Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:1903

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
15_2549
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgvuldige dialoog

De zaak betreft een omgevingsvergunning tweede fase voor de bouw van een varkensstal. De rechtbank is van oordeel dat aan het vereiste van ‘een zorgvuldige dialoog’ in ieder geval wordt voldaan als een ontmoeting in persoon tussen omwonenden of andere eigenaren van percelen in de omgeving van de projectlocatie is georganiseerd, waarbij deze personen vooraf worden uitgenodigd, informatie krijgen over het project en de gelegenheid krijgen hierop te reageren. Om aan genoemde artikelen te voldoen is in dat geval niet noodzakelijk dat iedereen in de omgeving daadwerkelijk verschijnt. Een resultaat (in de vorm van een alternatief of van instemming met het project) is evenmin vereist. De rechtbank sluit hiermee echter niet op voorhand uit dat ook op andere wijze vorm kan worden gegeven aan de ‘zorgvuldige dialoog’. De rechtbank concludeert dat vergunninghouder in dit geval aan het vereiste van een zorgvuldige dialoog heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/2549

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: J.C.M. van Merriёnboer),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis, verweerder,

(gemachtigden: J.M.A. van der Burgt-Willems en M.P. Beurskens-Voermans).

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder] , te [plaats] , vergunninghouder,

(gemachtigde: mr. drs. F.K. van den Akker).

Procesverloop

Op 28 januari 2013 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het veranderen (uitbreiden) van de werking van een inrichting op het perceel [adres 1] . Bij besluit van 17 juli 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een vleesvarkensstal en het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. De eerder verleende omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu is ambtshalve gewijzigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 december 2015 heeft een inlichtingencomparitie plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghouder exploiteert op het perceel (de projectlocatie) een agrarisch bedrijf, te weten een rundvee- en varkenshouderij. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" rust op het perceel de bestemming 'agrarisch gebied' dat middels een toegekend bouwvlak mede is bestemd voor 'agrarische doeleinden'’. Bij besluit van verweerder van 22 mei 2008 is het bouwvlak vergroot ten behoeve van een bedrijfswoning. Verweerder heeft in een besluit van 22 januari 2009 de koppeling van dit bouwvlak met het perceel [adres 2] laten vervallen. Bij uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:249) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis" met betrekking tot dit perceel vernietigd.

1.2

Op 22 juni 2012 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning eerste fase ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de verandering van de inrichting/activiteit milieu en voorziet in de oprichting van een nieuwe vleesvarkensstal voor het huisvesten van 2.632 vleesvarkens en 440 vleesvarkens < 30 kilogram (in totaal 3.072 varkens). Tevens komen er twee luchtwassers op de stal te staan die de lucht van de stal centraal afzuigen en zuiveren. Op 28 januari 2013 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase verleend.

1.3

Op 22 augustus 2013 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning tweede fase ingediend. De aanvraag heeft betrekking op het bouwen van een nieuwe vleesvarkensstal (met een vloeroppervlakte van 3.733 m2 en een inhoud van 23.146 m3) en het handelen in strijd met het bestemmingsplan.

1.4

Eiser woont op het adres [adres 3] . Zijn perceel is gelegen op circa 500 meter van de op te richten vleesvarkensstal. Vanaf zijn perceel heeft hij rechtstreeks zicht op het perceel van de derde-partij. Hij heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit.

2. In het bestreden besluit is de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe vleesvarkensstal en het afwijken van het bestemmingsplan (omdat deze vleesvarkensstal wordt opgericht gedeeltelijk buiten het bouwvlak in het geldende bestemmingsplan) verleend. Tevens heeft verweerder ambtshalve de omgevingsvergunning eerste fase gewijzigd op de volgende onderdelen:

  • -

    De nieuwe gewijzigde bedrijfswoning is op de inrichtingstekening (bij de omgevingsvergunning eerste fase) weergegeven;

  • -

    De voormalige bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als kantine, ontvangstruimte en opslag hetgeen eveneens op de inrichtingstekening is weergegeven;

  • -

    De 10 cm smallere uitvoering van de vleesvarkensstal is op de inrichtingstekening weergegeven;

  • -

    De ruimte onder de luchtwasser wordt in gebruik genomen als zuuropslag en als technische ruimte.

