Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6842

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
SHE 14/3788
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op voorhand besloten een asielzoekerscentrum in de Orangerie in Eindhoven te gedogen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Voor zover dit is gedaan namens anonieme personen, overweegt de voorzieningenrechter dat de Awb anoniem procederen niet toelaat. De wel genoemde namen zijn kenbaar geworden binnen de bezwaartermijn en er wordt voldaan aan artikel 6:5 Awb. 1 persoon is nog geen eigenaar van een nabije woning. 2 andere personen wonen op geruime afstand en de voorzieningenrechter verwacht niet dat zij ruimtelijk relevante gevolgen van het besluit zullen ondervinden. Ook hebben zij geen persoonlijk belang. De bezwaren van deze 3 personen zullen naar verwachting niet ontvankelijk worden verklaard. Een vierde persoon wordt wel als belanghebbende aangemerkt.

Het gedoogbesluit is onzorgvuldig. De rechter ziet niet in waarom verweerder gemeend heeft zo snel te moeten beslissen op het verzoek van het COA, zonder daarbij te overleggen met bijvoorbeeld een wijkagent of leden van de wijkvereniging. Daarom kan het besluit van verweerder in zijn huidige vorm geen stand houden. Inmiddels bestaat er wel concreet zicht op legalisatie van het gebruik van het gebouw. Er heeft ook overleg plaats gevonden met omwonenden. Mede gelet op de behoefte aan opvangvoorzieningen bij het COA, weegt de voorzieningenrechter de belangen van het COA en het college zwaarder dan die van de omwonenden. Daarom wijst de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Omdat de kritiek van de omwonenden deels terecht is, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college de proceskosten van de omwonenden moet betalen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldigheid: 2014-11-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/402
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6491

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/3788

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], [naam 2], [naam 3], te [woonplaats 1],

[naam 4], te [woonplaats 2]

verzoekers,

(gemachtigde: mr. J. Pach),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Kepers en R. Martens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (verder: COA), te Rijswijk, gemachtigde: mr. R.V.G. van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten dat niet handhavend wordt opgetreden tegen het door het COA in gebruik nemen van de Orangerie aan de Castiliëlaan 15 te Eindhoven voor de opvang van maximaal 700 bewoners.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. [naam 1] en [naam 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij zijn verschenen haar gemachtigde en [naam 5].

Overwegingen

1.1

De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Verweerder heeft op 18 oktober 2005 een tijdelijke bouwvergunning op grond van artikel 45 van de Woningwet en een tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor het tijdelijk bouwen van huisvesting ten behoeve van een gecombineerd verpleeg- en verzorgingshuis voor maximaal 5 jaar. Met deze vergunning is het pand ‘de Orangerie’ opgericht. De Orangerie is tot omstreeks 2011 gebruikt en heeft daarna leeg gestaan, met uitzondering van anti-kraak bewoning.

1.3

Het COA heeft verweerder op 17 september 2014 verzocht om medewerking te verlenen aan het in gebruik nemen van de Orangerie aan de Castiliëlaan 15 te Eindhoven voor de opvang van maximaal 700 bewoners voor de periode van minimaal 2 jaar.

1.4

Op 18 september 2014 heeft verweerder besloten om niet handhavend op te treden tegen dit aangevraagde gebruik. Aan dit besluit is de voorwaarde verbonden dat uitgeprocedeerde bewoners van het asielzoekerscentrum niet aan de andere kant van de slagboom worden gezet. Het besluit is op 24 september 2014 bekendgemaakt door verzending aan het COA.

1.5

Op 17 oktober 2014 heeft de gemachtigde van verzoekers namens [naam 1] en een aantal niet met naam genoemde personen, een verzoek om handhaving ingediend. Op 20 oktober 2014 heeft de gemachtigde van verzoekers namens dezelfde personen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 27 oktober 2014 heeft de gemachtigde van verzoekers namens dezelfde personen een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

1.6

Op 3 november 2014 heeft het COA een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor bouwactiviteiten en het gebruik van de Orangerie in afwijking van het bestemmingsplan voor de duur van 2 jaar.

1.7

Op 5 november 2014 heeft de gemachtigde van verzoekers op verzoek van de rechtbank per telefax de namen van [naam 2], [naam 3] en [naam 4] doorgegeven aan de rechtbank. Hij heeft in dit bericht ook aangegeven dat de overige indieners van het verzoekschrift om redenen van privacy, veiligheid en vanwege de gevoeligheid van de zaak hun namen niet openbaar willen maken. De rechtbank heeft dit bericht op dezelfde dag doorgestuurd naar verweerder en het COA. Desgevraagd hebben verzoekers ter zitting aangegeven dat zij voor 3 november 2014 opdracht hebben gegeven aan hun gemachtigde om bezwaar te maken.

