Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:584

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
3739149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Waiverclaim. Eindvonnis na Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018.

Stuiting van verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst(en).

Aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW.

Beroep van Dexia op afstand van recht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/435

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven

civiel recht

Zaaknummer : 3739149

Rolnummer : 15-23

Uitspraak : 11 februari 2016

In de zaak van:

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, verbonden aan USG Legal Professionals te Amsterdam,

t e g e n:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, verbonden aan Leaseproces te Amsterdam,

heeft de kantonrechter het navolgende vonnis gewezen.

De procedure

Naar aanleiding van het op 12 november 2015 tussen partijen gewezen tussenvonnis heeft Dexia een akte genomen. Vervolgens heeft [gedaagde] bij antwoordakte gereageerd.

Uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling

1.

De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen in voormeld tussenvonnis en in het tussenvonnis van 12 september 2015 is overwogen en beslist.

2.

Zoals in het tussenvonnis van 12 november 2015 gememoreerd, heeft de Hoge Raad in een uitspraak van 9 oktober 2015 bij wege van prejudiciële beslissing een antwoord gegeven op twee door het gerechtshof te Amsterdam geformuleerde vragen die ook voor de onderhavige zaak relevantie hebben (Hoge Raad 9 oktober 2015, zaaknummer 15/00378, ECLI:NL:HR:2015:3018).

3.

In die uitspraak is beslist:

1. dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.

2. dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

4.1.

Dexia stelt zich op het standpunt dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding d.d. 13 maart 2003 de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW door (onder meer) Stichting Eegalease werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor [gedaagde] geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen.

Verder heeft Dexia erop gewezen dat in de onderhavige zaak de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgelegd op 11 april 2006 en dat dit ruimschoots is na het verstrijken van de termijn van zes maanden als hiervoor onder 3.2. bedoeld.

4.2

[gedaagde] schaart zich achter de prejudiciële beslissing en concludeert dat, nu de vernietiging van de overeenkomst op 22 maart 2006 heeft plaatsgevonden en die overeenkomst dateert van oktober 2000, er van verjaring geen sprake kan zijn. Dat zou eerst anders zijn indien de overeenkomst voor 13 maart 2000 zou zijn afgesloten.

5.1

Naast de in het vonnis van 17 september 2015 onder 1 weergegeven vaststaande feiten, is in verband met de aan de orde zijnde verjaringsproblematiek het volgende van belang, zoals weergegeven in voormelde prejudiciële beslissing onder 3.1.iv tot en met 3.1.vi:

A: Bij dagvaarding van 13 maart 2003 hebben onder anderen de Stichting Eegalease en de Consumentenbond gevorderd voor recht te verklaren (vordering A): dat op de door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in de art. 1:88 en 1:89 BW van toepassing is en (vordering B): dat de leaseovereenkomsten die in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner met Dexia zijn gesloten, vernietigd zijn, althans vernietigbaar zijn op grond van art. 1:89 BW (hierna samen: de collectieve actie).

B: Bij vonnis van 25 augustus 2004 (ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7412) heeft de rechtbank Amsterdam vordering A toegewezen en vordering B afgewezen.

C: Gedurende het door Dexia tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties – waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond – een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een "Hoofdovereenkomst" van 23 juni 2005. Daarbij hebben de belangenorganisaties verklaard hun medewerking te zullen verlenen aan beëindiging en royement van alle onderwerpelijke procedures, waaronder de met de dagvaarding van 13 maart 2003
ingeleide procedure, en afstand te doen van alle in de betrokken procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, waaronder de vorderingen A en B. Partijen hebben vervolgens – zoals voorzien in de Hoofdovereenkomst – een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW (de WCAM-
overeenkomst). Deze overeenkomst is bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427, verbindend verklaard. Het geheel van de hier bedoelde afspraken wordt aangeduid als de Duisenberg-regeling.

5.2.

[gedaagde] heeft door een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW tijdig laten weten niet gebonden te willen zijn aan de Duisenberg-regeling.

6.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt

Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4585, rechtsoverweging 3.14) heeft het gerechtshof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer, die tijdig een opt-out verklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking (uitmondend in de WCAM-overeenkomst) afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan deze Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing worden hier overgenomen.

In het arrest d.d. 25 november 2014 (rechtsoverweging 3.10.5, ECLI:NL:GHSHE:2014:4956) heeft gerechtshof Den Bosch overwogen dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten.

