Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5412

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2013
Datum publicatie
25-03-2013
Zaaknummer
Awb 12/1167
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag vanwege bedreigingen richting leidinggevende en onder werktijd veelvuldig het internet gebruiken voor privézaken; niet op deugdelijke wijze vastgesteld dat eiser de door hem verweten uitlatingen heeft gedaan; wel genoegzaam komen vast te staan dat eiser tijdens werktijden meer dan incidenteel gebruik heeft gemaakt van internet voor privédoelinden; onvoorwaardelijk strafontslag vanwege dit plichtsverzuim onevenredig; rechtvaardigt slechts een waarschuwing die eiser al heeft gekregen; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Almelo

Registratienummer: 12 / 1167 AW

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te Almelo, eiser,

gemachtigde: mr. D.F. Briedé, advocaat te Almelo,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. Boiten, advocaat te Zwolle.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 oktober 2012.

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2012 is eiser met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van

20 juli 2012 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 17 januari 2013 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 21 februari 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd en door R.C. van Geffen, gemeentesecretaris van de gemeente Almelo.

3. Overwegingen

3.1 Het onderhavige beroep is ingediend bij de rechtbank Almelo. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) in werking getreden. Als gevolg hiervan wordt deze uitspraak gedaan door de rechtbank Oost-Nederland.

3.2 In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van plichtsverzuim door eiser en, zo ja, of dit plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend en de disciplinaire straf van ontslag rechtvaardigt.

3.3 Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO, voor zover hier van belang, kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van artikel 16:1:1 van de CAR/UWO omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 8:13 kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

3.4 Verweerder heeft het strafontslag gebaseerd op twee gedragingen van eiser. Samengevat komen deze er op neer dat eiser bedreigingen richting zijn leidinggevende heeft geuit die gericht waren tegen diens leven en dat eiser onder werktijd - en in strijd met de gemeentelijke regels - veelvuldig het internet voor privézaken heeft gebruikt, waarbij eiser ook verboden websites heeft bezocht. Met betrekking tot de overige gedragingen die mede aan het primaire besluit ten grondslag lagen - en die betrekking hebben op de werktijden, de omgang met stagiaires en de vernietiging van archiefstukken - heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting verklaard dat deze gedragingen eiser nog wel worden verweten, maar dat deze gedragingen voor het gegeven ontslag niet dragend zijn. Gelet daarop kan een bespreking van deze gedragingen thans achterwege blijven.

Bedreiging van zijn leidinggevende gericht tegen diens leven

3.5 Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 april 2007, LJN: BA4475, gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

3.6 De rechtbank stelt vast dat verweerder op basis van de door (naam) en [naam respectievelijk 1 en 2 december 2012 afgelegde verklaringen het standpunt heeft ingenomen dat eiser op 27 oktober 2011 zijn afdelingshoofd [afdelingshoofd] met de dood heeft bedreigd. De rechtbank constateert dat uit beide verklaringen weliswaar naar voren komt dat eiser op 27 oktober 2011 zou hebben gedreigd zijn leidinggevende dood te zullen maken, maar dat [naam] en [naam] duidelijk verschillend hebben verklaard over de wijze waarop eiser dat volgens zijn mededelingen zou gaan doen. Volgens naam] heeft eiser gezegd dat hij [afdelingshoofd] wilde “ombrengen” indien hij vanwege zijn internetgedrag zou worden ontslagen, waarbij eiser met name tot in detail zou hebben verklaard over het vergiftigen van eiser. Volgens [naam] zou eiser hebben verklaard dat hij [afdelingshoofd] wilde “omleggen” en heeft hij daarbij met name verklaard over het daarvoor benodigde wapen en het verhullen van de daardoor veroorzaakte kruitsporen.