3.1

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser als belanghebbende worden aangemerkt. Hij heeft rechtstreeks zicht op de projectlocatie. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat zijn woon- en leefklimaat wordt beïnvloed door de omgevingsvergunning tweede fase. Dat eisers perceel op ruime afstand is gelegen van de projectlocatie, leidt niet tot een ander oordeel.

3.2

Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat zijn beroep en de daarin vervatte beroepsgronden ook zijn gericht tegen de complete omgevingsvergunning eerste fase. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiser, voor zover dat is ingesteld tegen het besluit van 28 januari 2013 niet ontvankelijk. Het beroep is te laat ingesteld en er is geen reden gegeven op basis waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Het enkele gegeven dat de omgevingsvergunning eerste fase ambtshalve is gewijzigd in het bestreden besluit, maakt niet dat eiser de rechtmatigheid van de volledige omgevingsvergunning eerste fase in deze procedure kan betwisten. Het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning tweede fase, voor zover dat is gericht tegen de ambtshalve wijziging van de omgevingsvergunning eerste fase, is wel ontvankelijk.

4.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het aanhoudingsbesluit op grond van artikel 7 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van de gemeenteraad van Sint Anthonis (de gemeenteraad) van 12 maart 2015

4.2

Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat het aanhoudingsbesluit geen consequenties heeft voor de aanvraag omgevingsvergunning tweede fase van vergunninghouder omdat de aanvraag geen betrekking op de activiteit milieu. Hiervoor is al in de omgevingsvergunning eerste fase van 28 januari 2013 vergunning verleend. Daarbij komt dat de aanvraag is gedaan vóór 12 maart 2015, aldus verweerder.

4.3

De gemeenteraad heeft op 12 maart 2015 besloten te verklaren dat een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv voor het gehele grondgebied van de gemeente wordt voorbereid en dat alle aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden aangehouden met uitzondering van aanvragen die voldoen aan het zogenoemde standstill principe.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning tweede fase niet ziet op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo omdat géén uitbreiding van de inrichting is aangevraagd. Deze uitbreiding is immers al vergund in de omgevingsvergunning eerste fase. Bovendien is de aanvraag ingediend voor 12 maart 2015. De ambtshalve wijziging van de omgevingsvergunning eerste fase is niet aangevraagd door vergunninghouder en leidt bovendien niet tot het houden van meer dieren dan vergund in de omgevingsvergunning eerste fase. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien de aanvraag aan te houden vanwege het aanhoudingsbesluit. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiser vindt het tegenstrijdig dat verweerder het kennelijk noodzakelijk acht de geurverordening aan te scherpen, terwijl tegelijkertijd wordt gesteld dat de bestaande geurverordening de burgers voldoende bescherming biedt. Hij heeft bovendien gewezen op een discussie binnen de gemeentelijke politiek over deze geurverordening en vraagt zich af hoe verweerder de geurhinder heeft kunnen toetsen nu er geen geldend toetsingskader is. Ook wijst eiser op een GGD rapport waarin wordt gewezen op het falende toezicht op veehouderijen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.2

Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat de bestaande geurverordening strengere normen kent dan de normen in de Wet geurhinder en veehouderij. Dat neemt volgens verweerder niet weg dat er, mede naar aanleiding van signalen over geuroverlast en bezorgdheid over de volksgezondheid, aanleiding bestaat de geurverordening te evalueren met als doel te komen tot een geurbeleid dat bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan de Verordening Ruimte 2014 van de Provincie Noord-Brabant (VR 2014) en in orde bevonden. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de normen in artikel 34 van de VR 2014 gelijk zijn aan de normen in de beleidsregel 'beoordeling aspect geur afkomstig van intensieve veehouderijen in ruimtelijke plannen' (Beleidsregel).

5.3

In de Beleidsregel is bepaald dat vergroting van een bouwblok van een intensieve veehouderij wordt getoetst aan

  1. de ligging van de veehouderij;

  2. de individuele geurbelasting;

  3. de cumulatieve geurbelasting op een geurgevoelig object waarbij deze belasting niet hoger mag zijn dan de normen in de gebiedsvisie.

