Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:971

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2014
Datum publicatie
17-03-2014
Zaaknummer
898347 / CV EXPL 13-5769
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwaling. Reflexwerking wet oneerlijke handelspraktijken? Dwingend bewijskracht schriftelijke overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Zaaknummer : 898347

Rolnummer : 13-5769

Uitspraak : 13 maart 2014

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Proximedia Nederland B.V. h.o.d.n. BeUp,

statutair gevestigd te De Meern, gemeente Utrecht,

kantoorhoudende te IJsselstein UT, gemeente Utrecht,

eiseres,

gemachtigde: Nouta Westland Gerechtsdeurwaarderskantoor B.V.,

t e g e n

[gedaagde] h.o.d.n. Quality-toys,

wonende en kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel.

Partijen zullen hierna “Proximedia” en “[gedaagde]” genoemd worden.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de rolbeslissing van 25 juli 2013 waarbij een comparitie na antwoord is bepaald;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie na antwoord d.d. 4 december 2013 ten behoeve waarvan Proximedia producties in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan [gedaagde] op voorhand zijn toegestuurd.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] drijft als ondernemer in de vorm van een eenmanszaak (zonder personeel) een detailhandel in vrijetijdsartikelen, genaamd ‘Quality-toys’, gevestigd op het woonadres van [gedaagde].

2.2.

Proximedia biedt informaticaprestaties aan.

2.3.

Na voorafgaand telefonisch contact heeft een vertegenwoordiger van Proximedia op

18 september 2012 een bezoek gebracht aan [gedaagde] op haar woon- en tevens bedrijfsadres. Tijdens dat bezoek is tussen partijen een schriftelijke overeenkomst opgemaakt en ondertekend.

2.4.

In deze overeenkomst, genaamd ‘overeenkomst voor internetprestaties met een publicitair karakter’ (hierna: de overeenkomst) heeft [gedaagde] gekozen voor het product ‘SEA’. Dit product houdt in dat Proximedia met advertenties van [gedaagde] een campagne voor [gedaagde] aanmaakt bij een zoekmachine, in dit geval Google, en dat zij de campagne beheert en opvolgt. Deze campagne zal tot maximaal 3.000 klikken op jaarbasis opleveren. [gedaagde] heeft daarnaast gekozen voor 2.000 extra klikken per jaar. In de overeenkomst is opgenomen dat [gedaagde] maandelijks een bijdrage € 234,-- (dit bedrag is handmatig ingevuld) exclusief btw en eenmalige betaling van € 90,-- (dit bedrag is handmatig ingevuld) inclusief btw wegens dossierkosten verschuldigd is en dat de overeenkomst is aangegaan voor een termijn van 48 maanden (artikel 3 van de overeenkomst).

2.5.

In artikel 10 van de overeenkomst is het volgende opgenomen:

“10.1.1 De onderhavige overeenkomst is een duurovereenkomst van bepaalde tijd en is gesloten voor een duur van 48 MAANDEN. De Abonnee kan evenwel besluiten de overeenkomst tussentijds op te zeggen mits de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bijdragen voor de nog lopende periode.
In dat geval zal de overeenkomst pas als beëindigd worden beschouwd wanneer BeUp hiervan op de hoogte wordt gesteld d.m.v. een aangetekende brief met betalingsbewijs van de opzeggingsvergoeding en wanneer BeUp volledige betaling heeft verkregen van voornoemde vergoeding en alle nog openstaande vorderingen in het kader van de overeenkomst.

10.1.2

In alle gevallen van contractbreuk door de Abonnee, anders dan op grond van een toerekenbare tekortschieten van BeUp in de nakoming van haar verbintenis, is deze gehouden om aan BeUp de daaruit voor BeUp voortvloeiende schade te vergoeden. Deze schade wordt forfaitair vastgelegd op een som die gelijk is aan 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bijdragen voor de nog lopende periode.”

2.6.

In de periode 24 september 2012 tot 1 februari 2013 hebben ongeveer 3.000 klikken op de advertenties van [gedaagde] plaatsgevonden.

2.7.

Proximedia heeft [gedaagde] op 10 oktober 2012 een factuur ad € 234,-- exclusief btw
(€ 283,14 inclusief btw) gezonden voor het abonnement over de maand oktober 2012.

2.8.

[gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten. Op 12 oktober 2012 heeft zij drie

e-mailberichten aan Proximedia gezonden waarin zij schrijft dat zij het contract met Proximedia wegens verkeerde inlichtingen door een medewerker van Proximedia direct wil beëindigen en waarin zij stelt dat de medewerker van Proximedia haar (moedwillig) heeft opgelicht. Ook schrijft [gedaagde] daarin dat zij met Proximedia is overeengekomen dat de aanbieding maar € 90,-- zou gaan kosten en dat de medewerker dat minstens vier keer heeft bevestigd.

2.9.

Op 15 oktober 2012 heeft [gedaagde] vervolgens een aangetekende brief aan Proximedia gezonden, waarmee [gedaagde] nogmaals heeft aangegeven de overeenkomst met Proximedia direct te willen beëindigen, aangezien aan [gedaagde] was toegezegd dat zij alleen het bedrag van € 90,-- diende te betalen.

2.10.

Bij brief van 17 oktober 2012 heeft Proximedia gereageerd op de e-mailberichten van 12 oktober 2012 en de brief van 15 oktober 2012. Proximedia geeft te kennen dat de overeenkomst pas als ontbonden kan worden beschouwd wanneer [gedaagde] 40% van de nog resterende maandelijkse termijnen heeft betaald.

2.11.

Proximedia heeft ook over de maanden november en december 2012 en januari 2013 een factuur voor de maandelijkse bijdrage ad € 283,14 inclusief btw naar [gedaagde] gezonden. [gedaagde] heeft deze facturen onbetaald gelaten.

2.12.

Bij brief van 27 november 2012 heeft de gemachtigde van [gedaagde] de overeenkomst, voor zover dat niet reeds eerder rechtsgeldig is gebeurd, buitengerechtelijke vernietigd wegens dwaling. Voorts wordt namens [gedaagde] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de door Proximedia gehanteerde algemene voorwaarden, met name artikel 10.1.1, nu deze voorwaarden volgens [gedaagde] als onredelijk bezwarend moeten worden beschouwd.

2.13.

Bij brief van 21 januari 2013 heeft Proximedia de overeenkomst met [gedaagde] ontbonden. Naast de openstaande facturen ad € 1.132,56 maakt Proximedia aanspraak op de verbrekingsvergoeding van € 4.118,40.

2.14.

In een verklaring van [K.] van 23 maart 2013 staat: “(…) Ik hoorde mijn vriendin met klem vragen, (viel nogal op, omdat ze dit erg hardop vroeg) of de 90 euro de enige kosten zouden zijn, en of er geen verdere kosten bij zouden komen. De medewerker van Be Up antwoordde daarop, dat er geen kosten bij zouden komen, omdat dit een exclusieve aanbieding is, die alleen die dag voor een paar, door hen uitgekozen bedrijven, gelde. (…)”.

2.15.

In een verklaring van [V.] en [S.] van 22 april 2013 staat: “(…) Op dat moment was [gedaagde] in gesprek met een verkoper. Tijdens dat gesprek viel het ons beide op dat [gedaagde] specifiek aan de verkoper vroeg of voor de geboden aanbieding een eenmalige betaling verricht diende te worden en dat zij hierna geen verdere kosten gepresenteerd zou krijgen. Hierop antwoorde de verkoper (met stemverheffing) dat het een eenmalige betaling betrof van € 90,- en dat er verder geen kosten bij zouden komen. (…)”.

3 Het geschil

3.1.

Proximedia vordert, na wijziging van eis, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Proximedia

primair: van het bedrag van € 6.083,33 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening over € 5.250,96;

subsidiair: van het bedrag van € 4.682,34, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en rente;

zowel primair als subsidiair: met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Proximedia legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Conform de overeenkomst heeft Proximedia voor [gedaagde] een campagne aangemaakt bij Google. Zij heeft dan ook in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden verricht c.q. aan [gedaagde] diensten verleend. In verband met deze werkzaamheden c.q. verleende diensten heeft Proximedia aan [gedaagde] facturen gezonden, welke facturen [gedaagde] tot een totaalbedrag van € 1.132,56 onbetaald heeft gelaten. In verband met het niet nakomen van de betalingsverplichtingen door [gedaagde] heeft Proximedia de overeenkomst ontbonden. Conform artikel 10 van de overeenkomst is Proximedia gerechtigd om bij een vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst een verbrekingsvergoeding gelijk aan 40% van de nog niet vervallen maandelijkse termijnen voor de lopende periode van de overeenkomst bij [gedaagde] in rekening te brengen. Op het moment van de vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst had deze nog een resterende looptijd van 44 maanden. De verbrekingsvergoeding bedraagt derhalve € 4.118,40. Gelet daarop heeft Proximedia in hoofdsom een totaalbedrag van
€ 5.250,96 van [gedaagde] te vorderen. Naast betaling van genoemd bedrag aan hoofdsom, maakt Proximedia jegens [gedaagde] aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente, tot 5 april 2013 berekend op een bedrag van € 44,73. Tenslotte maakt Proximedia aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 787,64. Op grond van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden althans het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub c BW komen deze kosten voor rekening van [gedaagde].

