Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3985

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
01/885116-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.500,-- [proeftijd twee jaar] omdat hij als politieagent een vluchtende inbreker in het been heeft geschoten terwijl verdachte daartoe niet bevoegd was. Tevens wordt de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.351,05, waarbij ook de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/885116-12

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

domicilie kiezende te [plaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 december 2014 en 30 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 april 2012 te Heeswijk-Dinther aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,

zwaar lichamelijk letsel (een schotverwonding aan het rechterbeen bestaande uit een verwonding door een inschot en/of een uitschot), heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen (gericht) een kogel op het lichaam van die [slachtoffer] af te vuren;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 april 2012 te Heeswijk-Dinther ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (gericht) een kogel heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding1.

Op 13 april 2012 heeft [verdachte] met een vuurwapen geschoten op een vluchtende, van een woninginbraak verdachte persoon en deze persoon in zijn been geraakt. De vraag ligt voor of [verdachte] in de gegeven omstandigheden bevoegd was zijn vuurwapen te gebruiken ten einde de vluchtende verdachte aan te houden. Als [verdachte] bevoegd was en binnen het wettelijk kader is gebleven is hij straffeloos op grond van het bepaalde in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht luidt immers: ‘Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.’

Wettelijk kader.

Het uitgangspunt is dat een politieambtenaar bij de naleving van de geldende voorwaarden bevoegd is geweld te gebruiken. Op 13 april 2012 ontleende [verdachte] die bevoegdheid aan artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993.

Artikel 8 bevat de voorwaarden waaronder die bevoegdheid mag worden toegepast. In het eerste lid is bepaald dat de politieambtenaar bevoegd is bij de uitvoering van zijn taak geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op andere wijze kan worden bereikt. Het gebruikte geweld moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

In het vijfde lid van artikel 8 is nog bepaald dat de uitoefening van de bevoegdheden in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn.

Ter invulling van die voorwaarden is op basis van artikel 9 van de Politiewet 1993 de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna de Ambtsinstructie) opgesteld.

Het gebruik van geweld is uitgewerkt in hoofdstuk 2 van de Ambtsinstructie. In de artikelen 7 tot en met 10 en 12 van de Ambtsinstructie wordt het vuurwapengebruik nader uitgewerkt en aan een aantal voorwaarden verbonden. De Ambtsinstructie is in 2001 gewijzigd bij het “Besluit van 16 juli 2001 tot wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar in verband met verduidelijking van de voorschriften inzake vuurwapengebruik en melding van de aanwending van geweld”. Bij dit besluit behoort een Nota van toelichting, tezamen met voornoemd besluit gepubliceerd in het Staatsblad 2001, 387.

Uitgangspunt is dat vuurwapengebruik beperkt moet blijven tot uitzonderingssituaties.

Voor de beoordeling van het vuurwapengebruik is in het onderhavige geval met name artikel 7, eerste lid, onder b, van de Ambtsinstructie van belang waarin is bepaald dat het gebruik van een vuurwapen slechts is geoorloofd voor een politieambtenaar tegen een persoon die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken en die persoon wordt verdacht van het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld én dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer.

In de Nota van toelichting 2001 is met betrekking tot artikel 7 opgenomen:

Niet bij alle delicten met een strafbedreiging van vier jaren of meer is vuurwapengebruik toegestaan. Er moet sprake zijn van misdrijven die gericht zijn tegen de lichamelijke integriteit (bij voorbeeld een gewapende roofoverval, een zwaar zedendelict, gijzeling) of tegen de persoonlijke levenssfeer (bij voorbeeld een inbraak in een bewoonde woning al dan niet buiten aanwezigheid van de bewoner). Concreet betekent dit laatste dat het gebruik van het vuurwapen ter aanhouding van een inbreker of insluiper die tijdens de voor de nachtrust bestemde uren op heterdaad wordt betrapt in een bewoonde woning, slechts is geoorloofd in die gevallen waarbij de bewoners (mogelijk) thuis zijn en sprake is van (het vermoeden van) uitgeoefend geweld of dreiging met geweld tegen de bewoners of (dreiging met) geweld tegen de politieambtenaar.

Training

Politieambtenaren worden voor het gebruik van geweld opgeleid en getraind en moeten hun opgedane vaardigheden jaarlijks bijhouden. In november 2011 heeft [verdachte] deelgenomen aan GB1, waarbij de toets Ambtsinstructie is afgenomen. Op 11 april 2012 heeft hij wederom de toets GB1 gedaan.

Feiten.