5.4

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Anders dan eiser veronderstelt, is sprake van een geldend toetsingskader, namelijk de VR 2014 alsmede de Beleidsregel. Deze Beleidsregel is van toepassing op het bestreden besluit. Noch het aanhoudingsbesluit noch de kennelijke discussie binnen de gemeentelijke politiek over nieuwe geurnormering brengen hierin enige verandering. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit moet toetsen aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving.
Dat de inrichting van vergunninghouder voldoet aan de toegestane voorgrondbelasting is reeds vastgesteld in de onherroepelijke omgevingsvergunning eerste fase en de rechtbank gaat uit van de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning. Verweerder heeft in het bestreden besluit getoetst aan de VR2014 en de daarin door provinciale staten acceptabel geachte hoogte van cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) vanwege veehouderijen in het buitengebied op geurgevoelige objecten van 20%. Ter zitting heeft verweerder onweersproken aangegeven dat deze normering gelijk is aan de normen in de gebiedsvisie waarnaar wordt verwezen in de Beleidsregel. Eiser heeft de uitkomst van deze toetsing niet bestreden. In het door eiser aangehaalde GGD rapport ziet de rechtbank geen aanleiding de VR 2014 onverbindend te verklaren. De VR 2014 ziet op het vergroten van gebouwen voor een intensieve veehouderij en juist dat is hier aan de orde in tegenstelling tot de andere, door eiser genoemde factoren als het uitrijden van mest op het land, mestvergisters en een falend toezicht, wat daar verder ook van zij. Deze beroepsgrond faalt .

6.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op de adviezen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) omdat hierin ongeldige argumenten worden genoemd en de AAB ten onrechte alleen is ingegaan op de locatie [adres 1] terwijl de maatschap ook een bedrijf heeft op een locatie in Landhorst. Beide locaties zijn volgens eiser zowel economisch als juridisch één entiteit.

6.2

Verweerder heeft aangevoerd dat de AAB naar aanleiding van de door eiser ingediende zienswijze opnieuw om advies is gevraagd. De AAB is van oordeel dat het realiseren van het ingediende plan noodzakelijk is uit oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Verweerder heeft zich geconformeerd aan de bevindingen en de conclusies van de AAB. De AAB is alleen ingegaan op de locatie [adres 1] , omdat ook alleen de uitbreiding van dat bedrijf voorlag. De bedrijven [adres 1] en [adres 2] vormen twee afzonderlijke bedrijven met een afzonderlijk, niet gekoppeld bouwvlak en een eigen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Het feit dat de eigenaren van beide bedrijven broers zijn en gezamenlijk een maatschap vormen heeft geen consequenties voor deze aanvraag of voor de advisering van de AAB, aldus verweerder.

6.3

Vergunninghouder heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat het bedrijf aan [adres 2] is gelegen nabij de bebouwde kom.

6.4

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de bedrijven [adres 1] en [adres 2] samen één inrichting vormen. Daargelaten dat in de onherroepelijke omgevingsvergunning eerste fase reeds is besloten vergunning te verlenen alleen voor het bedrijf van vergunninghouder, is de rechtbank van oordeel dat beide bedrijven niet in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen. Daarom is sprake van twee inrichtingen. Dat de bouwblokken van beide bedrijven in het verleden waren gekoppeld, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de AAB terecht de uitbreidingsnoodzaak van alleen het bedrijf van vergunninghouder heeft beoordeeld. Slechts dat bedrijf heeft verzocht om uitbreiding van het bouwblok. Eiser heeft overigens niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke uitbreidingsmogelijkheden op de andere locatie aanwezig zijn. Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Eiser vraagt zich af welke onderzoeken luchtkwaliteit zijn uitgevoerd naar aanleiding van concrete signalen van omwonenden. Eiser heeft aangevoerd dat ook wanneer voldaan wordt aan de geldende geluidsnormen er hinder en vermindering van woon- en leefgenot kan bestaan.