1.8

[naam 1] woont op ongeveer 1.200 meter hemelsbreed van de Orangerie. Van [naam 3] woont op ongeveer 1.500 meter hemelsbreed van de Orangerie. [naam 2] woont op ongeveer 500 meter hemelsbreed van de Orangerie. Geen van drieën kunnen vanuit hun woning de Orangerie zien liggen. Achter de woning van [naam 2] loopt een openbaar pad dat direct leidt naar de Orangerie.

2.1

Verweerder en het COA hebben gesteld dat verzoekers, met uitzondering van [naam 1], hebben verzuimd tijdig hun naam kenbaar te maken en dat verzoekers geen van allen een belang hebben bij het bestreden besluit. Hierover overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.2

Op basis van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet in een bezwaarschrift de naam en het adres van de indiener worden vermeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) heeft in een uitspraak van 29 augustus 2000 (zaaknummer 199903225/1) geoordeeld dat de identiteit van degenen die bezwaar of beroep maken voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn en dat een dergelijk verzuim niet kan worden hersteld. Volgens de Afdeling kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden desondanks aan deze eis worden voldaan mits kan worden vastgesteld dat de betreffende personen voor afloop van de termijn opdracht hebben gegeven om bezwaar of beroep te maken.

2.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaarschrift, voor zover dat is ingediend door personen die hun naam niet openbaar wil maken, niet ontvankelijk zal worden verklaard. De Awb staat anoniem procederen niet toe.

2.4

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de namen van [naam 2], [naam 3] en [naam 4] voor afloop van de bezwaartermijn kenbaar zijn geworden. Los van het feit dat verweerder verzoekers niet op het verzuim heeft gewezen, waren zowel het COA als verweerder op de hoogte van deze namen binnen de bezwaartermijn. Zij zijn daardoor niet in hun belangen geschaad. Dat de namen niet rechtstreeks aan verweerder zijn doorgegeven binnen de bezwaartermijn, doet hier niet aan af. Onder deze bijzondere omstandigheden is aan artikel 6:5 van de Awb voldaan.

2.5

Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar maken. Op basis van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is een belanghebbende iemand wiens belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit. Het moet bovendien gaan om een persoonlijk belang.

2.6

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [naam 4] geen rechtstreeks belang heeft omdat hij geen eigenaar is van een perceel in de nabijheid van de Orangerie. Hij heeft evenmin een onherroepelijke koopovereenkomst gesloten over een dergelijk perceel. [naam 4] is geen belanghebbende en zijn bezwaar zal naar verwachting daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2211).

2.7

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [naam 1] en [naam 3] op een zo grote afstand wonen van de Orangerie dat het onwaarschijnlijk is dat zij ruimtelijk relevante gevolgen zullen ondervinden van het voorgenomen gebruik van de Orangerie. De voorzieningenrechter verwacht niet dat de voorzieningenstructuur in hun wijk ingrijpend zal worden aangetast door de komst van 700 asielzoekers, ook omdat veel voorzieningen al binnen het asielzoekerscentrum zullen worden aangeboden. [naam 1] en [naam 3]hebben verder onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De omstandigheid dat zij een brief hebben gehad waarin zij op de hoogte zijn gesteld van de komst van het asielzoekerscentrum, maakt dit niet anders. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om een persoonlijk belang aan te nemen. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3386). Deze uitspraak ging over een bestemmingsplan dat de bouw van ongeveer 320 woningen mogelijk maakte en waar iemand die op ongeveer 280 meter van het plangebied woonde, volgens de Afdeling niet ontvankelijk was. [naam 1] en [naam 3] zijn geen belanghebbenden en hun bezwaren zullen naar verwachting daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

2.8

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat [naam 2] wel een rechtstreeks betrokken belang heeft. Weliswaar woont zij op meer dan 300 meter afstand, maar achter haar woning ligt een pad dat rechtstreeks uitkomt bij de Orangerie. De voorzieningenrechter acht het niet onwaarschijnlijk dat toekomstige bewoners van de Orangerie van dit pad gebruik zullen maken, temeer omdat [naam 2] ter zitting heeft aangegeven dat voorheen bejaarden die woonden in de Orangerie dit pad ook gebruikten. Door het gebruik van de Orangerie als opvangcentrum kan zij daarom worden geconfronteerd met ruimtelijk relevante gevolgen die zij nu niet ondervindt. Zij is daarom wel als belanghebbende aan te merken.

3.1

Verzoekers hebben aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen, zonder overleg met wijkbewoners. Een illegale situatie wordt gedoogd zonder enig zicht op een einddatum. Volgens verzoekers is geen sprake van een overmacht situatie omdat verweerder niet verplicht is om mee te werken aan het verzoek van de staatssecretaris aan gemeenten om asielzoekers onderdak te bieden. Er is volgens hen geen concreet zicht op legalisatie van de illegale situatie. Ook de voorwaarde in het bestreden besluit is onduidelijk. Verder vinden verzoekers dat verweerder hierover van te voren overleg had moeten voeren met omwonenden.

