group”). SSC Plus (ook handelende onder de naam “Routz network executives”) is een dochtervennootschap van Routz. (Middellijk) bestuurder van Routz en aan haar gelieerde vennootschappen is onder meer de heer [A]

2.3.

De “Raamovereenkomst Inlening” (verder: de raamovereenkomst) bepaalt, voor zover van belang:

Artikel 10 - Non-concurrentiebeding

10.1

Leverancier [Routz - voorzieningenrechter] en/of aan leverancier gelieerde rechtspersonen verplichten zich gedurende de looptijd van deze overeenkomst, zomede gedurende 12 maanden na afloop daarvan direct dan wel indirect geen zakelijke relaties aan te knopen of te onderhouden met de klant of opdrachtgever van Ultimum waarvoor Leverancier in het kader van deze overeenkomst direct of indirect werkzaamheden heeft verricht. Genoemd verbod ziet uitsluitend op het aanknopen of onderhouden van zakelijke relaties, strekkende tot of samenhangende met het ontwikkelen en/of uitvoeren van automatiseringsprojecten en/of werkzaamheden of delen daarvan, in de meest ruime zin des woords. Uitsluitend met schriftelijke toestemming van Ultimum kan Leverancier geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn verplichtingen uit hoofde van dit verbod.

10.2

Het is Leverancier niet toegestaan om gedurende de looptijd en tot één jaar na beëindiging van deze overeenkomst werknemers/medewerkers van Ultimum in dienst te nemen, dan wel anderszins voor zich te laten werken, hetzij direct, hetzij indirect, behoudens schriftelijke toestemming van Ultimum.

10.3

In geval van overtreding van het bepaalde in artikel [...] 10.1 en 10.2, is leverancier een direct opeisbare boete van € 35.000,- [...] plus € 2500,- [...] voor elke dag van de overtreding aan Ultimum verschuldigd, onverminderd het recht van Ultimum om schadevergoeding te vorderen.”

2.4.

De heer [B] is op 1 oktober 2011 bij Ultimum in dienst getreden als ICT-consultant. In februari / maart 2013 heeft hij te kennen gegeven Ultimum te verlaten. Hij is, na verschillende sollicitaties bij andere bedrijven, in dienst getreden bij SSC Plus.

2.5.

De heer [C] is op 1 december 2012 bij Ultimum in dienst getreden. Hij heeft aangegeven Ultimum met ingang van 1 juni 2013 te verlaten. [C] heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met SSC Plus, maar heeft bij brief van 21 mei 2013 te kennen gegeven van deze arbeidsovereenkomst af te zien mede in verband met “de perikelen tussen jullie [Routz c.s. - voorzieningenrechter] en Ultimum.”

3 Het geschil

3.1.

Ultimum vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. Routz, SSC Plus Holding en SSC Plus hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Ultimum een bedrag van € 35.000,- + P.M. (€ 2500,- per dag voor iedere dag dat de inbreuk heeft voortgeduurd na 26 april 2013) voor het in dienst nemen van [B], dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag;

2. Routz, SSC Plus Holding en SSC Plus hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Ultimum een bedrag van € 35.000,- + P.M. (€ 2500,- per dag voor iedere dag dat de inbreuk heeft voortgeduurd na 31 mei 2013) dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag, indien het vonnis in kort geding later wordt uitgesproken dan 31 mei 2013 datum en blijkt dat [C] eveneens in dienst is getreden;

3. Routz, SSC Plus Holding en SSC Plus hoofdelijk zal verbieden dat een van hen [C] in dienst neemt, indien de zitting in kort geding eerder plaats zal vinden dan 1 juni 2013, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom groot € 35.000,- per overtreding en groot € 2.500,- per dag, dat de overtreding voortduurt, een en ander overeenkomstig de gemaakte afspraken in de raamovereenkomst, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag;

subsidiair

4. Routz en SSC Plus hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Ultimum een bedrag van € 35.000,- + P.M. (€ 2500,- per dag voor iedere dag dat de inbreuk heeft voortgeduurd na 26 april 2013) voor het in dienst nemen van [B], dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag;