7.2

Verweerder heeft aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op alle aspecten zoals geur, luchtkwaliteit, geluid, bodem, water en flora- en fauna.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd welke gebreken zouden kleven aan de ruimtelijke onderbouwing en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken met betrekking tot luchtkwaliteit (bijlage 3) en geluid (bijlage 2). De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat beide aspecten tevens zijn beoordeeld in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning eerste fase en dat deze vergunning onherroepelijk is. Op basis van genoemde onderzoeken heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat van een onaanvaardbare vermindering van het woon- en leefklimaat van eiser geen sprake is. De geluidsbelasting van de inrichting die in overeenstemming is met zowel de gestelde richtwaarden alsmede de voorschriften van de omgevingsvergunning eerste fase, levert géén onaanvaardbare geluidhinder op. Deze beroepsgrond faalt.

8.1

Eiser vraagt zich af waarom er een ingelast flora- en faunaonderzoek is uitgevoerd. In een nadere aanvulling van deze beroepsgrond stelt eiser dat het flora- en faunaonderzoek onzorgvuldig is.

8.2

Verweerder verwijst naar de uitgevoerde quickscan flora- en fauna. Dit was geen ingelast onderzoek, aldus verweerder

8.3

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

8.4

Gelet op de afstand van meer dan 500 meter tussen de projectlocatie en de woning van eiser kan niet kan worden aangenomen dat het effect van het project op vleermuizen (wat hier verder ook van zij) de kwaliteit van de directe leefomgeving van eiser zal aantasten. De betreffende norm van de Flora- en faunawet strekt kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eiser. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 23 april 2014 ( ECLI:NL:RBOBR:2014:2125).

9.1

Eiser heeft aangevoerd dat er geen zorgvuldige dialoog is gevoerd. Weliswaar heeft eiser een verslag van een vergadering ontvangen maar er zijn geen verdere contacten geweest met vergunninghouder of verweerder.

9.2

Verweerder heeft aangevoerd dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd als bedoeld in artikel 7.3 van de Verordening ruimte 2014. Het voeren van een dialoog betekent niet dat instemming is vereist maar dat de plannen kenbaar zijn gemaakt en dat geluisterd is naar eventuele opmerkingen van omwonenden.

9.3

Vergunninghouder heeft aangegeven dat hij op 3 juli 2014 zijn plannen heeft voorgelegd en toegelicht aan omwonenden. De omwonenden hebben hiervoor een uitnodiging gehad. Op de voorlichtingsbijeenkomst hebben omwonenden de gelegenheid gehad om te reageren op de plannen en in samenspraak de wijze van uitvoering te bezien. Ook eiser is uitgenodigd maar is niet gekomen.

9.4

Ingevolge artikelen 7.3 en artikel 34 van de VR 2014 moet een zorgvuldige dialoog zijn gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

9.5

De rechtbank is van oordeel dat aan het vereiste van ‘een zorgvuldige dialoog’ in ieder geval wordt voldaan als een ontmoeting in persoon tussen omwonenden of andere eigenaren van percelen in de omgeving van de projectlocatie is georganiseerd, waarbij deze personen vooraf worden uitgenodigd, informatie krijgen over het project en de gelegenheid krijgen hierop te reageren. Om aan genoemde artikelen te voldoen is in dat geval niet noodzakelijk dat iedereen in de omgeving daadwerkelijk verschijnt. Een resultaat (in de vorm van een alternatief of van instemming met het project) is evenmin vereist. De rechtbank sluit hiermee echter niet op voorhand uit dat ook op andere wijze vorm kan worden gegeven aan de ‘zorgvuldige dialoog’. De rechtbank concludeert dat vergunninghouder in dit geval aan het vereiste van een zorgvuldige dialoog heeft voldaan. De beroepsgrond faalt.

10.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder tekort schiet in zijn motiveringsplicht met betrekking tot de vervangende bedrijfswoning.

10.2

Verweerder heeft aangevoerd dat deze functiewijziging voor het bestreden besluit niet relevant is.

10.3

De rechtbank merkt op dat eiser heeft nagelaten te onderbouwen wat zijn bezwaren tegen de functiewijziging van de voormalige bedrijfswoning zijn. Bovendien is de nieuwe bedrijfswoning in 2008 reeds vergund en is deze vergunning onherroepelijk. Reeds daarom faalt deze beroepsgrond.

11.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten aanzien van de erfbeplanting een vooringenomen standpunt heeft. Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij bang is dat dit beplantingsplan niet wordt uitgevoerd.

11.2

Verweerder heeft benadrukt dat beoogd wordt het agrarisch bedrijf in het landschap in te passen, niet aan het zicht te onttrekken.

