Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1830

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-08-2013
Datum publicatie
20-08-2013
Zaaknummer
C/08/136994 / HA ZA 13-120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cessie. Mededeling van akte.

In onderhavige zaak is geen sprake van een authentieke of geregistreerde onderhandse akte.

Voor een rechtsgeldige overdracht van de vordering dient een akte te worden opgemaakt, waarvan mededeling is gedaan aan de schuldenaar.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze mededeling in iedere vorm kan geschieden en dat hij betrekking dient te hebben op het feit dat een akte is opgemaakt. Mede gelet op het woord 'daarvan' in het eerste lid van artikel 3:94 BW, is de rechtbank van oordeel dat de mededeling dient te geschieden na het opmaken (en ondertekenen) van de akte van cessie. De mededeling dat de vordering zal worden overgedragen, is onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/392
Prg. 2013/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/136994 / HA ZA 13-120

datum vonnis: 14 augustus 2013 (f)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. M.A. Schuring te Almelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. G.H. Hoekman te Almelo.

1 Het procesverloop

1.1

Op 12 juni 2013 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen.

1.2

Op 1 juli 2013 heeft [eiseres] de in het tussenvonnis opgevraagde akte ontbinding vennootschap onder firma/levering in het geding gebracht.

1.3

Op 19 juli 2013 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4

Het vonnis is bepaald op 28 augustus 2013, maar wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.

2 De vaststaande feiten

2.1

Op 1 januari 2008 is door [naam B.V. 1] (een onderneming van de echtgenoot van [eiseres]) en [gedaagde] een vennootschap onder firma aangegaan, genaamd [naam V.O.F.]

2.2

Op 1 juli 2008 is [naam B.V. 2] (eveneens een onderneming van de echtgenoot van [eiseres]) in plaats van [naam B.V. 1] vennoot geworden van de vof.

2.3

Op 29 december 2008 is tussen de heer [echtgenoot eiseres] en [naam B.V. 1] enerzijds en [gedaagde] anderzijds een koopovereenkomst gesloten betreffende de woning aan de [adres] te [plaats]. De feitelijke levering van de woning zou op

2 januari 2017 (of zoveel eerder als door een eerdere ontruiming mogelijk was) plaatsvinden. De koopsom van de woning bedroeg € 359.000,00, maar deze diende eerst ten tijde van de levering voldaan te worden. Hiervoor diende [gedaagde] een jaarlijkse rentevergoeding te voldoen. Over de periode van 2007 tot en met 2011 was [gedaagde] een jaarlijkse vergoeding verschuldigd van € 12.950,00 (zijnde 5% over een gedeelte van de koopsom). Nadien zou de rente opnieuw worden vastgesteld aan de hand van de voorwaarden, zoals omschreven in de overeenkomst. De eerste betaling van de rentevergoeding zou plaatsvinden op

1 januari 2009, over de jaren 2007 en 2008.

2.4

Op 27 juli 2011 is de vof ontbonden. In verband met de hiertoe tussen de daarbij betrokken partijen bereikte overeenstemming is de verkochte woning aan [gedaagde] geleverd. In de akte ontbinding vennootschap onder firma/levering is tussen
de heer [echtgenoot eiseres] in privé en als bestuurder van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] (en in die laatste hoedanigheid ook als mede-vennoot van
[naam V.O.F.]) en [gedaagde] onder meer het volgende overeengekomen:

- onder I, sub 5

Middels die overeenkomst hebben partijen, ter beëindiging van hun geschillen en ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar verbonden aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover deze van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.”

- onder II, voorlaatste gedachtenstreepje

het gevolg van de afspraken dient in ieder geval te zijn dat er door eiser (lees [gedaagde], toevoeging rechtbank) aan gedaagden (lees [eiseres] en [naam B.V. 2], toevoeging rechtbank) danwel een andere vennootschap die is gelieerd aan de heer [eiseres], nog enig bedrag dient te worden betaald, uit welke hoofde dan ook, waaronder de destijds tussen eiser en gedaagde sub 3 (naar de rechtbank begrijpt [naam B.V. 1]) overeengekomen koopsom van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats].”

- onder III, sub 3

“Als onderdeel van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen de koopovereenkomst thans ten uitvoer te brengen. De levering vindt derhalve plaats op heden (in verhuurde staat), zonder verdere verrekening van de koopprijs en/of eventuele nog verschuldigde rente, in die zin dat die koopprijs en rente zijn verdisconteerd in de onderhavige ontbinding/overname/voortzetting.”

- onder III, sub 9

“Als verduidelijking van het citaal uit de vaststellingsovereenkomst onder het voorlaatste gedachtenstreepje, stellen partijen dat bedoeld tekstdeel moet worden gelezen in die zin dat [eiseres], danwel enige vennootschap(pen) van hem, geen enkel bedrag meer zal ontvangen van [gedaagde], uit welken hoofde dan ook.”

2.5

[gedaagde] heeft geen rentevergoedingen betaald.

3 De standpunten van partijen

Standpunt [eiseres]

3.1

heeft gevorderd dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen € € 59.179,73, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 februari 2012 tot aan de dag der voldoening. Tevens heeft [eiseres] gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2

[eiseres] voert daartoe aan dat de heer [echtgenoot eiseres] en [naam B.V. 1] bij akte van cessie van 20 januari 2009 hun vorderingsrecht betreffende de jaarlijkse rentevergoeding hebben overgedragen aan [eiseres]. De heer [echtgenoot eiseres] heeft deze cessie destijds mondeling aan [gedaagde] meegedeeld. Nu [gedaagde] geen rentevergoedingen heeft betaald, heeft [eiseres] van hem te vorderen een bedrag van € 59.179,73, bestaande uit 4 x € 12.950,00 (de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010) en 208/365 x € 12.950,00
(tot 27 juli 2011).