Dit laatste doet echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt verworpen.

6.2.

De verjaring is alleen gestuit indien binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is geëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd (de rechtsoverwegingen 3.5.2. en 3.5.3. van voormelde uitspraak van de Hoge Raad).

Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in – kort samengevat – een schikking tussen de daarbij betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM, wet van 23 juni 2005, Stb 2005/340) rechtsgevolgen heeft gekregen (dan wel heeft kunnen krijgen) voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van voormelde uitspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat – nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld – de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft te) beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Een en ander brengt mee dat de belanghebbende – ter voorkoming van verjaring – pas een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring hoefde af te geven nadat de schikking als uitkomst van de collectieve actie is komen vast te staan.

6.3.

Dat doet de vraag rijzen op welk moment de hiervoor bedoelde collectieve actie is geëindigd en dus op welk moment de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW is aangevangen. De uitkomst van de collectieve actie is het gevolg geweest van een proces van onderhandelen en procederen, waarbij mede de in de WCAM voorgeschreven procedure is gevolgd. Relevante data zijn 23 juni 2005 (tot stand komen WCAM-overeenkomst in hoofdlijnen onder leiding van dr. W.F. Duisenberg), 18 november 2005 (indienen verzoek tot verbindend verklaren WCAM-overeenkomst bij gerechtshof Amsterdam), 8 mei 2006 (wijziging WCAM-overeenkomst) en 25 januari 2007 (verbindendverklaring door gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427).

6.4.

Opgemerkt wordt dat door het indienen van het bovenbedoelde verzoek tot verbindendverklaring (hierna: het verzoek) de verjaring van de onderhavige vordering tot vernietiging en ongedaanmaking niet werd gestuit op de voet van artikel 7:907 lid 5 BW, omdat die stuiting slechts ziet op de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding. Wel kan het indienen van dit verzoek niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW, en was dit verzoek gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie.

6.5.

Voor zover in de periode dat het verzoek in behandeling was reeds individuele procedures aanhangig waren of aanhangig werden gemaakt, werden deze (na een daartoe strekkende akte van Dexia) geschorst krachtens artikel 1015 lid 1 Rv. Deze wetsbepaling vloeit voort uit het uitgangspunt dat, indien eenmaal een overeenkomst als bedoeld in de WCAM is gesloten, de afwikkeling zoveel mogelijk op basis daarvan dient plaats te vinden, behoudens de gevallen waarin na verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst een opt-out verklaring wordt ingediend. Het instellen dan wel behandelen van een individuele vordering in de periode dat het verzoek in behandeling was strookte derhalve niet met de bedoeling van de wetgever.

6.6.

Voorts is van belang dat de rechter, alvorens op het verzoek te beslissen, met instemming van partijen die de overeenkomst hebben gesloten de overeenkomst kan aanvullen of wijzigen, dan wel die partijen in de gelegenheid kan stellen dat te doen (artikel 7:907 lid 4 BW). Dat betekent dat pas door de beschikking van gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was.


6.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.2 van voormelde uitspraak bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld wordt aangedaan.

6.8.

Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst(en) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

6.9.

Geconcludeerd wordt dat, tenzij de bevoegdheid daartoe reeds op 13 maart 2003 (het moment van dagvaarding door (onder meer) Stichting Eegalease) was verjaard, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht voor 25 juli 2007 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomst waarop zij betrekking heeft is vernietigd.

Nu de overeenkomst dateert van 23 oktober 2000 en nu er op 13 maart 2003 ten aanzien van deze overeenkomst derhalve nog geen sprake van verjaring kon zijn, treft de vernietiging op 22 maart 2006 doel.

6.10.

Dat leidt ertoe dat de vordering van Dexia niet kan slagen, dit daargelaten (1) dat [gedaagde] niet een tegenvordering heeft ingesteld en (2) dat hij de omvang van een uit de vernietiging van de overeenkomst met Dexia eventueel voortvloeiende vordering op Dexia niet heeft onderbouwd of gespecificeerd. Vooralsnog kan worden aangenomen Dexia niet aan al haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

7.

Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af.

veroordeelt Dexia, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op

€ 90,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] .

Gewezen door mr. B.L.M. van Otterdijk, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.