Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3334

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
C/01/286478 / HA ZA 14-857
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Ontbinding stichting. Regres mede-bestuurders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0234
INS-Updates.nl 2015-0131
JIN 2015/157 met annotatie van E.A. van de Kuilen en E.P.C. Duinkerke en E.A.M. van Herwijnen
AR 2015/1068
AR 2015/1853
AR 2015/1851
JONDR 2015/926
AB 2016/140

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/286478 / HA ZA 14-857

Vonnis van 10 juni 2015

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

allen zowel in privé als in hun hoedanigheid van vereffenaars van de stichting

Stichting Vrienden van de Gay Krant (in liquidatie),

eisers,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.C. Schouten te Breda.

Eisers zullen hierna respectievelijk “[eiser 1]”, “[eiser 2]” en “[eiser 3]” worden genoemd, en gezamenlijk “[eiser 1] c.s.”. Gedaagde zal “[gedaagde]” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 februari 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank onder meer uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Van 1980 tot 2012 was [gedaagde] hoofdredacteur van het door hem opgerichte tijdschrift De Gay Krant, dat werd uitgegeven door Best Publishing Group B.V. (hierna: BPG), waarvan [gedaagde] directeur en enig aandeelhouder was. In 1983 heeft [gedaagde] de Stichting Vrienden van de Gay Krant (hierna: SVGK) opgericht waarvan hij lange tijd voorzitter was.

2.2.

In juli 2008 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) op aanvraag van [gedaagde] subsidie toegekend aan SVGK voor het project “opstart digitale ontmoetingsplaats minderjarige homoseksuele jongeren”. Ter uitvoering van dit project is de website www.18min.eu opgezet.

2.3.

Per 1 januari 2011 zijn [eiser 2] en [eiser 3] toegetreden tot het bestuur van SVGK. [eiser 3] als penningmeester en [eiser 2] als secretaris. [gedaagde] was en bleef voorzitter.

2.4.

In november 2011 heeft de Minister op aanvraag van [gedaagde] het subsidieplafond voor eerdergenoemd project verhoogd tot een bedrag van maximaal € 214.855,- en de looptijd ervan verlengd t/m 31 mei 2012.

2.5.

Op 19 november 2012 heeft [gedaagde] namens SVGK de Minister gevraagd om definitieve vaststelling van de subsidie. In een bijlage bij dit verzoek is een beschrijving gegeven van de vier uitgevoerde projectonderdelen met daarbij van elk onderdeel een financieel overzicht. Ook is bijgevoegd een goedkeurende accountantsverklaring van SABbest accountants en adviseurs te Best.

2.6.

Tijdens een bestuursvergadering op 25 februari 2013 hebben [eiser 2] en [eiser 3] hun ongerustheid uitgesproken over een aantal zaken die speelden binnen SVGK, waaronder financiële problemen. De dag na deze vergadering is [gedaagde] afgetreden als voorzitter van SVGK. In augustus 2013 is hij opgevolgd door [eiser 1].

2.7.

Op 12 maart 2013 is de uitgever van De Gay Krant, BPG, gefailleerd.

2.8.

In een brief van 22 mei 2013 heeft [eiser 2] namens SVGK aan de Minister geschreven te hebben ontdekt dat [gedaagde] in het verleden facturen voor domeinnaambeheer op naam zou hebben laten zetten van SVGK, ook voor domeinnamen die door [gedaagde] in privé werden gebruikt. Zij heeft de Minister gevraagd de subsidie stop te zetten.

2.9.

In mei 2014 heeft de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën aan SVGK laten weten naar aanleiding van signalen een review te zullen uitvoeren bij de accountant van SVGK met betrekking tot het financieel subsidieverslag van 19 november 2012.

Naar aanleiding van deze review en na vaktechnisch overleg met zijn adviseurs heeft de accountant van SVGK in juli 2014 besloten de eerder afgegeven goedkeurende verklaring in te trekken en in plaats daarvan een verklaring van oordeelonthouding af te geven.

2.10.

