Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:2001

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
3896332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

huurovereenkomst bedrijfsruimte, huurbetaling, misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht, free rider

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2015/230 met annotatie van
JHV 2015/105 met annotatie van Mr. L.J. Smale
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 3896332

Rolnummer : 15-1812

Uitspraak : 8 april 2014

in de zaak van:

STICHTING TOT BEHOUD VAN MONUMENTEN LAURENTIUS EN PETRONELLA,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. B. Meijer,

t e g e n :

V&D B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. W.J.M. van Andel;

en waarin heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van V&D:

1 IEF BERLAGE AMSTERDAM (KALVERSTRAAT) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. IEF BERLAGE ARNHEM (VELPERPLEIN) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. VASTGOED RIETVELD (BEVERWIJK-BREESTRAAT) B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

4. 4. VASTGOED RIETVELD (MONUMENTEN) B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

5. VASTGOED ÈTA WEST (GOLD) B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

6. IEF BERLAGE DEN HAAG (GROTE MARKTSTRAAT V) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

7. IEF BERLAGE GRONINGEN (GROTE MARKT) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

8. VASTGOED ÈTA OOST (HOORN-GROTE NOORD) B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

9. IEF BERLAGE MAASTRICHT (GROTE STRAAT V) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

10. IEF BERLAGE NIJMEGEN (GROTE MARKT V) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

11. IEF BERLAGE UTRECHT (BOVEN CLARENBURG) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

12. VASTGOED ÈTA WEST (VENLO) B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

eisers in het incident,

hierna ook te noemen: IEF c.s.,

gemachtigde: mr. J.L. Zijlma;

alsmede:

1 ASR PROPERTY FUND N.V,

gevestigd te Utrecht,

2. ASR DUTCH PRIME RETAIL CUSTODIAN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. BOUWINVEST DUTCH INSTITUTIONAL RETAIL FUND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. CBRE GLOBAL INVESTORS (NL) B.V.,

gevestigd te Schiphol,

5. ELIZEN VASTGOED B.V.,

gevestigd te Twello,

6. PAVAST BEHEER B.V.,

gevestigd te Twello,

7. GOTTHARD VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

8. KROONENBERG GROEP B.V.,

gevestigd te Amsterdam Schiphol,

9. STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

10. ROYALTON HILL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

11. STICHTING PENSIOENFONDS OPENBAAR VERVOER,

gevestigd te Utrecht,

12. STICHTING SPOORWEG PENSIOENFONDS,

gevestigd te Utrecht,

13. STICHTING ALRI,

gevestigd te Amsterdam,

14. STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE METALEKTRO,

gevestigd te Amsterdam,

15. STICHTING ACHMEA DUTCH RETAIL PROPERTY FUND,

gevestigd te Amsterdam,

16. STICHTING “DE SAMENWERKING”, PENSIOENFONDS VOOR HET SLAGERSBEDRIJF,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

17. STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW,

gevestigd te Woerden,

18. DRET BEWAAR MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

19. DRET MASTER FUND C.V.,

gevestigd te Schiphol,

20. DRET VASTGOED WINKELS C.V.,

gevestigd te Schiphol,

eisers in het incident,

hierna ook te noemen: ASR c.s.,

gemachtigde: mr. T.H.G. Steenmetser.

1 De procedure

Nadat een dag was bepaald voor de behandeling van deze zaak, heeft eiseres in de hoofdzaak, verder te noemen “de Stichting”, gedaagde in de hoofdzaak, verder te noemen “V&D”, doen dagvaarden.

V&D heeft stukken ten behoeve van de mondelinge behandeling ingezonden. ASR c.s en IEF c.s. hebben ieder een incidentele conclusie tot voeging ingezonden, waaruit blijkt dat zij de kantonrechter verzoeken hun toe te staan zich te voegen aan de zijde van V&D.

De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2015 plaatsgevonden. Alle voormelde partijen zijn bij die gelegenheid verschenen.

ASR c.s. en IEF c.s. hebben in het incident gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van V&D. De Stichting heeft daartegen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft daarop in het incident beslist dat de voeging van ASR c.s. en IEF c.s. aan de zijde van V&D, niettegenstaande het verweer van de zijde van de Stichting, wordt toegestaan.