Subsidiair, in het geval Proximedia de opzegging van [gedaagde] van 12 oktober 2012 had moeten accepteren, bedraagt de vordering van Proximedia € 283,14 ter zake de onbetaald gelaten factuur van 10 oktober 2012 vermeerderd met € 4.399,20 ter zake de ontbindingsvergoeding op grond van artikel 10.1.1 over 47 maanden, derhalve in totaal een bedrag van € 4.682,34, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Tijdens het verkoopgesprek op 18 september 2012 zijn door de vertegenwoordiger van Proximedia diverse toezeggingen gedaan die niet nagekomen bleken te kunnen worden. Zo werd met name uitdrukkelijk en bij herhaling toegezegd dat [gedaagde] slechts eenmalig een bedrag van € 90,-- diende te voldoen en dat er verder aan de overeenkomst geen kosten waren verbonden. Op 12 oktober 2012 heeft [gedaagde] de factuur van 10 oktober 2012 ad

€ 283,14 ontvangen. Omdat aan [gedaagde] expliciet was medegedeeld dat zij slechts eenmalig een bedrag van € 90,-- diende te voldoen en zij verder geen kosten verschuldigd zou zijn, heeft [gedaagde] direct na ontvangst van de factuur de overeenkomst eens doorgenomen. Daarin staat te lezen, in strijd met hetgeen expliciet mondeling is toegezegd, dat sprake zou zijn van een maandelijkse bijdrage van € 283,14. [gedaagde] kreeg de indruk dat zij was opgelicht, althans met opzet was misleid. Zij heeft Proximedia e-mails en een aangetekende brief gestuurd waarin zij te kennen heeft gegeven dat zij niet met Proximedia wenst samen te werken en dat zij per direct het zogenaamde contract opzegt. Bij brief van 27 november 2012 heeft zij, voor zover dat niet reeds eerder rechtsgeldig was gebeurd, de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling.
[gedaagde] stelt daartoe dat de dwaling te wijten is aan door Proximedia verstrekte inlichtingen en/of aan een schending van Proximedia van een op haar rustende mededelingsverplichting. Indien [gedaagde] op de hoogte was geweest van de aard en inhoud van de overeenkomst en mitsdien een juiste voorstelling van zaken had gehad, was zij met Proximedia de onderhavige overeenkomst niet aangegaan. [gedaagde] is van oordeel dat de bewijslast omtrent de al dan niet door Proximedia verstrekte informatie omgekeerd dient te worden op grond van artikel 6:193j BW. Aan [gedaagde] komt immers, middels reflexwerking, een beroep toe op de Wet op de Oneerlijke Handelspraktijken. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat sprake is van misleidende en agressieve handelspraktijken.

Voorts heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden, met name artikel 10.1.1 in de overeenkomst. [gedaagde] stelt daartoe dat artikel 10.1 gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend voor [gedaagde] en derhalve vernietigbaar. De vraag of genoemd artikel als een onredelijk bezwarend beding gezien moet worden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de normen zoals neergelegd in de artikelen 6:236 en 6:237 BW (zwarte en grijze lijst). Van deze artikelen dienst immers in casu een reflexwerking uit te gaan, nu [gedaagde] in dit geval een met consumenten vergelijkbare positie inneemt. Voor zover de kantonrechter van oorddeel is dat artikel 10.1 in de algemene voorwaarden pas als onredelijk bezwarend gezien dient te worden, indien de vergoeding onevenredig hoog moet worden geachte, merkt [gedaagde] het volgende op. Met de door Proximedia verrichtte werkzaamheden kunnen onmogelijk zodanige hoge kosten gemoeid zijn, dat een vergoeding zoals in artikel 10.1 is omschreven. Ook indien de artikelen 6:236 en 6:237 BW op grond van reflexwerking niet toepasselijk worden geacht, dient artikel 10.1 in de algemene voorwaarden als onredelijk bezwarend te worden beschouwd, zodat het beding vernietigbaar is, althans niet van toepassing moet worden geacht. In dat geval is het beding immers op grond van de artikelen 6:2 en 6:248 lid 2 niet van toepassing, nu het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat een redelijke opzegtermijn hooguit twee maanden kan bedragen.