3.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. In het bestreden besluit is ten onrechte aangegeven dat de Orangerie thans is vergund. Dat is niet het geval. De Orangerie en het gebruik ervan zijn illegaal omdat de tijdelijke bouwvergunning en de tijdelijke vrijstelling al lang zijn uitgewerkt. Verder is onduidelijk tot wanneer het gedogen duurt. In het besluit staat dat wordt gedoogd conform de aanvraag van het COA (voor de duur van minimaal 2 jaar) en dat wordt gedoogd tot het moment dat definitief is besloten op een destijds niet ingediende aanvraag voor een permanente omgevingsvergunning. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat, zolang er geen aanvraag wordt ingediend er voor onbepaalde tijd zou moeten worden gedoogd. Op
18 september 2014 was geen sprake van een concreet zicht op legalisatie, reeds omdat het COA geen volledige aanvraag voor een omgevingsvergunning had ingediend.
Verder ziet de voorzieningenrechter niet in waarom verweerder heeft gemeend om zo snel te moeten beslissen op het verzoek van de COA zonder voorafgaand overleg met derden zoals een wijkagent, buurtcoördinator, leden van een wijkvereniging of gebiedsmanager. Ook al was een dergelijk overleg misschien niet op grond van de Gemeentewet en de lokale inspraakverordening verplicht, mede uit oogpunt van een goede voorbereiding was een dergelijk overleg wel op zijn plaats geweest. Tot slot is de voorwaarde over de uitgeprocedeerde bewoners van het asielzoekerscentrum volstrekt onduidelijk. Ook ter zitting heeft verweerder niet kunnen uitleggen wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het bestreden besluit in de huidige vorm niet in stand zal kunnen blijven.

4.1

Dit roept vervolgens de vraag op of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Inwilliging van het verzoek om schorsing van het bestreden besluit zou tot gevolg hebben dat verweerder meteen zou moeten gaan besluiten op het handhavingsverzoek van verzoekers. Vaste rechtspraak in dit kader is dat verweerder moet optreden tegen een overtreding gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van verweerder worden gevergd, om van handhaving af te zien. Dit is onder meer het geval als sprake is van een concreet zicht op legalisatie.

4.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat inmiddels wel een concreet zicht op legalisatie. Het COA heeft op 3 november 2014 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het tijdelijke gebruik van de Orangerie ingediend en het treffen van bouwkundige voorzieningen. In deze aanvraag is in een ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd waarom tijdelijke huisvesting van asielzoekers in de Orangerie niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het COA wil weliswaar gebruik maken van een mogelijkheid die pas sinds 1 november 2014 bestaat (na wijziging van artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht per 1 november 2014) maar dat is haar goed recht. Het is aan verweerder om op deze aanvraag een besluit te nemen. Verweerder heeft aangegeven dat hij dit binnen enkele weken wil doen. Volgens verweerder is de aanvraag volledig en staat niet op voorhand vast dat de aanvraag zal worden geweigerd. Verzoekers hebben kennis genomen van de aanvraag en hebben dit standpunt van verweerder onvoldoende betwist. Dit concreet zicht op legalisatie zal verweerder moeten betrekken bij het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers. De voorzieningenrechter neemt hierbij verder in aanmerking dat de aanvraag van 3 november 2014 moet worden getoetst aan het Bouwbesluit onder meer in kader van brandveiligheid en dat in een eventuele omgevingsvergunning duidelijke voorschriften kunnen worden opgenomen over uitgeprocedeerde bewoners van het asielzoekerscentrum.
Weliswaar heeft verweerder geen overleg met omwonenden gevoerd, maar een dergelijk overleg met omwonenden en anderen heeft achteraf wel op initiatief van het COA plaatsgevonden. Verzoekers betreuren het dat geen overleg met de gemeenteraad heeft plaatsgevonden, maar uiteindelijk is niet de gemeenteraad maar alleen verweerder bevoegd om het bestreden besluit te nemen en een besluit te nemen op de aanvraag van het COA van 3 november 2014. Tot slot heeft het COA voldoende aannemelijk gemaakt dat de behoefte aan opvangvoorzieningen groot is. De voorzieningenrechter beschouwt het toenemend aantal asielzoekers als een vaststaand gegeven in deze zaak omdat verweerder noch het COA enige invloed heeft op de instroom van asielzoekers in Nederland. Weliswaar is verweerder niet verplicht om opvang aan deze asielzoekers te bieden, maar verweerder moet wel beslissen op de concrete aanvraag van het COA.

4.3

Onder de hierboven genoemde omstandigheden weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening minder zwaar dan de belangen van verweerder en het COA die pleiten tegen het treffen daarvan. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

4.4

Gelet op de deels terechte kritiek van verzoekers op het bestreden besluit ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten gemoeid met het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
    € 974,00.

.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.