V&D heeft vervolgens in de hoofdzaak verweer gevoerd tegen de vordering van de Stichting. Alle partijen hebben hun standpunten doen toelichten bij monde van hun gemachtigden. Deze hebben daartoe pleitaantekeningen gehanteerd die aan de kantonrechter zijn overgelegd.

Tot besluit van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor 14 dagen om partijen de gelegenheid te geven overleg te voeren. Bij brief van 30 maart 2015 heeft de gemachtigde van de Stichting medegedeeld dat er geen regeling tussen partijen is tot stand gekomen en dat vonnis wordt gevraagd. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

De Stichting is eigenaresse van de bedrijfsruimte aan de Schapenmarkt 2-4 te ’s-Hertogenbosch, welke bedrijfsruimte bij huurovereenkomst van 27 april 1999, met ingang van 15 juli 1999, is verhuurd aan de rechtsvoorgangster van V&D. De huurovereenkomst is aangegaan voor een bepaalde tijd van 15 jaar en is daarna verlengd met een periode van vijf jaar. De huurovereenkomst loopt thans tot 14 juli 2019.

V&D is gehouden de verschuldigde huur maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. De factuur voor de maand februari 2015 ten bedrage van € 94.483,30 inclusief btw, met een uiterste betaaldatum van 1 februari 2015, is op 9 januari 2015 aan V&D gezonden.

Bij brief van 19 januari 2015 heeft V&D aan de beheerder van de Stichting, Metroprop BV, medegedeeld dat haar financiële situatie zodanig is dat een aanzienlijke kostenreductie noodzakelijk is. Het bestuur van V&D heeft in verband daarmee een huurvrije periode voor het onderhavige gehuurde van vier maanden afgekondigd, aan te vangen per februari 2015 en eindigend per mei 2015, alsmede een aanpassing van de te betalen huur tot een zodanig niveau dat deze komt te liggen op het niveau gelijk aan 7% van de ‘current Gross Sales in the department stores’. Deze brief is ook gezonden aan de eigenaren van de andere door V&D gehuurde bedrijfsruimten. De Stichting heeft aan V&D bericht daarmee niet in te stemmen.

Begin februari 2015 heeft er overleg plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van V&D en een groot aantal eigenaren van de door V&D gehuurde bedrijfsruimten. Dat overleg heeft in het weekend van 7 en 8 februari 2015 geleid tot een vaststellingsovereenkomst met de deelnemende verhuurders en een later uitgewerkte escrowovereenkomst. Kern daarvan is dat de huur over de periode van februari tot en met juli 2015 op maandbasis voor 43% wordt betaald aan de verhuurders en voor 57% op een escrowrekening onder de notaris in depot wordt gestort. Aldus zou, indien alle verhuurders zouden meedoen, over een periode van zes maanden een totaal depot van afgerond € 24 miljoen worden opgebouwd. Dit bedrag van € 24 miljoen valt, volgens de gesloten overeenkomsten, vrij aan V&D indien zij op 1 juli 2015 niet in staat van faillissement is verklaard. Indien V&D niet voldoet aan de voorwaarden voor het afdragen van het bedrag in depot, komt zij niet in aanmerking voor de huurkorting en zal de notaris het depotbedrag afdragen aan de betreffende verhuurders. Met deze overeenkomsten voldeed V&D aan een voorwaarde voor herfinanciering, over welke herfinanciering met de banken en aandeelhouder Sun Capital overeenstemming was bereikt.

Enkele verhuurders, waaronder de Stichting, hebben zich niet akkoord verklaard met deze regeling.

V&D heeft 43% van de huur over de maand februari en de btw over het hele huurbedrag aan de Stichting voldaan, in totaal € 49.974,64. Over de maand februari 2015 resteert een verschuldigd bedrag van € 44.508,66.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

De Stichting vordert – zakelijk weergegeven - dat de kantonrechter bij wege van voorziening ex artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), uitvoerbaar bij voorraad,

I.

a. V&D veroordeelt tot betaling van de huurachterstand over de maand februari 2015 ten bedrage van € 44.508,66 en betaling van een bedrag van € 94.483,30 voor iedere maand of gedeelte daarvan gedurende welke V&D na de maand februari 2015 in het genot blijft van het gehuurde, tot de dag waarop de huurprijs bij overeenkomst tussen partijen dan wel op andere wijze wordt gewijzigd, dan wel niet meer verschuldigd zal zijn;

b. V&D veroordeelt tot betaling van de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 44.508,66 vanaf 1 februari 2015 tot de dag van voldoening;

II.