Standpunt [gedaagde]

3.3

voert verweer en stelt dat primair de vordering niet aan [eiseres] is gecedeerd. Immers, aan [gedaagde] is nimmer een mededeling van overdracht van de vordering gedaan. In de door [eiseres] in het geding gebrachte verklaring van de heer [getuige], als getuige van die mededeling, is bovendien geen mededeling te lezen, waaruit kan worden afgeleid dat de vordering aan [eiseres] is gecedeerd. Verder zijn er redenen te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [getuige], vermeldt de akte van cessie een inhoudelijk onjuiste grondslag voor overdracht van de vordering en blijkt uit de akte niet dat [naam B.V. 1] rechtsgeldig is vertegenwoordigd.

3.4

Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat bij hem gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat [eiseres] op het moment van ontbinding van de vof geen vordering had op [gedaagde], dan wel dat zij het eens was met hetgeen is afgesproken bij die ontbinding. Bij de ontbinding van de vof hebben [gedaagde] enerzijds en [echtgenoot eiseres] en [naam B.V. 1] anderzijds afspraken gemaakt, inhoudende dat door [gedaagde] geen enkel bedrag aan koopsom en/of rente uit hoofde van de koopovereenkomst van de woning aan de [adres] te [plaats] zou hoeven worden voldaan. [eiseres] heeft op geen enkel wijze geprotesteerd tegen één of meer onderdelen van de akte van ontbinding.

3.5

Meer subsidiair stelt [gedaagde] dat het in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat [eiseres] zich thans nog beroept op enig vorderingsrecht, nu zij op de hoogte was van de afspraken in het kader van de ontbinding van de vof. Nog meer subsidiair heeft [eiseres] volgens [gedaagde] haar recht verwerkt, nu zij op de hoogte was van voormelde afspraken en desondanks er niet op heeft gewezen dat haar echtgenoot en [naam B.V. 1] niet meer beschikkingsbevoegd waren om afspraken te maken over het vorderingsrecht op rentevergoedingen. Ten slotte stelt [gedaagde] dat de vordering dient te worden gematigd tot nihil.

4 De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

4.1

Partijen zijn allereerst verdeeld over het antwoord op de vraag of sprake is van een rechtsgeldige cessie op grond waarvan [eiseres] stelt een vordering te hebben op [gedaagde].

4.2

Artikel 3:94, eerste lid, BW bepaalt dat – buiten de in het artikel 3:93 BW geregelde gevallen – tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten worden geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger. In onderhavige zaak is niet in geschil dat de akte van cessie geen authentieke of geregistreerde onderhandse akte is, zodat het derde lid van dit artikel, waarin is bepaald dat bij een dergelijke akte een mededeling niet noodzakelijk is, niet van toepassing is. Om te komen tot een rechtsgeldige overdracht van de vordering dient dus een daartoe bestemde akte te worden opgemaakt, waarvan mededeling is gedaan aan de schuldenaar.

4.3

Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze mededeling in iedere vorm kan geschieden en dat hij betrekking dient te hebben op het feit dat een akte is opgemaakt, niet op de inhoud van de akte. Mede gelet op het woord ‘daarvan’ in het eerste lid van artikel 3:94 BW is de rechtbank van oordeel dat, om te komen tot een levering van de overdracht van de vordering, de mededeling dient te geschieden na het opmaken (en ondertekenen) van de akte van cessie. De mededeling dat de vordering zal worden overgedragen, is onvoldoende. Voor zover [eiseres] en haar echtgenoot hebben willen bewerkstelligen dat conform artikel 3:97 BW bij voorbaat wordt geleverd, overweegt de rechtbank dat dit artikel niet van toepassing is, nu het hier niet gaat om een toekomstig goed. Immers, de vordering bestond reeds.

4.4

[eiseres] heeft gesteld dat de akte van cessie is opgemaakt op 20 januari 2009. Voorts heeft zij gesteld dat de cessie (voordien reeds) aan [gedaagde] is meegedeeld, ten bewijze waarvan zij een e-mailbericht van de heer [getuige] heeft overgelegd, waarin deze verklaart dat hij er getuige van is geweest dat (toevoeging rechtbank: de heer) [echtgenoot eiseres] aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat de rente moet worden overgemaakt op een rekening van mevrouw
[eiseres]. De heer [getuige] schrijft in dat e-mailbericht voorts dat deze mededeling plaatsvond op zijn kantoor, naar hij meent in december 2008. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard op 5 januari 2009 bij de heer [getuige] op kantoor te zijn geweest. In de akte van cessie is tevens opgenomen dat de afspraak is meegedeeld aan [gedaagde].

4.5

De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat, als al uitgegaan moet worden van een (tot levering van de overdracht van een vordering strekkende) mededeling aan [gedaagde], deze mededeling enkele weken voor de datum waarop de akte van cessie zou zijn opgemaakt aan [gedaagde] zou zijn gedaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is dat onvoldoende om te komen tot voltooiing van een rechtsgeldige overdracht van de vordering. Voorts is niet gesteld dat na de akte van cessie (wederom) een mededeling is gedaan aan [gedaagde] om de levering van die overdracht op dat moment te voltooien.

4.6

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen rechtsgeldige overdracht van de vordering aan [eiseres] heeft plaatsgevonden. De vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

4.7

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 842,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.630,00

5 De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af de vorderingen van [eiseres].

II. Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 2.630,00.

III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Flos en is op 14 augustus 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.