Op 13 april 2012 rond 23.30 uur is [verdachte], verdachte, samen met zijn collega [persoon 1], beiden in uniform werkzaam, naar aanleiding van een melding van een inbraak in een woning aan de [adres 2] te Heeswijk-Dinther ter plaatse gegaan. Door de meldkamer was gemeld dat de bewoners van de betreffende woning op vakantie waren. [verdachte] en zijn collega waren als tweede eenheid ter plaatse. De surveillance eenheid met de hoofdagenten [persoon 2] en [persoon 3] was als eerste bij de woning.

Vanaf de achterzijde van de woning hoorden zij glasgerinkel. Politieambtenaar [persoon 3] zag een persoon op het platte dak van de aanbouw van de woning staan. [verdachte] is vervolgens via het dak in de tuin van deze woning gekomen en zag daar een onbekende persoon met een donkere huidskleur in donkere kleding. De man rende voor [verdachte] langs in de richting van een houten schutting. [verdachte] heeft deze persoon aangeroepen met de woorden “Blijf staan politie” en daarna “Stop of ik schiet”, teneinde deze persoon te kunnen aanhouden op verdenking van woninginbraak. Hij trok zijn vuurwapen uit zijn holster. De persoon negeerde het aanroepen van [verdachte] en heeft vervolgens willen vluchten door over een schutting te klimmen. Op het moment dat de persoon over de schutting klom, heeft [verdachte] hem eenmaal in zijn been geschoten, waardoor deze persoon een perforerende schotwond in zijn been heeft opgelopen. Deze persoon, [slachtoffer], heeft daarna zijn vlucht gestaakt en is aangehouden. De aanwezige politieambtenaren hebben de ambulance gewaarschuwd.2,3

[verdachte] heeft verklaard dat hij op het moment dat hij in opdracht van de meldkamer naar de woning onderweg was, wist dat een politieambtenaar – gelet op de Ambtsinstructie – ter aanhouding van een verdachte zijn dienstwapen niet mag afvuren wanneer de bewoners van de woning waarin wordt ingebroken niet thuis zijn.4

Collega [persoon 1] heeft verklaard dat zij met [verdachte] na het schietincident op de terugweg naar het politiebureau daarover heeft gesproken en dat zij samen tot de conclusie kwamen dat bij het gebruik van het vuurwapen door [verdachte] aan één voorwaarde van de Ambtsinstructie niet was voldaan en dat betrof de omstandigheid dat de bewoners afwezig waren.5

De [getuige 1] heeft verklaard dat tijdens de debriefing na het schietincident [verdachte] heeft gezegd: “Het zou zo een IBT-oefening kunnen zijn geweest op één hokje na, de bewoners waren niet thuis”.6

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen, met uitzondering van de voorbedachte raad. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het zwaar lichamelijke letsel.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer], een van woninginbraak verdachte persoon, in zijn been heeft geschoten om hem te kunnen aanhouden. Het slachtoffer heeft door het afvuren van het schot een perforerende wond in zijn been opgelopen. Het gaat om een inschot- en uitschotverwonding, die gelet op de duur van het herstel en de impact daarvan op [slachtoffer] tezamen zijn aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Door met een vuurwapen op het slachtoffer te schieten heeft verdachte het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht.7

De vraag of er in de gegeven situatie sprake is geweest van voorbedachte raad wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord.

De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van [verdachte] het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de [verdachte] tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

[verdachte] heeft zich na het zien van een persoon op het platte dak van de aanbouw in de omheinde tuin van de woning begeven. In de tuin bevond zich een van inbraak verdachte persoon. Bij het zien van deze persoon riep verdachte ‘stop politie’ en trok hij zijn vuurwapen. De persoon rende weg en negeerde het bevel. [verdachte] riep vervolgens ‘stop of ik schiet’. De persoon rende verder en wilde over een schutting klimmen om te ontkomen. [verdachte] zag dat en om dat te voorkomen en de vluchtende persoon te kunnen aanhouden, schoot hij hem gericht met een kogel uit zijn vuurwapen in het been. [verdachte] is als politieambtenaar getraind om in een dergelijke situatie handelend op te treden om een verdachte persoon aan te houden.

Uit het voorgaande volgt dat hij kalm en weloverwogen het dienstwapen ter hand genomen om dit te gebruiken voor het geval de vluchtende persoon niet zou voldoen aan zijn vordering te blijven staan. [verdachte] heeft gelegenheid gehad om na te denken over het gebruiken van zijn dienstwapen en die gelegenheid benut. Daarna heeft hij het dienstwapen ook daadwerkelijk afgevuurd. Gelet daarop heeft hij geschoten na kalm beraad en rustig overleg. Er zijn geen contra-indicaties daarvoor naar voren gebracht, noch anderszins aannemelijk geworden. Er is dus sprake geweest van voorbedachte raad.