V&D veroordeelt om, bij niet tijdige voldoening aan deze veroordelingen, het gehuurde aan de Schapenmarkt 2-4 te ’s-Hertogenbosch met al de haren en het hare, onder afgifte van de sleutels, te verlaten en de ruimte ontruimd aan de Stichting ter beschikking te stellen.

De Stichting legt daaraan, kort weergegeven, naast voormelde feiten, het volgende ten grondslag.

Over februari 2015 bestaat een huurachterstand van € 44.508,66. Als V&D haar voornemen jegens de Stichting doorzet en ook over de maanden maart tot en met juni 2015 slechts een bedrag van € 49.974,64 gaat voldoen, zal de Stichting een bedrag van in totaal € 222.543,30 aan huur derven.

De betalingsverplichting van V&D volgt uit de huurovereenkomst en de wet.

De Stichting heeft het onderhavige object aan de Schapenmarkt te ’s-Hertogenbosch gekocht met een door hypotheek verzekerde geldlening en zij dient maandelijks de rente en de aflossing op deze lening te voldoen. Indien zij niet maandelijks de volledige huur ontvangt is zij niet in staat om te voldoen aan haar betalingsverplichtingen jegens haar financier.

De Stichting heeft aldus een spoedeisend belang bij de vorderingen tot betaling. Tevens heeft zij belang bij de gevorderde ontruiming van het gehuurde als V&D in gebreke blijft om aan haar huurbetalingsverplichtingen te voldoen.

3.2.

V&D heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

a. De Stichting heeft het spoedeisend belang bij de vorderingen onvoldoende gemotiveerd. Nu zij toewijzing van een geldvordering vordert, heeft zij een verzwaarde motiveringsplicht ter zake van het spoedeisend belang.

b. Het onderhavige geschil is niet geschikt om te worden behandeld in kort geding, aangezien meer feitelijke onderbouwing gewenst is inzake de kostenbesparingsmaatregelen en de noodzaak van de substantiële huurkortingen, zodat de relevante feiten niet voldoende helder zijn. Tevens zijn de gevolgen van een te nemen beslissing niet voldoende te overzien.

c. Het V&D-concern, bestaande uit de 63 warenhuizen en de restaurants van La Place, leed in 2013 een verlies van meer dan € 42 miljoen en in 2014 een verlies van meer dan € 49 miljoen. In het vierde kwartaal van 2014 werd duidelijk dat V&D, zonder ingrijpende saneringsmaatregelen bij de warenhuizen, failliet zou gaan. Op 12 december 2014 heeft het Bankensyndicaat aangekondigd dat de rekening-courant faciliteit van € 42,5 miljoen per 19 december 2014 zou worden teruggebracht tot slechts € 2.166.666,-. Daardoor dreigde V&D binnen enkele weken al niet meer aan haar verplichtingen te kunnen voldoen met een faillissement tot gevolg. Uiteindelijk is met de banken overeenstemming bereikt over een tijdelijke continuering van de rekening-courant faciliteit tot een maximum van € 22,5 miljoen tot uiterlijk 31 januari 2015, onder een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat in het boekjaar 2015 minimaal € 40 miljoen aan liquiditeitsbesparingen gerealiseerd moesten worden. Daarvan zou € 20 miljoen moeten worden gevonden in huurkortingen.