3.7 De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [naam] en [naam zodanig van elkaar verschillen dat enkel op basis van deze verklaringen niet kan worden vastgesteld wat eiser nu feitelijk op 27 oktober 2011 heeft gezegd. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat naam] weliswaar op 27 oktober 2011 haar werkplek enige tijd heeft verlaten, maar dat dit niet geldt voor [naam], zodat het vreemd is dat [naam] niet ook heeft verklaard over de door [naam] beschreven vergiftiging. Daarnaast acht de rechtbank nog van belang dat de senior medewerker, [naam], in hetgeen hem door [naam] en [naam] werd meegedeeld geen aanleiding heeft gezien eiser direct zelf over het gebeurde te horen, hetgeen bijdraagt aan de mogelijkheid dat geen juist beeld van de feitelijke gang van zaken is ontstaan. Verder acht de rechtbank niet zonder betekenis dat [naam] en [naam] - nog voordat zij met [naam] hebben gesproken - onderling overleg hebben gehad en dat dit aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen verder afbreuk kan doen. De rechtbank wijst in dit kader verder nog op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2010, LJN: BN2349, waaruit blijkt dat met verklaringen van collega’s door de dienstleiding voorzichtig dient te worden omgegaan. Dergelijke verklaringen kunnen slechts goed op hun waarde worden geschat tegen de achtergrond van de verhoudingen in de betrokken groep medewerkers. In beginsel zal het dus nodig zijn de inhoud van zulke verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten. De rechtbank constateert dat dergelijk nader onderzoek in dit geval niet heeft plaatsgevonden, ondanks dat eiser heeft verklaard dat het tussen hem en [naam] niet boterde en daarvoor in de verklaring van [naam] van 2 december 2011 enige bevestiging is te vinden. Onder deze omstandigheden, en mede gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de inhoud van de afgelegde verklaringen is overwogen, bestond er naar het oordeel van de rechtbank alle aanleiding tot een nader onderzoek als hier bedoeld.

3.8 Nu een dergelijk onderzoek is uitgebleven, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat niet op voldoende deugdelijke wijze is vastgesteld dat eiser de hem verweten uitlatingen heeft gedaan. Daarmee voldoet het ten aanzien van eiser genomen besluit wat dit punt betreft niet aan de vereisten, zoals onder 3.5 weergegeven. Nu verweerder ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat een nader onderzoek niet mogelijk is en derhalve ook niet verricht zal worden, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid te stellen bovengenoemd gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Veelvuldig internetgebruik voor privézaken

3.9 In de Gedragscode voor medewerkers van de gemeente Almelo (Gedragscode) is onder punt 3 “Verantwoord omgaan met gemeentelijke middelen” voor zover thans van belang bepaald dat het privégebruik van e-mailsysteem en internet beperkt dient te blijven. Verder is in artikel 5, tweede lid, van het Privacyreglement e-mail en internetgebruik (Privacyreglement), voor zover thans van belang, bepaald dat incidenteel gebruik van de elektronische communicatiemiddelen door medewerkers is toegestaan. Het zevende lid van dit artikel bepaalt dat het medewerkers niet is toegestaan financiële transacties te doen, zoals aankopen of bestellingen op ‘internetwinkelsites’.

3.10 De rechtbank stelt vast - en ter zitting is dit ook door verweerder bevestigd - dat in de Gedragscode en het Privacyreglement niet is bepaald dat er verboden websites zijn, zodat verweerder ten onrechte mede aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat eiser verboden websites heeft bezocht. Wel is in het Privacyreglement opgenomen dat het medewerkers niet is toegestaan financiële transacties te doen, maar - nog daargelaten of vast is komen te staan dat eiser zich hieraan schuldig heeft gemaakt - niet is gebleken dat verweerder dit aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

3.11 Wel is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de verklaringen van [naam], [naam] en [naam] - welke verklaringen worden bevestigd door het rapport van Bureau Hoffmann van 1 mei 2012, zoals dat aan de rechtbank is overgelegd - genoegzaam is komen vast te staan dat eiser tijdens werktijden een meer dan incidenteel en een meer dan beperkt gebruik heeft gemaakt van het internet voor privédoeleinden, zodat eiser met zijn gedrag voormelde bepalingen in de Gedragscode en het Privacyreglement heeft geschonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser zich op dit onderdeel wel aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Of ook collega’s veelvuldig het internet voor privézaken hebben gebruikt - en daarmee wellicht eveneens plichtsverzuim hebben gepleegd - doet aan het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet af.