11.3

Aan het bestreden besluit is het volgende voorschrift verbonden inzake het erfbeplantingsplan: "Als voorwaardelijke verplichting geldt dat de gebouwen en gronden waarop dit besluit van toepassing is, niet in gebruik mogen worden genomen c.q. niet meer gebruikt mogen worden indien, nadat deze omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, de landschappelijke inpassing niet aangeplant en duurzaam in stand wordt gehouden overeenkomstig het erfbeplantingsplan zoals dat als bijlage bij de bij dit besluit behorende ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd."

11.4

De rechtbank ziet niet in waarom verweerder vooringenomen zou hebben gehandeld door instemming te verlenen aan het erfbeplantingsplan. Verweerder heeft deze instemming voldoende gemotiveerd. Eisers vrees voor het niet uitwerken van het beplantingsplan is niet terecht. Het hierboven genoemde voorschrift in het bestreden besluit biedt voldoende waarborg dat de beplanting wordt aangebracht en duurzaam in stand wordt gehouden. Als dit niet gebeurt, kan verweerder hiertegen optreden. Deze beroepsgrond faalt.

12.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder te veel gericht is op agrarische bedrijven in het gebied en te weinig oog heeft voor andere activiteiten. Dit is volgens eiser in strijd met de gelijkwaardigheid van functies.

12.2

Verweerder heeft aangevoerd dat de locatie [adres 1] is gelegen in deelgebied 3, "Dynamisch Areaal" van de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis, die op 14 januari 2014 is vastgesteld. In het deelgebied "Dynamisch Areaal" wordt volgens verweerder niet uitgegaan van gelijkwaardigheid van functies. Er is sprake van een agrarisch gebied waar agrarische ondernemers hun bedrijf moeten kunnen blijven uitoefenen maar waar, met name in zones rond de kernen en de bebouwingsconcentraties, ruimte is en kansen liggen voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, die echter niet belemmerend mogen zijn voor de agrarische activiteiten, aldus verweerder.

12.3

De rechtbank verstaat eisers beroepsgrond aldus dat hij stelt dat het project in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat dit niet het geval is. Voor zover eiser van mening is dat de gemeentelijke structuurvisie agrariërs te veel bevoordeelt, stelt de rechtbank voorop dat de gemeenteraad ruime beleidsvrijheid heeft met betrekking tot het vaststellen van een structuurvisie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de in de structuurvisies gemaakte keuzes in strijd zijn met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen. Deze beroepsgrond faalt.

13.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen maatregelen neemt tegen de ter plaatse bestaande verkeersonveilige situatie. De wegen in het gebied zijn te smal en een van de wegen is tevens een route voor schoolgaande kinderen

13.2

Verweerder heeft aangevoerd dat het aantal extra verkeersbewegingen door de uitbreiding slechts beperkt is (10 per dag) en dat dit voor de wegen geen problemen oplevert.

13.3

Ter zitting heeft verweerder erkend dat de wegen in het gebied smal zijn, maar heeft gesteld dat dit tot op heden geen onoverkomelijke problemen oplevert. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen grond voor twijfel aan deze inschatting van verweerder. Tussen partijen is niet in geschil dat dit probleem al bestond voor de uitbreiding van de veehouderij. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat de uitbreiding van deze veehouderij zal leiden tot een zodanig verdergaande aantasting van de verkeersveiligheid dat verweerder niet in redelijkheid tot de afweging in het bestreden besluit heeft kunnen komen. Deze beroepsgrond faalt.

14.1

Eiser stelt dat verweerder erg laat de ontvangst van zijn zienswijzen tegen het ontwerpbesluit heeft bevestigd. Ook hierin ziet eiser een bewijs van de vooringenomenheid van verweerder.

14.2

In de enkele omstandigheid dat verweerder in de ogen van eiser niet op tijd de ontvangst van zienswijzen bevestigt, noch in het overige dat eiser in het beroepschrift met betrekking tot de houding van verweerder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank enige aanleiding voor het oordeel dat verweerder vooringenomen zou hebben gehandeld. Deze beroepsgrond faalt.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep tegen de omgevingsvergunning eerste fase niet ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. S. Ketelaars-Mast, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.