De Minister heeft vervolgens op 18 juli 2014 de eerdere vaststelling van de subsidie d.d. 5 december 2012 herzien, deze subsidie alsnog op nihil gesteld en het reeds betaalde subsidiebedrag van in totaal € 206.833,- van SVGK teruggevorderd.

2.11.

In een brief van 22 juli 2014 heeft het bestuur van SVGK genoemd bedrag van [gedaagde] gevorderd. In verband hiermee is op verzoek van [eiser 1] c.s. op 16 oktober 2014 conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde] in Eindhoven en zijn appartementsrecht in Amsterdam.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen samengevat:

primair: een veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hen van een bedrag van € 265.000,- vermeerderd met rente en beslagkosten, en

subsidiair: een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en/of dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de schade die zij lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van voorzitter van SVGK, op te maken bij staat,

primair en subsidiair: met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser 1] c.s. leggen aan hun primaire vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van SVGK niet behoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW en dat hij tevens onrechtmatig heeft gehandeld jegens SVGK en jegens hen. Zij menen dat aan [gedaagde], die destijds enig bestuurder was van SVGK, een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt omdat hij (1) geen deugdelijke administratie voor SVGK heeft gevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de subsidiegelden juist zijn besteed, en (2) aan SVGK toegekende subsidiegelden heeft aangewend voor privédoeleinden en voor andere rechtspersonen waarin hij belangen had, zoals BPG en de politieke partij 50PLUS.

3.3.

[eiser 1] c.s. leggen aan hun subsidiaire vordering ten grondslag dat zij een regresvordering hebben op [gedaagde] indien de Minister hen als bestuursleden in privé zal aanspreken tot vergoeding van de door de stichting terug te betalen subsidiegelden. Zij voeren hiertoe aan dat de terugvordering van de subsidie betrekking heeft op een periode dat [gedaagde] zelfstandig als voorzitter namens SVGK is opgetreden. [eiser 1] c.s. hadden daarbij naar zij stellen geen bemoeienis.

3.4.

Het door [eiser 1] c.s. gevorderde bedrag van € 265.000,- wordt gevormd door het subsidiebedrag vermeerderd met rente en kosten (door [eiser 1] c.s. begroot op in totaal € 230.000,-) en een bedrag van € 35.000,- aan kosten die SVGK heeft moeten maken om alsnog een deugdelijke administratie op te laten stellen, buitengerechtelijke kosten, juridische bijstand en de onkosten die [eiser 1] c.s. als vereffenaars moeten maken door toedoen van [gedaagde].

3.5.

[gedaagde] voert op alle onderdelen van de vordering gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring althans afwijzing van de vorderingen, met bevel aan [eiser 1] c.s. de onder [gedaagde] gelegde beslagen binnen twee dagen op te heffen, en met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De primaire vordering

4.1.

[gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer tegen de primaire vordering aan dat voor zover hij al aansprakelijk zou zijn uit hoofde van onbehoorlijk bestuur dit een vorderingsrecht zou opleveren dat zou toekomen aan SVGK (in liquidatie) en niet (tevens) aan [eiser 1] c.s., ook niet in hun hoedanigheid van vereffenaars van SVGK (in liquidatie).

4.2.

De rechtbank oordeelt dat dit verweer slaagt. [eiser 1] c.s. baseren hun vordering in de eerste plaats op artikel 2:9 BW. Daarin is bepaald dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een vordering op grond van dit artikel komt daarom toe aan de rechtspersoon en niet aan anderen, zoals de medebestuurders. Voor zover in dit geval sprake zou zijn geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde], zou het daarom SVGK zijn die een beroep zou kunnen doen op artikel 2:9 BW. Tussen partijen staat vast dat SVGK is ontbonden. Op grond van artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding echter voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is. SVGK (in liquidatie) bestaat dus nog altijd en [eiser 1] c.s. zijn als vereffenaars weliswaar bevoegd om haar te vertegenwoordigen, maar dat betekent niet dat zij op eigen naam nakoming kunnen vorderen van een vorderingsrecht dat SVGK (in liquidatie) beweerdelijk zou toekomen. Ook niet in hun hoedanigheid van vereffenaar. Dit alles geldt ook voor de vordering van [eiser 1] c.s. wegens beweerdelijk onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens SVGK. Ook een vordering op die grond komt toe aan SVGK en niet aan [eiser 1] c.s.. [eiser 1] c.s. stellen bij hun primaire vordering ook een eigen vorderingsrecht te hebben jegens [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW maar daarvoor ontbreekt elke onderbouwing. De primaire vordering moet daarom worden afgewezen.