De overeenkomst is geëindigd door de opzegging van [gedaagde] op 12 oktober 2012. Proximedia kan derhalve geen betaling van facturen vorderen over de periode vanaf
12 oktober 2012. Hooguit kan over die periode de vergoeding ex artikel 10.1 worden gevorderd. De buitengerechtelijke kosten komen evenmin voor toewijzing in aanmerking.

3.3.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] beroept zich op dwaling. Kortheidshalve wordt verwezen naar hetgeen daarover onder 3.2. is opgenomen. Voorts voert [gedaagde] aan dat de vertegenwoordiger van Proximedia onvolledige en onjuiste informatie heeft verstrekt, deze namens Proximedia toezeggingen heeft gedaan die niet overeenkomen met de inhoud van de schriftelijke overeenkomst en dat hij haar niet voor ondertekening van de overeenkomst heeft gewezen op essentiële informatie. Zo werd met name uitdrukkelijk en bij herhaling door de medewerker van Proximedia toegezegd dat [gedaagde] slechts eenmalig een bedrag van € 90,-- diende te voldoen en dat er verder aan de overeenkomst geen kosten waren verbonden. [gedaagde] is van oordeel dat de bewijslast omtrent de al dan niet door Proximedia verstrekte informatie omgekeerd dient te worden op grond van artikel 6:193j BW. Aan haar komt immers, middels reflexwerking, een beroep toe op de Wet op de Oneerlijke Handelspraktijken, zoals neergelegd in de artikelen 6:193a BW en verder.

4.2.

Omtrent het beroep op – kort gezegd – de Wet oneerlijke handelspraktijken overweegt de kantonrechter als volgt. Vast staat dat [gedaagde] de overeenkomst heeft gesloten in het kader van haar bedrijf, mede omdat de door Proximedia aangeboden goederen en diensten in het kader van de bedrijfsvoering van [gedaagde] worden gebruikt. [gedaagde] kan dus niet worden gekwalificeerd als “consument” als genoemd in artikel 6:193a BW. Ten aanzien van de bescherming van kleine ondernemingen zijn Kamervragen gesteld. Uit de Nadere Memorie van Antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 928, E, p. 6 en 7) volgt dat de minister het volgende daarover heeft opgemerkt:

“(…) Een kleine zelfstandige valt niet onder het beschermingsbereik van de richtlijn (kantonrechter: de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, waarop de bepalingen van artikel 6:193a e.v. BW zijn gebaseerd). Kleine zelfstandigen die worden gedupeerd door oneerlijke handelspraktijken kunnen hiertegen optreden op basis van de bestaande mogelijkheden in het burgerlijk recht (zoals onrechtmatige daad, dwaling of bedrog) of aangifte doen van oplichting of verduistering bij de politie. De vraag of kleine zelfstandigen dezelfde bescherming nodig hebben als consumenten, vraagt een afweging die het beste op Europees niveau kan worden gemaakt. (….) Wat betreft de suggestie in genoemde publicatie om door toekenning van reflexwerking aan de zwarte lijst met oneerlijke handelspraktijken in het wetsvoorstel (artikelen 193g en 193i) te voorzien in rechtsbescherming van kleine zelfstandigen tegen oneerlijke handelspraktijken, dit is in voorkomende gevallen een kwestie ter beoordeling van de rechter.”

De kantonrechter is van oordeel dat in de wetsgeschiedenis van de Wet oneerlijke handelspraktijken voor een ruime uitleg van het begrip “consument” geen steun is te vinden. Evenmin is voldoende steun te vinden om reflexwerking aan te nemen. Daarbij betrekt de kantonrechter dat bij de Colportagewet eenzelfde discussie is gevoerd en uit de parlementaire geschiedenis van die wet volgt dat de betreffende ministers een vergelijkbare opmerking zoals hiervoor is geciteerd, hebben gemaakt ten aanzien van de vraag of kleine ondernemers door reflexwerking van de Colportagewet bescherming genieten (vgl. Aanhangsel Handelingen II 2007/2008, nr. 1454). In hoger beroep is tot nu toe geen enkel beroep van een kleine onderneming op reflexwerking van de Colportagewet gehonoreerd. De kantonrechter volgt die lijn ook wat betreft de vraag of reflexwerking toekomt van de afdeling Oneerlijke handelspraktijken. In andere, meer recente wetgeving (zoals de regeling consumentenkoop in artikel 7:5 e.v. BW) wordt alleen bescherming toegekend aan de consument zijnde de “natuurlijke persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf”. Een bepaling met een open norm waarop reflexwerking gebaseerd zou kunnen worden – zoals bij de regeling van de onredelijk bezwarende bedingen waar de open norm van artikel 6:233 onder a BW van invloed kan zijn op de toetsing van een beding in algemene voorwaarden bij een niet-consument die een met een consument vergelijkbare positie inneemt – is er niet.