Na veel overleg is uiteindelijk in het weekend van 7 en 8 februari 2015 met vrijwel alle verhuurders overeenstemming bereikt, die is vastgelegd in de met iedere deelnemende verhuurder gesloten vaststellingsovereenkomst en een met alle deelnemende verhuurders tezamen gesloten escrowovereenkomst. In de onderhandelingen is het bedrag van € 40 miljoen aan liquiditeitsbesparing in stand gebleven, maar is de verdeling daarbinnen wat anders geworden. Er zou per 1 juli 2015 € 24 miljoen aan gerealiseerde huurbesparingen moeten zijn. Het realiseren van een huurkorting van € 24 miljoen per die datum was een cruciale voorwaarde voor herfinanciering van V&D en daarmee voor haar voortbestaan. Vrijwel alle verhuurders hebben dat ingezien. Slechts enkele verhuurders, waaronder de Stichting, hebben hun verantwoordelijkheid niet willen nemen. De Stichting stelt zich op als een ‘free rider’: zij wil profiteren van het feit dat alle andere verhuurders hun verantwoordelijkheid wel hebben genomen.

De Stichting maakt misbruik van haar bevoegdheid door de onderhavige vorderingen in te stellen, althans zij handelt aldus op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De met de verhuurders getroffen regeling was noodzakelijk om veel grotere schade te voorkomen. Er was begin februari een groot belang gemoeid met het afwenden van een faillissement van V&D. Tegenover het belang van de Stichting om afgerond € 270.000,- (het bedrag dat nu in totaal in depot wordt gestort) aan huur te ontvangen, stond het belang van V&D, meer dan 10.000 werknemers en alle verhuurders, dat V&D niet failliet zou gaan. Ook het maatschappelijk belang dat V&D niet failliet zou gaan was groot. De schok die dit op termijn in retail-land en binnen de onroerendgoedmarkt teweeg zou hebben gebracht, is op miljarden euro’s geschat. Er bestaat dus een grote onevenredigheid tussen het belang van de Stichting en de daar tegenoverstaande belangen. De Stichting kan daarom in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar bevoegdheid komen. Het past bovendien niet in de notie dat een enkele individuele schuldeiser niet op onredelijke gronden de redding van een bedrijf moet kunnen frustreren. Het is ook niet aanvaardbaar dat de Stichting thans volledige nakoming zou kunnen verkrijgen, terwijl de overige verhuurders slechts een deel ontvangen, en de Stichting het aan die overige verhuurders te danken heeft dat de met haar gesloten huurovereenkomst niet reeds vanwege het faillissement van V&D is beëindigd.

3.3.

IEF c.s. – verhuurder van een twaalftal locaties die door V&D worden gehuurd - is eveneens van mening dat de vorderingen van de Stichting dienen te worden afgewezen. Zij ondersteunt het door V&D gevoerde verweer. Het handelen van de Stichting zou bovendien jegens IEF c.s. onrechtmatig zijn. Tevens zou toewijzing van de vordering leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van de Stichting.

3.4.

ASR c.s. – verhuurder van 32 locaties die door V&D worden gehuurd – is ook van mening dat de vorderingen van de Stichting dienen te worden afgewezen. Zij ondersteunt het door V&D gevoerde verweer. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen volgens ASR c.s. in dit geval met zich dat de doorbreking van de gelijkheid van schuldeisers die de Stichting beoogt, niet wordt gehonoreerd. De Stichting zou, gelet op de beoogde wijziging van de Faillissementswet (de Wet continuïteit ondernemingen II), gedwongen kunnen worden mee te doen met de regeling die met de meeste verhuurders is getroffen. Het handelen van de Stichting is voorts onrechtmatig ten opzichte van de overige verhuurders. Tevens zou toewijzing van de vordering leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van de Stichting.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

Ter zitting zijn de vorderingen van IEF c.s. en ASR c.s. om zich te voegen aan de zijde van V&D toegewezen, aangezien voldoende aannemelijk is dat zij daarbij belang hebben omdat een ongunstige uitkomst van de procedure hun rechtspositie nadelig kan beïnvloeden.

4.2.

De kosten van de procedure in het incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat alle partijen de eigen kosten daarvan dragen.

in de hoofdzaak

4.3.

V&D heeft de spoedeisendheid van de vorderingen betwist. De Stichting heeft echter voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang bij de vorderingen heeft, aangezien zij de volledige maandelijkse huur nodig heeft om te voldoen aan haar verplichtingen jegens haar financier en zij niet over voldoende reserves beschikt om haar financier te blijven voldoen als zij niet de volledige maandelijkse huur ontvangt. V&D heeft de huur van februari 2015 slechts voor 43% betaald en heeft aangekondigd de huur van de maanden maart tot en met juli 2015 eveneens slechts voor 43% te betalen. Het gaat om een aanzienlijk bedrag dat de Stichting aldus (mogelijk) derft aan huurinkomsten, namelijk in totaal € 267.051,96. Van de Stichting kan niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht om betaling daarvan te krijgen. De Stichting is daarom ontvankelijk in haar vordering.