De subsidiaire vordering

4.3.

Met hun subsidiaire vordering beogen [eiser 1] c.s. een verklaring voor recht te verkrijgen over de mogelijkheid om het subsidiebedrag op [gedaagde] te verhalen in het geval zij als bestuurders op grond van persoonlijke aansprakelijkheid het subsidiebedrag aan de Minister zouden moeten terugbetalen.

4.4.

Ter zitting is gebleken dat [eiser 1] c.s. tot op heden niet persoonlijk aansprakelijk zijn gesteld door de Minister. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt vooralsnog ook niet van ernstige persoonlijke verwijten aan [eiser 1] c.s. die een dergelijke aansprakelijkheid zouden kunnen dragen. Het enkele feit dat de stichting waarvan [eiser 1] c.s. het bestuur vormen subsidiegelden moet terugbetalen, omdat die gelden achteraf bezien onverschuldigd zijn betaald, en dat die terugbetaling kennelijk uitblijft, is niet voldoende om hen als bestuurders persoonlijk aansprakelijk te houden. Het is dan ook maar zeer de vraag of de Minister hen aansprakelijk zal stellen en (dus) of [eiser 1] c.s. belang hebben bij de door hen gevraagde verklaring voor recht.

4.5.

Omdat niet duidelijk is welke verwijten de Minister aan [eiser 1] c.s. zou (kunnen) maken, kan hier ook geen inhoudelijk oordeel worden gegeven over de vraag of [gedaagde] op zijn beurt jegens [eiser 1] c.s. aansprakelijk is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verwijten, die [eiser 1] c.s. [gedaagde] kennelijk niet alleen in het kader van de primaire vordering maar ook in het kader van de subsidiaire vordering maken - waaronder het verwijt dat SVGK onder verantwoordelijkheid van [gedaagde] geen administratie van belang heeft bijgehouden met betrekking tot de projecten waarvoor subsidie is verleend en dat als gevolg daarvan het aan SVGK verstrekte subsidiebedrag van € 206.833,- als onverschuldigd betaald wordt teruggevorderd - niet afdoende door [eiser 1] c.s. zijn onderbouwd. Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

4.6.

In november 2012 heeft [gedaagde] ter verkrijging van een definitieve vaststelling van de subsidie een aantal stukken aan de Minister verstuurd, waaronder een rapport met daarin een financiële verantwoording van de uitgaven van de projectonderdelen waarvoor subsidie werd verstrekt. Deze financiële overzichten zijn tamelijk gedetailleerd. Bij dit rapport is gevoegd een op 20 november 2012 aan SVGK afgegeven goedkeurende verklaring van de externe accountant SABbest, waarin onder meer het volgende staat geschreven:

“Wij hebben de bijgevoegde financiële verantwoording ingevolge de subsidie digitale ontmoetingsplaats minderjarige homoseksuele jongeren van Stichting Vrienden van de Gay Krant te Best over 1 juli 2008 t/m 31 mei 2012 gecontroleerd. (…)

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft de financiële verantwoording de uitgaven en inkomsten van het digitale ontmoetingsplaats minderjarige homoseksuele jongeren in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer. Voorts zijn wij van oordeel dat de financiële verantwoording voldoet aan de eisen van financiële rechtmatigheid. (….)

NB: Er zijn geen subsidiegelden aangewend voor andere activiteiten dan voor de hierboven genoemde projecten”

Op basis van deze accountantsverklaring moet in beginsel worden aangenomen dat de accountant er zich destijds van heeft vergewist dat er onderliggende boekhoudkundige stukken waren die de financiële verantwoording konden dragen.