Het beroep van [gedaagde] op de bepalingen opgenomen in de afdeling 3A, oneerlijke handelspraktijken wordt daarom verworpen.

4.3.

[gedaagde] heeft ter zitting ter onderbouwing van haar verweer tevens een beroep gedaan op een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 november 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:5307), in het bijzonder rechtsoverwegingen 4.4.1. en 4.4.2. Zij voert aan dat tussen haar en Proximedia een overeenkomst is gesloten met een andere inhoud dan is neergelegd in de overeenkomst. Proximedia heeft ter zitting verklaard met de inhoud van dat arrest bekend te zijn. De kantonrechter oordeelt als volgt. Zoals reeds geoordeeld voert [gedaagde] aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de overeenkomst zou worden gesloten waarbij [gedaagde] slechts eenmalig een bedrag van € 90,-- diende te voldoen en dat er verder aan de overeenkomst geen kosten waren verbonden. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar betoog een beroep gedaan op de schriftelijke verklaringen van [K.], [V.] en [S.] (zie hiervoor onder 2.14. en 2.15.). Wanneer zij zou hebben geweten dat zij maandelijks een bedrag van € 234,-- (exclusief BTW) moest voldoen dan was zij de overeenkomst niet aangegaan, aldus het betoog van [gedaagde]. Daarmee heeft de gestelde, bij [gedaagde] levende, verkeerde voorstelling van zaken betrekking op de strekking van de door partijen bij de overeenkomst afgelegde wilsverklaringen; [gedaagde] betwist in wezen dat over de thans door Proximedia gestelde strekking en reikwijdte van de overeenkomst wilsovereenstemming is bereikt. Dat rechtvaardigt geen beroep op (eigenlijke) dwaling op grond van artikel 6:228 BW, maar betreft een beroep op oneigenlijke dwaling in die zin dat haar in de overeenkomst vervatte verklaring niet overeenstemde met haar wil. Indien dat beroep op oneigenlijke dwaling gehonoreerd zou worden, zou er geen overeenkomst tot stand gekomen zijn.

4.4.

In de overeenkomst staat uitdrukkelijk vermeld dat maandelijks een bedrag van € 234,-- (exclusief BTW) verschuldigd is en eenmalig een bedrag van € 90,-- voor dossierkosten. De kantonrechter overweegt dat de overeenkomst tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de door Proximedia gestelde overeenkomst, zodat ingevolge de artikelen 156 en 157 Rv, behoudens tegenbewijs, vast staat de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen van [gedaagde]. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen de in de overeenkomst opgenomen betalingsverplichting om maandelijks een bedrag van € 234,-- (exclusief BTW) en eenmalig een bedrag van € 90,-- te voldoen.

4.5.

In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering zal iedere verder beslissing worden aangehouden.

4.6.

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

laat [gedaagde] toe tegenbewijs te leveren tegen de in de overeenkomst opgenomen betalingsverplichting om maandelijks een bedrag van € 234,-- (exclusief BTW) en eenmalig een bedrag van € 90,-- te voldoen;

bepaalt dat, indien [gedaagde] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de rolzitting van donderdag 27 maart 2014 te 10.30 uur in het geding dient te brengen;

bepaalt dat, indien [gedaagde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, een het verhoor van deze getuigen zal worden bepaald, welk getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, gelegen aan het Stadhuisplein 4 te Eindhoven en wel op een nader vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [gedaagde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van de gemachtigden en van de getuigen in de maanden maart, april en mei 2014 op de hiervoor vermelde terechtzitting direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) zullen worden bepaald;

bepaalt dat [gedaagde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste zeven dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank dient op te geven en dat de getuigen tenminste zeven dagen voor het verhoor bij dagvaarding of aangetekende brief dienen te worden opgeroepen;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2014.