5. Routz en SSC Plus hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Ultimum een bedrag van € 35.000,- + P.M. (€ 2500,- per dag voor iedere dag dat de inbreuk heeft voortgeduurd na 31 mei 2013) dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag, indien het vonnis in kort geding later wordt uitgesproken dan 31 mei 2013 en blijkt dat [C] eveneens in dienst is getreden;

6. Routz en SSC Plus hoofdelijk zal verbieden dat een van hen [C] in dienst neemt, indien de zitting in kort geding eerder plaats zal vinden dan 1 juni 2013 op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom groot € 35.000,- per overtreding en groot € 2.500,- per dag, dat de overtreding voortduurt, een en ander overeenkomstig de gemaakte afspraken in de raamovereenkomst, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag;

meer subsidiair

7. Routz dan wel SSC Plus Holding dan wel SSC Plus zal veroordelen tot betaling aan Ultimum een bedrag van € 35.000,- + P.M. (€ 2500,- per dag voor iedere dag dat de inbreuk heeft voortgeduurd na 26 april 2013) voor het in dienst nemen van [B], dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag.

8. Routz dan wel SSC Plus Holding dan wel SSC Plus zal veroordelen tot betaling aan Ultimum een bedrag van € 35.000,- + P.M. (€ 2500,- per dag voor iedere dag dat de inbreuk heeft voortgeduurd na 31 mei 2013) dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag, indien het vonnis in kort geding later wordt uitgesproken dan 31 mei 2013 en blijkt dat [C] eveneens in dienst is getreden.

9. Routz dan wel SSC Plus Holding dan wel SSC Plus zal verbieden dat zij [C] in dienst neemt, indien het vonnis in kort geding eerder wordt uitgesproken dan 31 mei 2013 op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom groot € 35.000,- per overtreding en groot € 2.500,- per dag, dat de overtreding voortduurt, een en ander overeenkomstig de gemaakte afspraken in de raamovereenkomst, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitia te bepalen bedrag.

primair, subsidiair en meer subsidiair

10. Routz dan wel SSC Plus Holding dan wel SSC Plus (hoofdelijk) zal veroordelen tot betaling aan Ultimum van de nakosten ten bedrage van respectievelijk € 131,- zonder betekening en € 199,- in geval van betekening, indien en voor zover Routz, SSC Plus Holding en/of SSC Plus niet binnen de wettelijke vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een door de voorzieningenrechter redelijk geachte termijn, na betekening aan dit vonnis heeft voldaan en te vermeerderen met € 258,- in geval na betekening tot executoriale beslaglegging (zonder gerechtelijke maatregelen) zal worden overgegaan;

11. Routz dan wel SSC Plus Holding dan wel SSC Plus (hoofdelijk) zal veroordelen tot betaling aan Ultimum van de kosten van deze procedure,

12. die voorzieningen zal treffen die de voorzieningenrechter in goede justitia zal vermenen te behoren.

3.2.

Routz voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Routz c.s. hebben het door Ultimum gestelde spoedeisend belang bestreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in voldoende mate gebleken van een spoedeisend belang, nu de vorderingen (deels) zien op opheffing van een beweerdelijk onrechtmatige situatie.

4.2.

Anders dan Routz c.s. hebben aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen zich lenen voor behandeling in kort geding. Niet aannemelijk is dat de feiten waarvan dient te worden uitgegaan, zodanig onhelder zijn c.q. dat toewijzing zal leiden tot gevolgen die in zodanige mate niet te overzien zijn dat toewijzing niet verantwoord is te achten.

4.3.

Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft Ultimum zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat een juiste uitleg van artikel 10.2 van de raamovereenkomst meebrengt dat ook bij indiensttreding van een medewerker van Ultimum bij SSC Plus, als een aan Routz gelieerde vennootschap, overtreding van dit beding inhoudt. Routz c.s. hebben zulks bestreden.

4.3.1.

Vaste rechtspraak is dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht ((Ermes c.s. / Haviltex), HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Bij een zuiver commerciële transactie als de onderhavige tussen twee professionele marktpartijen ligt het voor de hand dat groter gewicht wordt toegekend aan de taalkundige betekenis van de door partijen gehanteerde woorden (Meyer Europe / PontMeyer, HR 19 januari 2007, NJ 2007, 535, Derksen c.s. / Homburg c.s. HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576).

4.3.2.

In het licht van deze maatstaf acht de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk geworden dat het verbod genoemd in artikel 10.2 van de raamovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat het zich niet alleen over Routz maar ook aan haar gelieerde rechtspersonen uitstrekt, waaronder SSC Plus. Daarbij is van belang dat:

a. het verbod genoemd in artikel 10.1 van de raamovereenkomst zich expliciet uitstrekt over Routz “en/of aan haar gelieerde rechtspersonen”, zodat aangenomen kan worden dat bij de totstandkoming van de overeenkomst de mogelijkheid van zich laten uitstrekken van een verbod over andere rechtspersonen dan de contractspartij blijkbaar welbewust onder ogen is gezien;

b. Routz c.s. te kennen hebben gegeven dat het contract door Ultimum is opgesteld en dat - indien in artikel 10.2 eveneens zou zijn vermeld “en/of aan haar gelieerde rechtspersonen”, zij hiermee niet zouden hebben ingestemd;

c. artikel 10.2 een verbodsbepaling betreft op overtreding waarvan aanzienlijke boetes worden verbeurd zodat een strikte interpretatie (ten voordele van Routz c.s.) eerder in de rede ligt dan een ruime interpretatie (ten voordele van Ultimum);

d. de raamovereenkomst een zuiver commerciële overeenkomst tussen twee professionele partijen betreft, zodat groter gewicht wordt toegekend aan de taalkundige betekenis van bewoordingen van het litigieuze beding, derhalve in die zin dat de verbodsbepaling alleen betrekking heeft op Routz en niet op aan haar gelieerde rechtspersonen.

4.4.

Voorts heeft Ultimum zich beroepen op misbruik van identiteit van verschillende vennootschappen c.q. dat Routz en SSC Plus vereenzelvigd dienen te worden. Zij stelt daartoe dat Routz c.q. de aan haar gelieerde vennootschappen door - in strijd met de Handelsnaamwet - verwarring in het leven te hebben geroepen, misbruik van de identiteiten van Routz en SSC Plus heeft gemaakt, hetgeen in rechte niet gehonoreerd dient te worden. De conclusie die Ultimum daaraan verbindt is dat SSC Plus Holding en SSC Plus ook geacht moeten worden te zijn gebonden aan de raamovereenkomst. Door indiensttreding van [B] en [C] handelt SSC Plus derhalve eveneens in strijd met artikel 10.2 van die overeenkomst. Routz c.s. hebben bestreden dat er misbruik van identiteitsverschil heeft plaatsgevonden.

4.4.1.

Voor de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil dan wel grond bestaat voor vereenzelviging van rechtspersonen is het Rainbow-arrest (HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698) richtinggevend. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen:

“Het onderdeel stelt daarmee de vraag aan de orde of voor een zodanige vereenzelviging plaats is indien zich feiten en omstandigheden voordoen als die waarop het Hof zijn oordeel heeft gegrond.

Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.

De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen — het volledig wegdenken van het identiteitsverschil — de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551, NJ 1996, 213).”

4.4.2.

Gelet op de door de Hoge Raad aangelegde maatstaf bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen aanleiding voor toepassing van dit leerstuk.

4.4.3.