4.7.

Vast staat dat de feitelijke werkzaamheden voor de projecten (grotendeels) werden uitgevoerd door BPG, die daarvoor werd betaald door SVGK. BPG is inmiddels failliet. De curator in dit faillissement heeft in zijn eindverslag geschreven dat BPG door SVGK werd ingehuurd om de gesubsidieerde activiteiten uit te voeren en dat ter financiering daarvan de subsidie werd overgemaakt aan BPG. De curator schrijft ook dat hij heeft geconstateerd dat hiervoor geen facturering tussen BPG en SVGK heeft plaatsgevonden. Daarmee is echter niet gezegd dat binnen BPG geen afdoende administratie werd bijgehouden van die gesubsidieerde activiteiten. In dat verband is van belang dat zijdens de curator bij brief van 22 januari 2014 aan [gedaagde] het volgende is geschreven:

“Op 21 januari jl vond er een bespreking plaats waarbij u, curator mr. A.A.M. Deterink en ondergetekende aanwezig waren. Wij spraken met elkaar naar aanleiding van het onderzoeksrapport van de accountant die wij opdracht gaven om een zogenoemde “quick scan” te verrichten naar de administratie van Best Publishing Group B.V., Best Publishing Group Beheer B.V. en Gay-Tel B.V. In deze brief bevestig ik hetgeen wij bespraken.

Aanwending van financiële middelen van Stichting Vrienden van de Gaykrant

Uit de beschikbare administratie blijkt dat Best Publishing Group B.V. (hierna: BPG) in de periode voorafgaand aan het faillissement met name van Stichting Vrienden van de Gaykrant (hierna: SVGK) middelen heeft aangewend voor de financiering van haar bedrijfsvoering. U hebt hierover het volgende verklaard.

Het Ministerie van OCW (hierna: het Ministerie) heeft u destijds verzocht om projecten uit te voeren voor de emancipatie van homoseksuelen. Het Ministerie kon daarvoor subsidie ter beschikking stellen. Het Ministerie kon echter geen subsidie verstrekken aan een besloten vennootschap, waardoor SVGK is opgericht. Het Ministerie stelde de subsidie ter beschikking aan SVGK. SVGK liet vervolgens werknemers van BPG de projecten uitvoeren. Aangezien SVGK verder geen kosten maakte, maar slechts BPG inschakelde, werd de ontvangen subsidie overgemaakt naar BPG. Het Ministerie zou hiervan op de hoogte zijn alle financiële verantwoordingen hebben goedgekeurd.

Wij spraken af dat ik uw verklaring zou verifiëren bij de heer [naam] van het Ministerie. Hij heeft mij bovenstaande bevestigd, waardoor wij geen vragen meer hebben omtrent deze kwestie.”

Op basis van deze brief, waarvan de juistheid door [eiser 1] c.s. niet is bestreden, moet worden aangenomen dat de Minister er geen bezwaar tegen had dat de gesubsidieerde activiteiten feitelijk door of vanuit BPG werden uitgevoerd en dat BPG daarvoor werd betaald met het subsidiegeld dat de Minister aan SVKG ter beschikking had gesteld. Dat brengt uiteraard ook mee dat de administratie van de werkzaamheden en de gemaakte kosten primair moest plaatsvinden bij BPG. Uit niets blijkt dat BPG dit heeft nagelaten. De verklaring van [eiser 1] c.s. ter comparitie dat zij niet een administratie van BPG hebben gezien waaruit kan blijken dat de subsidie was besteed conform het eerdergenoemd overzicht van 19 november 2012, is daartoe onvoldoende. De recente administratie van BPG bevindt zich volgens [gedaagde] onder de curator. Gesteld noch gebleken is dat [eiser 1] c.s. zich tot de curator hebben gewend om onderzoek te kunnen doen naar die administratie, voor zover deze betrekking heeft op activiteiten die zijn uitgevoerd met het verstrekte subsidiebedrag van € 206.833,00. Dat brengt mee dat de rechtbank in zoverre geen informatie heeft gekregen die tot de conclusie zou moeten leiden dat de administratie van BPG met betrekking tot genoemde activiteiten niet op orde was, hetgeen dan - gelet op de gevolgde werkwijze waarbij subsidie werd doorbetaald aan BPG - [gedaagde] als bestuurder van SVGK zou kunnen raken.