Wellicht ten overvloede, hecht de rechtbank eraan op te merken dat er misschien bij voorbedachte raad in deze situatie wordt gedacht dat de rechtbank hiermee aanneemt dat [verdachte] de tuin van de woning is ingegaan met het vooropgezette plan om de inbreker neer te schieten. Die gedachte is pertinent onjuist en van een dergelijk plan is in het geheel niet gebleken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 13 april 2012 te Heeswijk-Dinther aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, een schotverwonding aan het rechterbeen bestaande uit een verwonding door een inschot en een uitschot, heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen gericht een kogel op het lichaam van die [slachtoffer] af te vuren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het feit strafbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Artikel 7 van de Ambtsinstructie ziet op het vuurwapengebruik door (politie)ambtenaren bij aanhouding van een verdachte, die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken. Dat kan in het geval de verdachte wordt verdacht van een feit waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Voorts is vereist dat het misdrijf een ernstige aantasting vormt van de lichamelijk integriteit of de persoonlijke levenssfeer.

De Ambtsinstructie zelf geeft niet aan wat moet worden verstaan onder een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of onder een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer. De Nota van Toelichting is op dit punt tegenstrijdig en (daardoor) onduidelijk. Aansluiting dient te worden gezocht bij de maatschappelijke betekenis van ‘een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer’, bij de standpunten van de wetgever, de Minister van Veiligheid en Justitie, het lokaal gezag, de wetenschappelijke inzichten, de Richtlijn voor Strafvordering inbraak/insluiping in woning en de huidige rechtspraak op dit punt. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de onderhavige woninginbraak, waarbij de dader op heterdaad werd betrapt, niet alleen een misdrijf betreft waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld, maar ook dat dat misdrijf een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer oplevert. Dat betekent dat verdachte in overeenstemming heeft gehandeld met de Ambtsinstructie en heeft geschoten in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het oordeel van de rechtbank.

De verdediging acht de nadere duiding van ‘een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer’ in het geval van een woninginbraak in de Nota van Toelichting bij de Ambtsinstructie tegenstrijdig en onduidelijk. De rechtbank deelt dat oordeel niet. In die nota wordt duidelijk omschreven dat het vuurwapengebruik ter aanhouding van een inbreker of insluiper die tijdens de voor de nachtrust bestemde uren op heterdaad wordt betrapt in een bewoonde woning, slechts is geoorloofd in die gevallen waarbij de bewoners (mogelijk) thuis zijn en sprake is van (het vermoeden van) uitgeoefend geweld of dreiging met geweld tegen de bewoners of (dreiging met) geweld tegen de politieambtenaar. De rechtbank is van oordeel dat deze duiding aansluit bij in artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993 neergelegde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gebruik van een vuurwapen kan passend zijn in het geval van een gewelddadige inbreker, maar is dat -behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken- niet als het enkel gaat om de bescherming van materiële belangen bij een inbraak. Verdachte en zijn collega [persoon 1] hebben ook verklaard dat zij op de hoogte waren van (in elk geval) de voorwaarde dat de bewoners thuis moesten zijn en verdachte wist dat dat niet het geval was.

Nu de bewoners niet thuis waren en er geen sprake was van geweld of dreiging van geweld tegen omwonenden of de aanwezige politieambtenaren, had verdachte geen gebruik mogen maken van zijn vuurwapen om de vluchtende persoon aan te houden. Verdachte heeft aldus niet gehandeld conform enig wettig voorschrift als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht geen omstandigheden voorhanden die maken dat verdachte niet strafbaar zou zijn.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake is van rechtsdwaling. Indien aangenomen kan worden dat verdachte niet conform de Ambtsinstructie heeft gehandeld, is de verdediging van mening dat dit een gevolg is van onvoldoende onderricht en scholing zijdens de politieorganisatie op dit punt, waarbij verdachte automatisch heeft gehandeld naar het voorbeeld van door hem tijdens het onderricht geoefende situaties. Eén van die getrainde situaties betreft het gebruik van het dienstwapen ter aanhouding van een vluchtende inbreker. Verdachte heeft aldus gedwaald ten aanzien van zijn bevoegdheden. Op het moment dat verdachte zijn dienstwapen trok, was hij gelet op zijn opleiding er heilig van overtuigd dat het gebruik van zijn dienstwapen in deze situatie was geoorloofd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is met de officier van justitie eens dat het door de verdediging aangevoerde beroep op rechtsdwaling niet op gaat, alleen al om reden dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij wist dat hij niet met zijn dienstwapen had mogen schieten op de vluchtende, van inbraak verdachte persoon. Deze kennis had verdachte reeds vóór het schietincident opgedaan.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van zware mishandeling een voorwaardelijke geldboete van € 1.500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar en toewijzing van de civiele vordering van € 2.351,05 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en indien de rechtbank dit niet volgt, heeft zij verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich in de hoedanigheid van politieambtenaar schuldig gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachte raad door met zijn dienstwapen, in dit geval in strijd met de Ambtsinstructie, gericht in het been van een vluchtende inbreker te schieten. Verdachte heeft daarmee zijn bevoegdheid op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993 overschreden. De vluchtende inbreker heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een perforerende schotwond in zijn been.