In de eerste plaats is daarbij van belang dat weliswaar zowel Routz als SSC Plus aan het economisch verkeer deelnemen onder benamingen met daarin (ook) het woord “Routz”, maar dat zulks in dit geval geen (onrechtmatige) verwarring oplevert. Routz c.s. hebben in dit verband aangevoerd dat SSC Plus aanvankelijk onder eigen naam opereerde, maar dat er vanuit een commercieel perspectief voor is gekozen om SSC Plus meer te profileren als onderdeel van de Routz-groep en dus aan SSC Plus een extra handelsnaam “Routz Network Executives” te geven welke naam zich overigens wel onderscheidt van de andere entiteiten binnen de Routz-groep, en dat SSC Plus zich kenmerkt door een andere bedrijfsvoering dan Routz. Bij SSC Plus worden, aldus nog steeds Routz c.s. de ‘grote contracten’ ondergebracht en wordt gefactureerd op basis van uurtarief terwijl Routz, die zich in dat verband (ook) bedient van de handelsnamen “Routz Professional Network Services” en “Routz Network Management & Support” kleinere klanten bedient op basis van een resultaatsverplichting. Een en ander is door Ultimum niet weersproken.
Nu de uitingen van Routz c.s. op de website hiermee in overeenstemming zijn en een en ander voorts juist is weergegeven in de registers van de Kamer van Koophandel valt niet zonder nadere toelichting - welke toelichting door Ultimum niet is gegeven - in te zien op welke wijze dit handelsnaamgebruik jegens Ultimum als onrechtmatige verwarring zou moeten worden gekwalificeerd.

4.4.4.

Gesteld al dat het handelsnaam gebruik van Routz c.s. verwarrend zou zijn, dan zou dat in het onderhavige geval overigens nog niet tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen hebben geleid. Voor onrechtmatig misbruik van identiteitsverschil dient immers aannemelijk te zijn dat het ge- c.q. misbruik van de verschillende rechtspersonen plaatsvindt met het oogmerk om artikel 10.2 van de raamovereenkomst te omzeilen. Dat is echter niet aannemelijk geworden. [B], zo is gesteld door Routz c.s., hetgeen door Ultimum onvoldoende is weersproken is, in dienst gekomen bij SSC Plus en verricht thans werkzaamheden bij Alcatel-Lucent, een klant van SSC Plus en niet van Routz. [C] heeft, in verband met het onderhavige geschil, uiteindelijk afgezien van een dienstverband bij SSC Plus.

4.5.

Als laatste afzonderlijk te onderscheiden grondslag heeft Ultimum aangevoerd dat blijkens berichten op onder andere de internetsite van Headfirst Routz en aan haar gelieerde vennootschappen over en weer gebruik maken van “dezelfde specifieke en hoogstaande technische kennis in vorm van het personeel” en [B] en [C] in het kader van hun dienstverband met SSC Plus dus ook indirect werkzaam zijn voor Routz, hetgeen eveneens in strijd is met artikel 10.2 van de raamovereenkomst.

4.5.1.

De door Ultimum in dit verband betrokken stellingen zijn onvoldoende voor toewijzing van enige vordering, reeds omdat van overtreding van het verbod eerst sprake is indien de desbetreffende medewerker bij Routz in dienst is getreden. Dat kan uit voormelde algemene uiting niet worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor [C], voldoende is komen vast te staan dat hij in het geheel niet in dienst is getreden van Routz c.s.

4.6.

Nu geen van de door Ultimum aangedragen gronden tot toewijzing van enig gedeelte van de vorderingen kan leiden, zal de voorzieningenrechter de vorderingen afwijzen.

4.7.

Ultimum B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Routz B.V. c.s. worden begroot op:

- griffierecht €  3.715,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal €  4.619,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Ultimum B.V. in de proceskosten, aan de zijde van Routz B.V. c.s. tot op heden begroot op € 4.619,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2013.