4.8.

Een belangrijk onderdeel van de stellingname van [eiser 1] c.s. betreft het feit dat naar aanleiding van een dossierreview van de Auditdienst Rijk de externe accountant SABbest op 11 juli 2014 de eerder afgegeven goedkeurende verklaring heeft ingetrokken en in plaats daarvan een “verklaring van oordeelonthouding” heeft verstrekt. In de brief van 11 juli 2014 van de accountant staat het volgende vermeld:

“In de tekst van de bijgevoegde verklaring (paragraaf Onderbouwing van de oordeelonthouding) treft u de motivatie aan voor het verstrekken van een gewijzigde accountsverklaring”

[eiser 1] c.s. hebben de bijgevoegde verklaring echter niet overgelegd, zodat de rechtbank daarvan geen kennis heeft kunnen nemen en in zoverre onduidelijk is gebleven wat die motivatie inhoudt. Volgens [eiser 1] c.s. houdt die motivatie onder meer in dat de goedkeurende verklaring is ingetrokken omdat de accountant volgens de letterlijke tekst van die motivatie “voor een significant deel van de facturen en de verantwoorde uren niet kan vaststellen dat deze ook daadwerkelijk betrekking hebben op de projecten die onderdeel zijn van de subsidievaststelling”. Verondersteld dat dit citaat juist is, kan daaruit evenwel niet worden opgemaakt wat daarmee precies wordt bedoeld. Onduidelijk is wat bij de audit precies naar voren is gekomen en of de accountant zich bij het intrekken van zijn goedkeuring al dan niet mede heeft gebaseerd op (het ontbreken van) stukken in de administratie van BPG. Enkel op basis van de hiervoor geciteerde motivatie kan niet de vergaande conclusie worden getrokken dat de accountant zijn goedkeurende verklaring heeft ingetrokken omdat de administratie van de gesubsidieerde activiteiten in aanzienlijke mate ondeugdelijk was. Uit hetgeen op dit punt is aangevoerd kan ook niet blijken dat de beweerde aanwending van subsidiegelden voor andere doeleinden dan waarvoor die bestemd waren, voor zover daarvan al sprake was, in enige of belangrijke mate tot de intrekking van de goedkeuring heeft bijgedragen.

4.9.

De Minister heeft de subsidie bij brief van 18 juli 2014 op nihil gesteld en de reeds betaalde subsidie van € 206.833 teruggevorderd. Deze brief geeft geen duidelijkheid over de precieze reden van deze beslissing. Naar de rechtbank begrijpt is de reden hiervoor geweest dat met het intrekken van de goedkeurende verklaring van de accountant achteraf niet meer werd voldaan aan één van de subsidievoorwaarden. Zoals hiervoor is overwogen is daarmee echter nog niet gegeven dat er, zoals eisers stellen, geen deugdelijke administratie ten aanzien van de gesubsidieerde activiteiten was. Dat er in de administratie van SVGK weinig tot geen boekhoudkundige stukken waren die hier betrekking op hadden - [eiser 1] c.s. heeft het in dit verband over slechts twee plastic tasjes met stukken die de hele administratie van SVGK zouden omvatten - is niet verwonderlijk gelet op de met instemming van de Minister gekozen werkwijze dat de gesubsidieerde activiteiten feitelijk volledig werden uitgevoerd door BPG zodat de administratie primair daar moest plaatsvinden.