3.12 In hetgeen door eiser is aangevoerd met betrekking tot zijn medische omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat dit plichtsverzuim niet aan hem is toe te rekenen. Dat eiser, zoals ter zitting is gesteld, vanwege zijn medische problematiek het internet nodig had om stoom af te blazen, is op geen enkele wijze gebleken.

3.13 Wel is de rechtbank met eiser van oordeel dat een onvoorwaardelijk strafontslag vanwege dit plichtsverzuim onevenredig is aan de aard en de ernst van de gedraging. Daarbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het gesprek dat eiser op 27 oktober 2011 met zijn teamleider heeft gehad slechts ten doel had eiser een waarschuwing te geven vanwege zijn veelvuldige internetgebruik voor privéaangelegenheden en dat een (disciplinair) ontslag destijds niet aan de orde was. Dit is - aldus verweerder ter zitting - pas in beeld gekomen als zelfstandige grond voor de disciplinaire straf van ontslag nadat de resultaten van het onderzoek door Bureau Hoffmann bekend waren geworden en daaruit bleek wat de daadwerkelijke omvang van het privé internetgebruik door eiser tijdens werktijd was. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt het rapport van Bureau Hoffmann slechts hetgeen reeds eerder op basis van verklaringen van collega’s bekend was en bevat dit rapport geen nieuwe feiten. Verweerder heeft hierin dan ook geen aanleiding kunnen zien alsnog de disciplinaire straf van ontslag wegens veelvuldig privégebruik van het internet op te leggen.

3.14 Aan het voorgaande voegt de rechtbank nog toe dat ook niet is komen vast te staan dat eiser al eerder, in 2010, een waarschuwing vanwege zijn overmatige internetgebruik heeft gekregen. Van een dergelijke waarschuwing is niets op schrift vastgelegd en door eiser is ter zitting gesteld dat van een officiële waarschuwing geen sprake is geweest, maar dat hem in 2010 slechts terloops door de senior medewerker is meegedeeld dat hij niet zoveel op de website van Marktplaats moest zitten en dat hij aan dit verzoek gehoor heeft gegeven. Met betrekking tot de waarschuwing in 2001 overweegt de rechtbank dat deze waarschuwing niet zag op het veelvuldig gebruik van internet voor privédoeleinden, maar op het ontvangen en doorsturen van seksueel en pornografisch getinte berichten via e-mail en dat het tijdsverloop sindsdien zodanig is dat dit geen rol meer kan spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Conclusie

3.15 De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 17 juli 2012 te herroepen. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat het onderhavige plichtsverzuim - nu eiser, gelet op het voorgaande, niet eerder officieel is gewaarschuwd en daarmee niet de gelegenheid heeft gekregen zich te verbeteren – slechts een waarschuwing rechtvaardigt en eiser deze waarschuwing reeds op 27 oktober 2011 heeft gekregen. Weliswaar is ook deze waarschuwing niet op schrift gesteld, maar deze waarschuwing heeft eiser, anders dan de gestelde waarschuwing in 2010, niet weersproken.

3.16 De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze proceskosten worden begroot € 944,-, waarbij één punt is toegekend voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, bij een zaak van gemiddeld gewicht.

4. Beslissing

De Rechtbank Oost-Nederland,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 oktober 2012;

- herroept het primaire besluit van 17 juli 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit van 25 oktober 2012;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 944,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiser dient te betalen;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. L.M. Tobé, voorzitter, en mrs. R.J. Jue en A. Flos, rechters, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op