4.4.

Het verweer van V&D dat het onderhavige geschil niet geschikt is om te worden behandeld in kort geding, dient te worden verworpen. De relevante feiten en de relevante regels zijn voldoende duidelijk en het geschil is niet te ingewikkeld voor beoordeling in kort geding.

4.5.

In de onderhavige procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient de vordering slechts te worden toegewezen indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de kantonrechter een overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal toewijzen.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.6.

De kantonrechter sluit zich aan bij de overwegingen en de beslissing van de kantonrechter te Enschede in zijn vonnis in kort geding van 26 maart 2015 in de met de onderhavige zaak nagenoeg identieke zaak tussen Mondia Investments BV en V&D (ECLI:NL:RBOVE:2015:1505), en wel als volgt.

4.7.

Tussen partijen staat vast dat V&D een huurprijs van € 94.483,30, inclusief btw, per maand aan de Stichting verschuldigd is. V&D heeft zich niet beroepen op een recht op opschorting of verrekening. V&D dient de huur derhalve maandelijks tijdig te betalen. Het storten van een deel van de huur op een depotrekening bij derden is geen betaling.

4.8.

De Stichting heeft het recht om niet deel te nemen – en zij kan daartoe derhalve ook niet worden gedwongen - in een regeling waarin de meeste van de overige verhuurders van V&D deelnemen en waarbij de deelnemende verhuurders voorlopig tijdelijk en onder voorwaarden definitief afzien van een deel van de maandelijkse huur. De omstandigheid dat V&D in grote financiële problemen verkeert en er grote belangen – ook van derden – op het spel staan, kan daar niet aan afdoen. Het moge zo zijn dat de Stichting gezien kan worden als een ‘free rider’, daar zij aanspraak maakt op volledige betaling van de huur, terwijl het merendeel van de overige verhuurders zich een voor de redding van V&D noodzakelijke huurkorting laat welgevallen, en zij aldus mogelijk profiteert van een door die huurkorting mogelijk gemaakt (voorlopig) voortbestaan van V&D, maar misbruik van bevoegdheid of recht levert dat niet op en dat is evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.9.

V&D en de aan haar zijde gevoegde partijen hebben aangevoerd dat in deze zaak een vergelijking kan worden getrokken met een aangeboden akkoord in een faillissementssituatie, in welk geval een schuldeiser onder omstandigheden kan worden gedwongen mee te gaan in dat akkoord, en aangevoerd dat de Stichting zich als schuldeiser van V&D in redelijkheid niet aan de genoemde regeling met het merendeel van de overige verhuurders kan onttrekken dan wel dat dat misbruik van bevoegdheid of misbruik van recht oplevert.

Van een aangeboden akkoord in een faillissementssituatie is echter geen sprake en er is onvoldoende grond om de regels die in een dergelijke situatie gelden in het onderhavige geval analoog toe te passen.

Dat geldt ook voor de vergelijking met een aangeboden akkoord buiten faillissement, ten aanzien waarvan met de wijziging van de Faillissementswet (de Wet continuïteit ondernemingen II) waarschijnlijk de mogelijkheid wordt geopend dat een schuldeiser kan worden gedwongen daaraan uitvoering te geven. Er is in het onderhavige geval geen sprake van een situatie waarin alle schuldeisers van V&D zijn betrokken en een meerderheid van hen instemt met een akkoord ter herstructurering van de schuldenlast van de schuldenaar, zodat een faillissement wordt voorkomen en er uitzicht bestaat op een economisch levensvatbare toestand van de schuldenaar, terwijl een minderheid weigert daarmee in te stemmen. En er is (derhalve) ook geen sprake van een buitengerechtelijk akkoord als waarvan sprake is in HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799 (Groenemeijer/Payroll). De vraag of de door V&D in haar pleitnotitie onder 4.11 opgesomde omstandigheden kwalificeren als de ‘zeer bijzondere omstandigheden’ als bedoeld in dat arrest, onder welke de schuldeiser gedwongen kan worden aan de uitvoering van een akkoord mee te werken, behoeft daarom niet te worden beantwoord.