4.10.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat geen facturering heeft plaatsgevonden van BPG aan SVGK ten aanzien van de besteding van de subsidiegelden. De curator in het faillissement van BPG heeft dit in zijn eindverslag genoteerd en door [gedaagde] is dit niet gemotiveerd bestreden. In zoverre is de administratie van SVGK ondeugdelijk, omdat door SVGK subsidiegelden zijn doorbetaald zonder onderliggende facturering. Het is evenwel onduidelijk of dit al dan niet een belangrijke rol heeft gespeeld bij het alsnog onthouden van een goedkeurende verklaring door de accountant en dus bij de terugvordering van de verstrekte subsidie door de Minister. Het enkele feit dat BPG niet heeft gefactureerd aan SVGK geeft ook onvoldoende grond om aan te nemen dat [gedaagde] persoonlijk een zodanig ernstig verwijt treft, dat hij in de onderlinge verhouding tussen partijen gehouden is de terugbetalingsverplichting van de subsidie persoonlijk te dragen. Meer in het algemeen geldt dat [eiser 1] c.s. hun stelling, dat [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het beweerdelijk ontbreken van een deugdelijke administratie van de gesubsidieerde activiteiten, niet hebben onderbouwd. Volgens [gedaagde] werden de administraties van zowel BPG als SVGK al vele jaren tweewekelijks bijgehouden door een medewerkster van het accountantskantoor en was er voor hem geen enkele aanleiding om aan te nemen dat dit niet ordentelijk gebeurde. [gedaagde] heeft zich in dit verband ook beroepen op de eerdere instemming door de accountant en de Minister met de financiële verantwoording in november 2012. [eiser 1] c.s. hebben hier niets feitelijks tegenover gezet. Zij voeren slechts aan dat er een langjarige vertrouwensrelatie bestond tussen [gedaagde] en de accountant van SABbest, door wie de administraties van bedrijven en stichtingen van [gedaagde] al vele jaren werden gecontroleerd, en dat deze accountant hen geen informatie heeft willen verschaffen over hetgeen de review in 2014 heeft opgeleverd. Ook van de Minister hebben zij daarover geen informatie verkregen.

4.11.

Uit de dagvaarding en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verwijten die [eiser 1] c.s. [gedaagde] maken verder strekken dan de kwestie van het beweerdelijk ontbreken van een deugdelijke administratie van de gesubsidieerde activiteiten en het aanwenden van subsidiegelden voor andere doeleinden dan waarvoor deze bestemd waren. Aangezien die verwijten (waaronder het verwijt dat [gedaagde] geen bestuursvergaderingen zou hebben georganiseerd) geen rechtstreeks verband houden met de vordering in deze zaak en geen ondersteuning kunnen vormen van het verwijt van onbehoorlijk bestuur, gaat de rechtbank daar niet op in.

4.12.

Uit al het voorgaande volgt dat de subsidiaire vordering van [eiser 1] c.s. moet worden afgewezen. Zoals hiervoor aangegeven kan de door [eiser 1] c.s. gegeven onderbouwing hun stellingen niet dragen. De rechtbank kan daarom op basis van de thans voorliggende stellingen van [eiser 1] c.s. en de onderbouwing daarvan niet komen tot de vaststelling dat de verstrekte subsidiegelden zijn teruggevorderd als gevolg van het feit dat de administratie van de gesubsidieerde activiteiten ondeugdelijk was en/of dat [gedaagde] subsidiegelden heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor die subsidie is verleend, noch dat [gedaagde] hiervan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Tot een verdergaande conclusie omtrent het functioneren van [gedaagde] als bestuurder komt de rechtbank niet.

4.13.

[eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 1.519,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 5.519,00

4.14.

Op grond van artikel 704 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal het conservatoir beslag dat is gelegd op de woning en het appartementsrecht van [gedaagde] van rechtswege vervallen zodra dit afwijzend vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. Door [gedaagde] is niet gevorderd het beslag eerder te beëindigen. De rechtbank ziet geen grond om te bevelen, zoals [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord heeft verzocht maar niet nader heeft gemotiveerd, dat [eiser 1] c.s. deze beslagen binnen twee dagen dienen op te heffen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.519,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik, mr. O.R.M. van Dam en mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.