Ten aanzien van zware mishandeling met voorbedachte raad, door met een vuurwapen in het been van het slachtoffer te schieten, wordt doorgaans een gevangenisstraf opgelegd.

In dit geval is echter sprake van een politieambtenaar die in de uitoefening van zijn functie na een melding van een woninginbraak in het holst van de nacht in een situatie terecht is gekomen waarin hij ten onrechte heeft gemeend te moeten schieten ter aanhouding van een vluchtende dader die zijn vorderingen te blijven staan negeerde. Verdachte heeft aldus op dat moment een beoordelingsfout gemaakt, binnen het kader van de aan hem als politieagent opgedragen taak. Deze situatie is onvergelijkbaar met die van een burger die een ander persoon met voorbedachten raad in zijn been schiet en ernstig verwond.

Verdachte heeft de verantwoordelijkheid van zijn handelen direct na het schietincident op zich genomen en heeft direct en transparant zijn volledige medewerking aan het onderzoek van de Rijksrecherche verleend. Daarbij komt dat sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken. .

Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de uitkomst van deze zaak mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de loopbaan van de verdachte bij de politie. De rechtbank houdt er in de op te leggen straf dan ook rekening mee dat de strafvervolging op zich, de langdurige onzekerheid en de veroordeling negatieve gevolgen voor de verdachte hebben gehad en ook nog zullen hebben.

De rechtbank zal een voorwaardelijk geldboete opleggen zoals door de officier gevorderd.

Gelet op de ernst van het toegebrachte letsel en de omstandigheid dat ten onrechte gebruik is gemaakt van een zwaar middel als een vuurwapen, ziet de rechtbank geen ruimte voor schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de verdediging subsidiair is bepleit.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de gevorderde schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat toewijzing van een schadevergoeding en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel aan een veroordeelde woninginbreker in de gegeven situatie niet op zijn plaats is.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. Het slachtoffer betreft weliswaar een nadien voor de onderhavige inbraak veroordeelde persoon, die door verdachte [verdachte] met gebruikmaking van een vuurwapen kon worden aangehouden, maar dit politieoptreden was voor wat betreft dit vuurwapengebruik onrechtmatig en gelet daarop dient de hierdoor veroorzaakte schade, die in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend, te worden vergoed. De omstandigheid dat het slachtoffer tevoren ingebroken had in een woning, is geen omstandigheid die op grond van medeschuld tot matiging van het schadebedrag dient te leiden. Het slachtoffer kon zijn aanhouding weliswaar verwachten, maar niet dat dit in deze situatie met vuurwapengebruik gepaard zou gaan.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 302, 303.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van primair: zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Ten aanzien van primair: Geldboete van EUR 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met eenproeftijd van 2 jaren;

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2.351,05 subsidiair 33 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 2.351,05 (zegge: tweeduizend driehonderd en eenenvijftig euro en vijf eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 2.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 351,05 materiële schadevergoeding (post trainingsbroeken, eigen risico en factuur ziekenhuis).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van EUR 2.351,05 (zegge: tweeduizend driehonderd en eenenvijftig euro en vijf eurocent), te weten EUR 2.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 351,05 materiële schadevergoeding (post trainingsbroeken, eigen risico en factuur ziekenhuis).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.L.A. Boer, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. J.M.J. Denie, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 14 juli 2015.

mr. J.M.J. Denie is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Rijksrecherche, zaaksnummer 20120040 ‘Klaproos’, afgesloten op 19 april 2012, aantal doorgenummerde pagina’s: 158.

2 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2015

3 het feitenrelaas op pagina 4 en pagina 5

4 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2015

5 de verklaring van [persoon 1], afgelegd op 14 april 2012, pagina 49 pv Klaproos

6 de verklaring van [getuige 1], afgelegd op 1 mei 2012, pagina 67 pv Klaproos

7 medische verklaring pagina 33 pv Klaproos