De Stichting heeft op grond van de huurovereenkomst recht op maandelijkse betaling van de (volledige) overeengekomen huurprijs. Van haar kan niet worden verlangd dat zij het belang van V&D bij een lagere huurprijs en het belang van V&D en de gevoegde partijen bij haar medewerking aan de regeling voor een tijdelijke (en mogelijk permanente) huurverlaging laat prevaleren boven haar belang bij volledige betaling van de maandelijkse huur. Dat is niet anders als daarbij in aanmerking wordt genomen dat het risico bestaat dat V&D in of omstreeks juli 2015 in staat van faillissement wordt verklaard. Door ook onder deze omstandigheden aanspraak te maken op betaling van de volledige maandelijkse huur maakt de Stichting geen misbruik van recht of bevoegdheid. Evenmin is die aanspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.10.

IEF c.s. en ASR c.s. hebben tevens aangevoerd dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de Stichting als de vorderingen worden toegewezen. Dat standpunt kan niet worden aanvaard. De Stichting vordert slechts wat haar contractueel toekomt. Daarin is geen ongerechtvaardigde verrijking gelegen.

Evenmin kan het handelen van de Stichting als onrechtmatig jegens de overige verhuurders worden aangemerkt, gelijk IEF c.s. en ASR c.s. hebben betoogd.

4.11.

Voldoende aannemelijk is dat de vordering tot betaling van de achterstallige huur in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Deze vordering is daarom in dit kort geding ook toewijsbaar.

Eveneens is toewijsbaar de vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen, althans waar het gaat om de maanden tot en met juli 2015. V&D heeft aangekondigd dat zij de huur tot en met juli 2015 slechts gedeeltelijk zal voldoen. Daarmee is gegeven dat V&D in die maanden haar verplichting tot betaling van de (volledige) huur niet zal nakomen. Onder deze omstandigheden is er ook grond voor toewijzing van de vordering met betrekking tot de huur over de maanden tot en met juli 2015.

Omdat de situatie van V&D na juli 2015 thans onzeker is en ook onzeker is of de huurovereenkomst na die maand ongewijzigd zal worden voortgezet, is er onvoldoende grond om V&D thans bij voorlopige voorziening te veroordelen tot huurbetaling na die maand.

4.12.

De rente is toewijsbaar als gevorderd.

4.13.

De vordering tot voorwaardelijke ontruiming is in dit kort geding niet toewijsbaar, gelet op de zeer ingrijpende gevolgen die toewijzing ervan, bij de vervulling van de voorwaarde, zou hebben. Voorts is niet aannemelijk dat iedere tekortkoming in de betaling van de maandelijkse huur in een bodemprocedure voldoende grond oplevert voor ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde.

4.14.

V&D, IEF c.s. en ASR c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, en wel als volgt. V&D zal de explootkosten en het griffierecht aan de Stichting dienen te vergoeden. V&D, IEF c.s. en ASR c.s. zullen gezamenlijk, voor gelijke delen, de bijdrage in het salaris van de gemachtigde van de Stichting dienen te betalen.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

in het incident:

staat IEF c.s. en ASR c.s. toe zich te voegen aan de zijde van V&D;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak:

veroordeelt V&D om aan de Stichting te betalen de huurachterstand over de maand februari 2015 ad € 44.508,66, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 februari 2015 tot de dag van voldoening, alsmede te betalen een bedrag van € 94.483,30 voor iedere maand of gedeelte daarvan na de maand februari 2015, telkens bij vooruitbetaling uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand, tot en met de maand juli 2015;

veroordeelt V&D, IEF c.s. en ASR c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Stichting tot heden begroot op € 2.626,19, waarvan € 94,19 wegens explootkosten, € 932,- wegens griffierecht en € 1.600,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), met dien verstande dat V&D daarvan een bedrag van € 1.559,53 dient te voldoen, IEF c.s. daarvan een bedrag van € 533,33 en ASR c.s. daarvan een bedrag van € 533,33;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2015.